Toen de onzen op een paar geweerschoten afstand van hen gekomen waren,

gelastte de Spaansche gouverneur twee schoten met los kruid te doen. Dit

deed hij, om uit hun voorkomen op te maken, wat men van hen te wachten

had, namelijk of zij nog moeds genoeg bezaten om te vechten, of dat zij

door hunne nederlaag geheel ontmoedigd waren, ten einde hij

diensvolgens zou kunnen handelen. Deze krijgslist gelukte. Naauwelijks

hadden de wilden het eerste schot gehoord, of zij sprongen in de grootst

mogelijke verwarring op de been, en toen de onzen zich snel naar hen toe

begaven, liepen allen gillende en huilende weg, met eene soort van

gillend gekrijsch, dat ons volk niet verstond en nimmer te voren gehoord

had, en zoo liepen zij over de heuvels landwaarts in. Eerst wenschten de

onzen, dat het weder meer bedaard geweest was, en zij allen in zee waren

gestoken, maar daarbij bedachten zij niet, dat dit waarschijnlijk

aanleiding zou gegeven hebben, dat zij in zoo grooten getale terug waren

gekomen, dat zij onwederstaanbaar waren, of althans, dat zij zoo sterk

en zoo dikwijls terugkwamen, dat het eiland er geheel door verwoest

worden en zij van honger sterven zouden. Willem Atkins, die in weerwil

van zijne wond altijd bij hen geweest was, gaf thans den besten raad,

hij stelde voor van hun tegenwoordig voordeel partij te trekken, de

wilden van hunne kanoe's af te snijden, en hun zoo de mogelijkheid

ontnemen van wederom tot onheil des eilands terug te komen.

Lang beraadslaagden zij hierover, en sommigen waren er tegen, uit vrees,

dat de rampzaligen naar de bosschen zouden vlugten en daar in wanhoop

blijven leven; en dan zouden zij jagt op hen moeten maken als op wilde

beesten, bevreesd zijn van buiten's huis te gaan, hunne velden steeds

afgestroopt, hun tam vee gestolen vinden, en kortom in de grootste

armoede voortaan moeten leven. William Atkins voerde daarentegen aan,

dat het beter was met honderd mannen, dan met honderd natiën te doen te

krijgen, dat zij niet alleen de kanoe's vernielen, maar ook de menschen

moesten uitroeijen, of zelf door hen uitgeroeid worden. In een woord hij

bewees hun zoo duidelijk, dat het noodig was, dat zij er allen in

toestemden; dus begonnen zij dadelijk de kanoes te vernielen, en eenig

droog hout van een dooden boom nemende, trachtten zij er eenigen van in

brand te steken, maar zij waren zoo nat, dat zij niet wilden branden.

Het vuur beschadigde haar echter zoo, dat zij geen zee konden bouwen.

Toen de Indianen zagen, wat er gebeurde, kwamen eenige hunner het bosch

uitstuiven, en de onzen naderende, knielden zij neder en riepen: _Oa,

oa, waremokoa_! en eenige andere woorden in hunne taal, waarvan niemand

iets verstond, doch uit hunne droevige gebaren en gejammer kon men

duidelijk opmaken, dat zij smeekten hunne booten te sparen, en dat zij

vertrekken wilden en nimmer terugkomen.

Doch de onzen waren thans overtuigd, dat hun zelfbehoud en dat der

kolonie hun geen anderen weg openliet, dan dit volk te beletten weder

naar hun land terug te keeren; daar zij begrepen, dat zoo slechts een

hunner in zijn land terugkeerde om zijnen landslieden het voorgevallene

mede te deelen, het met de kolonie gedaan was. Zij gaven hun dus te

kennen, dat zij geene genade te wachten hadden, en vernielden al die

kanoes, welke de storm nog gespaard had. Op dit gezigt hieven de wilden

in het bosch een afgrijsselijk geschreeuw aan, dat de onzen duidelijk

hoorden, waarna zij als onzinnigen in het rond liepen, zoodat de onzen

eerst niet wisten, wat met hun te doen.

