meesteres op den grond, even als iemand, die door eene beroerte
getroffen was, en lag met den dood te worstelen. Hare leden waren
verwrongen; een harer handen was krampachtig om den poot van een stoel
geslagen, zoo stijf, dat wij dien niet gemakkelijk konden losmaken, hare
andere hand lag boven haar hoofd, en hare beenen stijf tegen het beschot
der kajuit; kortom zij lag als een zieltogende; en toch was er nog een
vonkje leven in. Niet alleen was de arme meid half dood van honger en
verschrikt door het naderen van den dood, maar gelijk het volk ons
naderhand verhaalde, haar hart was gebroken, toen zij twee of drie dagen
te voren het zieltogen harer meesteres aanschouwd had, die zij teeder
beminde. Wij wisten niet wat met de arme meid te beginnen, want toen
onze doktor, die een man van veel kennis en groote ervaring was, haar
met veel moeite in het leven had teruggebragt, moest hij haar onder
zijne behandeling houden, want het scheen langen tijd, dat haar verstand
gekrenkt was.
De lezers van dit mijn geschrift moeten wel in het oog houden, dat men
op zee bij elkander geene bezoeken aflegt, zoo als men een reisje te
land doet, waar men soms veertien dagen achtereen op dezelfde plaats
blijft. Het was thans wel onze zaak dit scheepsvolk in hunnen nood bij
te staan, maar niet bij hen te blijven liggen; en schoon zij wel eenige
dagen gelijken koers met ons wilden houden, konden wij echter geen zeil
voeren, om gelijk met een schip te blijven, dat zijne masten verloren
had. Daar echter hun kapitein ons verzocht hem te helpen een noodsteng
op den grooten mast en een soort van steng op zijn fokkemast op te
zetten, maakten wij als het ware drie of vier dagen te dien einde een
bijlegger bij hem. Na hem daarop vijf vaten ossenvleesch, een vat spek,
twee groote vaten beschuit, en zooveel erwten, meel en wat wij missen
konden, gegeven te hebben, namen wij daarvoor van hen over drie vaten
suiker, eenigen rum en eenige stukken van achten, en verlieten hen
daarop, na op hun eigen ernstig verzoek den jongeling en de dienstmaagd
met al hun goed bij ons aan boord te hebben genomen.
De jongeling was ongeveer zeventien jaren oud, een knappe, welopgevoede,
verstandige en zedige knaap; zeer bedroefd over het verlies zijner
moeder; en naar het bleek had hij slechts weinige maanden geleden zijn
vader te Barbados verloren. Hij verzocht den doktor, om zijne voorspraak
bij mij, om hem aan boord te nemen; want hij zeide, dat de onbarmhartige
kerels zijne moeder vermoord hadden. Dit was ook in zekeren zin de
waarheid, want zij hadden wel een klein weinig kunnen afzonderen voor de
arme hulpelooze vrouw, waardoor zij het leven had kunnen behouden, al
ware het maar genoeg, dat zij niet van honger gestorven was. Maar de
honger is een scherp zwaard, en kent vrienden noch bloedverwanten, noch
regten; en heeft derhalve geene gewetens wroeging en is voor medelijden
onvatbaar.
