legertje van hunne vijanden regt op hunne woningen zien afgaan, en een
oogenblik later hunne woningen en al hun huisraad in lichtelaaije vlam
staan, tot hunne bittere smart en spijt, want zij leden een groot en
voor eenigen tijd onherstelbaar verlies. Zij bleven eene poos stand
houden, tot zij de wilden als verscheurende dieren zagen rondzwerven,
alles vernielende en nazoekende om buit te maken, en vooral naar
menschen zoekende, waarvan zij, gelijk thans duidelijk bleek, kennis
droegen. Dit ziende, achtten de twee Engelschen zich niet langer veilig
waar zij stonden, daar waarschijnlijk sommige wilden, en misschien een
te groote overmagt, hunnen kant heen zouden komen. Dus trokken zij een
half kwartier verder terug, hopende, dat hoe verder zij gingen, hoe meer
zij zich verspreiden zouden. Zij hielden stand aan het begin van een
zeer digt begroeid deel van het bosch, en waar een ouden, zeer grooten
en hollen boomstam stond, en in dezen boom gingen zij staan en besloten
af te wachten wat er verder gebeuren zou.
Niet lang daarna kwamen twee wilden regt op hen aan, alsof zij wisten,
dat zij hier stonden en hen kwamen aanvallen, en kort achter hen zagen
zij er nog drie aankomen, en nog vijf op eenigen afstand, die allen
denzelfden weg hielden; terwijl in de verte nog zeven of acht
rondzwierven, want zij liepen overal als jagers, die het wild opzoeken.
De arme kerels wisten zelf niet of zij stand houden of de vlugt nemen
zouden. Na een oogenblik beraad begrepen zij, dat als de wilden de
landstreek zoo afliepen, voor er bijstand kwam opdagen, zij misschien
hunne schuilplaats in het bosch zouden ontdekken, en dan was alles
verloren; dus besloten zij stand te houden, en als er voor hen te veel
kwamen, boven in den boom te klimmen, waaruit zij zich, zoo zij niet
door vuur aangevallen werden, dachten te kunnen verdedigen, zoo lang hun
kruid en lood zou strekken, al vielen ook al de wilden, die geland
waren, wier aantal omstreeks vijftig bedroeg, hen aan. Daarna
beraadslaagden zij of zij op de twee voorsten wilden schieten, of de
drie volgende afwachten, en op deze vuren; waardoor de twee voorsten en
de vijf laatsten gescheiden zouden zijn. Eindelijk besloten zij de twee
voorsten te laten gaan, ten ware dezen hen in den boom ontdekten of
aanvielen. Zij deden dit echter niet, maar gingen een weinig ter zijde
naar een ander gedeelte van het bosch, doch de drie en de vijf achter
hen kwamen regt op den boom aan, als wisten zij, dat de Engelschen daar
waren.
Toen deze hen zoo regt op hen zagen afkomen, besloten zij, daar zij
achter elkander liepen, dat slechts een te gelijk zou schieten, en
misschien kon het eerste schot hen alle drie treffen. Daarom deed de een
vier of vijf kogels op zijn geweer, en daar hij uit een gat in den boom
een goed mikpunt had, legde hij aan zonder gezien te worden, wachtende
tot zij omtrent dertig schreden van hem af waren, zoodat hij niet missen
kon. Terwijl de wilden naderden zagen zij duidelijk, dat een van de
drie de wilde was, die van hen was weggeloopen. Beide herkenden hem
duidelijk, en besloten, dat hij, zoo mogelijk, niet zou ontsnappen, al
zouden zij beide vuren, dus hield de ander zijn geweer gereed, om, zoo
hij niet bij het eerste schot viel, hem ook een kogel toe te zenden.
