Zoo zij al de wilden digt bijeen en op eenigen afstand van hunne kanoes

zagen, besloten zij hen aan te vallen, al waren er ook honderd, maar

dit gebeurde niet, want een troep van hen was wel een half uur van de

andere verwijderd, en deze waren, gelijk naderhand bleek, van

verschillende volkeren. Na lang beraadslaagd en zich het hoofd gebroken

te hebben, over hetgeen hun te doen stond, kwamen zij eindelijk overeen,

om, terwijl het nog duister was, den ouden wilde, Vrijdags vader, op

verspieding te laten uitgaan, ten einde, zoo mogelijk, iets te vernemen,

waarom zij kwamen, wat zij voornemens waren te doen, en wat dies meer

is. De oude man begreep dit spoedig, en na zich geheel ontkleed te

hebben, gelijk meest al de wilden waren, ging hij heen. Na verloop van

een paar uur kwam hij terug, zeggende, dat hij, zonder ontdekt te

worden, onder hen geweest was, dat er twee partijen waren en van

verschillende natiën, die in oorlog geweest waren, en elkander een

grooten slag in hun eigen land hadden geleverd, waarbij van weerszijden

verscheidene gevangenen gemaakt waren. Nu waren zij toevallig op

hetzelfde eiland gekomen om van hunne gevangenen een feestmaal te

houden, maar dit zamentreffen op dezelfde plaats had al hunne vreugde

vergald; zij waren zeer verwoed en zoo nabij elkander, dat zij elkander

waarschijnlijk weder zouden bevechten, zoodra het dag werd. Hij had

echter niet bemerkt, dat zij eenig vermoeden hadden, dat er buiten hen

nog iemand op het eiland zich bevond. Naauwelijks had hij zijn verhaal

geëindigd, of aan het ongewone rumoer konden zij hooren, dat de twee

kleine legers weder in een bloedig gevecht waren.

Vrijdags vader gebruikte al zijne welsprekendheid om hen te overreden,

dat zij zich verbergen zouden en niet laten zien. Hij zeide, dat dit het

veiligste was, en dat zij niets behoefden te doen dan zich stil te

houden; de wilden zouden elkander onderling ombrengen, en dan zouden de

overblijvenden heengaan; gelijk ook werkelijk zoo gebeurde. Maar het was

hem onmogelijk hen hiertoe over te halen, vooral de Engelschen; bij deze

had de nieuwsgierigheid zoo ver de overhand boven de voorzigtigheid, dat

zij volstrekt het gevecht moesten zien. Echter gebruikten zij toch de

voorzorg van er niet openlijk heen te gaan, uit hunne woning, maar zij

gingen dieper het bosch in en plaatsten zich zoo, dat zij veilig het

gevecht konden aanzien, zonder, naar zij geloofden, gezien te kunnen

worden; het schijnt echter, dat de wilden hen zagen, gelijk later

blijken zal.

Het gevecht was zeer hevig, en als men de Engelschen gelooven mag,

bemerkten zij, dat er eenige mannen onder waren van groote dapperheid,

onwrikbaren moed en zeer bedreven in het bestieren van het gevecht. Het

gevecht duurde twee uren, zeiden zij, voor zij konden gissen, welke

partij het onderspit zou delven; maar toen begon de troep, die het

digtst bij onze woning was, te verflaauwen, en na eene poos namen

eenigen de vlugt. Dit verwekte weder groote bekommering bij ons volk,

dat eenigen in het boschje zouden vlugten voor hunne woning, om zich

daarin te verbergen, en hierdoor onwillekeurig de plaats ontdekken, en

de vervolgers uit dien hoofde, als zij hen najoegen, insgelijks. Hierop

besloten zij gewapend binnen den muur te blijven, en als er een het

boschje indrong, dien zoo mogelijk te dooden, ten einde niemand zou

terugkeeren om het bekend te maken. Zij gelastten ook dit te doen met

de sabels of geweerkolven, en niet op hen te schieten, uit vrees dat het

schot de aandacht mogt trekken der overigen.