De doktor zeide hem welk eene verre reis wij gingen doen, en hoe die
hem van al zijne bloedverwanten verwijderen zou, en hem misschien even
ongelukkig doen worden, als toen wij hem vonden, namelijk om in de
wereld te verhongeren. Hij zeide, dat het hem onverschillig was, waar
hij heen ging, zoo hij slechts van dat verschrikkelijk scheepsvolk
ontslagen was; dat de kapitein (waarmede hij mij bedoelde, want hij had
mijn neef niet gezien) hem het leven gered had, en hij was verzekerd,
dat hij hem verder geen kwaad zou toevoegen. Wat de dienstmaagd betrof,
ook deze, zeide hij, zou zeer dankbaar zijn, al bragten wij haar ook
waar wij wilden. De doktor stelde mij de zaak zoo treffend voor, dat ik
er in toestemde, en wij namen beide aan boord met al hun goederen;
behalve elf vaten suiker, die niet overgeladen konden worden; en daar de
jongeling er een cognossement van had, liet ik den kapitein eene
verbindtenis teekenen, om zoodra hij te Bristol aankwam, naar zekeren
heer Rogers, een koopman daar, te gaan, die volgens des jongelings
zeggen, een bloedverwant van hem was, en dien een brief van mij, met al
de goederen der overledene weduwe af te geven, hetgeen ik niet geloof,
dat ooit gebeurd is; want ik heb nooit vernomen, dat het schip te
Bristol aangekomen is. Waarschijnlijk is het vergaan, want het was zoo
ontredderd en zoo ver van alle land, dat ik denk, dat het bij den
eersten storm, waarvan het beloopen werd, moest zinken, want het was lek
en had schade in het hol, toen wij het aantroffen.
Wij waren nu op 19° 32' en hadden tot hiertoe, wat het weder betreft,
eene niet ongunstige reis, schoon in het eerst veel tegenwinden gehad.
Ik zal niemand lastig vallen met de geringe voorvallen van weer en wind
en stroomingen, maar mijne geschiedenis bekortende, alleen vermelden,
dat ik den 10den April 1695 op mijn oud verblijf, het eiland aankwam.
Geene geringe moeite kostte het mij het terug te vinden, want daar ik
vroeger er op kwam en vertrok van de zuid- en oostzijde, als van
Brazilië komende, zoo kwam ik nu tusschen het vasteland en het eiland,
en daar ik geene kaart van de kust of eenige landmerken had, kende ik
het niet, toen ik het zag, en wist niet of ik het zag of niet.
Wij kruisten een geruimen tijd rond, en deden verscheidene eilanden aan
in den mond van de Oronoco, doch vruchteloos; alleen bespeurde ik door
onze kustvaart, dat ik vroeger in eene groote dwaling vervallen was;
namelijk, dat het vasteland, hetwelk ik van het eiland waarop ik woonde
meende te zien, eigenlijk geen vast land, maar een lang eiland, of
liever eene eilandenreeks was, die van de eene zijde van den wijden mond
dier rivier tot aan de andere liep, en dat de wilden, die op mijn eiland
kwamen, eigenlijk niet diegenen waren, die wij Caraïben noemen, maar
eilandbewoners van hetzelfde ras, die wat digter dan de overige aan
onzen kant woonden.
Ik bezocht verscheidene dier eilanden vruchteloos; sommigen vond ik dat
onbewoond waren, anderen niet. Op een derzelve trof ik eenige
Spanjaarden aan, die ik meende dat daar hun verblijf hielden; maar toen
ik hen sprak vernam ik, dat zij daar digtbij in eene kreek eene sloep
hadden liggen, en dat zij hier kwamen, om zout te maken, en naar
parelmosselen te visschen; maar zij behoorden tot het eiland Trinidad,
dat op 10° of 11° verder noordelijk lag.
Aldus het eene eiland na het andere aandoende, somtijds met ons schip,
en somtijds met de sloep van den Franschman, dat wij een zeer geschikt
vaartuig vonden, en met hun goedvinden achtergehouden hadden, kwam ik
eindelijk aan de zuidzijde van mijn eiland, en herkende thans duidelijk
waar ik was. Ik bragt dus het schip veilig ten anker, dwars voor de
kleine kreek, waar mijne oude woning was.
Zoodra ik de plaats zag, riep ik Vrijdag, en vroeg hem, of hij wist waar
hij was. Hij zag in het rond, en, in de handen klappende, riep hij uit:
"O ja, daar! O ja, daar!" terwijl hij naar onze oude woning wees, en
danste en rondsprong, of hij gek geworden was, en ik had veel moeite,
hem te beletten dat hij in zee sprong, om naar den wal te zwemmen.