De Spanjaards met al hunne voorzigtigheid bedachten ook niet, dat,

terwijl zij deze lieden tot het uiterste bragten, zij goede wacht over

hunne plantaadjen moesten houden, want schoon zij hun vee weggedreven

hadden en de Indianen hunne voornaamste bewaarplaats daarvan niet

vonden, namelijk mijn oud kasteel aan den heuvel of de spelonk in het

dal, hadden zij echter mijne plantaadje aan mijn lusthuis ontdekt, en

het gewas en de afsluitingen geheel vernield, het graan vertrapt, de

wijngaarden uitgeroeid, terwijl de druiven bijkans rijp waren, en de

onzen eene onberekenbare schade toegebragt, zonder er zelf eenig

voordeel van te hebben. Schoon de onzen hen altijd het hoofd konden

bieden, konden zij hen echter niet vervolgen of jagt op hen maken, en

terwijl zij de onzen te vlug ter been waren als deze een enkelen hunner

aantroffen, durfden deze echter ook niet alleen uitgaan, uit vrees van

door een aantal hunner omsingeld te worden. Gelukkig hadden zij geene

wapens, want zij hadden wel bogen maar geen pijlen noch middelen om die

te maken, en ander wapentuig hadden zij niet.

Groot en inderdaad beklagelijk was het gebrek, dat zij leden, maar te

gelijk werden de onzen tot strenge maatregelen tegen hen genoopt, want

schoon hun bergplaats bewaard was, waren hunne velden vernield en

verwoest. Hun eenigste toevlugt was thans hunne kudde, die zij in het

dal bij de spelonk hielden, en eenig graan, dat daar groeide, benevens

de plantaadje van Willem Atkins en zijn makker, waarvan de ander gedood

was door een pijl, die hem in het hoofd getroffen had. Het was

opmerkelijk, dat dit dezelfde woestaard was, die den armen slaaf met

zijne bijl gewond, en naderhand voorgeslagen had al de Spanjaards te

vermoorden. Hun toestand scheen mij thans slimmer dan de mijne ooit was,

nadat ik het eerst de halmen graan en rijst ontdekt, en eenig koorn

gewonnen en tam vee gekregen had; want nu hadden zij als het ware

honderd wolven op het eiland, die alles vernielden wat in hun bereik

kwam, schoon zij hen zelven niet bereiken konden.

Het eerst wat zij besloten was, hen zoo mogelijk verder naar het

zuidoost einde van het eiland te drijven, opdat, zoo er meer wilden op

het eiland kwamen, deze hen niet zouden vinden, vervolgens, dat zij hen

dagelijks zouden bestooken, en zoo veel dooden als zij konden, tot hun

getal wat afgenomen was en zij hen konden temmen, wanneer zij hun koorn

zouden geven en leeren hoe zij dit aankweeken en van hunnen veldarbeid

leven konden. Te dien einde vervolgden en verschrikten zij hen zoodanig

met hunne geweren, dat als een na weinige dagen op een Indiaan schoot,

deze, als hij niet getroffen was, van schrik nederstortte; en zij waren

zoo vreesselijk beangst, dat zij zich steeds verder verwijderden, tot

eindelijk de onzen hen volgden en schier alle dagen eenigen doodden of

wondden; waarop zij zich zoo in holen en bosschen verscholen, dat zij

schier van honger vergingen, en eenigen vond men naderhand dood in het

bosch zonder eenige wond, die alleen van honger gestorven waren.

Toen de onzen dit gewaar werden ging het hun aan het hart, en gevoelden

zij diep medelijden met hen, vooral de Spaansche gouverneur, die de

edelmoedigste man was, dien ik ooit in mijn leven aangetroffen heb. Hij

sloeg voor, er zoo mogelijk een gevangen te nemen en hem hun voornemen

te doen begrijpen, zoo dat hij het zijnen landslieden kon mededeelen, en

trachten hen tot het aannemen van voorwaarden aan te manen, waardoor zij

in het leven konden blijven en geen kwaad meer doen. Het duurde eenigen

tijd voor men er een magtig kon worden, en eindelijk werd een, die zeer

verzwakt en half dood van honger was, gevangen genomen. Hij was eerst

norsch, en wilde eten noch drinken, maar toen hij zag, dat hij goed

behandeld werd en men hem geen kwaad deed, werd hij eindelijk

handelbaar.