Maar de eerste was een te goed schutter, om hem te missen, en daar de
wilden digt achter elkander gingen, trof hij twee van hen. De eerste
ontving een kogel in het hoofd en was dadelijk dood; de tweede, die de
weggeloopen wilde was, stortte met een kogel in den buik neder, doch was
niet dood, en de derde had een schampschot in den schouder, misschien
van denzelfden kogel, die den ander door het lijf was gegaan, en daar
hij, schoon ligt gewond, allerhevigst verschrikt was, viel hij akelig
schreeuwende en gillende op den grond.
De vijf achtersten, meer verschrikt van het schot, dan gevaar ziende,
stonden eerst stil; want het schot weergalmde in het bosch, en de echo's
herhaalden het, en de vogels vlogen met een geweldig gekrijsch van alle
kanten op, even als het was toen ik het eerste schot deed, dat misschien
daar ooit, zoo lang het eiland geweest was, gevallen was. Toen echter
alles weder stil werd, gingen zij, niet wetende wat er gebeurd was,
onbezorgd verder, tot zij aan de plaats kwamen, waar hunne makkers zich
in een toestand bevonden, die jammerlijk genoeg was. En hier stonden de
arme onwetende schepselen, weinig bevroedende, dat hun hetzelfde onheil
boven het hoofd hing, allen over den gewonde gebogen, en vroegen
waarschijnlijk hoe hij zoo gekwetst kwam. Het is te denken, dat hij
zeide, dat een bliksemstraal en daarop gevolgde donderslag der goden
deze twee gedood en hem gewond had; dat is, zeg ik, te denken, want
gelijk zij niemand in hunne nabijheid gezien hadden, zoo ook hadden zij
nimmer iets van een geweerschot gehoord, en geenerlei besef, dat men
menschen met vuur en kogels op een afstand dooden konde. Ware het
anders, dan zouden zij niet zoo gerust bij hunne makkers gestaan hebben,
zonder voor zichzelven een gelijk lot te vreezen.
Ofschoon het de beide Engelschen, gelijk zij mij naderhand verklaarden,
aan het hart ging, dat zij zoo veel arme schepsels, die zelfs geenerlei
besef van hun gevaar hadden, moesten dooden, besloten zij echter, daar
zij hen nu allen in hunne magt hadden, en de eerste weder geladen had,
thans beide vuur te geven, en kwamen overeen op wie ieder mikken zou,
waarna zij vier hunner doodden, of althans zwaar kwetsten, de vijfde,
ofschoon niet gewond, viel van schrik met de overigen op den grond, zoo
dat zij hen allen ziende vallen, dachten, dat zij allen gedood waren. In
deze meening stapten onze twee mannen moedig uit den boom alvorens zij
weder geladen hadden, hetgeen zeer onverstandig was; en zij zagen vreemd
op, toen zij op de plek komende, niet minder dan vier wilden nog in
leven vonden, en daarvan twee ligt en een geheel niet gekwetst. Dit
dwong hen de kolf van hun geweer te gebruiken; en eerst maakten zij den
weggeloopen wilde van kant, die de oorzaak van al het onheil was, en een
ander, die in de knie gekwetst was. Toen kwam de wilde, die ongekwetst
was, en knielde voor hen neder met opgeheven handen, en maakte onder een
jammerlijk misbaar allerlei teekens om zijn leven te sparen; schoon zij
geen woord konden verstaan van al wat hij zeide.
Zij gelastten hem echter door teekens, dat hij aan den voet van een boom
daar in de nabijheid zou gaan zitten, en een der Engelschen bond met een
stuk touw, dat hij toevallig in zijn zak had, hem de beenen stijf bijeen
en de handen op zijn rug, en daarop lieten zij hem liggen, en volgden
ijlings de twee voorste achterna, vreezende, dat deze of anderen den weg
naar hunnen schuilhoek in de bosschen zouden vinden, waar hunne vrouwen
en hunne weinige bezittingen verborgen waren. Eens kregen zij hen beide
in het gezigt, schoon op een grooten afstand. Zij hadden echter het
genoegen hen een vallei te zien doortrekken, die naar den zeekant liep,
geheel den tegenovergestelden weg van dien, die naar hunne spelonk
leidde, waar zij voor vreesden. Hieromtrent gerust gesteld, keerden zij
naar den boom terug, waar zij hunnen gevangene gelaten hadden.