Gelijk zij verwachtten, zoo gebeurde het; drie man van de verslagen

troep namen de vlugt, staken de kreek over en liepen regt op hunne

woning aan, om zich in het boschje te verbergen. De verspieder, die

buiten stond, gaf hun hiervan kennis, tevens met het aangename berigt,

dat de overwinnaars hen niet vervolgden, en niet gezien hadden waarheen

zij gevlugt waren. Hierop wilde de Spaansche gouverneur, een zeer

menschlievend man, niet toelaten, dat de drie vlugtelingen gedood

werden, maar drie man achter den heuvel omzendende, gelastte hij hun hen

achterop te gaan en gevangen te nemen, gelijk ook geschiedde. Het

overschot der overwonnenen vlugtte naar hunne kanoes en stak in zee; de

overwinnaars trokken terug en vervolgden hen weinig of niet, maar gingen

bijeenstaan en hieven tweemaal een luid geschreeuw aan, waardoor zij

naar het scheen victorie riepen, en hiermede was het gevecht geëindigd.

Denzelfden dag, des namiddags te drie uren, begaven zij zich ook in

hunne kanoes. Aldus zagen de Spanjaards hun eiland weder van hen

bevrijd; hun angst was voorbij, en verscheidene jaren achtereen vernamen

zij niets van de wilden.

Nadat allen vertrokken waren, kwamen de Spanjaarden uit hunnen

schuilhoek, en de plaats van het gevecht overziende, vonden zij daar

tweeëndertig dooden liggen, sommigen waren met groote, lange pijlen

gedood, waarvan verscheiden nog in hun ligchaam staken, maar de meesten

waren afgemaakt met die groote houten zwaarden, waarvan zij nog zestien

of zeventien op de plek vonden, en even veel bogen en eene menigte

pijlen. Deze zwaarden waren groote, onbehouwen dingen, en men moest zeer

veel kracht hebben om ze te kunnen zwaaijen. De meesten hadden dan ook

het hoofd verbrijzeld en verscheidene armen of beenen gebroken, zoodat

het bleek, dat zij met de uiterste verwoedheid gevochten hadden. Al die

zij vonden waren dood, want of zij blijven bij hunnen vijand tot zij hem

geheel afgemaakt hebben, of zij nemen al hunne gekwetsten, als er nog

eenig leven in is, mede.

Deze gebeurtenis bragt onze Engelschen voor eene poos tot bedaren, want

het gezigt van het gevecht had hen met afschuw vervuld, en deszelfs

uitslag scheen allen allerverschrikkelijkst, vooral bij de bedenking,

dat zij den een of anderen tijd in handen dier wezens konden vallen, die

hen niet alleen als vijanden zouden dooden, maar hen slagten om hen op

te eten, gelijk wij het vee doen. En zij verklaarden mij, dat het

denkbeeld, om als ossen- of schapenvleesch opgegeten te worden, schoon

het te verwachten was dat dit ook eerst na hunnen dood zou plaats

grijpen, hun zoo afschuwelijk voorkwam, dat zij er van walgden, en niet

konden eten, als zij er slechts aan dachten, zoodat het verscheidene

weken duurde eer zij weder tot zichzelven kwamen. Gelijk ik zeide,

maakte dit zelfs de drie Engelschen eene geruime poos handelbaar; die al

dien tijd zeer gezellig leefden en medewerkten; zij plantten, zaaiden,

oogstten, en begonnen zich aan het leven aldaar te gewennen; maar eene

poos daarna gedroegen zij zich weder zoo, dat zij niet weinig onrust

verwekten.

Zij hadden, gelijk ik gezegd heb, drie gevangenen gemaakt, en daar dit

jonge, sterke mannen waren, hadden zij hen tot dienstboden gemaakt, en

lieten hen voor hen werken, hetgeen vrij wel ging. Zij behandelden hen

echter niet, gelijk ik mijn Vrijdag, namelijk, dat zij hen eerst

voorstelden hoe zij hun het leven gered hadden; en hen dan onderrigtten

in de eerste beginselen der wijsheid en godsdienst, hen beschavende, en

door zachte taal en goede behandeling aan zich verbindende; maar gelijk

zij hun iederen dag voedsel gaven, zoo gaven zij hun ook iederen dag

werk, en hielden hen daarmede genoeg bezig. Maar iets misten zij,

namelijk, dat zij hen zouden bijstaan en voor hen hun leven wagen,

gelijk mijn Vrijdag, die niet minder aan mij verknocht was, dan mijn

vleesch aan mijn gebeente.

