de terugkomst van hunnen vriend en deelgenoot in hun lijden, dien zij
door wilde dieren van de ergste soort, namelijk door kannibalen,
verslonden waanden, en hoe zij nog meer verrast werden door zijne
mededeeling van het doel zijner komst, en dat er een Christen op een
eiland in de nabijheid woonde, niet alleen, maar ook een, die in staat
en menschlievend genoeg was om tot hunne bevrijding mede te werken.
Vervolgens beschreven zij hoe verbaasd zij stonden, toen zij den
voorraad zagen, dien ik hun toegezonden had, en vooral de stukken brood,
dat zij sedert hunne komst op die rampzalige plaats niet gezien hadden;
hoe dikwijls zij het kruisten en zegenden, als eene gave des Hemels, en
hoe het hun aller moed opbeurde, toen zij het proefden; even als het
overige, dat ik hun gezonden had. En vervolgens verhaalden zij mij van
hunne vreugde bij het zien van eene boot en van een loods, om hen te
brengen naar den persoon en de plaats, vanwaar die giften kwamen; doch
dit, zeiden zij, konden zij met geene woorden uitdrukken, want hunne
bovenmatige vreugde dreef hun tot buitensporige blijken daarvan aan,
waarvan zij alleen konden vermelden, dat zij gevaar hadden geloopen van
hun verstand er bij te verliezen, daar zij niet wisten hoe zij hunne
vreugde lucht zouden geven. Bij de eene openbaarde zich dat op deze, bij
de ander op gene wijze; sommigen barstten in hunne eerste verrukking in
tranen uit, anderen waren half zinneloos en anderen vielen in zwijm. Dit
verhaal trof mij uitermate en herinnerde mij Vrijdags verrukking, toen
hij zijnen vader terug vond, en de buitensporigheden van het arme
scheepsvolk, dat ik op zee opnam, toen hun schip in brand stond; de
vreugde van den kapitein, toen hij zich bevrijd zag op de plaats, waar
hij dacht te sterven, en mijne eigene blijdschap, toen ik na eene
achtentwintigjarige gevangenschap een goed schip gereed zag, om mij naar
mijn vaderland te voeren. Al deze zaken maakten het verhaal van deze
arme lieden voor mij te treffender.
Na aldus den staat van zaken, zoo als ik die vond, medegedeeld te
hebben, moet ik vermelden wat ik voor deze lieden deed, en hoe ik hen
achter liet. Zij waren met mij van gevoelen, dat zij niet meer door de
wilden verontrust zouden worden, of dat, als het gebeurde, zij hen
zouden afslaan, al waren zij ook tweemaal zoo sterk als vroeger; dus
baarde hun dit geen zorg. Daarop had ik een ernstig onderhoud met den
Spaanschen gouverneur over hun verder verblijf op het eiland, want daar
ik niet gekomen was om eenigen hunner af te halen, zou het onregtvaardig
geweest zijn sommigen mede te nemen en anderen achter te laten, die tot
dit laatste misschien ongenegen zouden zijn als hunne magt verminderd
werd. Aan den anderen kant zeide ik hem, dat ik gekomen was niet om hen
vandaar te voeren, maar om hen daar te vestigen, en dat ik een aantal
goederen van allerlei aard voor hen medegebragt had, en geen geld
ontzien om hun zoo wel van het noodige als wat tot hun gemak dienen kon,
te voorzien, en dat ik deze en die lieden bij mij had, zoo wel om hun
aantal te vermeerderen, als om de beroepen, waartoe zij opgeleid waren,
en waardoor zij hun konden bijstaan in die dingen, die hun thans
moeijelijk vielen. Zij waren allen bijeen, toen ik hun aldus toesprak,
en alvorens ik hun de medegebragte goederen overgaf, vroeg ik hun een
voor een af of zij geheel en al hunne vroegere vijandelijkheden vergeten
en uitgedelgd hadden, en elkander de hand wilden geven en strikte
vriendschap zweren, zoo dat er noch oneenigheid, noch naijver tusschen
hen heerschte.
