Zij waren dus thans met hun vijven, maar de drie eersten waren zoo veel

woester, dat zij na twee of drie dagen de nieuw aangekomen ter deur

uitwierpen en niets met hen te doen wilden hebben; het duurde lang eer

zij zelfs bewogen konden worden hun eenig eten te geven; de Spanjaarden

waren toen nog niet aangekomen. Toen deze aankwamen, wilden zij de drie

Engelschen overreden hunne landslieden weder op te nemen, ten einde,

gelijk zij zeiden, allen slechts een huisgezin zouden uitmaken, maar

deze wilden daarvan niet hooren. Dus leefden deze twee Engelschen op

zichzelven, en bemerkende, dat zij op hunne vlijt alleen moesten

steunen, sloegen zij tenten op aan de noordzijde van het eiland, doch

wat naar het westen toe, om voor de wilden bevrijd te blijven, die

altijd op de oostzijde van het eiland aan wal stapten.

Hier bouwden zij twee hutten; een om in te wonen en een om hunnen

voorraad in te bergen, en daar de Spanjaarden hun eenig zaaikoren en

vooral erwten geschonken hadden, zaaiden en plantten en omheinden zij,

op de wijze als ik gedaan had, en leefden rustig voort. Hun eerste koren

kwam juist boven den grond, en schoon de tijd hun slechts toegelaten had

weinig om te spitten, was dit genoeg om hen te voeden, en van

genoegzamen spijsvoorraad te voorzien. Een hunner, die aan boord

koksmaat geweest was, was zeer behendig in het maken van soep, podding

en soortgelijke spijzen, waartoe de rijst, melk en het weinige vleesch,

dat zij hadden, hem in staat stelde.

Terwijl zij aldus rustig voortleefden, kwamen de drie schurken, en dat

nog wel hunne landslieden waren, bij hen, alleen uit lust om hen te

schelden en te beschimpen. Zij zeiden, dat het eiland hun toebehoorde,

dat de gouverneur, waarmede zij mij bedoelden, hen in het bezit er van

gesteld had, en niemand anders er eenig regt op had, terwijl zij onder

afgrijsselijke vloeken betuigden, dat zij op hunnen grond geene huizen

zouden bouwen zonder er belasting voor te betalen.

De twee Engelschen dachten, dat zij schertsten, en noodigden hen binnen

te komen, om te zien welk slag van huizen zij gebouwd hadden, en hun te

zeggen hoeveel grondrente zij daar wel voor moesten betalen. Een hunner

voegde er lagchende bij, dat hij hoopte, zij zouden, als grondeigenaars,

het land verbeteren en er gebouwen opzetten, en hun, volgens gewoonte,

een langen pachttijd vergunnen, en verzocht hun een notaris te halen om

de grondbrieven op te maken. Een der anderen zeide daarop onder veel

vloeken en zweren, dat zij zien zouden, dat het geene gekheid was, en

een eind weegs vandaar gaande, waar de ander een vuur aangelegd had, om

eten te koken, nam hij een brandend stuk hout en wierp het tegen de hut,

die binnen weinige minuten in de asch zou gelegd zijn, zoo niet de ander

hem weggestooten, en hoewel niet zonder moeite, het vuur had uitgetrapt.

De kerel werd zoo woedend, dat de ander hem wegstiet, dat hij een stuk

hout opnam, en zoo de ander niet vlug den slag ontweken en in zijne hut

de wijk genomen had, ware het met hem gedaan geweest. Zijn makker,

ziende in welk gevaar zij beide waren, liep hem achterna, en een

oogenblik daarna kwamen zij met hunne geweren terug. Degeen, op wien de

slag gemunt was geweest, velde dengeen, die hem dien had willen

toebrengen, met den kolf van zijn geweer neder, voor de anderen hem te

hulp konden komen, en toen deze naderden, hielden zij hen de geweren

voor en gelastten hen heen te gaan.