Daarop liet men den ouden Vrijdag tot hem gaan, die veel met hem sprak,

en hem zeide hoe goed men het met hen allen voorhad, dat zij hun niet

alleen in het leven wilden sparen, maar ook een deel van het eiland

geven om op te wonen, mits zij beloofden, dat zij binnen hunne grenzen

bleven en den anderen geen kwaad deden; en dat zij hun graan zouden

geven om aan te kweeken en er brood van te maken, en eenig brood om

thans van te leven, en de oude Vrijdag zeide den wilde, dat hij aan

zijne landslieden dit moest mededeelen en hooren wat zij er van zeiden,

terwijl hij verzekerde, dat zoo zij dit niet dadelijk aannamen, zij

allen uitgeroeid zouden worden.

De rampzaligen, die geheel gedwee waren geworden, en wier getal tot op

zevenendertig was gesmolten, namen dadelijk den voorslag aan, en

smeekten om eenig voedsel; waarop twaalf Spanjaarden en twee Engelschen,

goed gewapend, met drie slaven en den ouden Vrijdag zich naar de plaats

begaven, waar zij waren. De drie slaven droegen eene groote menigte

brood en eenige uit rijst gebakken en in de zon gedroogde koeken en drie

levende geiten. Men gelastte hun op de zijde van een heuvel te gaan

zitten, gelijk zij deden, en met veel dankbaarheid de levensmiddelen

opaten en in het vervolg hunne beloften ten stiptste nakwamen; want

behalve als zij om levensmiddelen of onderrigting kwamen vragen,

overschreden zij nimmer hunne grenzen, maar woonden binnen dezelve toen

ik op het eiland kwam en hen ging opzoeken.

Men had hun geleerd graan te kweeken, brood te maken, tamme geiten te

fokken en die te melken. Het ontbrak hun slechts aan vrouwen, anders

zouden zij spoedig een volk geworden zijn. Hun was een strook lands

aangewezen, die aan de achterzijde door hooge heuvels omringd was, en

van voren zich tot aan zee aan den zuidoosthoek des eilands, uitstrekte.

Zij hadden land genoeg, en het was zeer goed en vruchtbaar, want het was

ongeveer eene halve mijl breed en eene mijl lang. De onzen leerden hun

houten spaden te maken, gelijk ik gedaan had, en gaven hun twaalf bijlen

en drie of vier messen, en zij leefden zoo onderworpen en onschuldig als

mogelijk was. Hierna genoot de kolonie ten aanzien der wilden eene

volkomene rust, tot ik hen ongeveer twee jaren later weder bezocht; wel

kwamen nu en dan eenige kanoes met wilden, om hun barbaarsch gastmaal te

houden, maar daar zij tot onderscheidene natiën behoorden, en misschien

van degenen, die vroeger kwamen, noch van hun oogmerk iets gehoord

hadden, zochten zij nimmer naar hen, en zouden hen ook, al hadden zij

het gedaan, moeijelijk gevonden hebben.

Ik heb thans, geloof ik, een volledig verslag geleverd van hetgeen hun

tot aan mijne terugkomst wedervoer, althans alles wat meldenswaardig

was. De Indianen of wilden waren bijzonder door hen beschaafd, en

dikwijls gingen zij hen bezoeken, echter was het den Indianen op

doodstraffe verboden bij hen te komen, omdat zij hunne inrigtingen niet

weder verraden wilden hebben.

Iets was zeer opmerkelijk, namelijk, dat zij de Indianen manden leerden

vlechten, maar dat deze hunne meesters spoedig te boven gestreefd waren,

want zij maakten van teenen de alleraardigste dingen, als manden, zeven,

vogelkooijen, enz., zoo wel als stoelen, voetbankjes, rustbanken en eene

menigte dergelijke dingen, en waren zeer vernuftig in dat werk, toen zij

eerst den slag er van hadden.