Doch om verder te gaan; daar nu allen goede vrienden waren (want het

algemeene gevaar had hen schielijk verzoend), begonnen zij over hunne

omstandigheden te beraadslagen. Het eerst wat hun voor den geest kwam

was, dat daar zij zagen, dat de wilden bijzonder dat gedeelte van het

eiland bezochten, en er op hetzelve meer afgelegene en verborgen plekken

waren, die voor hunne manier van leven even geschikt waren, en zelfs

blijkbaar voordeeliger gelegen, of zij niet liever van woning zouden

veranderen, en eene andere plaats voor hunne plantaadje, en vooral ter

bewaring van hun vee en graan, zouden kiezen. Na lange overwegingen

besloten zij echter hunne woning niet te verplaatsen, omdat zij den een

of anderen tijd nog iets van hunnen gouverneur verwachtten te hooren,

waarmede zij mij bedoelden, en als ik iemand anders zou zenden om hen te

zoeken, zou ik hem zeker dien kant aanduiden, en als deze daar de plaats

vernield vond, zou hij besluiten, dat de wilden hen vermoord hadden, of

dat zij vertrokken waren, en zoo zou hun onderstand hun niet toekomen.

Zij besloten echter hun graan en vee in het dal te brengen, waarin mijne

spelonk was, waar het land voor weiland en bouwen even geschikt, en naar

het scheen in overvloed was. Bij nader overweging maakten zij in dit

besluit echter eenige verandering, namelijk een deel van hunne kudde

daarheen te voeren en een deel van hun graan daar te bouwen, en zoo een

gedeelte te behouden, als het andere mogt vermeld worden. Aan eene daad

van voorzigtigheid deden zij ook zeer verstandig, namelijk, dat zij de

drie wilden, die zij gevangen hadden genomen, nimmer iets toevertrouwden

van de plantaadje of het vee, dat zij in het dal nahielden, veel minder

van de spelonk, die zij in geval van nood als eene veilige schuilplaats

beschouwden, en waarheen zij ook de twee vaatjes buskruid bragten, die

ik hun bij mijn vertrek toegezonden had.

Zij besloten hierom niet van woonplaats te veranderen, maar daar ik die

zorgvuldig eerst met een muur en daarna door boomen verborgen had, en

zij nu ten volle overtuigd waren, dat hunne veiligheid er geheel van

afhing, dat niemand hen ontdekte, gingen zij aan het werk om die nog

meer te bedekken. Terwijl ik op een afstand van den ingang van mijn

verblijf boomen had geplant, of liever stekken, die thans tot boomen

opgeschoten waren, zoo gingen zij op gelijke wijze te werk en vulden het

overige van die plek aan tot aan de zijde van de kreek, waar ik mijne

vlotten aan wal bragt, ja zelfs tot in de bedding, die met hoogwater

onder liep, en lieten er geene landingplaats of eenig spoor, dat die er

geweest was. Daar, gelijk ik vroeger zeide, deze stekken van zeer welig

groeijend hout waren, en zij veel grooter en zwaarder dan ik kozen en ze

zeer digt bijeen plaatsten, was het na drie of vier jaren zoo digt

gegroeid, dat men op geringen afstand niets van de plantaadje zien kon.

De door mij geplante boomen waren thans zoo dik, dat men ze niet met de

hand omspannen kon, en daar tusschen hadden zij jong hout geplant,

zoodat het een paalwerk was geworden, dat ondoordringbaar was, behalve

voor een leger, sterk genoeg om het geheel te doen vallen. Het was zoo

digt, dat een hond er niet door had kunnen dringen.