Willem Atkins zeide met veel openhartigheid en opgeruimdheid, dat zij
genoeg tegenspoeden hadden geleden om hen allen bezadigd, en genoeg
vijanden aangetroffen om hen allen tot vrienden te maken; dat hij, wat
hem betreft, met hen wilde leven en sterven, en wel verre van eenigen
wrok tegen de Spanjaarden te hebben, bekennen moest, dat zij hem alleen
behandeld hadden, gelijk zijn kwaad karakter hem noodzaakte, en hij zelf
in hun geval zou gedaan hebben, zoo al niet meer; en hij wilde hen om
verschooning vragen, als zij het verlangden, voor zijne dwaze en
onbescheiden handelwijze jegens hen; en zeer gaarne met hen in de
beste vriendschap en eendragt leven, en alles doen wat hij kon, om hen
hiervan te overtuigen. Het was hem wijders onverschillig of hij in de
eerste twintig jaren naar Engeland ging of niet.
De Spanjaarden zeiden, dat zij wel eerst Willem Atkins en zijne makkers
om hun wangedrag ontwapend en verjaagd hadden, gelijk zij mij verhaald
hadden, en mij zelf lieten oordeelen of dit niet noodig geweest was.
Maar Willem Atkins had zich in het gevecht met de wilden en later
meermalen zoo goed gedragen en zoo voor het algemeen welzijn zich in de
bres gesteld, dat zij al het verledene vergeten hadden, en hem met
wapens en andere noodwendigheden voorzien, gelijk ieder ander, en hem
hun vertrouwen getoond, door hem onder den gouverneur het bevel op te
dragen. Niet alleen stelden zij thans een volkomen vertrouwen in hem en
zijne landslieden, maar zij erkenden ook, dat deze dat vertrouwen op
allerlei wijzen getoond hadden te verdienen. Eene allerhartelijkste
omhelzing bevestigde van weerszijden deze verklaringen.
Na deze openhartige vriendschapsbetuigingen besloten wij allen den
volgenden dag een vriendschappelijken maaltijd te houden. Ik liet
daartoe den kok en zijn maat van boord halen, en de gewezen koksmaat
hielp hen. Wij bragten zes stukken ossenvleesch en vier zijden spek van
het schip, met onze punschkom en wat er vereischt werd om die te vullen;
en bovendien gaf ik hun tien flesschen rooden wijn en tien flesschen
Engelsch bier; hetgeen noch de Spanjaards, noch de Engelschen vele jaren
geproefd hadden, en hun dus uiterst aangenaam was. De Spanjaarden
voegden daarbij vijf geiten, die de kok braadde, en waarvan ik drie naar
boord zond aan de matrozen, ten einde deze zich aan versch vleesch
konden vergasten, gelijk wij aan gezouten deden.
Na den maaltijd waren wij onschuldig vrolijk; ik haalde mijne goederen
te voorschijn, en wees hun, om allen twist te vermijden, dat er voor
allen genoeg was, en verlangde, dat zij ieder evenveel zouden hebben,
namelijk als het tot kleedingstukken gemaakt was. Eerst deelde ik genoeg
linnen uit, dat ieder vier hemden had, en op het verzoek der Spanjaarden
vermeerderde ik dit tot zes. Deze waren hun uiterst aangenaam, want zij
hadden sedert lang vergeten wat het was een hemd te dragen. Ik bepaalde,
dat ieder zooveel dun laken zou hebben als voor een kiel genoeg was, dat
de beste dragt in dit klimaat was, als zijnde ruim en luchtig. Ik zeide,
dat als zij versleten waren, zij uit den voorraad nieuwe konden maken,
en even zoo met de schoenen, kousen, hoeden, enz.
Ik kan niet zeggen hoeveel genoegen op het gelaat dezer arme lieden te
lezen stond, toen zij zagen hoe ik voor hen gezorgd had. Zij zeiden, dat
ik een vader voor hen was, en dat met een correspondent als ik, zij zich
niet vergeten geloofden in dezen afgelegen hoek der wereld. En allen
beloofden mij vrijwillig de plaats niet zonder mijne toestemming te
verlaten.