Mijne komst was hun uiterst welkom, want wij voorzagen hen van messen,

scharen, schoppen, spaden, houweelen en alles wat zij van dien aard

noodig hadden. Met deze werktuigen waren zij zoo handig, dat zij zich

zeer aardige hutten of woningen bouwden, die zij even als mandenwerk

geheel met rijs omvlochten, hetgeen zeer aardig bedacht was en

allervreemdst stond, maar eene uitmuntende beschutting was, zoo wel

tegen de hitte als tegen allerlei ongedierte; en de blanken waren er zoo

mede ingenomen, dat zij den wilden verzochten dit ook voor hen te doen,

zoodat toen ik de twee Engelsche kolonies ging bezoeken, deze op een

afstand naar een aantal bijenkorven geleken, en Willem Atkins, die zich

thans zeer werkzaam, nuttig en gematigd gedroeg, had zelf voor zich eene

tent van teenen gevlochten, waarvan men de weergade wel nimmer gezien

zal hebben. De buitenste omvang daarvan was honderd en twintig schreden,

gelijk ik meette; de muren waren in twee en dertig vakken of paneelen

zoo digt als eene mand gevlochten, verdeeld, en zeer sterk en omtrent

zeven voet hoog. In het midden stond een andere muur van niet wel twee

en twintig schreden in omvang, maar sterker en in achthoekigen vorm

gebouwd, en op de acht hoeken stonden zeer sterke palen, op welke acht

stutten, die het hoogopgaande dak droegen, rustten; en dat alles zeer

sterk in elkander gevoegd, ofschoon hij geene bouten en slechts weinige

ijzeren banden had, die hij ook zelf gesmeed had uit het oude ijzer, dat

ik achtergelaten had. Inderdaad toonde deze knaap vrij wat

scherpzinnigheid in vele dingen, waarvan hij geene kennis had. Hij had

voor zich eene smidse met een houten blaasbalk gemaakt. Hij had

houtskool gebrand, om daar te stooken, en hij maakte uit een van de

ijzeren koevoeten een tamelijk goed aanbeeld om op te smeden. Op deze

wijze had hij verscheidene dingen gemaakt, maar vooral haken en banden,

bouten en hengsels. Maar om tot zijn huis terug te keeren; nadat hij het

dak van zijne binnenste tent bevestigd had, dekte hij dit met gevlochten

teenen, en deze weder zoo netjes met rijstenstroo, en daarover groote

boombladen, die den gevel bedekten, dat zijn huis zoo droog was of het

met pannen of leijen gedekt was. Hij bekende echter, dat de wilden het

vlechtwerk voor hem gedaan hadden.

Van deze binnensten tot aan den buitensten muur liep eene soort van

afdak rondom denzelven geheel en al, en lange latten liepen van de twee

en dertig vakken naar de hoofdstijlen van het binnenste huis, zijnde

eene breedte van omtrent twintig voet, zoo dat er tusschen den

binnensten en buitensten muur eene soort van wandeling was van twintig

voet breed. De binnenste tent was met soortgelijk, maar veel fijner

vlechtwerk afgedeeld in zes vertrekken, zoodat hij zes kamers

gelijkvloers daarin had, en in ieder dezer kamers was eerst eene deur,

die in den hoofdingang van de groote tent uitkwam, en eene tweede deur,

die in den rondloopenden gang of ruimte tusschen de beide muren uitkwam,

zoodat deze ruimte ook in zes vakken afgescheiden was, die niet alleen

tot een wijkplaats, maar ook tot berging van voorraad van het gezin

strekte. Deze zes kamers besloegen echter den geheelen omvang van den

buitensten omgang niet, en het overige was verdeeld als volgt. Bij het

inkomen van de deur van het geheele gebouw zag men voor zich een regte

gang, die naar de deur van de binnenste tent geleidde, maar aan

weerszijden was een gevlochten beschot met eene deur er in, door welke

men kwam eerst in eene groote kamer of schuur van twintig voet breed en

dertig voet lang, en door deze in eene andere, die niet wel zoo lang

was, zoodat er in de buitenste ruimte tien knappe kamers waren; in zes

van welke men niet dan door de binnenste vertrekken kon komen, en die

tot slaap- of bergplaatsen voor de verschillende kamers van het

binnenste verblijf verstrekten; en vier groote schuren, of hoe men ze

noemen wil, die in elkander liepen, twee aan weerszijden van den ingang,

die naar de binnenste tent voerde.