Doch dit was hun niet genoeg, zij deden hetzelfde rondom den geheelen

heuvel, en lieten geen anderen uitgang open dan langs de ladder, die

tegen den heuvel geplaatst, halverwege opgehaald en waarmede dan de top

beklommen moest worden. Als dus de ladder weggehaald was, kon niemand

bij hen komen, die niet vliegen of tooveren kon. Dit was zeer goed

bedacht, en kwam hun naderhand zeer te pas; een bewijs voor mij, dat de

Voorzienigheid der menschen raadslagen bestuurt, en zoo wij oplettender

naar hare stem luisterden, houd ik mij overtuigd, dat wij vele

ongevallen zouden voorkomen, waaraan onze achteloosheid ons thans

blootstelt. Doch ik keer tot mijn verhaal terug.

Zij leefden vervolgens twee jaren volkomen rustig en zonder bezoek van

wilden. Op een ochtend hadden zij echter een valsch alarm, dat hun

grooten schrik aanjoeg; want eenige Spanjaarden, die vroeg in den morgen

uitgegaan waren, aan de westzijde van het eiland, waar ik nimmer ging,

uit vrees van ontdekt te worden, zagen met verbazing ongeveer twintig

kanoes met Indianen, die op het strand aanhielden. Zij haastten zich

naar huis om hunne makkers te waarschuwen, en bleven dien geheelen dag

en den volgenden in huis, en gingen alleen des nachts op verkenning uit.

Zij kwamen ditmaal echter met den schrik vrij; want waar de wilden ook

gingen, zij landden niet op het eiland.

Daarna hadden zij weder oneenigheid met de drie Engelschen. Een dezer,

een alleronrustigste kerel, werd woedend, omdat een van de drie slaven,

die zij, gelijk ik verhaald heb, bezaten, iets niet goed deed, wat hij

hem belastte, en deze welligt niet begreep. Hij haalde een bijl uit zijn

gordel, die hij bij zich droeg en viel op den armen wilde aan, niet om

hem te bestraffen, maar om hem dood te slaan. Een van de Spanjaards, die

daar in de nabijheid was, en zag hoe hij den wilde een onmenschelijke

houw met de bijl toebragt, die op het hoofd gemikt was, maar hem in den

arm trof, zoodat hij meende dat zijn arm afgehouwen was, liep naar hem

toe, verzocht hem den armen man niet te vermoorden, en trad tusschen hem

en den wilde, om verdere mishandelingen te voorkomen. De kerel, hierdoor

nog woedender geworden, deed eene houw naar den Spanjaard, en zwoer hem

zoo wel als den wilde te zullen doodslaan. De Spanjaard ontweek den

slag, en velde den aanvaller neder met eene spade, die hij in de hand

had, want hij was op het veld aan het werk. Een ander Engelschman schoot

zijn makker te hulp, en deed den Spanjaard nederstorten, en toen kwamen

weder twee Spanjaarden hunnen landgenoot te hulp, terwijl de derde

Engelschman hen aanviel. Zij hadden geen van allen geweren of andere

wapens dan hunne gereedschappen bij zich, behalve de derde Engelschman,

die eene oude roestige sabel droeg, waarmede hij de beide Spanjaarden

wondde. Dit gevecht bragt de geheele bevolking op de been, en toen er

meer hulp gekomen was namen zij de drie Engelschen gevangen. De eerste

vraag was thans wat met hen te doen. Zij waren zoo dikwijls oproerig

geweest, en zoo kwaadaardig, vermetel en tot leegloopen geneigd, dat zij

niet wisten wat met hen te beginnen, want het was gevaarlijk met hen om

te gaan, zij bekreunden er zich niet aan hoe zij iemand aanvielen,

zoodat het niet veilig was met hen te leven.

De Spanjaard gouverneur hield hun dit alles voor, en zeide ronduit, dat,

zoo zij zijne landslieden waren, hij hen allen zou laten ophangen; want

alle wetten en alle regeerders zijn tot de veiligheid der maatschappij,

en degenen, die voor dezelve gevaarlijk zijn, behooren daaruit geweerd

te worden; maar, daar zij Engelschen waren en zij aan de edelmoedigheid

van een Engelschman allen hun tegenwoordig behoud en hunne bevrijding te

danken hadden, wilde hij zoo zacht mogelijk jegens hen te werk gaan en

hen aan het oordeel van de twee andere Engelschen, hunne landslieden,

overlaten.