De anderen hadden ook vuurwapens bij zich, maar de moedigste van de twee

eerlijke Engelschen (gelijk ik hen voortaan noemen zal) door het gevaar

wanhopig gemaakt, zeide, dat zij hen zouden doodschieten als zij hand of

voet bewogen, en gelastte hen hunne wapens af te leggen. Dit laatste

deden zij wel niet; maar de standvastigheid van de anderen bragt hen tot

onderhandelen, en zij verlangden den gekwetste mede te nemen en te

vertrekken; het schijnt, dat deze vrij zwaar gekwetst was. Zij hadden

echter ongelijk, dat zij, thans de overhand hebbende, hen niet

ontwapenden, gelijk zij hadden kunnen doen, en daarop naar de Spanjaards

toegingen en hun verhaalden hoe de schurken hem bedreigd hadden, want

deze drie zonnen op niets dan op wraak, en gaven toen dagelijks de

blijken daarvan.

Ik zal kleinere staaltjes hiervan niet vermelden, als het vertrappen van

hun koorn, het doodschieten van jonge geiten en van een tamme geit, die

de arme lieden voor verdere aanfokking hielden. Zij plaagden hen op

dergelijke wijze nacht en dag, tot dat de twee anderen in wanhoop

besloten hen alle drie te bevechten, bij de eerste gelegenheid de beste.

Zij besloten te dien einde naar mijne oude woning te gaan, waar de

Spanjaards en de drie schurken gezamenlijk woonden, ten einde de

Spanjaards te vragen om toe te zien, dat het bij het gevecht eerlijk in

zijn werk ging. Op een morgen voor dat de dag aanbrak, begaven zij zich

op weg, en voor het kasteel gekomen (gelijk zij het noemden) riepen zij

de Engelschen bij hun naam, en zeiden aan een Spanjaard, die hun

antwoordde, dat zij hen wilden spreken.

Toevallig hadden twee der Spanjaarden den vorigen dag in het bosch een

der eerlijke Engelschen ontmoet, die zich bij hen bitter beklaagd had

over de schandelijke behandeling, die zij van hunne landslieden

ondergingen, hoe deze hunne aanplantingen vernield, hun koorn vertrapt

hadden, waaraan zij zoo hard gewerkt hadden; dat zij hunne melkgeit en

drie jongen gedood hadden, waarvan zij geheel moesten leven, en dat zoo

de Spanjaarden hen niet bijstonden, zij van honger moesten sterven. Toen

de Spanjaarden dien avond te huis kwamen, namen zij de vrijheid de

Engelschen te berispen, schoon in zachte en gematigde bewoordingen, en

vroegen hoe zij zoo wreed konden zijn jegens lieden, die hun geheel geen

kwaad deden, en die zelf hun onderhoud trachtten te verdienen, en wie

het zoo veel moeite had gekost hunne zaken op dien voet te brengen.

Een der Engelschen antwoordde zeer barsch, wat zij daar te maken hadden;

zij waren zonder verlof op het eiland gekomen; de grond behoorde hun

niet. "Wel sennor," zeide een der Spanjaarden zeer bedaard, "zij moeten

niet van honger sterven."--"Dat kunnen zij doen, wat mij betreft,"

antwoordde de Engelschman, als een echte ruwe zeebonk, "zij mogen daar

niet planten of bouwen."--"Wat moeten zij dan doen, sennor?" vroeg de

Spanjaard. Een ander der woestelingen antwoordde, dat zij knechts

moesten zijn en voor hen werken.--"Maar hoe kunt gij dat verwachten,"

hernam de Spanjaard, "gij hebt ze niet voor geld gekocht, gij hebt geen

regt hen tot uwe knechts te maken." De Engelschman antwoordde, dat het

eiland hun toebehoorde, de gouverneur had het hun gegeven en niemand had

daar iets te zeggen dan zij, en daarbij zwoer hij, dat hij telkens hunne

nieuwe hutten zou afbranden, en dat zij er geen op hun land zouden

zetten.