Zulk een meesterstuk van vlechtwerk is, geloof ik, nergens ter wereld

meer gezien, noch een huis of tent, die sneller zamengesteld of zoo

gebouwd was. In deze groote bijenkorf leefden drie huisgezinnen,

namelijk Willem Atkins en zijn makker; de ander was gedood, maar zijne

vrouw bleef met drie kinderen over; en de beide anderen aarzelden

volstrekt niet om de laatsten van alles hun aandeel te geven, namelijk

van melk, graan, druiven en als zij een geit geslagt of een schildpad

gevonden hadden. Allen leefden dus vrij wel, schoon het waar was, dat

zij niet zoo vlijtig waren als de andere twee Engelschen, gelijk ik

reeds gezegd heb.

Eene zaak mag ik echter niet verzwijgen, namelijk wat de godsdienst

betreft, geloof ik niet, dat zij daar ooit aan dachten; wel herinnerden

zij elkander dikwijls genoeg, dat er een God was, door op de gewone

wijze der matrozen zijn naam al vloekende te misbruiken. De arme,

onwetende Indiaansche vrouwen trokken er ook geen voordeel van, dat zij

met Christenen, gelijk zij heetten, leefden; want daar zij zelf weinig

van godsdienst wisten, waren zij geheel onbekwaam een woord over God of

godsdienst te wisselen. De eenigste aanwinst, die de vrouwen door hun

toedoen verkregen hadden, was, dat zij redelijk wel Engelsch hadden

leeren spreken, en al de kinderen, die zij hadden, dat ongeveer twintig

bedroeg, spraken ook Engelsch, schoon in den beginne zeer gebroken,

even als hunne moeders. Geen van deze kinderen was ouder dan zes jaren,

toen ik bij hen kwam; want het was niet veel langer dan zeven jaren

geleden, dat zij deze vijf Indiaansche dames van elders gehaald hadden;

maar zij waren allen zeer vruchtbaar, en hadden allen kinderen, de een

meer, de ander minder. Ik geloof, dat de vrouw van den gewezen koksmaat

van haar zesde kind zwanger was; en de moeders waren allen een goed slag

van stille, bedaarde, nijvere en zedige schepsels, zeer behulpzaam voor

elkander, magtig gehoorzaam en eerbiedig jegens hunne meesters, want ik

kan niet zeggen hunne mannen; en haar ontbrak niets dan onderrigt in de

Christelijke godsdienst, en een wettig huwelijk, hetwelk beide later

gelukkig door mijn toedoen tot stand kwam, althans ten gevolge van mijne

komst aldaar.

Na aldus een verslag van de kolonie in het algemeen gegeven te hebben,

en vrij uitvoerig van mijne vijf weggeloopen Engelschen, moet ik iets

zeggen van de Spanjaarden, die het voornaamste deel van de bevolking

uitmaakten, en wier geschiedenis ook belangrijks genoeg opleverde.