Daarop stelde ik hun de lieden voor, die ik medegebragt had, zoo als den
kleedermaker, den smid en de twee timmerlieden; maar bovenal mijn
duizendkunstenaar, wien zij niets konden noemen daar hij tegen opzag. De
kleedermaker ging, om zijne gewilligheid te toonen, dadelijk aan het
werk om voor ieder een hemd te maken, en leerde de vrouwen daarbij met
de naald omgaan, en deed zich door haar helpen. Dat de timmerlieden
nuttig waren, behoef ik ook niet te zeggen; zij namen dadelijk al het
lompe onhandige huisraad onderhanden, en maakten knappe tafels, stoelen,
bedsteden, kasten, planken, en al wat zij van dien aard noodig hadden.
Maar eerst wilde ik hen laten zien hoe knappe kunstenaars uit zichzelve
iets kunnen doen, en nam hen mede naar Willem Atkins manden huis, gelijk
ik het noemde; en beiden verzekerden nimmer zulk een vernuftig werkstuk
gezien te hebben, noch iets wat in zijne soort zoo regelmatig en knap
gebouwd was. Een hunner, na er lang op gestaard te hebben, zeide tot
mij: "Gij kunt er op aan, dat die man ons niet noodig heeft; gij behoeft
hem slechts gereedschap te geven."
Vervolgens bragt ik al mijne gereedschappen aan wal, en gaf iedereen een
spade, een schop en een hark, want wij hadden geene eggen of ploegen; en
voor iedere plantaadje een houweel, een breekijzer en een dissel; met
bepaling, dat als een daarvan brak of versleten was, deze dadelijk
zonder misnoegen uit den algemeenen voorraad aangevuld moest worden.
Spijkers, krammen, hengsels, hamers, beitels, messen, scharen en
allerlei gereedschappen en ijzerwerk ontving ieder ongeteld zooveel hij
noodig had, want niemand verlangde meer dan hij gebruiken kon. Voor den
smid liet ik twee ton onbewerkt ijzer achter.
Mijn voorraad van kruid en wapens, dien ik hun medebragt, was zoo groot,
dat zij er verrukt van stonden; want nu konden zij, gelijk ik gewoon
was, met een geweer op ieder schouder uitgaan, en wel duizend wilden het
hoofd bieden, zoo zij slechts eene niet onvoordeelige standplaats kozen,
gelijk zij altijd gemakkelijk doen konden.
Ik had den jongeling mede naar den wal genomen, wiens moeder van honger
gestorven was, en ook de dienstmaagd. Deze laatste was een zedig,
welopgevoed, godsdienstig meisje, dat zich zoo innemend gedroeg, dat
iedereen haar gaarne lijden mogt. Zij leidde onder ons een onaangenaam
leven, daar zij de eenigste vrouw aan boord was, maar droeg dit met
geduld. Na eenigen tijd, toen zij alles op mijn eiland zoo goed geordend
en bloeijend zag, en bedacht, dat zij in Oost-Indië niets te verrigten
en geene bekenden hadden, kwamen beide mij verlof vragen op het eiland
te blijven bij mijn huisgezin, gelijk zij het noemden. Ik stemde
gereedelijk hierin toe, en hun werd een stuk lands aangewezen, waar drie
huizen of tenten opgeslagen werden met vlechtwerk, gelijk die van Atkins
verschanst, en aan zijne plantaadje grenzende. Deze tenten waren zoo
ingerigt, dat aan weerszijden een slaapvertrek was, en in het midden
eene groote kamer of schuur om hunne goederen in te bewaren en te eten
en te drinken. En daar de twee andere Engelschen hunne woning naar
dezelfde plaats verlegden, zoo bleven er slechts drie kolonies op het
eiland, en niet meer; namelijk die van de Spanjaards met den ouden
Vrijdag en hunne drie slaven, in mijne oude woning aan den heuvel, dat
inderdaad eene uitmuntende stad was, welker vestingwerken zij zoo wel
aan de binnen- als buitenzijde der heuvels uitgebreid hadden, zoodat zij
zoo wel veilig als in de ruimte woonden. Nimmer zag men zulk een stadje
in een bosch, of ergens ter wereld, geloof ik, zoo verborgen. Duizend
man hadden het eiland eene maand lang kunnen doorzoeken, en zoo zij niet
geweten hadden, dat het bestond, zouden zij het niet gevonden hebben,
want de boomen stonden zoo digt opeen, en waren zoo door elkander
gegroeid, dat men ze eerst moest vellen om de plaats te naderen, behalve
door twee naauwe ingangen, die niet gemakkelijk te ontdekken waren; de
een kwam vlak aan het water uit, wel tweehonderd schreden van de plaats,
en de ander was de reeds beschreven ladder, en de plaats, waar deze
uitkwam, was ook digt met hout begroeid.