Een van de twee eerlijke Engelschen stond op en zeide, dat zij

verzochten hiervan ontslagen te zijn. "Want," zeide hij, "naar mijne

overtuiging zouden wij hen tot de galg moeten verwijzen." Hierop

verhaalde hij hoe Willem Atkins, een van de drie, voorgeslagen had, dat

al de vijf Engelschen zich vereenigen zouden, om al de Spanjaards in

hunnen slaap om te brengen. Toen de Spaansche gouverneur dit hoorde,

vroeg hij aan Atkins: "Hoe, sennor Atkins, zoudt gij ons allen willen

vermoorden? Wat hebt gij daarop aan te merken?" De verharde schurk wel

verre van het te ontkennen, zeide, dat het de waarheid was, en voegde

er met afgrijsselijke vloeken bij, dat hij het nog doen zou, den een of

ander tijd. "Maar sennor Atkins," vervolgde de Spanjaard, "wat hebben

wij u gedaan, dat gij ons zoudt willen vermoorden? en wat zoudt gij

winnen door ons te vermoorden? en wat moeten wij doen om u te beletten,

dat gij ons vermoordt? Moeten wij u dooden of door u vermoord worden?

Waarom wilt gij ons noodzaken een van beide te kiezen?" vervolgde de

Spanjaard zeer bedaard en glimlagchende.

Sennor Atkins werd echter zoo woedend, dat de Spanjaard er nog mede

spotte, dat men meende, dat zoo hij niet ongewapend geweest en door drie

man vastgehouden was, hij beproefd zou hebben den Spanjaard in aller

bijzijn te vermoorden. Dit uitsporig gedrag noodzaakte hen ernstig na te

denken wat hun te doen stond. De twee Engelschen en de Spanjaard, die

den armen slaaf gered hadden, waren van oordeel, dat zij een van de

drie, tot een voorbeeld voor de overigen, moesten ophangen, met name

hij, die tweemaal met zijne bijl een moord had willen begaan, en

misschien er een begaan had, want de arme wilde was in zulk een

gevaarlijken toestand, dat men niet dacht, dat hij er van zou opkomen.

Doch de Spaansche gouverneur zeide nogmaals neen. Een Engelschman had

hun allen het leven gered, en nimmer zou hij er in toestemmen een

Engelschman het leven te benemen, al had hij de helft van hen vermoord,

ja, hij zeide, al werd hij zelf door een Engelschman vermoord, en hij

kon nog slechts eenige woorden spreken, zouden deze zijn, dat men hem

vergiffenis moest schenken. Hierop stond hij zoo bepaald, dat er niet

tegen in te brengen viel, en gelijk een raad tot genade gewoonlijk de

overhand behoudt als hij ernstig aangedrongen wordt, stemden zij allen

er in toe. Maar nu moest men bedenken hoe men hen zou beletten hun

voorgenomen misdadig opzet te volvoeren, want allen, ook de gouverneur,

kwamen hierin overeen, dat zij voor gevaar van hunnen kant moesten

beveiligd worden. Na eenige beraadslagingen kwam men overeen,

eerstelijk, dat zij ontwapend en hun noch geweer noch sabel, kruid noch

lood, noch eenig wapen toegestaan zou worden, en dat zij uit het

gezelschap verjaagd zouden worden, en op zichzelven, waar en hoedanig

zij konden, zouden leven; maar dat geen der overigen, hetzij Spanjaarden

of Engelschen, met hen omgaan, hen toespreken, of iets met hen

uitstaande zou hebben; dat het hun verboden zou worden binnen een

zekeren afstand te komen van de plaats, waar de overigen woonden; en dat

zoo zij eenige wanorde pleegden, als rooven, branden, of iets van de

veldvruchten, gebouwen, heiningen of vee, vernielen of dooden mogten,

zij zonder genade zouden sterven, en men hen zou doodschieten, waar men

hen aantrof.