Waarschijnlijk was deze door zijne makkers verlost, want hij was weg, en
de twee einden touw, waarmede hij gebonden was geweest, lagen aan den
voet des booms.
Zij waren thans even ongerust als te voren; niet wetende hoe nabij of
hoe sterk de vijand was; dus besloten zij zich naar de plaats te
begeven, waar hunne vrouwen waren, om te zien of alles wel was, en haar,
die zeker zeer in angst moesten zijn, gerust te stellen; want schoon de
wilden hare landgenooten waren, waren zij echter doodelijk bang voor
hen, misschien omdat zij hen zoo goed kenden. Daar gekomen, bespeurden
zij, dat de wilden in het bosch en zelfs zeer nabij de plek waren
geweest, doch die niet gevonden hadden; want zij was inderdaad niet te
ontdekken, daar de boomen er zoo digt stonden, ten ware de personen, die
het zochten, door anderen, die de plek kenden, geleid werden, hetgeen
hier het geval niet was. Zij vonden dus alles wel, behalve dat de
vrouwen in doodsangst waren. Terwijl zij hier waren, hadden zij het
genoegen van zeven Spanjaarden tot hunnen bijstand te zien aankomen; de
andere tien met hunne slaven en den ouden Vrijdag, ik meen Vrijdags
vader, waren gezamenlijk naar de buitenplaats vertrokken, om het graan
en het vee, dat daar bewaard werd, te verdedigen, in geval de wilden aan
dien kant mogten komen; maar zij kwamen zoo ver niet. Met de zeven
Spanjaards kwam een van de wilden, die zij, gelijk ik verhaald heb,
vroeger gevangen hadden gemaakt, alsmede de wilde, dien de Engelschen
aan handen en voeten gebonden bij den boom hadden gelaten, want zij
waren dien kant afgekomen, hadden de zeven dooden gezien en den
gevangene losgemaakt en medegenomen. Zij waren echter genoodzaakt hem
weder te binden, gelijk zij ook de twee gedaan hadden, die
achtergebleven waren, toen de derde weggeloopen was.
Deze gevangenen waren thans een last voor hen, en zij waren zoo bang,
dat zij ontsnappen zouden, dat zij overwogen of het niet volstrekt
noodig was hen tot zelfbehoud te dooden. De Spaansche gouverneur wilde
echter hiertoe zijne toestemming niet geven, maar gelastte, dat zij uit
de voeten, naar mijne oude spelonk gebragt en daar bewaard zouden
blijven, met twee Spanjaarden bij hen, om hen te bewaken en voedsel te
geven. Dit geschiedde, en men bond hun handen en voeten voor dien nacht.
Toen de Spanjaarden aankwamen, waren de Engelschen zoo moedig geworden,
dat zij niet langer zich vergenoegen konden met daar te blijven, maar
met vijf Spanjaarden begaven zij zich op weg, gewapend met vier geweren
en eene pistool, en twee duchtige knuppels, om de wilden op te zoeken.
Eerst kwamen zij aan den boom, waar de wilden lagen, die zij gedood
hadden, maar het was gemakkelijk te zien, dat daar nog eenige wilden
geweest waren, want zij hadden getracht hunne dooden mede te voeren, en
twee een goed eind weegs voortgesleept, doch het toen opgegeven. Vandaar
begaven zij zich naar de hoogte, waarop zij eerst gestaan hadden, en
hunne plantingen hadden zien vernielen, en nog het verdriet hadden
eenigen rook te zien oprijzen, maar nergens zagen zij hier eenige
wilden. Zij besloten toen, echter met alle mogelijke behoedzaamheid,
voort te trekken tot aan hunne vernielde plantaadje. Doch even voor dat
zij die bereikten, kwamen zij in het gezigt van het strand, en zagen
duidelijk al de wilden in hunne kanoes scheep gaan, om te vertrekken.