De tweede kolonie, die van Atkins, bestond uit vier Engelschen, die ik
daar vroeger achtergelaten had, met hunne vrouwen en kinderen; drie
slaven, de weduwe en kinderen van den gedooden Engelschman, de jongeling
en de kamenier, die wij ook voor ons vertrek uittrouwden. Daar woonden
ook de twee timmerlieden, de kleedermaker en de smid, die vooral zeer
nuttig was voor hunne geweren, en mijn duizendkunstenaar, die alleen zoo
veel kon als twintig man, en iedereen door zijne grappen opbeurde. Wij
trouwden hem uit aan de kamenier, die met den jongeling met ons aan wal
gegaan was. Dit trouwen brengt mij natuurlijk op den Franschen
geestelijke, dien ik van het brandende schip verlost had. De man was
zeker Roomschgezind, en in de oogen van sommigen zal het vreemd zijn,
dat ik met zoo veel lof van hem gewaag. Maar om hem regt te laten
wedervaren, moet ik zeggen, dat hij een ernstig, bedaard, vroom en
godsdienstig man was, onberispelijk van zeden, liefderijk van aard en
een voorbeeld in al wat hij deed. Wie kan mij laken, dat ik de waarde
besef van zulk een man, onverschillig of zijn geloof al dan niet het
mijne was.
Het eerste gesprek, dat ik met hem had, nadat wij bepaald hadden, dat
hij mede naar Oost-Indië zou gaan, was mij uiterst aangenaam.
"Mijnheer," zeide hij, "gij hebt niet alleen naast God mij het leven
gered, maar mij toegestaan deze reis met u te doen; mijn gewaad toont u
mijn geloof, en aan uwe natie kan ik het uwe gissen. Ik mag het als mijn
pligt beschouwen, gelijk het ongetwijfeld is, te allen tijde mijn
uiterste best te doen, alle zielen tot de kennis der waarheid en de
aanneming van het Roomsche geloof over te halen; maar daar ik hier met
uwe toestemming, en als het ware in uw huisgezin mij bevind, eischt zoo
wel de kieschheid als de billijkheid, dat ik mij naar uw verlangen
schik, en ik zal derhalve niet zonder uwe toestemming over
godsdienstpunten spreken, waarin wij niet overeenstemmen."
Ik antwoordde, dat ik getroffen was over de kieschheid van zijn gedrag;
dat wij, wel is waar, tot degenen behoorden, die men elders Ketter
noemt, maar dat hij niet de eerste Katholijke priester was, met wien ik
vriendschappelijk verkeerd had, en zonder dat onze verschillende
meeningen kwaad bloed zetten. Ik verzekerde hem, dat hij niet minder zou
behandeld worden om dat zijn geloof van het mijne verschilde, en dat zoo
er uit dien hoofde ongenoegen tusschen ons rees, het mijne schuld niet
zijn zou.
Hij zeide, dat zijns inziens niets gemakkelijker was dan te spreken
zonder te twisten, en hij niet met ieder, dien hij aantrof, over
geloofspunten behoefde te twisten, en liever als een welopgevoed man met
mij wilde verkeeren. Wilde ik later met hem over zaken van godsdienst
spreken, dit zou hem aangenaam zijn, maar dan moest ik hem vrij laten
zijne meeningen te verdedigen zoo goed hij kon, doch zonder mijne
toestemming zou dit niet gebeuren. Hij zeide verder, dat hij daarom niet
nalaten zou alles te doen wat zijn pligt als priester en Christen van
hem eischte, ten beste van het schip en scheepsvolk; en schoon wij
misschien niet in zijn gebed konde instemmen, hoopte hij toch voor ons
te bidden.--Aldus spraken wij veel, en hij was niet alleen een man van
een allerbeschaafdst gedrag, maar ook van gezond verstand, en ik geloof
ook zeer geleerd.
