Dikwijls zeiden de Spanjaarden tegen elkander en de twee achtergebleven

eerlijke Engelschen: hoe rustig en genoegelijk leven wij thans, nu die

drie onruststokers weg zijn. Dat zij ooit weder zouden komen, daaraan

dachten zij het minst, doch twintig dagen na hun vertrek zag een der

Engelschen, die op het veld arbeidde, in de verte drie vreemde gestalten

naar zich toekomen, waarvan twee geweren op den schouder hadden. Weg

liep de Engelschman alsof hij dol was, en kwam geheel ontzet bij den

Spaanschen gouverneur, zeggende, dat zij verloren waren, want er waren

vreemdelingen op het eiland, hij wist niet wie. Na eenig nadenken zeide

de Spanjaard: "Wat meent gij, dat gij niet weet wie. Het zijn toch zeker

wilden?"--"Neen, neen," zeide de ander, "zij hebben kleederen en

wapens."--"Welnu," zeide de Spanjaard, "waarvoor vreest gij dan? Zijn

het geen wilden, dan zijn het vrienden, want geen Christennatie op de

wereld is er, die ons anders dan goed zou doen."

Terwijl zij spraken kwamen de drie Engelschen nader, en het bosch voor

de woning intredende, riepen zij hun toe. Zij herkenden de stemmen en

alle verwondering van dien aard hield dus op. Maar nu waren zij over

iets anders verwonderd, namelijk hoe het kwam, dat men hen terugzag.

Weldra waren zij aangekomen, en op de vraag, waar zij geweest waren, en

wat zij uitgerigt hadden, verhaalden zij in korte woorden hunne geheele

reis, namelijk, hoe zij in minder dan twee dagen het land ontdekt

hadden, doch bij hunne nadering het volk op de been en gereed vindende

hen met boog en pijl te bevechten, durfden zij niet aan wal gaan, maar

zeilden zes of zeven uren noordwaarts, tot zij aan eene groote opening

kwamen, waaraan zij bespeurden, dat het land, dat zij van ons eiland

gezien hadden, niet het vasteland, maar ook een eiland was. In de

opening gekomen, zagen zij een ander eiland regts van hen, in het

noorden, en nog verscheidene in het westen. Besloten hebbende ergers te

landen, hielden zij op een der westelijke eilanden aan, en stapten

moedig aan wal. Zij vonden het volk vriendschappelijk; men gaf hun

verscheidene wortelen en gedroogden visch, en ontving hen zeer

welwillend, zoo wel vrouwen als mannen voorzagen hen vlijtig van

levensmiddelen, en bragten die een groot eind weegs ver, op het hoofd.

Zij bleven daar vier dagen, en vroegen door teekens, zoo goed zij

konden, wat slag van volk elders op de eilanden woonde. Men gaf hun te

kennen, dat overal woest en kwaad volk woonde, dat menscheneters waren;

zij echter aten nimmer menschenvleesch, behalve van in den oorlog

gemaakte gevangenen, dan hielden zij van deze een groot gastmaal. De

Engelschen vroegen wanneer zij zulk een feestmaal zouden houden, en zij

antwoordden, twee manen later, door op de maan te wijzen en dan twee

vingers op te steken; en dat hun groote koning thans tweehonderd

gevangenen gemaakt had, en dat zij die vet maakten voor het volgende

feest. De Engelschen schenen zeer verlangend om deze gevangenen te zien,

maar de wilden begrepen hunne meening verkeerd, en dachten, dat zij

eenigen van hen verlangden om zelf op te eten. Zij wezen dus eerst naar

de ondergaande en dan naar de opgaande zon, om te beduiden, dat zij den

volgenden morgen met zonsopgang hun eenigen zouden brengen, en den

volgenden morgen kwamen zij met vijf vrouwen en elf mannen aan, en gaven

die aan de Engelschen om op reis mede te nemen, even als wij in een

zeehaven ossen en koeijen zouden brengen om een schip te provianderen.