"Wel Vrijdag," zeide ik, "denkt gij, dat wij hier iemand zullen vinden
of niet? Wat dunkt u, zullen wij uwen vader hier vinden?" Hij stond eene
poos zonder te spreken, maar toen ik van zijn vader sprak, zette hij een
treurig gelaat, en ik zag, dat hem de tranen over het gelaat liepen.
"Wat deert u, Vrijdag," zeide ik, "zijt gij bedroefd, omdat gij
denkelijk uw vader zult zien?"--"Neen, neen," zeide hij, het hoofd
schuddende; "hem niet weêr zien, zal hem niet weêr zien."--"Waarom?"
zeide ik, "hoe weet gij dat, Vrijdag?"--"O neen," zeide Vrijdag, "hij
lang geleden gestorven; hij lang dood, hij zoo oud man is."--"Kom, het
is nog zoo zeker niet, Vrijdag," zeide ik. "Maar zullen wij dan niemand
anders zien?" Vrijdag had beter oogen dan ik, en hij wees naar den
heuvel, achter mijn verblijf; en, schoon wij er nog een half uur af
lagen, riep hij uit: "Ik zie, ik zie, ik zie veel menschen, en daar en
daar!" Ik zag derwaarts, maar kon niets onderscheiden, zelfs niet met
een kijker, schoon dit geloof ik, kwam door dien ik de plek niet er in
opvangen kon, want den volgenden dag vernam ik, dat hij gelijk had
gehad, en er vijf of zes lieden naar het schip hadden staan te zien, die
niet wisten waar zij ons voor moesten houden.
Zoodra Vrijdag mij zeide, dat hij menschen zag, deed ik de Engelsche
vlag hijschen en drie schoten doen, om te kennen te geven, dat wij
vrienden waren, en ongeveer een half kwartier later zagen wij rook van
de zijde van de kreek oprijzen. Ik gelastte dadelijk de boot uit te
zetten, nam Vrijdag mede, en eene witte of vredevlag opzettende, ging
ik naar den wal, met den jongen priester, waarvan ik gesproken heb, wien
ik mijne geheele levensgeschiedenis verhaald had, benevens hoe ik daar
gewoond en wie ik daar had gelaten, en die evenzeer als ik daarheen
verlangde. Bovendien hadden wij ongeveer zestien goed gewapende mannen
bij ons, als er soms eenige nieuwe gasten gekomen waren, die wij niet
kenden; doch wij hadden onze wapens niet noodig.
Daar wij, toen de vloed bijkans op zijn hoogst was, aan wal gingen,
roeiden wij de kreek in, en de eerste man, waar mijn oog op viel, was de
Spanjaard, dien ik het leven gered had, en wiens gelaat ik dadelijk
herkende; zijne kleeding zal ik later beschrijven. Ik gelastte, dat
buiten mij niemand de boot zou verlaten, maar Vrijdag was niet te
houden, want de brave jongen had zijn vader zeer in de verte gezien,
veel verder dan mijn oog reikte, en zoo men hem niet aan wal had laten
gaan, zou hij in zee gesprongen zijn. Naauwelijks was hij aan land, of
hij vloog als een pijl uit den boog naar zijn vader. De hardvochtigste
mensch zou tranen vergoten hebben bij het zien van de eerste uitbarsting
zijner vreugde, toen hij bij zijn vader gekomen was. Hij omhelsde en
kuste hem, streelde hem over het gelaat, nam hem in zijne armen op en
zette hem op een boomstam en ging bij hem liggen; dan stond hij op en
staarde hem aan, gelijk men eene vreemde schilderij zou doen, wel een
kwartier lang; dan viel hij weder neder, streelde zijne beenen en kuste
ze, en sprong dan weder op en bleef hem aanstaren; men zou gezegd
hebben, dat hij betooverd was. Maar iedereen had weder moeten lagchen
als men zag hoe hij zijne vreugde weder op eene andere wijze lucht gaf.