"Wel, sennor," zeide de Spanjaard, "op dien grond zouden wij ook uwe

dienstknechten zijn."--"Ja," zeide de onbeschaamde kerel, "en dat zult

gij ook worden, eer wij met elkander afgedaan hebben." Hij doormengde

dit gezegde met eenige afgrijsselijke vloeken. De Spanjaard echter

lachte hierover en gaf hem geen antwoord. Dit gesprek had echter de

Engelschen warm gemaakt; een hunner, Willem Atkins geloof ik, zeide:

"Kom Jack, laat ons hen op een ander tijd te lijf gaan; wij zullen hun

kasteel vernielen, zij zullen op onzen grond geene plantaadje

aanleggen."

Hierop vertrokken zij, ieder met een snaphaan, een pistool en sabel

gewapend, terwijl zij verscheidene bedreigingen uitstieten, wat zij den

Spanjaarden zouden doen, als er zich de gelegenheid toe aanbood. Het

schijnt echter, dat de Spanjaarden hen niet genoeg verstonden om hunne

bedoeling op te maken, alleen begrepen zij, dat zij verbitterd waren,

omdat zij de twee andere Engelschen voorgesproken hadden.

Waar zij heen gingen en hoe zij dien avond den tijd doorbragten, zeiden

de Spanjaarden, wisten zij niet. Het schijnt echter, dat zij een deel

van den nacht rondzwierven, en toen, vermoeid zijnde, gingen liggen op

de plaats, die ik mijne buitenplaats noemde, en dat zij toen zich

versliepen. Zij hadden namelijk besloten tot middernacht te wachten, en

dan hunne arme landslieden, als zij sliepen, te overvallen, en gelijk

zij naderhand bekenden, hunne hut in brand te steken, terwijl zij er in

sliepen, en hen laten verbranden of hen dood te slaan als zij er uit

kwamen. Daar nu de boosheid zelden gerust slaapt, is het wonder, dat zij

niet wakker bleven.

Daar echter de twee anderen ook een voornemen hadden, schoon een veel

loffelijker dan dat om te branden en te moorden, gebeurde het, en zeer

tot hun geluk, dat zij op, en uitgegaan waren voor de bloeddorstige

schelmen aan hunne hutten kwamen. Toen deze daar gekomen en de bewoners

vertrokken vonden, riep Willem Atkins, die naar het scheen de belhamel

was: "Ha, Jack, daar is het nest, maar de vogels zijn gevlogen!" Zij

wisten eerst niet wat zij er van denken moesten, dat zij zoo vroeg

uitgegaan waren, en begrepen, dat de Spanjaards hen gewaarschuwd hadden;

hierop sloegen zij de handen ineen, en zwoeren, dat zij zich op de

Spanjaarden zouden wreken. Zoodra zij deze bloedige overeenkomst

gesloten hadden, vielen zij op de woning der arme Engelschen aan. Zij

staken wel niets in brand, maar braken de beide hutten stuksgewijs

uiteen, en lieten niet den minsten stijl in den grond, zoodat men

naauwelijks zien kon waar zij gestaan hadden. Al hun huisraad en

goederen vernielden zij, en strooiden alles zoo in het rond, dat de arme

lieden naderhand eenige hunner goederen een kwartier verder vonden

liggen.

Toen dit gedaan was, rukten zij al het jonge plantsoen uit, dat zij

geplant hadden, vertrapten de heining, waardoor zij hun vee en graan

beschermden, en kortom, vernielden en verwoestten alles zoo als

naauwelijks eene horde Tartaren had kunnen doen.