Veel heb ik met hen gesproken over hunne omstandigheden, toen zij onder

de wilden leefden. Zij verhaalden mij rondborstig, dat zij geene

bewijzen konden geven van hunne vlijt of vernuft aldaar; dat zij daar

eene handvol arme, ongelukkige, neerslagtige lieden waren, dat zoo zij

hulpmiddelen bij de hand gehad hadden, zij toch zoo aan de wanhoop

overgegeven waren, en zoo verplet door hunne ongelukken, dat zij aan

niets dan aan den dood zouden gedacht hebben. Een hunner, een ernstig en

zeer verstandig man, zeide, dat hij overtuigd was, dat zij ongelijk

hadden; dat het geen mensch paste zich door het ongeluk geheel te laten

ter nederslaan, maar dat men altijd dien bijstand moest trachten te

verwerven, die ons verstand ons zoo wel voor het oogenblik als voor het

vervolg aanbiedt. Hij zeide mij, dat neerslagtigheid de onverstandigste

eigenschap is, die er ter wereld bestaat, want dat deze alleen op het

verledene ziet, dat gewoonlijk onmogelijk herdaan of herroepen kan

worden; maar geen oog op de toekomst vestigt, en zich niet toelegt op

iets wat tot redding kan strekken, maar het ongeluk veeleer verzwaart

dan herstelt; waarbij hij een Spaansch spreekwoord aanvoerde, dat,

schoon ik het niet letterlijk mededeelen kan, zoo veel beteekende als:

"treurigheid in het ongeluk verdubbelt het ongeluk." Vervolgens putte

hij zich uit in loftuitingen over al de kleine verbeteringen, die ik in

mijne eenzaamheid had tot stand gebragt, en hoe ik een toestand, die in

den beginne op zichzelve veel erger dan de hunne was, duizendmaal

gelukkiger gemaakt had dan de hunne was, zelfs nu zij allen bij elkander

waren. Hij zeide, het was opmerkelijk, dat Engelschen in het ongeluk

meer tegenwoordigheid van geest aan den dag leggen dan eenige andere

natie, die hij ooit ontmoet had; dat hunne landgenooten en de Portugezen

het minst geschikt waren om met tegenspoeden te worstelen; want dat in

gevaren, na de eerste mislukte pogingen, zij dadelijk het hoofd in den

schoot legden en zich aan de wanhoop overgaven, zonder meer om redding

te denken.

Ik zeide hem, dat hun geval en het mijne aanmerkelijk verschilde; dat

zij schipbreuk hadden geleden zonder eenige noodwendigheden of voedsel,

of hoop op hun onderhoud te hebben. Wel is waar had ik het treurige

ongeval van geheel alleen te zijn, maar de toevoer, dien de

Voorzienigheid mij zoo onverwacht beschikt had, door het op het strand

drijven van het schip, was zulk een hulp, dat het iedereen even als mij

tot verdere inspanningen had moeten aansporen. "Sennor," zeide de

Spanjaard, "zoo wij, arme Spanjaarden, in uw geval geweest waren, zouden

wij nimmer half zooveel uit het schip gehaald hebben als gij; wij zouden

nimmer een vlot hebben kunnen zamenstellen, of het zonder zeil of riemen

naar den wal gekregen hebben; en hoeveel minder zouden wij dit gedaan

hebben," vervolgde hij, "als een onzer alleen geweest was!"--Ik verzocht

hem daarop zijne pligtplegingen te staken en het verhaal van hunne komst

aan wal, waar zij landden, te vervolgen. Hij verhaalde mij, dat zij

ongelukkig op eene plaats landden, waar het volk zelf geen voorraad had;

terwijl, zoo zij zoo verstandig geweest waren van weder in zee te gaan

en naar een ander eiland, een weinig verder af, over te steken, zij

levensmiddelen, schoon geene bewoners, zouden gevonden hebben, gelijk

men hun verhaald had. Spanjaarden uit Trinidad waren daar namelijk

dikwijls geweest, en hadden er verscheiden malen geiten en varkens op

gezet, die zich daar ontzettend vermenigvuldigd hadden, en waar zoo veel

schildpadden en zeevogels waren, dat zij althans geen gebrek aan vleesch

zouden gehad hebben, al hadden zij geen brood gevonden; terwijl zij

thans alleen van eenige wortelen en kruiden moesten leven, die zij niet

kenden en die hun geene krachten gaven, en waarvan de inwoners hun

slechts weinig gaven; en deze konden hen niet meer geven, of zij moesten

kannibalen worden en menschenvleesch eten, dat de grootste lekkernij van

hun land was.