Hoe ruw en woest de Engelschen ook waren, maakte dit gezigt toch diepen

indruk op hen, en zij wisten niet wat zij zouden doen; de gevangenen te

weigeren, ware de grofste beleediging geweest, die zij den wilden hadden

kunnen aandoen, en wat zij er mede beginnen zouden wisten zij niet. Zij

besloten echter, na eenig beraad, hen aan te nemen, en gaven wederkeerig

aan de wilden, die hen gebragt hadden, een hunner bijlen, een ouden

sleutel, een mes en zes of zeven kogels, welke laatsten hen bijzonder

schenen te bevallen, schoon zij er niets mede konden doen. Daarop werden

de arme gevangenen gebonden en door de wilden in de boot gebragt.

De Engelschen waren verpligt zoo spoedig mogelijk te vertrekken, anders

zouden de gevers van dit geschenk zeker verwacht hebben, dat zij er den

volgenden morgen een paar van geslagt en misschien de gevers ten

maaltijd er op genoodigd hadden. Zij namen dus afscheid met alle

vriendschapsbetuigingen, die mogelijk waren tusschen menschen, waarvan

de een geen woord verstond wat de ander zeide, staken van wal en kwamen

terug naar het eerste eiland, waar zij aan wal stapten en acht der

gevangenen in vrijheid stelden, daar zij er te veel hadden. Onder weg

trachtten zij met hunne gevangenen te spreken, maar zij konden hun niets

aan het verstand brengen; wat zij ook zeiden, of deden of gaven, uit

alles begrepen zij, dat hun oogmerk was hen te vermoorden. Eerst maakten

zij hen los, maar zij gilden hierbij verschrikkelijk, vooral de vrouwen,

alsof zij het mes reeds in hunne keel gevoelden, want zij besloten

dadelijk, dat hunne banden alleen losgesneden werden om hen ter dood te

brengen. Gaven zij hun iets te eten, het was even zoo, dat begrepen zij

was uit vrees, dat zij vermageren zouden en niet vet genoeg worden om

geslagt te worden. Zagen zij een hunner slechts aan, zij begrepen

dadelijk, dat het was om te zien of hij de vetste of beste was om te

slagten, ja, nadat zij hen overgevoerd hadden, en goed behandelden,

verwachtten zij nog elk oogenblik, dat zij tot voedsel voor hunne nieuwe

meesters moesten strekken.

Nadat de drie zwervers dit verhaal hunner lotgevallen gedaan hadden,

vroegen de Spanjaarden, waar de wilden waren, die zij medegebragt

hadden, en vernemende, dat zij die aan wal en in een hunner hutten

gebragt hadden, en eenige levensmiddelen voor hen kwamen vragen, begaven

de Spanjaarden en Engelschen, dat wil zeggen de geheele kolonie, zich

derwaarts om hen te zien, en Vrijdags vader ging mede. In de hut

gekomen, vonden zij hen allen gebonden zitten; want toen zij hen aan wal

gebragt hadden, hadden zij hen gebonden, opdat zij niet met de boot

zouden ontsnappen; dus zaten zij daar, allen geheel naakt. Eerstelijk

drie mannen, kloeke, welgebouwde kerels, van dertig of vijfendertig jaar

oud, en vijf vrouwen, waarvan twee tusschen de dertig en veertig, en

twee vier of vijfentwintig jaar oud konden zijn; de vijfde was een rank,

welgemaakt meisje van zestien of zeventien jaar. De vrouwen zagen er in

vorm en trekken niet kwaad uit, buiten hare bruine kleur, en twee van

haar zouden, als zij blank geweest waren, zelfs in Engeland voor

schoonheden zijn doorgegaan, daar zij een zeer bevallig gelaat en zedig

voorkomen hadden, vooral toen zij later gekleed en opgeschikt waren,

gelijk zij het noemden, schoon haar opschik waarlijk weinig beteekende,

doch hierover nader.