De twee Engelschen waren op dat oogenblik uitgegaan om hen op te zoeken,

en zij hadden besloten hen te bevechten, waar zij hen ook vonden, schoon

zij twee tegen drie waren, zoo dat er zeker bloed zou gestort zijn als

zij elkander ontmoet hadden, want allen waren zeer kloeke en moedige

kerels. Doch de Voorzienigheid zorgde meer, hen van elkander te houden,

dan zij om elkander te ontmoeten, want, alsof zij voor elkander

wegliepen, waren de twee hier, de drie waren ginder; en toen naderhand

de twee teruggingen om hen op te zoeken, kwamen de drie aan hunne oude

woning terug; wij zullen zien hoe verschillend zij zich gedroegen. Toen

de drie terug kwamen, als dolle schepselen, kokende van drift, waarin

hunne daden hen gebragt hadden, kwamen zij bij de Spanjaarden, en

verhaalden hun, al snoevende, wat zij gedaan hadden, en een hunner trad

naar de Spanjaards toe, als waren zij een troep kwade jongens, draaide

een den hoed op het hoofd rond, en sloeg hem daarop er mede in het

gelaat, zeggende: "En gij, Spaansche Jaap, zult van hetzelfde laken een

pak hebben, als gij u voortaan niet beter gedraagt." De Spanjaard, die,

ofschoon een stil, beleefd man, zoo moedig als een leeuw was, zag hem

eene poos strak aan, en stapte, daar hij geen wapen in de hand had,

daarop langzaam naar hem toe, en deed hem met een vuistslag, als een

gedolden os, op den grond storten; waarop een van de schurken, even

onbeschaamd, dadelijk een pistool op den Spanjaard loste. Hij miste hem,

maar de kogel streek langs zijn hoofd, en raakte hem even aan zijn oor,

zoo dat dit bloedde. Het zien van het bloed deed den Spanjaard gelooven,

dat hij zwaarder gewond was, dan het geval was, en hierdoor eenigzins

driftig geworden, want hij was tot hiertoe volkomen bedaard gebleven,

nam hij het geweer op van den kerel, dien hij nedergeveld had, en stond

op het punt den man, die op hem gevuurd had, dood te schieten, toen de

andere Spanjaarden uit den kelder kwamen, hem toeriepen niet te

schieten, tusschen beide traden en de anderen ontwapenden en bonden.

Toen zij thans ontwapend waren, en bemerkten, dat zij zich ook de

Spanjaards tot vijand hadden gemaakt, zoo wel als hunne landslieden,

begonnen zij een toontje lager, en gaven den Spanjaards goede woorden,

om hun de geweren terug te geven; maar de Spanjaards, in aanmerking

genomen de veete, die er tusschen hen en hunne landslieden bestond, en

begrijpende, dat het best ware hen van elkander te houden, zeiden, dat

zij hun geen kwaad wilden doen, en zoo zij vreedzaam wilden leven, hen

blijven bijstaan, gelijk zij vroeger gedaan hadden, maar dat zij er

niet aan konden denken hunne wapens terug te geven, terwijl zij

voornemens schenen er hunne landslieden mede te beleedigen, en zelfs

gedreigd hadden hen allen tot slaven te maken.

De schurken wilden evenmin naar rede hooren als handelen, en op deze

weigering gingen zij heen, vloekende als dollen, en dreigende wat zij

hen ook zonder vuurwapenen zouden doen. Maar de Spanjaards, die hunne

bedreigingen verachtten, zeiden hun, dat zij te zorgen hadden van geen

kwaad aan hunne plantaadjes of vee te doen, want dat zij hen anders als

wilde beesten zouden doodschieten, waar zij hen vonden, en hen ophangen

zoo zij hun levende in handen vielen. Wel verre van hierdoor te bedaren,

dropen zij af, vloekende en zwerende als helsche furiën. Naauwelijks

waren zij weg of de twee anderen kwamen, even woedend, schoon om eene

andere reden; want toen zij, bij hunne aanplantingen gekomen, die allen,

gelijk gezegd is, vernield en verwoest vonden, hadden zij reden genoeg

zich te vertoornen. Zij konden naauwelijks hun verhaal doen, want de

Spanjaards lieten hen niet aan het woord komen, en verhaalden hun

wedervaren; en waarlijk het was opmerkelijk hoe drie menschen hier

negentien getergd hadden, zonder straf te beloopen. De Spanjaarden

echter verachtten hen, en na hen ontwapend te hebben, telden zij hunne

bedreigingen weinig, maar de twee Engelschen besloten het hun te

vergelden, wat moeite het hun ook kosten zou hen op te sporen.