In den morgen wandelde hij verscheidene uren met zijn vader langs het
strand heen en weder, altijd hem bij de hand houdende alsof hij een kind
was, en nu en dan kwam hij iets uit de boot voor hem halen, als een
klomp suiker, een borrel, een beschuit of eenige andere versnapering.
Des namiddags maakte hij weder andere grappen, want toen zette hij den
ouden man op den grond en danste om hem heen met allerlei potsige
gebaren, en gedurende al dien tijd sprak hij tot hem, en verhaalde hem
eene of andere gebeurtenis van zijne reizen, en wat hem overgekomen was,
om hem te vermaken. Kortom, zoo er bij de Christenen in ons werelddeel
zoo veel kinderlijke liefde bestond, zou men bijkans geneigd zijn te
zeggen, dat het vijfde gebod niet noodig was.
Doch ik moet tot mijne landing terugkeeren. Ik zou nimmer eindigen als
ik al de pligtplegingen en beleefdheden der Spanjaarden wilde vermelden.
De eerste Spanjaard, dien ik, gelijk ik zeide, zeer goed herkende, was
degeen wien ik het leven gered had, hij kwam met nog een naar de boot
toe, ook met eene witte vlag; en niet alleen herkende hij mij in het
eerst niet, maar hij had ook niet het minste denkbeeld of vermoeden, dat
ik het zijn zou, tot ik hem toesprak. "Sennor," zeide ik in het
Portugeesch, "kent gij mij niet?" Hij antwoordde niet, maar gaf zijn
geweer over aan den man, die bij hem was, en iets in het Spaansch
zeggende, dat ik niet wel verstond, kwam hij naar mij toe en omarmde
mij, zeggende, dat het onverschoonlijk was, dat hij het gelaat niet
herkende, dat hem eens, als dat eens engels uit den Hemel, was
verschenen om zijn leven te redden. Hij zeide mij eene menigte
beleefdheden, gelijk ieder welopgevoede Spanjaard altijd doen zal, en
riep daarop dengeen, die bij hem was, en verzocht hem naar zijne makkers
te gaan en die te roepen. Hij verzocht mij daarop naar mijn oud verblijf
te gaan, waar hij mij weder in het bezit van mijn vorig huis zou
stellen, en mij laten zien, dat er slechts geringe verbeteringen waren
aangebragt. Ik ging dus met hem mede, maar ik kon helaas den weg evenmin
vinden, alsof ik er nooit geweest was, want zij hadden zoo veel boomen
en zoo digt bij elkander geplant, en deze waren in tien jaren zoo
ineengegroeid, dat de plaats onbereikbaar was, behalve langs zulke
kromme en bedekte wegen, daar alleen derzelver aanleggers den weg door
konden vinden.
Ik vroeg hem naar de reden van al deze verschansingen. Hij zeide, dat ik
erkennen zou, dat zij noodig genoeg waren, als hij mij verhaald had wat
zij van hunne komst op het eiland af beleefd hadden, vooral nadat zij
het ongeluk hadden gehad van mijn vertrek te vernemen. Hij zeide, dat
toen hij gehoord had, dat ik met een goed schip en naar mijn genoegen
vertrokken was, hij niet dan zich kon verheugen over mijn geluk; en dat
hij naderhand dikwijls vertrouwd had, dat hij mij den een of anderen
tijd zou wederzien. Maar nimmer was hem in zijn leven iets zoo
onverwachts en treurigs overgekomen als de teleurstelling, die hij in
het eerst gevoelde, toen hij, op het eiland teruggekeerd, vernomen had,
dat ik mij daar niet meer bevond.
Wat de achtergebleven barbaren (gelijk hij ze noemde) betrof, en van
welke hij zeide mij veel te verhalen te hebben, de Spanjaarden achtten
zich allen veel beter onder de wilden, hoezeer zij in zoo klein getal
waren. "En waren zij sterker in getal geweest," zeide hij, "wij zouden
reeds lang in het vagevuur geweest zijn," terwijl hij een kruis maakte.