Het speet hun eerst, dat zij hen thans niet bereiken konden, om hun nog
een afscheidsgroet te geven, doch over het geheel waren zij thans wel
tevreden van hen ontslagen te zijn.
De arme Engelschen waren thans voor de tweede maal geruïneerd, en al
hunne aanplantingen vernield. Al de overigen besloten hen te helpen
bouwen en van het noodige te voorzien. Hunne drie landslieden, die tot
hiertoe nog niet de minste neiging betoond hadden om iets goeds te doen,
kwamen thans, zoodra zij het hoorden (want daar zij ver oostwaarts
woonden, hadden zij er niets van gehoord voor dat alles afgeloopen was),
en boden hunne hulp en bijstand aan, en werkten verscheidene dagen
ijverig mede om hunne hutten weder op te bouwen en hen van het noodige
te voorzien, en zoo werden zij in korten tijd weder in hunnen vorigen
staat gezet.
Ongeveer twee dagen later hadden zij het genoegen drie van de kanoes der
wilden aan strand te zien spoelen, en op eenigen afstand van daar twee
verdronken lieden, waaruit zij met grond vermoedden, dat hun op zee een
storm overvallen had, die hen had doen omslaan, want het woei den nacht
na hun vertrek zeer hard. Schoon echter eenigen verongelukt waren, zoo
ontsnapten er van hen genoeg om de overigen te verwittigen zoo wel van
hetgeen zij verrigt als hetgeen hun overkomen was; en hen tot eene
andere soortgelijke onderneming aan te sporen, welke zij, naar het
scheen, besloten te beproeven met genoegzame magt om alles te veroveren
wat zij ontmoetten; want uitgezonderd hetgeen de eerste man hen van
bewoners verhaald had, konden zij daarvan weinig mededeelen, want zij
hadden geen mensch gezien, en daar de man, die dat verhaald had, gedood
was, hadden zij niemand om dit te bevestigen.
Het duurde vijf of zes maanden, dat zij niets verder van de wilden
hoorden, in welken tijd de onzen begonnen te hopen, dat zij hun vorig
onheil niet vergeten of dat zij de hoop op een beteren uitslag hadden
opgegeven. Plotseling echter werden zij overvallen door eene geduchte
vloot van niet minder dan acht en twintig kanoes vol wilden, met bogen
en pijlen, groote knuppels, houten zwaarden en dergelijk krijgstuig
gewapend, en deze ware zoo vol volk, dat onze bewoners er door in de
grootste verlegenheid geraakten. Daar zij met den avond en aan de
oostelijkste zijde van het eiland aan wal kwamen, hadden de onzen den
geheelen nacht om te overleggen wat zij doen zouden. In de eerste
plaats, wetende dat vroeger al hunne veiligheid daarin bestond, dat zij
onopgemerkt bleven, en dit thans te meer het geval was, nu het getal
hunner vijanden zoo groot was, besloten zij eerstelijk de twee hutten,
die voor de Engelschen gebouwd waren, te slechten, en hunne geiten naar
de oude spelonk te drijven; omdat zij onderstelden, dat de wilden
regtstreeks daarheen zouden trekken zoodra het dag werd, om het oude
werk van vernielen te hervatten, schoon zij thans twee mijlen vandaar
geland waren.