Maar hier kwamen de Spanjaarden ook weder tusschen beide, en zeiden hun,

dat daar de anderen reeds ontwapend waren, zij niet konden toestemmen,

dat zij (de twee) hen met vuurwapens vervolgden en misschien

doodschoten. "Maar," zeide de bezadigde Spanjaard, die hun gouverneur

was, "wij willen ons best doen, dat u geregtigheid geschiede, als gij

het aan ons wilt overlaten, want er is geen twijfel aan of zij zullen

terugkomen als hunne eerste drift bedaard is, daar zij zonder onzen

bijstand niet leven kunnen, en ik beloof u, dat wij geen vrede met hen

zullen maken zonder eene volledige voldoening aan u, en op deze

voorwaarde hopen wij, dat gij u van alle gewelddadigheden jegens hen

zult onthouden, anders dan ter uwer verdediging."

De twee Engelschen stemden slechts met weerzin hierin toe, maar de

Spanjaarden verzekerden dat zij het alleen deden om bloedstorting te

voorkomen en eindelijk alles te schikken. "Want," zeide hij, "zoo veel

zijn wij niet in getal of er is ruimte genoeg voor ons allen, en het zou

jammer zijn zoo wij niet allen in goede vriendschap leefden." Eindelijk

stemden zij dan toe af te wachten hoe de zaak afloopen zou, en bleven

eenige dagen bij de Spanjaards, omdat hunne eigene woning vernield was.

Ongeveer vijf dagen daarna kwamen de drie vagebonden, vermoeid van hun

rondzwerven, en half dood van honger, daar zij bijkans alleen van

schildpadeijeren geleefd hadden, naar het woonhuis terug, en daar zij

den Spanjaard, die, gelijk ik zeide, de gouverneur was, met nog twee

anderen langs de kreek zagen wandelen, kwamen zij zeer ootmoedig naar

hen toe en smeekten op nieuw in hun huisgezin opgenomen te worden. De

Spanjaarden ontvingen hen beleefd; maar zeiden, dat zij zoo barbaarsch

jegens hunne landslieden, en zoo onbescheiden jegens henzelve gehandeld

hadden, dat hij geen besluit kon nemen, zonder de twee Engelschen en

zijne overige landslieden te raadplegen. Hij zou hen echter gaan

opzoeken en er over spreken, en hun binnen een half uur antwoord geven.

Zij schenen er kwaad aan toe te zijn, want toen zij een half uur moesten

wachten, smeekten zij, dat hij hun eerst een stuk brood wilde geven;

hetgeen hij deed, en hun tevens een stuk gekookt geitenvleesch en een

gebraden papegaai toezond, dat zij gretig opaten, want zij waren

uitgehongerd.

Na verloop van een half uur werden zij geroepen, en nu volgde nog een

lange onderhandeling. Hunne twee landgenooten beschuldigden hen van het

vernielen van al wat zij bezaten, en van het voornemen hen te

vermoorden, hetwelk zij vroeger openlijk verklaard hadden, en dus thans

niet konden ontkennen. De Spanjaards handelden als bemiddelaars, en daar

zij vroeger de twee Engelschen belet hadden hen te vervolgen, toen zij

ongewapend waren, zoo gelastten zij thans de drie, dat zij de hutten van

hunne landslieden weder zouden opbouwen, de eene even als zij geweest

was, de andere wat grooter; ook de heiningen weder te herstellen, andere

boomen te planten voor de uitgeroeide, het land om te spitten, om het

weder te bezaaijen, waar zij het vernield hadden; kortom, alles zoo veel

mogelijk in zijn vorigen staat te herstellen, want geheel kon het niet,

daar het jaargetij voor het koorn voorbij was, en de boomen en heiningen

eerst weder moesten groeijen.