Dit gezigt was eenigzins stuitend voor de Spanjaards, die, om hun regt

te doen wedervaren, mannen van het braafste gedrag en van het

bezadigdste gemoed, en in het bezit van de volmaaktste opgeruimdheid

waren, die ik ooit ontmoet heb, en vooral waren zij allerzedigst van

aard, gelijk blijken zal. Het was voor hen een stuitend gezigt, zeg ik,

drie mannen en vijf vrouwen, geheel naakt, gebonden, en in den

jammerlijksten toestand, waarin een menschelijk wezen vervallen kan, te

zien, namelijk van elk oogenblik te verwachten als gemeste kalveren naar

buiten gesleept, den hals afgesneden en opgegeten te worden. Zij zeiden

dus tot den ouden Indiaan, Vrijdags vader, dat hij naar binnen zou gaan,

en eerst zien of hij een hunner kende, en vervolgens of hij hen verstaan

kon. Zoodra de oude man inkwam, beschouwde hij hen een voor een, maar

kende hen niet, ook kon hij zich door woorden, noch door teekens aan hen

doen verstaan, behalve aan eene vrouw. Dit was echter voldoende, om hen

te berigten, dat de lieden, in wier handen zij gevallen waren,

Christenen waren; dat deze het eten van menschenvleesch verfoeiden, en

zij er op rekenen konden niet gedood te zullen worden. Zoodra zij

hiervan verzekerd waren, legden zij zoo veel vreugde aan den dag, en op

zulke vreemde en zonderlinge wijzen, dat het niet te beschrijven was,

want zij waren, naar het schijnt, van verschillende natiën.

Daarop werd de vrouw, die tot tolk diende, gelast hen te vragen, of zij

als dienstboden wilden werken voor de lieden, die hen medegebragt hadden

om hun het leven te redden. Allen begonnen te dansen van blijdschap, en

daarop nam de een dit, de ander dat op, wat voor de hand lag, en droeg

het op de schouders, om te kennen te geven, dat zij wel wilden werken.

De gouverneur, die begreep, dat het verblijf van vrouwen onder hen

somwijlen tot onaangenaamheden, en misschien tot twist en bloedstorting

aanleiding zou kunnen geven, vroeg aan de drie mannen, wat zij met deze

vrouwen voor hadden, en hoe zij haar wilden beschouwen, als dienstboden

of als huisvrouwen. "Als beide," antwoordde een der Engelschen dadelijk.

De gouverneur antwoordde: "Daarin wil ik u niet tegengaan; gij zijt de

meester daaromtrent te handelen zoo als gij wilt; maar ik acht het

billijk om twist en tweedragt tusschen u te vermijden, en ik verlang het

alleen om die reden, dat zoo iemand uwer een dezer vrouwen tot zijne

huisvrouw neemt, hij er slechts eene zal nemen, en dat, schoon wij u

niet in den echt kunnen verbinden, zij echter als uwe wettige vrouw

beschouwd wordt, zoo lang gij op dit eiland blijft althans." Allen

achtten dit zoo billijk, dat zij er zonder aarzelen in toestemden.

Daarop vroegen de Engelschen of de Spanjaarden ook eenige wilden nemen,

doch allen zeiden neen. Sommigen zeiden, dat zij in Spanje vrouwen

hadden, anderen, dat zij geene Heidin tot vrouw begeerden, en allen

verklaarden, dat zij er niets mede wilden uitstaan hebben; waarlijk, een

voorbeeld van deugd, zoo als ik op al mijne reizen niet meer ontmoet

heb. Aan den anderen kant nam ieder der vijf Engelschen eene vrouw, en

zoo begonnen zij eene nieuwe levenswijze, want de Spanjaarden en

Vrijdags vader bleven mijn oud verblijf bewonen, dat zij van binnen

aanmerkelijk vergroot hadden; de drie slaven, die zij in het gevecht der

wilden hadden gevangen genomen, woonden bij hen; en zij verzorgden de

geheele kolonie bijkans, daar zij de overigen met levensmiddelen en

bijstand, waar dit noodig was, ondersteunden.