De gouverneur, een allermenschlievendst man, overdacht dit vonnis eene

poos, en keerde zich daarop tot de twee eerlijke Engelschen, zeggende:

"Gij moet echter bedenken, dat het lang duren zal eer zij zelf graan

geoogst of vee gefokt hebben, en zij moeten niet van honger omkomen;

wij moeten hun dus voorraad geven." Hij zorgde daarop, dat hun

genoegzaam graan verstrekt werd voor acht maanden en om te zaaijen;

binnen welken tijd zij eenig graan zelf konden telen; tevens zouden zij

ontvangen zes melkgeiten, vier bokken en zes jonge geitjes, zoowel ter

aanfokking als om van te leven; en men hun werktuigen geven om den

veldarbeid te verrigten, en zes bijlen, een boor, een zaag en

dergelijke; maar deze werktuigen zouden zij niet verkrijgen zonder

vooraf plegtig te zweren, dat zij met dezelve geen der Spanjaarden of

hunne landslieden eenig kwaad zouden doen.

Aldus werden zij uit de maatschappij gezet, om voor zichzelve te zorgen.

Zij vertrokken norsch en met weerzin; want zij wilden noch blijven, noch

heengaan, maar daar hier geen tusschenweg was, vertrokken zij, zeggende,

dat zij eene plek gingen zoeken, waar zij op zichzelven konden wonen en

werken; eenige levensmiddelen werden hun medegegeven, maar geen wapens.

Vier of vijf dagen later kwamen zij terug om eenige levensmiddelen te

halen, en den gouverneur te zeggen waar zij hunne tenten opgeslagen en

eene plek gronds afgestoken hadden om hutten te bouwen en eene

plantaadje aan te leggen. Het was inderdaad eene zeer geschikte plek,

aan het N. O. einde van het eiland, ongeveer op de plek, waar ik

gelukkig belandde op mijne eerste reis, toen ik naar zee gedreven was,

in mijne dwaze onderneming om het eiland rond te varen. Hier bouwden zij

twee knappe hutten, in den smaak van mijne eerste woning, tegen de

helling van een heuvel, waar eenige boomen reeds aan drie kanten

stonden, zoodat de plek, door er eenige bij te planten, spoedig, zonder

scherp nazoeken, niet meer te vinden zou zijn. Zij verzochten om eenige

gedroogde geitenvellen om op te slapen en zich mede te dekken, die hun

gegeven werden, en nadat zij beloofd hadden geen kwaad te doen aan de

overigen of hunne plantaadjen, gaf men hun bijlen en ander gereedschap,

zooveel men missen kon, eenige erwten, graan en rijst om te zaaijen, en

kortom alles wat zij noodig hadden, behalve wapens en kruid en lood.

Aldus afgescheiden leefden zij ongeveer zes maanden, en hadden hunnen

eersten oogst binnengehaald, schoon die weinig was, daar zij slechts

een klein stuk gronds bebouwd hadden. Zij hadden ook, daar zij de

geheele plantaadje eerst moesten aanleggen, volop werk, en toen zij

planken en potten en dergelijke zouden maken, konden zij het in het

geheel niet klaren, en toen het regensaizoen kwam, liep al hun graan

gevaar van te verrotten, omdat zij geen kelder hadden, om het in droog

te houden. Dit maakte hen wat gedweeër; dus kwamen zij de Spanjaards

smeeken hen te helpen, hetgeen deze gewillig deden, en in vier dagen

voor hen eene groote spelonk delfden, in de zijde van de heuvel, groot

genoeg om hun koorn en andere goederen in te bewaren. Het was echter

slechts een gebrekkige bergplaats, vergeleken bij mijn kelder, vooral

zoo als die nu was, want de Spanjaarden hadden dien veel vergroot en er

verscheidene nieuwe vertrekken bij gemaakt.

Ongeveer drie vierendeel jaars hierna, haalden de drie schelmen zich

weder iets anders in het hoofd, dat met de vroegere schurkerij, door hen

begaan, hun onheil genoeg berokkende, en bijkans den geheelen ondergang

der kolonie bewerkt had. Onze drie knapen begon het werkzame leven, dat

zij, en dat zonder hoop op verbetering in hunne omstandigheden, leidden,

naar het schijnt, te vervelen; en zij vatten het plan op om een reis te

maken naar het vasteland, vanwaar de wilden kwamen, om te zien of zij

daar onder de inboorlingen niet eenige gevangenen konden maken en naar

huis brengen, ten einde deze het zwaarste werk voor hen verrigtten.