Hij gaf mij een zeer belangrijk verhaal van zijn leven, gedurende de
weinige jaren, dat hij in de wereld rondzwierf, vooral was het
merkwaardig, dat hij op zijne tegenwoordige reis vijf malen van schip en
bestemming veranderd was. Eerst was hij te St. Malo op een schip, naar
Martinique bestemd, gegaan, doch toen zij door storm Lissabon moesten
inloopen, hadden zij bij het opzeilen van de Taag gestooten, en moeten
lossen. Hij vond een schip zeilree liggen naar Madera, waar hij aan
boord ging, denkende ligtelijk een schip naar Martinique te zullen
ontmoeten, maar de Portugesche kapitein, die een bedroefd zeeman was,
geraakte zijn bestek kwijt en belandde te Fial, waar hij echter zijne
lading zeer goed afzette, en dus besloot niet naar Madera te gaan, maar
zout op het eiland Mai in te laden, en vandaar naar Newfoundland te
verzeilen. Hij was genoodzaakt mede te gaan, en had eene vrij gunstige
reis tot aan de banken, waar hij een Fransch schip ontmoette, dat naar
Quebec en vandaar naar Martinique bestemd was; hiermede dacht hij zijne
bestemming te bereiken, maar de kapitein stierf en het schip bleef daar.
Daarop ging hij naar Frankrijk scheep in het schip, dat verbrandde, en
ging toen bij ons aan boord om mede naar Oost-Indië te gaan. Aldus had
hij vijf mislukte reizen gedaan op slechts eene reis als het ware.
Doch ik wil niet uitweiden over andere lotgevallen, die niet tot de
mijne betrekking hebben, en keer tot ons eiland terug. Hij vertoefde al
dien tijd op het eiland onder ons, en kwam op een morgen bij mij, juist
toen ik de kolonie der Engelschen, die het verst af lag, wilde bezoeken.
Hij zeide mij met een zeer ernstig gelaat, dat hij twee of drie dagen
lang eene gelegenheid gezocht had tot een onderhoud met mij, hetwelk hij
hoopte, dat mij niet onaangenaam zou zijn, omdat het, naar zijne
meening, eenigzins met mijn oogmerk strooken zou, namelijk den voorspoed
van mijne kolonie, en om op deze, misschien meer dan thans, Gods zegen
verwerven.
Ik was door dit laatste eenigzins verrast, en zeide levendig: "Hoe,
mijnheer, denkt gij dat Gods zegen niet op ons rust, na zulken bijstand
en wonderbare redding, als ik u gisteren breedvoerig verhaald
heb?"--"Zoo gij de goedheid gehad hadt, mijnheer, mij te laten
uitspreken," zeide hij zeer zachtaardig en toch zeer levendig, "zoudt
gij niet misnoegd op mij geweest zijn, althans mij niet verdacht hebben,
dat ik niet geloofde, dat God u beschermd had. Ik vertrouw ook, dat Gods
zegen op u rust; want uwe oogmerken zijn nuttig en heilzaam. Maar,"
vervolgde hij, "al waren zij dit nog meer dan u zelfs mogelijk is, zoo
kunnen er toch eenigen onder u zijn, die niet even regtvaardig handelen,
en gij weet uit de geschiedenis der kinderen Israëls, dat de zonde van
Achan de goddelijke straf op zesendertig anderen deed nederdalen, en
Gods toorn tegen hen verwekte."
Ik werd hierdoor zeer getroffen, en zeide hem, dat zijne bedoelingen mij
zoo welgemeend toeschenen, dat het mij speet, dat ik hem gestoord had,
en hem verzocht voort te gaan. Tevens zeide ik hem, dat ik naar de
plantaadje der Engelschen wilde gaan, en verzocht hem mede te wandelen,
en mij onder weg mede te deelen wat hij te zeggen had. Hij zeide mij,
dat hij mij gaarne wilde vergezellen, omdat hij mij juist over dezen
wilde spreken. Dus wandelden wij voort, en ik verzocht hem rondborstig
en openhartig met mij te spreken.