"Ik hoop echter, dat het u niet mishagen zal, mijnheer," vervolgde hij,
"als ik zeg hoe de noodzakelijkheid ons gedwongen heeft hen, tot behoud
van ons leven, te ontwapenen, en hen, die niet tevreden waren met in
zachtheid onze meesters te zijn, maar onze moordenaars wilden zijn, tot
onze onderdanen te maken." Ik antwoordde, dat ik er zeer voor gevreesd
had, toen ik hen daar achterliet, en dat niets bij mijn verlaten van het
eiland mij meer onrust baarde dan dat zij niet teruggekomen waren;
anders zou ik hen eerst in het bezit van alle dingen gesteld en de
anderen in een staat van onderdanigheid achtergelaten hebben, gelijk zij
verdienden. Doch zoo zij hen daartoe gebragt hadden, was mij dit zeer
aangenaam, en ik er verre af hierin iets laakbaars te vinden; want ik
wist, dat zij een hoop ontembare, weerbarstige schurken waren, die tot
alle kwaad in staat waren.
Terwijl hij dit verhaalde, kwam de man, die hij teruggezonden had, met
nog elf anderen terug. Het was mij onmogelijk uit de kleeding, die zij
droegen, op te maken, van welke natie zij waren, doch hij verklaarde
alles zoo wel aan hen als aan mij. Eerst keerde hij zich tot mij, en
naar hen wijzende, zeide hij: "Dit, mijnheer, zijn eenigen van de
heeren, die hun leven aan u te danken hebben," en zich daarop tot hen
keerende en op mij wijzende, deelde hij hun mede wie ik was. Waarop zij
allen een voor een naar mij toekwamen, niet alsof zij matrozen en zulk
volk waren en ik huns gelijken; maar als waren zij ambassadeurs van
hoogen adel en ik een monarch of groote veroveraar. Hun gedrag was ten
uiterste hoffelijk en verpligtend, en toch met een manhaften ernst en
deftigheid gepaard, die hun zeer goed stond; kortom, zij waren zoo
hoffelijk, dat ik naauwelijks wist hoedanig hunne beleefdheden te
ontvangen, veel minder hoe ik die beantwoorden zou.
De geschiedenis van hunne komst en gedrag op het eiland na mijn vertrek
is zoo merkwaardig, en behelst zoo vele voorvallen, die het volgend deel
mijns verhaals zal ophelderen, en in het meerendeel overeenstemmen met
het daarvan reeds gegeven verslag, dat ik niet dan met het grootst
genoegen die te boek stel voor hen, die na mij dit zullen lezen.
Ik zal niet langer mijzelven laten optreden, ten einde niet duizendmaal:
"ik zeide, hij zeide, ik hernam, hij hervatte," enz., te moeten herhalen,
maar zal de gebeurtenissen mededeelen, zoo als zij achtervolgens
geschied zijn, en mijn geheugen die bewaard heeft, uit hetgeen zij mij
mededeelden en van hetgeen ik in mijn omgang met hen en op de plaats
vernam.
Ten einde dit zoo duidelijk mogelijk geschiede, moet ik teruggaan tot
den staat, waarin ik het eiland verliet, en van de personen, waarvan ik
spreken moet. Eerstelijk moet ik herhalen, dat ik Vrijdags vader en den
Spanjaard, die ik het leven gered had, in eene groote kanoe naar het
vasteland, waarvoor ik het toen hield, had doen oversteken, om de
makkers van den Spanjaard, die hij achtergelaten had, te halen, ten
einde hen voor gelijke ramp, als die hem getroffen had, te behoeden, en
hen voor het oogenblik te hulp te komen, en ten einde wij zoo mogelijk,
gezamenlijk een middel tot onze bevrijding zouden uitvinden.