Vervolgens dreven zij al de geiten, die zij hadden, naar mijne
buitenplaats, gelijk ik die noemde, die aan de Spanjaards behoorde, en
lieten zoo min mogelijk ergens een spoor van bewoners, en vroeg in den
morgen vatten zij met al hunne strijdmagt post bij de plantaadje der
twee mannen om hen af te wachten. Het gebeurde gelijk zij vermoed
hadden; de nieuwaangekomenen lieten hunne kanoes aan het oosteinde van
het eiland, en kwamen langs het strand regt op de plaats aan, ten
getalle van tweehonderd en vijftig, naar de onzen gissen konden. Ons
leger was slechts klein, maar wat nog erger is, zij hadden geen wapens
genoeg voor hen allen. Hunne geheele strijdmagt was naar het scheen als
volgt zamengesteld; eerstelijk uit manschappen:
/$
17 Spanjaarden.
5 Engelschen.
1 oude Vrijdag, of Vrijdags vader.
3 slaven met de vrouwen medegebragt, die zeer getrouw bleken te zijn.
3 andere slaven, die bij de Spanjaards woonden.
$/
Om deze te wapenen hadden zij:
/$
11 geweren.
5 pistolen.
3 jagtgeweren.
5 geweren, of jagtgeweren, die door mij aan de oproerige
matrozen ontnomen waren.
2 sabels.
3 oude hellebaarden.
$/
Aan hunne slaven gaven zij geene geweren, maar deze hadden ieder een
hellebaard of een langen stok met een ijzeren spits aan het einde, en
eene bijl op zijde; ook ieder van de onzen had eene bijl. Twee van de
vrouwen wilden volstrekt deel aan het gevecht nemen, en zij hadden boog
en pijlen, die de Spanjaards den wilden ontnomen hadden bij het eerste
gevecht, dat ik vermeld heb, waar de Indianen gezamenlijk vochten; deze
vrouwen hadden bijlen ook.
De Spaansche gouverneur, van wien ik zoo dikwijls gesproken heb, voerde
het opperbevel, en Willem Atkins, die schoon een vreesselijke snoodaard,
tevens een allermoedigste kerel was, voerde onder hem het bevel. De
wilden kwamen aanrukken als leeuwen, en wat het ergste was, de onzen
hadden geen voordeel van het terrein, behalve dat Willem Atkins, die
thans uitermate veel nut deed, met zes man achter eenige struiken, als
eene soort van voorpost geplaatst was, met bevel eenigen te laten
voorbijtrekken, en dan midden onder hen te vuren, en dadelijk daarop
achter een boschje om te trekken, en zoo achter de Spanjaards te komen,
die allen door eenige digte boomen beschermd werden.
Toen de onzen aankwamen, liepen de wilden allen bij hoopen rond te
zwerven, zonder eenige orde, en Willem Atkins liet ongeveer vijftig
hunner voorbijtrekken; toen ziende, dat de overigen digt opeengedrongen
naderden, gelastte hij drie van zijn volk vuur te geven, nadat zij ieder
zes of zeven kogels, zoo groot als groote pistoolkogels, op hun geweer
gedaan hadden. Hoeveel zij doodden of wondden wisten zij niet, maar de
verwarring en verbaasdheid onder de wilden was onbeschrijfelijk, die
allerhevigst ontstelden op het hooren van zulk een geraas, en hunne
makkers gedood zagen en anderen gekwetst, zonder dat zij iemand zagen,
die het deed; waarop Willem Atkins, te midden van hunnen schrik, met de
drie anderen in den digtsten hoop vuurde, en in minder dan eene minuut
gaven de drie anderen, die inmiddels weder geladen hadden, hun nogmaals
de laag.