"Welnu dan, mijnheer," zeide hij, "laat mij u eerst eenige
grondstellingen openleggen, als beginselen, waarop hetgeen berust, wat
ik u zeggen wilde, ten einde daaromtrent geen verschil te hebben, schoon
vrij in de beoefening van sommige bijzonderheden mogten verschillen.
Eerstelijk, mijnheer, schoon vrij in sommige punten van godsdienst
verschillen, en dit vooral in dit geval, gelijk ik u nader aantoonen
zal, zeer ongelukkig is, zijn er echter eenige punten waaromtrent wij
overeenstemmen. In de eerste plaats gelooven wij beide, dat er een God
is, en dat deze ons eenige vaste regelen, om hem te dienen en te
gehoorzamen, gegeven heeft, en dat wij die niet opzettelijk mogen
overtreden, hetzij door zijne geboden te veronachtzamen of te doen wat
deze verbieden. En hoedanig ook ons geloof moge zijn, gereedelijk
erkennen wij allen, dat Gods zegen gewoonlijk niet volgt op eene
opzettelijke overtreding zijner geboden, en ieder goed Christen zal
ijverig trachten anderen te beletten, die onder zijne hoede zijn, dat
zij God en zijne geboden geheel veronachtzamen. Dat uwe landslieden
Protestanten zijn, ontslaat mij niet van de bezorgdheid voor hunne ziel,
en van mijn pligt, om te trachten, als het mij mogelijk is, dat zij
hunnen Schepper zoo min beleedigen als mogelijk; vooral als gij mij
toestaat mij in deze zaken te mengen."
Ik begreep zijne bedoeling nog niet, maar stemde alles toe wat hij
gezegd had, en dankte hem voor zijne zorg voor ons welzijn, en verzocht
hem mij zijne meening nader uiteen te zetten.
"Welnu dan, mijnheer," zeide hij, "ik zal van uw verlof gebruik maken,
en er zijn drie dingen, die, als ik wel heb, Gods zegen op uwe pogingen
moeten beletten, en die ik om uwent en hunnent wil gaarne uit den weg
geruimd zou zien. En ik vertrouw, dat gij met mij zult instemmen als ik
ze u opnoem, vooral als ik u aantoon, dat zij gemakkelijk en naar uw
genoegen hersteld kunnen worden. Eerstelijk hebt gij hier vier
Engelschen, die onder de wilden vrouwen genomen hebben, en ieder
verscheidene kinderen hebben, zonder aan haar gehuwd te zijn, op
eenigerlei wijze, gelijk Goddelijke en menschelijke wetten vereischen,
en die derhalve voor beide in overspel leven. Gij zult hiertegen
aanvoeren, dat er geenerlei geestelijke was om de plegtigheid te
volbrengen, noch zelfs pen, inkt of papier, om eene trouwbelofte of
huwelijkscontract aan te gaan of te teekenen. En ik weet ook wat u de
Spaansche gouverneur verhaald heeft, namelijk van de verbindtenis
tusschen hen, dat ieder zijne eigene vrouw zou houden. Dit is echter
geheel geen huwelijk, geen overeenkomst tusschen hen en hunne vrouwen,
maar alleen eene onderlinge verbindtenis om twisten te voorkomen. Maar
de hoofdzaak van het huwelijk bestaat niet alleen in de onderlinge
toestemming van beide partijen, om elkander tot man en vrouw te nemen,
maar in de plegtige en wettige verbindtenis, die man en vrouw verpligt
elkander te allen tijde als zoodanig te erkennen, de mannen verbiedt met
eenige andere vrouw eene verbindtenis aan te gaan, zoo lang deze leeft,
en gelast bij alle gelegenheid voor haar en hare kinderen te zorgen; en
de vrouwen dezelfde of soortgelijke pligten oplegt."