Toen ik hen wegzond had ik geenerlei vooruitzigt of eenigen meerderen
grond om op mijne redding te hopen, dan ik twintig jaren lang gehad had,
veel minder had ik eenig vermoeden van hetgeen kort daarop gebeurde,
namelijk, dat een Engelsen schip het eiland zou aandoen om mij op te
nemen; en het moest voor hen eene zeer groote verrassing zijn, toen zij
bij hunne terugkomst niet alleen vonden, dat ik vertrokken was, maar er
ook drie vreemdelingen aantroffen, in het bezit van al wat ik
achtergelaten had, en dat anders hun eigendom zou geweest zijn.
Het eerst waar ik naar vroeg, was naar hunne eigene lotgevallen; en ik
verzocht hem mij een verslag te geven van zijne terugreis naar zijne
landslieden, met de boot, toen ik hem uitgezonden had om hen te halen.
Hij zeide, dat dit zeer eenvoudig was, want dat hun onder weg niets
merkwaardigs gebeurd was. Zij hadden stil weder en eene effen zee gehad.
Het was buiten kijf, zeide hij, dat zijne landslieden bovenmate verheugd
waren hem weder te zien. (Het schijnt, dat hij de voornaamste onder hen
was, want de kapitein van het schip, waarmede zij schipbreuk geleden
hadden, was voor eenigen tijd gestorven). Zijne terugkomst verbaasde hen
te meer, daar zij wisten, dat hij in de handen der wilden gevallen was,
die, naar zij begrepen, hem zoo goed als hunne andere gevangenen zouden
opgegeten hebben, en toen hij hun verhaalde hoe hij gered was geworden
en thans in staat was gesteld hen vandaar te voeren, dachten zij te
droomen, en waren, zeide hij, even verbaasd als Jozefs broeders, toen
deze hun verhaalde wie hij was, en hoe hoog hij aan Farao's hof verheven
was. Maar toen hij hun zijne wapens, kruid en lood en mondbehoeften liet
zien, die hij voor hunne reis medegebragt had, kwamen zij tot
zichzelven, juichten over hunne bevrijding en maakten zich dadelijk tot
hun vertrek gereed.
Hunne eerste zorg was thans kanoes te bekomen, en hierbij waren zij
genoodzaakt niet al te eerlijk te werk te gaan, maar van hunne vrienden,
de wilden, twee groote kanoes of praauwen te leenen, onder voorwendsel,
dat zij er mede gingen visschen. Met deze vertrokken zij den volgenden
morgen. Zij hadden ook weinig tijds noodig om zich gereed te maken, want
zij hadden noch bagaadje, noch kleederen, noch voorraad, noch iets dan
zij aan het lijf hadden, en geen anderen voorraad dan eenige wortelen,
waarvan zij gewoon waren brood te maken.
In het geheel waren zij drie weken afwezig, en ongelukkig voor hen had
zich juist in dien tijd de gelegenheid voor mij opgedaan van het eiland
te verlaten, gelijk ik in het vorig deel verhaald heb, terwijl ik er
drie alleronbeschaamdste, weerbarstigste en verhardste schurken
achterliet, die men ooit ergens vinden kon, en zeer tot verdriet en
ongeluk der Spanjaarden, daar kan men op rekenen.
De eenigste pligtmatige daad der schurken was, dat toen de Spanjaarden
aan wal stapten, zij hun mijnen brief gaven, en levensmiddelen en
goederen, gelijk ik gelast had. Ook gaven zij hun de vele geschrevene
aanwijzingen, hoe ik gedurende mijn verblijf aldaar gehandeld had, hoe
ik mijn brood bakte, mijne tamme geiten aanfokte, mijn koorn plantte en
mijne druiven droogde, potten bakte, kortom, hoe ik alles deed. Dit
geheele schriftelijke opstel gaven zij aan de Spanjaarden, waarvan twee
vrij goed Engelsch verstonden. Ook weigerden zij in den beginne niet,
hen met een en ander te gerijven, want zij leefden eerst in vrij goede
verstandhouding; zij vergunden hun mede het gebruik van het huis of den
kelder, en zoo leefden zij vrij gezellig, en de Spanjaard, die veel van
mij afgezien had, benevens Vrijdags vader, beschikten alle
werkzaamheden. De Engelschen deden niets anders dan het eiland
rondzwerven, papegaaijen schieten en schildpadden vangen, en als zij des
avonds te huis kwamen, hadden de Spanjaarden het eten voor hen gereed
gemaakt.