Maar het zonderlingste was hoe vijf zulke onrustige en onhandelbare

kerels het schikten omtrent de vrouwen, en dat twee van hen niet

dezelfde vrouw verkozen, vooral daar twee of drie van haar

ontegenzeggelijk veel fraaijer dan de andere waren. Doch zij namen een

goed middel te baat, om daaromtrent allen twist te voorkomen; want zij

plaatsten de vijf vrouwen in eene hut, en gingen allen in eene andere

hut, en toen lootten zij wie het eerst kiezen zou. Degeen, wien dit te

beurt viel, ging alleen naar de hut, waar de arme naakte schepsels

waren, en koos daar eene uit. Het was echter opmerkelijk, dat hij, die

het eerst kiezen mogt, degeen nam, die men voor de leelijkste en oudste

van de vijf hield, hetgeen de anderen niet weinig vermaakten, en zelfs

de Spanjaards schaterden van lagchen. Maar de man had beter dan zij

bedacht, dat vlijt en werkzaamheid hen het meest baatten, en zij was,

wat dat betreft, de beste vrouw van allen.

Toen de arme vrouwen zagen, dat zij zoo op eene rij gesteld en een voor

een uit de hut gehaald werden, nam de angst bij haar weder de overhand,

en zij geloofden met zekerheid, dat zij thans geslagt zouden worden.

Toen dus de Engelsche matroos inkwam en eene van haar medenam, begonnen

allen jammerlijk te krijten, en namen van haar een zoo droevig afscheid,

dat de hardvochtigste mensch er door had moeten getroffen worden; ook

konden de Engelschen haar niet beduiden, dat zij niet dadelijk vermoord

zouden worden, voor zij Vrijdags vader in de hut hadden gezonden, die

haar te kennen gaf, dat de vijf lieden, die haar een voor een uit de hut

gehaald hadden, haar tot vrouw namen. Toen dit afgeloopen en de angst

der vrouwen wat bedaard was, gingen hare mannen aan het werk en de

Spanjaarden kwamen om hen te helpen, en binnen weinige uren hadden zij

voor ieder eene nieuwe hut of tent opgeslagen om afzonderlijk te

bewonen, want degenen, die zij hadden, waren reeds vol met hunne

gereedschappen, huisraad en levensmiddelen. De drie slechte Engelschen

hadden zich verst af, en de twee goede digter bij, doch beide aan de

noordzijde des eilands nedergezet, zoo dat zij als te voren gescheiden

waren. Aldus was mijn eiland op drie plaatsen bevolkt en kon men zeggen,

dat er drie dorpen op ontstaan waren.

Nu verdient het wel hier vermeld te worden, dat, gelijk het dikwijls in

de wereld gebeurt (zonder dat ik zeggen kan waarom de Goddelijke

wijsheid het dus beschikt), dat de twee brave lieden de kwaadste wijven

hadden, en dat de drie schurken, die naauwelijks een strop waard waren,

die alleen geboren schenen om zichzelven en anderen kwaad te doen, drie

knappe, vlijtige, zorgvuldige, schrandere vrouwen hadden; niet dat de

twee andere boosaardig van karakter waren, want alle vijf waren zeer

onderdanige, zachtaardige schepsels, veeleer slavinnen dan huisvrouwen;

maar zij waren niet even schrander, vlug van begrip of even zindelijk en

net.

Nog moet ik aanmerken tot eer der werkzaamheid, en schande van een

traag, achteloos en onverschillig karakter, dat toen ik op het eiland

kwam en de verschillende bouwingen en verbeteringen der onderscheidene

kleine kolonies naging, de twee Engelschen de andere drie zoo ver

vooruit waren, dat het niet bij elkander te vergelijken was. Zij hadden

wel beide even veel grond voor koorn ontgind als zij noodig hadden, want

mijns inziens schreef de natuur voor niet meer graan te bouwen dan zij

noodig hadden, maar het onderscheid in de behandeling van het land, de

omheiningen, kortom in alles viel bij den eersten opslag ieder in het

oog.