Dit ontwerp was niet zoo kwaad overlegd, maar deze kerels deden niets

zonder daarbij kwaad te bedoelen; als ik mijn gevoelen zeggen mag,

schenen zij onder 's Hemels vloek te liggen. Het was gewis een blijkbare

straf voor hunne moordzucht en muiterij, die hen in hunnen toestand

bragt, en daar zij niet de minste wroeging betoonden, maar er nieuwe

snoodheden bijvoegden, zoo als het kwetsen van een armen slaaf, omdat

hij niet begreep, of misschien niet verstond wat hem gelast werd, en wel

zoodanig, dat hij al zijn leven verminkt bleef, en dat in eene plaats,

waar geen geneeskundige hulp te vinden was; en wat nog het ergste was,

het moorddadig opzet, of beter gezegd, den voorgenomen moord, gelijk

het was, zoowel als hun openlijk erkend voornemen, om al de Spanjaards

in koele bloede te vermoorden als zij in slaap waren. Doch ik keer tot

mijn verhaal terug.

De drie kerels kwamen op een morgen naar de Spanjaards toe, en

verzochten zeer gedwee hen eens te mogen spreken. De Spanjaards waren

bereid te hooren wat zij te zeggen hadden, hetgeen hierop neerkwam.

Langer zoo te leven, verveelde hen. Zij waren niet vlug genoeg om te

maken wat zij noodig hadden, en zagen wel in, dat zij zonder hulp van

gebrek zouden omkomen, maar zoo de Spanjaards hun een van de kanoes

wilden geven, waarmede zij op het eiland gekomen waren, en genoegzame

wapens en kruid en lood, om zich te verdedigen, zouden zij naar het

vasteland oversteken en hunne fortuin zoeken, en hen zoo van den last

bevrijden, hun van meer voorraad te voorzien.

De Spanjaarden waren wel blijde, dat zij van hen ontslagen zouden raken,

maar stelden hun toch eerlijk voor hoe zij zeker hun verderf in den mond

liepen, en zeiden, dat zij daar zooveel ongemakken hadden moeten

verduren, dat zij, zonder profeten te zijn, hen konden voorspellen te

verhongeren of vermoord te zullen worden, en verzochten hen hierover na

te denken.

Zij antwoordden vrij norsch, dat zij zeker verhongeren zouden als zij op

het eiland bleven, want zij konden niet werken en wilden niet werken;

dus mogt het even zoo goed elders gebeuren; wierden zij vermoord dan was

het met hen gedaan; vrouwen noch kinderen zouden hen beweenen; kortom,

zij drongen er sterk op aan, en verklaarden, dat zij vertrekken zouden,

hetzij men hun wapens wilde geven of niet. De Spanjaards zeiden daarop

zeer goedhartig, dat als zij volstrekt gaan wilden, zij niet naakt en

bloot en zonder verdedingsmiddelen behoefden te gaan, en hoewel zij

slecht hunne vuurwapens konden missen, daar zij zelfs voor zich niet

genoeg hadden, zouden zij hun twee geweren, eene pistool, eene sabel en

drie bijlen medegeven, waaraan zij huns oordeels genoeg hadden.

Zij namen dit aanbod aan, en nadat men hen voor eene maand van brood

voorzien had, en van zooveel geitenvleesch als zij konden eten, zoo lang

het goed bleef; een groote mand vol rozijnen, een jonge geit om te

slagten en een groote pot met zoet water, ondernamen zij moedig in hunne

kanoe de reis over zee, waar die ten minste veertig (Eng.) mijlen breed

was. De boot was zeker groot en had zeer goed vijftien of twintig man

kunnen bevatten, en dus zwaar genoeg voor hen om te besturen; maar daar

de wind en het getij hun gunstig was, ging het zeer goed. Zij hadden van

een langen staak een mast gemaakt en een zeil van vier groote gedroogde

geitenvellen, dat hen snel genoeg deed voortuitgaan. De Spanjaards

riepen hun achterna: _Buen viago_, en niemand dacht, dat hij hen ooit

weder zou zien.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 · 第 4 / 21 段