Zoo Willem Atkins met zijn volk dadelijk, na vuur gegeven te hebben, was
teruggetrokken, zoo als hem gelast was; of zoo de overigen daar vlak bij
geweest waren, om een aanhoudend vuur te geven, zouden zij de wilden
geheel verslagen hebben, want de schrik, die onder hen heerschte,
ontstond voornamelijk daaruit, dat zij geloofden door hunne goden met
donder en bliksem gedood te worden, omdat zij niemand zagen. Maar Willem
Atkins deed hun de krijgslist ontdekken, door stand te houden om weder
te laden. Eenige wilden, die op een afstand waren, hadden hen ontdekt en
kwamen van achteren op hen aan, en schoon Atkins en zijn volk ook twee
of drie malen op hen vuurden, en terwijl hij zoo spoedig hij kon
terugtrok, ongeveer twintig van hen doodde, wondden zij echter Atkins
zelf en doodden een der Engelschen met hunne bogen, gelijk zij naderhand
een Spanjaard deden en een der met de vrouwen gekomen Indiaansche
slaven. Deze slaaf was een dappere kerel en vocht allerwoedendst,
terwijl hij vijf hunner met eigen hand doodde, zonder ander wapen dan
zijn piek en een bijl.
Ons volk, dat thans hard bedrongen werd, daar Atkins gewond en twee
anderen gedood waren, trok terug naar eene hoogte in het bosch; ook de
Spanjaarden trokken terug na hun driemaal de laag te hebben gegeven;
want hun aantal was zoo groot en zij waren zoo verwoed, dat schoon meer
dan vijftig hunner gedood en nog meer gewond waren, zij echter tot vlak
bij de onzen doordrongen, zonder het gevaar te ontzien, en eene wolk van
pijlen afschoten, en men merkte op, dat hunne gekwetsten, die door hunne
wonden niet geheel buiten gevecht gesteld waren, als razenden vochten.
Toen ons volk aftrok, lieten zij den Spanjaard en den Engelschman, die
gedood waren, achter; en toen de wilden hen vonden, mishandelden zij
hunne lijken gruwelijk, door hen met hunne knuppels en houten zwaarden,
als echte wilden armen en beenen en hoofden te verbrijzelen. Doch
bespeurende, dat ons volk vertrokken was, schenen zij niet voornemens
hen te vervolgen, maar sloten een kring, dat naar het scheen, hunne
gewoonte was, en hieven tweemaal een gejuich aan, ten teeken van
victorie. Waarna zij verscheidene hunner zagen nedervellen en van
bloedverlies sterven.
De Spaansche gouverneur had zijn kleine troep op eene hoogte
bijeengetrokken. Atkins, ofschoon gewond, wilde oprukken en gezamenlijk
de wilden op het lijf vallen. Maar de Spanjaard zeide: "Sennor Atkins,
gij ziet hoe hunne gewonden vechten; laat hen in rust tot morgen, dan
zullen al die gekwetsten stijf en pijnlijk van hunne wonden en zwak van
bloedverlies zijn, en dan zullen wij met minder te doen hebben." Deze
raad was goed, maar Willem Atkins zeide vrolijk: "Dat is waar, sennor,
maar dat zal ik ook zijn, en daarom wilde ik nu op hen af, nu ik nog
warm ben."--"Wel, sennor Atkins," zeide de Spanjaard, "gij hebt u dapper
gekweten en u deel verrigt; wij zullen voor u vechten als gij niet voort
kunt; maar ik denk dat het best is tot morgen te wachten." Dus bleven
zij wachten.
Maar daar het helder maanlicht was, en zij bespeurden, dat de wilden
in groote wanorde om hunne dooden en gekwetsten heen zwierven, met een
groot rumoer waar zij lagen, besloten zij naderhand hen gedurende den
nacht te overvallen, vooral als zij in staat zouden zijn hen slechts
eene laag te geven, alvorens ontdekt te worden. Hiertoe vonden zij eene
schoone gelegenheid, want een der twee Engelschen, nabij wiens woning
het gevecht begonnen was, voerde hen tusschen de bosschen en het
westelijk strand door, en vervolgens zuidwaarts keerende, kwamen zij
nabij den digtsten hoop wilden, zoodat, alvorens zij gezien werden, acht
hunner onder hen schoten en eene vreesselijke slagting aanrigtten. Eene
halve minuut daarna gaven acht anderen vuur op hen, en door hun schroot
werden ook eene menigte gedood en gewond, en al dien tijd waren zij niet
in staat te zien wie hen aanviel of waarheen zij vlugten moesten. Zoo
spoedig zij konden laadden de Spanjaards weder, en verdeelden zich
daarop in drie hoopen, en besloten hen alle op hetzelfde oogenblik op
het lijf te vallen. Ieder troep bestond uit acht personen, dat is vier
en twintig te zamen, waarvan twee en twintig mannen en twee vrouwen,
die, om dit ter loops aan te merken, verwoed vochten.