"Maar nu, mijnheer, kunnen deze mannen, als zij goedvinden, of de
gelegenheid zich opdoet, deze vrouwen verlaten, hunne kinderen verzaken,
aan het gebrek ten prooi geven, en andere vrouwen ten huwelijk nemen,
terwijl deze nog leven." En met eenige warmte vervolgde hij: "Hoe,
mijnheer, wordt God door deze ongeoorloofde losbandigheid geëerd? En hoe
zal zijn zegen op uwe ondernemingen alhier nederdalen, hoe goed die op
zich zelve, en hoe welgemeend uwe oogmerken zijn, terwijl deze lieden,
die thans uwe onderdanen zijn, en onder uwe volstrekte heerschappij
staan, met uw goedvinden, in openlijk overspel leven?"
Ik moet bekennen, dat de zaak zelf mij trof, maar nog veel meer de
krachtige redenen, die hij bijbragt; want het was waar, dat, hoewel er
geen geestelijke aanwezig was, een plegtig contract, voor getuigen
opgemaakt en bevestigd door een of ander teeken, al ware het slechts
door het breken van een stok, waardoor deze lieden zich verpligtten deze
vrouwen te allen tijde voor hunne echtgenooten te erkennen, en haar noch
hare kinderen ooit te verlaten; en de vrouwen desgelijks van haren kant,
een wettig huwelijk voor God zou geweest zijn, en dat het zeer te laken
was, dat het niet geschied was.
Ik dacht den jongen priester tevreden te stellen door de opmerking, dat
dit geschied was, terwijl ik niet hier was, en dat zij nu zoo vele jaren
zoo geleefd hadden, dat, al ware het overspel, dit toch thans niet meer
te herstellen was, en er thans niets aan te doen viel.
"Gij hebt in zoo verre gelijk, mijnheer," zeide hij, "dat het u niet tot
verwijt kan strekken, daar het in uwe afwezigheid geschied is. Maar ik
smeek u, denk niet, dat gij daarom thans niet verpligt zoudt zijn dit te
doen ophouden. Hoe kunt gij anders denken, dan dat voor het toekomende
al het misdadige daarvan ten uwen laste zal komen, al zijt gij aan het
verledene onschuldig, daar het thans in uwe magt staat het te doen
ophouden, en in niemands magt anders."
Ik begreep hem nog niet geheel, maar verbeeldde mij, dat hij bedoelde,
door een eind er aan te maken, dat ik hen van elkander zou scheiden, en
niet toelaten, dat zij langer met elkander leefden; en ik zeide hem,
dat ik dit volstrekt niet doen kon, want dat het geheele eiland hierdoor
in verwarring zou geraken. Hij scheen verwonderd, dat ik hem zoo
verkeerd kon begrijpen. "Neen mijnheer," zeide hij, "ik bedoel niet, dat
gij hen zoudt scheiden, maar hen wettig laten huwen. En daar mijne wijze
van een huwelijk in te zegenen hen misschien niet zou aanstaan, schoon
dit zelfs naar uwe landswetten verbindend zou zijn, zoo kunt gij dit
even goed voor God en even wettig voor de menschen doen; ik meen door
eene schriftelijke verbindtenis, onder getuigen, die bij alle regtbanken
in Europa geldig zal geacht worden."
Ik was getroffen door zooveel echte godsvrucht, en zoo opregten ijver
aan te treffen, bij zulke treffende onpartijdigheid omtrent zijne kerk,
en zulke vurige belangstelling, om lieden, die hij niet kende of eenige
betrekking op had, voor overtreding van Gods wetten te bewaren; welks
gelijken ik nimmer ontmoet had. Doch toen ik overwoog wat hij van een
schriftelijk contract gezegd had, antwoordde ik, dat ik alles wat hij
gezegd had toestemde, als zeer regtvaardig en zeer liefderijk van hem,
en dat ik er met de mannen over spreken zou. Ik zag geene reden waarom
zij door hem zich niet zouden laten trouwen, hetwelk in Engeland even
geldig zou geacht worden, alsof een Engelsch geestelijke het gedaan had.
Later zal ik verhalen hoe wij dit schikten.