Zij voldeden hieraan gewillig, en daar men hen al dien tijd goed van

eten voorzag, leefden zij zeer ordelijk, en de geheele bevolking begon

weder aangenaam en genoegelijk te leven; slechts konden de drie

Engelschen nimmer overgehaald worden om voor zichzelven te werken,

behalve nu en dan voor eene poos, als hun dit in het hoofd kwam. De

Spanjaarden zeiden hun echter ronduit, dat zoo zij slechts gezellig en

in goede vriendschap wilden leven, en niets tegen het welzijn der

volkplanting ondernemen, zij voor hen zouden werken en hen laten

rondzwerven en luijeren zoo veel zij wilden; en nadat zij aldus een paar

maanden zich vrij wel gedragen hadden, gaven de Spanjaards hun hunne

wapens terug en verlof om te gaan waar zij wilden.

Geen week duurde het echter of de ondankbare kerels begonnen even

onrustig en lastig te worden. Thans echter gebeurde er iets, dat hun

aller veiligheid in gevaar bragt, waardoor zij genoodzaakt waren alle

bijzondere veeten te laten varen en alleen op hun lijfsbehoud te denken.

Het gebeurde op een nacht, dat de Spanjaard-gouverneur, gelijk ik hem

noemde, dat wil zeggen de Spanjaard, dien ik het leven gered had, en

thans zoo veel als kapitein van zijne landslieden was, zeer onrustig was

en volstrekt niet slapen kon. Hij was volkomen wel, zeide hij mij, maar

allerlei denkbeelden kwamen hem voor den geest, van lieden die vochten

en elkander doodsloegen, schoon hij volkomen wakker was, hoewel hij

volstrekt den slaap niet vatten kon. Kortom, hij bleef eene poos liggen,

maar steeds onrustiger wordende, besloot hij op te staan. Daar hun

aantal zoo groot was, sliepen zij niet, zoo als ik, in eene hangmat,

maar lagen op geitenvellen, waarvan zij legersteden gemaakt hadden. Als

zij dus wilden opstaan, behoefden zij weinig anders te doen om gereed te

zijn dan misschien schoenen en een buis aan te doen.

Opgestaan zijnde, zag hij uit, maar het was zoo donker, dat hij niets

onderscheiden kon; en bovendien belemmerden de boomen, die ik geplant

had en nu digt ineengegroeid waren, het uitzigt, zoodat hij alleen zien

kon, dat de sterren helder aan de lucht stonden; en geenerlei gerucht

hoorende, keerde hij terug en ging weder liggen, maar het baatte niet,

hij kon niet slapen, en had geen rust, want hij was in de uiterste

onrust, zonder dat hij wist waarom.

Daar hij met opstaan en heen en weder loopen eenig gedruisch had

gemaakt, werd een ander wakker, die vroeg wie er opgestaan was. De

gouverneur zeide hoe het met hem was. "Zegt gij zoo," zeide de ander,

"zulk een voorgevoel is niet te verachten; er wordt zeker eenig kwaad

gebrouwen in onze nabijheid. Waar zijn de Engelschen?" vervolgde

hij.--"Die zijn allen in hunne hutten," zeide hij, "en rustig." Het

schijnt, dat de Spanjaarden het grootste vertrek gehouden hadden, en de

Engelschen afzonderlijk lieten slapen, waar zij niet bij de anderen

konden komen. "Er is dan toch iets gaande," hernam de andere Spanjaard,

"daarvan ben ik door mijne eigene ondervinding verzekerd. Ik houd mij

overtuigd, dat onze ziel in betrekking staat tot bewoners eener

onzigtbare wereld, en dat een voorgevoel ons altijd tot ons welzijn

wordt gegeven, als wij er goed partij van weten te trekken. Kom,"

vervolgde hij, "laat ons naar buiten gaan en eens uitzien; zoo wij niets

vinden, dat onze bezorgdheid regtvaardigt, zal ik u eene geschiedenis

verhalen, die u van de juistheid van mijn voorslag zal overtuigen."