De twee Engelschen hadden om hunne hutten eene ontelbare menigte jonge

boompjes gezet, zoodat men, daar komende, niets dan een bosch zag, en

schoon hunne plantaadje tweemaal vernield was, eens door hunne

landslieden en eens door de wilden, gelijk wij later zullen hooren, was

alles weder in een bloeijenden toestand; zij hadden wijngaarden geplant

en geleid, schoon zij nimmer te voren die gezien hadden, en hunne

druiven waren uitstekend. Zij hadden ook in het digtste van het bosch

eene schuilplaats gemaakt, en schoon daar geen natuurlijke spelonk was,

hadden zij er met ontzettenden arbeid eene gemaakt, waar, toen het

eiland in onrust was, hunne vrouwen en kinderen eenige veilige

schuilplaats vonden; zij hadden door ontelbare stekken en takken te

planten van een hout, dat, gelijk ik zeide, zoo welig groeide, een

ondoordringbaar bosch gemaakt, behalve op eene plaats, waar zij aan de

buitenzijde konden overklimmen, en dan een hun bekend pad moesten

volgen.

De drie schurken, gelijk ik hen te regt noemde, schoon zij thans veel

beschaafder waren door hunne nieuwe huishouding, vergeleken bij vroeger,

en niet meer zoo twistziek, omdat zij er niet zoo veel gelegenheid toe

hadden; bleven toch altijd eene eigenschap van een bedorven karakter

behouden, namelijk hunne luiheid. Het is waar, zij bouwden graan en

maakten heiningen, maar nimmer werden Salomo's woorden meer bevestigd

dan bij hen: "ik ging den akker des luijaards voorbij en hij was vol

doornen," want toen de Spanjaarden naar hun graan kwamen zien, was het

op verscheidene plaatsen door het onkruid verstikt, er waren

onderscheidene gaten in de heining, waar de wilde geiten doorgedrongen

en het graan afgegeten hadden. Hier en daar waren wel eenige dorre

takken gestoken om hen buiten te houden, maar dit was de put dempen toen

het kalf verdronken was. Op de plantaadje der anderen daarentegen scheen

alles gezegend en voorspoedig te zijn, er was geen onkruid onder hun

graan, geen gat in hunne heining, en ook zij bevestigden, dat de hand

des vlijtigen rijk maakt. Want alles stond welig te groeijen, zij hadden

overvloed binnen en buiten 's huis, meer tam vee en meer gereedschappen

dan de anderen, en toch meer genoegen en uitspanningen.

Wel waren de vrouwen der drie Engelschen binnen 's huis zeer handig en

net, en na van een der Engelschen, die, gelijk ik gezegd heb, koksmaat

was geweest, op de Engelsche wijze te hebben leeren koken, maakten zij

zeer goed het eten voor hunne mannen gereed, hetgeen de beide anderen

niet aan het verstand gebragt kon worden, doch hier deed de gewezen

koksmaat het zelf. De drie Engelschen echter zwierven rond om

schildpadeijeren te zoeken, vogels te vangen, en te visschen; kortom,

zij deden alles behalve werken, en het ging hun dan ook daarnaar. De

vlijtigen leefden genoegelijk en in overvloed, en de tragen bekrompen en

in armoede, gelijk het over het algemeen, geloof ik, de geheele wereld

doorgaat.

Maar thans kom ik tot eene gebeurtenis, geheel verschillende van hetgeen

hen of mij ooit gebeurd was, en de oorzaak hiervan was als volgt.

Op een vroegen morgen kwamen vijf of zes kanoes met wilden aan land,

ongetwijfeld met het oude oogmerk van hunne gevangenen te verslinden.