Zij verhaalden mij hoe menigmaal zij getracht hadden de wilden,

waaronder zij woonden, te beschaven, en hen betere gewoonten in het

dagelijksch leven te leeren; doch te vergeefs; en hoe deze er over

gebelgd waren en het onregtvaardig oordeelden, dat zij die daar om hulp

en leeftogt kwamen smeeken, zich tot leermeesters wilden opwerpen van

degenen, die hun brood gaven; waarmede zij, naar het scheen, hun wilden

te kennen geven, dat niemand zich tot een anders leermeester moest

opwerpen, als hij niet zonder hem leven kon. Een droevig tafereel hingen

zij voor mij op van den nood, dien zij geleden hadden; hoe zij somtijds

verscheidene dagen zonder eenig voedsel waren; daar de bewoners van dat

eiland allertraagste wezens waren, en uit dien hoofde minder van

levensmiddelen voorzien dan zij meenden dat anderen in dat deel der

wereld waren, en toch vonden zij deze wilden minder roof- en vraatziek

dan anderen, die meer voedsel hadden.

Zij voegden er bij, dat zij in hun geval op nieuw de blijken hadden

gezien van Gods goedertierene Voorzienigheid, want zoo zij, door hunne

ontberingen en de onvruchtbaarheid van het land gedrongen, naar een

ander eiland de wijk hadden genomen, zou de hulp, die hun door mij

beschikt was, hen niet bereikt hebben. Zij verhaalden mij vervolgens hoe

de wilden, waar onder zij woonden, verlangd hadden, dat zij met hen ten

oorlog zouden trekken. En het is waar, dat daar zij geweren hadden, zoo

hun kruid en lood niet ongelukkig verloren was gegaan, zij hunne

vrienden niet alleen veel dienst bewezen, maar zich ook bij vriend en

vijand geducht gemaakt zouden hebben. Maar zonder kruid, en terwijl zij

toch billijkerwijs hunne gastheeren niet konden weigeren, mede te veld

te trekken, waren zij er op het slagveld erger aan toe dan de wilden,

want zij hadden bogen noch pijlen, en konden die, welke de wilden hun

gaven, niet hanteren; dus konden zij slechts stilstaan en pijlen op zich

laten afschieten, tot zij den vijand bereiken konden, en dan waren de

drie hellebaarden, die zij hadden, hun van veel dienst, en dikwijls

dreven zij een geheel leger op de vlugt met deze hellebaarden, en

scherpe stokken, die zij in den loop hunner geweren staken. Dit belette

echter niet, dat zij soms door een overgroot aantal omringd werden en in

groot gevaar voor hunne pijlen waren; tot zij eindelijk bedachten groote

houten schilden te maken, die zij met dierenhuiden overtrokken, en deze

beschermden hen voor de pijlen der wilden. Desniettemin kwamen zij soms

in groot gevaar, en eens was dan vijf hunner door de houten knuppels der

wilden nedergeveld, hetwelk op dat tijdstip was, dat een hunner gevangen

werd genomen, namelijk de Spanjaard, dien ik verloste, en welke zij

eerst dachten, dat gesneuveld was, maar toen zij naderhand hoorden, dat

hij gevangen was, waren zij er allerbitterst bedroefd over, en hadden

gaarne allen hun leven op het spel gezet om hem te verlossen.

Zij verhaalden mij, dat toen de vijf zoo ter aarde stortten, hunne

overige makkers hen ontzetten, en om hen heen staande, bleven vechten

tot allen bijgekomen waren, behalve de een, die men dacht dat dood was;

en toen sloegen zij, digt aaneengesloten, zich door een troep van meer

dan duizend wilden heen, dreven alles voor zich uit wat hen in den weg

kwam, en behaalden de overwinning, doch tot hun groot verdriet, omdat

die gekocht was met het verlies van hunnen vriend, welke de anderen, die

nog leven in hem vonden, medevoerden, met eenige wilden, gelijk ik

vroeger verhaald heb.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 · 第 7 / 21 段