Zij begaven zich daarop boven op den top van den heuvel, gelijk ik

gewoon was, maar daar zij sterk en in gezelschap en niet alleen, gelijk

ik, waren, gebruikten zij geenszins dezelfde voorzorgen als ik, van

langs de ladder tot halfweg te komen, en die dan op te halen en tot op

den top te klimmen, maar zij gingen gerust en onbezorgd door het

boschje, toen zij verrast werden door het zien van een licht als van een

vuur, niet ver van hen af, en het hooren van menschenstemmen, niet van

een of twee, maar van een groot aantal.

Telkens als ik ontdekt had, dat er wilden op het eiland geland waren,

was ik altijd zeer bevreesd geweest, dat zij zouden ontdekken, dat het

eiland door iemand bewoond werd, en toen zij dit eens bemerkt hadden,

bemerkten zij het zoo geducht, dat degeen, die er het leven afbragten,

naauwelijks het konden navertellen, want zij verdwenen zoo schielijk

mogelijk, en niemand, die mij gezien had, ontsnapte het, om het anderen

mede te deelen, behalve de drie wilden bij onze laatste ontmoeting, die

in de boot sprongen, en welke ik, gelijk ik zeide, vreesde dat naar huis

zouden keeren en met meer hulp terugkomen. Of dit nu de oorzaak was, dat

er zoo velen gekomen waren, dan of zij zonder iets te vermoeden er

toevallig met hun gewoon bloeddorstig doel kwamen, konden de

Spanjaarden, naar het schijnt, niet ontdekken. Maar hoe dit zij, het

ware hunne zaak geweest, zich of verborgen te houden en hen in het

geheel niet te zien, veel minder den wilden te laten zien, dat er

bewoners op het eiland waren; of hen zoo geducht op het lijf te vallen,

dat geen een hunner ontsnapte, hetwelk zij alleen hadden kunnen doen

door hen van hunne booten af te snijden; maar zij hadden hiertoe geen

tegenwoordigheid van geest genoeg, hetgeen hen voor langen tijd hunne

rust kostte.

Men kan er op aan, dat de gouverneur en zijn makker, hierdoor

verschrikt, dadelijk terugliepen en de overigen wekten, en hun

verhaalden in welk groot gevaar zij verkeerden, doch het was hun

onmogelijk stil te blijven waar zij waren, maar allen liepen naar buiten

om te zien hoe de zaken stonden. Terwijl het duister was kon dit ook

geen kwaad, en hadden zij gelegenheid genoeg hen gade te slaan bij het

licht van drie vuren, die zij op eenigen afstand van elkander aangelegd

hadden. Wat de wilden daar verrigtten, wisten zij niet, en wat zij zelve

zouden doen, evenmin; want vooreerst waren er te veel vijanden, en ten

tweede bleven zij niet bij elkander, maar waren in verschillende

partijen verdeeld, die op onderscheidene plaatsen aan het strand waren.

De Spanjaarden werden door dit gezigt niet weinig verontrust, en daar

zij zagen, dat de wilden gedurig langs het strand zwierven, zoo

twijfelden zij niet of eenigen zouden ten laatste aan hunne woning of

eenige andere plaats belanden, waar zij de sporen van bewoning zouden

zien; en zij waren ook vol bekommering over hunne kudde geiten, daar zoo

deze uiteengejaagd en vernield werd, het gebrek hun ten deel zouden

vallen; dus besloten zij eerst, voor het licht werd, drie mannen af te

zenden, namelijk twee Spanjaards en een Engelschman, om al de geiten

naar het dal te te drijven waar de spelonk was, en ze des noods in de

grot zelve te drijven.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 2 · 第 3 / 21 段