Zij verdeelden de vuurwapens, hellebaarden en pieken gelijkelijk onder
iedere troep. Zij wilden de vrouwen achter laten blijven, maar deze
zeiden, dat zij met hare mannen in den dood wilden gaan. Na aldus hun
legertje verdeeld te hebben, kwamen zij van onder het geboomte te
voorschijn en rukten op den vijand aan, terwijl zij zoo hard schreeuwden
als zij konden. De wilden stonden allen opeen, doch waren in de uiterste
verwarring, daar zij ons volk van drie kanten te gelijk hoorden
schreeuwen. Zij zouden gevochten hebben, zoo zij hen gezien hadden, en
zoodra zij in hun gezigt kwamen, werden eenige pijlen op hen gelost en
de oude Vrijdag gewond, schoon niet gevaarlijk. Doch de onzen gaven hun
geen tijd, maar drie maal op hen aanvallende, gaven zij hun drie maal de
laag en vielen daarop aan met de geweerkolven, sabels, pieken en bijlen,
en sloegen daarmede zoo in het rond, dat de wilden een jammerlijk gehuil
en gegil aanhieven, en naar alle kanten heen vlugtten om hun leven te
redden.
De onzen waren vermoeid van het moorden; zij hadden in de beide
gevechten ongeveer honderd en tachtig gedood of zwaar gewond; de
overigen vlugtten, geheel verbijsterd, door de bosschen en over de
heuvels, zoo snel hunne voeten hen dragen konden; en daar de onzen zich
weinig moeite gaven om hen na te zetten, bereikten zij allen gezamenlijk
het strand, waar zij geland waren en hunne kanoe's lagen. Doch hunne
rampen waren nog niet geëindigd, want dien avond kwam er uit zee een
geweldige storm op, zoodat zij onmogelijk in zee konden steken, ja daar
de storm den geheelen nacht aanhield, waren hunne kanoe's, toen de eb
begon, zoo hoog op het strand geslagen, dat zij er niet dan met de
grootste moeite weder konden afgebragt worden, en eenigen er van waren
zelfs tegen de kust of tegen elkander verbrijzeld.
De onzen, schoon verheugd over hunne overwinning, genoten dien nacht
echter weinig rust; maar na eenige ververschingen genuttigd te hebben,
besloten zij naar de plaats te trekken waar de wilden heen gevlugt
waren, om te zien hoe zij thans gesteld waren. Dit bragt hen natuurlijk
weder over de plaats van het gevecht, waar zij verscheidene van die arme
schepsels vonden, die nog niet geheel dood waren en toch geen hoop op
herstel meer hadden; dit was voor een edelmoedig gemoed een treurig
gezigt, want een waarlijk groot man, schoon door de wet des oorlogs
verpligt zijn vijand te vernielen, schept toch in zijn ongeluk geen
behagen. Zij behoefden hieromtrent echter geene bevelen te geven, want
hunne eigene wilden, die in hunne dienst stonden, maakten deze arme
schepsels met hunne bijlen af. Eindelijk kregen zij de plaats in het
gezigt, waar het rampzalig overschot van het leger der wilden gelegerd
was; dat uit nog een honderd man scheen te bestaan; zij zaten meestal op
den grond, met het hoofd tusschen de handen.