Doch de Spanjaarden waren thans met zulk een gebeurtenis zoo gemeenzaam

geworden, dat zij er zich niet zoo om bekommerden als ik; maar daar de

ervaring hun geleerd had, dat het alleen hunne zaak was verborgen te

blijven, en dat de wilden, zoo zij slechts niets van hen bespeurden,

stilletjes zouden vertrekken na hun oogmerk volvoerd te hebben, ik zeg,

dit wetende, gaven zij slechts kennis hiervan aan al de bewoners, zich

binnen 's huis te houden, en plaatsen alleen een verspieder om hun te

berigten als de booten weder in zee staken. Dit was ongetwijfeld zeer

verstandig, maar een onvoorzien toeval verijdelde al hunne maatregelen,

en maakten den wilden bekend, dat er bewoners op het eiland waren,

hetwelk bijkans de geheele kolonie ten ondergang bragt. Nadat de kanoes

met de wilden vertrokken waren, kwamen de Spanjaards weder buiten, en de

nieuwsgierigheid dreef sommigen aan naar de plaats te gaan, die zij

verlaten hadden. Hier vonden zij, tot hunne groote verrassing, drie

achtergebleven wilden, die gerust op den grond lagen te slapen;

waarschijnlijk waren zij, overladen na hun onmenschelijk feest, als

beesten in slaap gevallen, en hadden niet willen opstaan toen de anderen

vertrokken, of zij hadden in het bosch gezworven en waren eerst

teruggekomen toen hunne makkers reeds weg waren.

De Spanjaarden zagen vreemd op en wisten niet wat zij doen wilden. De

gouverneur was bij hen en men vroeg zijn gevoelen, maar hij zeide het

niet te weten, want slaven hadden zij genoeg, en om hen van kant te

maken, daar had niemand lust toe. Hij verhaalde mij naderhand, dat hij

er niet aan had kunnen denken om onschuldig bloed te vergieten, want zij

hadden noch hun zelven, noch hun eigendom eenig leed gedaan, en zij

hadden dus geen regt hen van het leven te berooven.

Ter eere van deze Spanjaards moet ik hier aanmerken, dat hoe

verschrikkelijk ook de verhalen der Spaansche gruwelen in Mexico en Peru

zijn mogen, ik nimmer zeventien menschen bij eenige natie ontmoet heb,

die zoo algemeen zedig, matig, deugdzaam, opgeruimd en hoffelijk waren

als deze Spanjaards; in hun geheele karakter lag geen zweem van

wreedheid, of barbaarschheid, of woeste hartstogten, en toch waren het

allen mannen van grooten moed en dapperheid. Hunne gematigdheid was

gebleken in het verduren van de schandelijke bejegeningen der

Engelschen, en hunne regtvaardigheid en menschelijkheid bleek in het

hier vermelde geval met de wilden. Na eenig beraad besloten zij zich nog

eene poos verborgen te houden, tot zoo mogelijk deze drie lieden

heengingen; maar toen herinnerden zij zich, dat zij geen vaartuig

hadden, en dat, zoo zij het eiland rondzwierven, zij zeker ontdekken

zouden, dat het bewoond was. Derhalve keerden zij terug waar de drie

mannen lagen te slapen, en besloten hen te wekken en gevangen te maken,

gelijk zij deden. De wilden waren uiterst bevreesd toen zij aangegrepen

en gebonden werden, en bevreesd te zijn, dat zij geslagt en opgegeten

zouden worden, want het schijnt dat deze lieden denken, dat men overal,

even als zij, menschenvleesch eet; doch zij werden hieromtrent spoedig

gerust gesteld en weggevoerd.

Het was zeer gelukkig, dat zij hen niet naar het kasteel, ik meen naar

mijne oude woning tegen den heuvel, bragten, maar naar mijn landhuis,

waar de meeste veldarbeid, als geiten hoeden, koorn bouwen, enz., te

verrigten viel, en naderhand voerden zij hen naar de woning der twee

Engelschen. Hier werden zij aan het werk gezet, schoon men weinig voor

hen te doen had, en hetzij door achteloos opzigt over hen, of dat men

meende, dat zij hen niet konden ontvlugten, althans een hunner liep weg,

en in het bosch gerakende, hoorde men nimmer meer van hem. Men begreep

echter met reden, dat het hem kort daarop gelukte naar zijn land terug

te keeren, met eenige wilden, die drie of vier weken later met hunne

kanoes aan den wal kwamen, om hun gewoon feest te vieren, en binnen twee

dagen vertrokken. Dit denkbeeld bekommerde hen niet weinig, want zij

begrepen niet zonder reden, dat zoo deze man weder behouden bij zijne

landgenooten kwam, hij hun zeker verhalen zou, dat er lieden op het

eiland waren, en tevens hoe weinig en zwak zij waren; want, gelijk ik

zeide, men had dezen wilde, en dit was zeer gelukkig, nimmer gezegd hoe

velen er op het eiland waren of waar zij woonden, ook had hij nimmer een

geweer zien afschieten; veel minder had hij een hunner schuilplaatsen

leeren kennen, zoo als de grot in het dal of de nieuwe spelonk, die de

twee Engelschen gemaakt hadden.

Het eerste blijk, dat deze man zijn volk van hen kennis had gegeven,

was, dat ongeveer twee maanden daarna, zes kanoes, ieder met zeven, acht

tot tien wilden er in, langs de noordzijde van het eiland kwamen

roeijen, waar zij vroeger nimmer kwamen, en een uur na zonsopgang op

eene geschikte landingplaats aan wal stapten, een kwartier van de woning

der twee Engelschen, waar de vlugteling geweest was. De Spaansche

gouverneur zeide, dat zoo zij allen daar op de plek waren geweest, het

gevaar zoo groot niet geweest zou zijn, want dan, zeide hij, zou geen

enkele wilde het ontkomen zijn. Maar nu was de kans al te ongelijk; twee

man tegen vijftig. Gelukkig hadden de beide mannen hen ontdekt, toen zij

nog eene mijl ver in zee waren, dus ongeveer een uur voor zij landden,

en daar zij een kwartier van hunne woningen aan wal stapten, duurde het

nog eenigen tijd voor zij bij hen waren. Daar zij nu veel reden hadden

zich verraden te achten, was het eerst wat zij deden, de twee

achtergebleven slaven te binden, en hen door twee van de drie mannen,

die zij met hunne vrouwen medegebragt hadden, en hen, naar het schijnt,

zeer getrouw waren, naar hunne schuilplaats in het bosch te doen

brengen, waarvan ik gesproken heb, met al wat zij verder konden

medevoeren, en daar lieten zij de twee slaven, aan handen en voeten

gebonden, voor 's hands liggen.

Daarop ziende, dat de wilden allen geland waren en regt naar hunnen kant

toekwamen, openden zij de heiningen, waarin de melkgeiten gehouden

werden, dreven haar allen naar buiten, en lieten ze los het bosch

inloopen, om de wilden in den waan te brengen, dat het wilde geiten

waren; maar de Indiaan, die bij hen was, was te sluw en had hen, naar

het schijnt, van alles onderrigt, want zij gingen regt op hun verblijf

aan. Nadat de twee arme, verschrikte Engelschen hunne vrouwen en

goederen in veiligheid gebragt hadden, zonden zij den anderen slaaf van

de drie, die met de vrouwen gekomen was, en die toevallig bij hen was,

ijlings naar de Spanjaarden, om hen hiervan te verwittigen en te hulp te

roepen, daarop namen zij hunne geweren en kruid en lood mede, en

trokken terug naar de plaats, waar hunne vrouwen waren, doch bleven op

eenigen afstand, om zoo mogelijk de wilden te blijven gadeslaan.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 · 第 5 / 21 段