Hierin zouden de Spanjaards genoegen hebben genomen, als de anderen hen
slechts ongemoeid hadden gelaten, maar dit konden zij niet van zich
verkrijgen, en even als de hond in de fabel wilden zij noch zelf eten,
noch het anderen laten doen. Wel waren hunne geschillen in het eerst
beuzelachtig en niet meldenswaard, maar eindelijk barstten zij in
openbaren oorlog uit, en deze begon met alle denkelijke woestheid en
ruwheid, zonder oogmerk, zonder aanleiding, en inderdaad strijdig met
alle gezond verstand, en ofschoon het eerste verhaal er van mij door de
Spanjaarden, als het ware de aanklagers, gedaan werd, konden de kerels,
toen ik hen daarover ondervroeg, er geen woord van ontkennen.
Maar alvorens hiervan de bijzonderheden mede te deelen, moet ik iets
vermelden, wat ik in mijn vorig verhaal vergeten heb, namelijk, dat
juist toen wij het anker zouden ligten bij mijn vertrek, er een kleine
twist aan boord ontstond, die ik vreesde, dat in eene tweede muiterij
zou ontaarden. Deze werd ook niet gestild, voor dat de kapitein ons
allen tot zijn bijstand geroepen had, hen met geweld uiteen dreef, en de
twee weerbarstigsten in de ijzers zette; en daar deze ook aan de
vroegere wanorde deel genomen, en zich eenige zware bedreigingen de
tweede maal hadden laten ontvallen, dreigde hij hun in de ijzers naar
Engeland te zullen voeren, en daar voor muiterij en afloopen van het
schip te laten ophangen.
Hoewel de kapitein dit niet ernstig meende, scheen het toch eenige
andere matrozen bang gemaakt te hebben, en deze trachtten de overigen
diets te maken, dat de kapitein hen met goede woorden zocht te paaijen,
tot hij eene Engelsche haven zou bereikt hebben, en hen dan allen in de
gevangenis zetten zou, en hun proces laten opmaken. De stuurman had dit
vernomen en deelde het ons mede, waarop men besloot, dat ik, die nog
altijd voor een groot man bij hen doorging, met den stuurman bij hen zou
gaan, en het volk geruststellen en beloven, dat het verledene vergeven
zou zijn, als zij zich gedurende de verdere reis goed gedroegen. Ik deed
dit, en op mijn woord stelden zij zich gerust, vooral toen ik de twee
matrozen, die in de ijzers zaten, deed ontslaan.
Maar door deze muiterij hadden wij, daar de wind ook was gaan liggen,
dien nacht voor anker moeten blijven. Den volgenden morgen vernamen wij,
dat de twee man, die uit de boeijen waren ontslagen, ieder een geweer en
eenige andere wapens gestolen hadden, en kruid en lood, hoeveel wisten
wij niet, en met de pinnas naar hunne makkers aan den wal gevlugt waren.
Op het ontdekken hiervan zond ik de groote boot met twaalf man en den
stuurman aan wal om hen te zoeken; maar zij konden noch hen, noch een
der overigen vinden, want allen waren in de bosschen gevlugt, toen zij
de boot zagen naderen. De stuurman wilde eerst, om hen te straffen, alle
aanplantingen vernielen, en al hun goed en huisraad verbranden, maar
daar hij hiertoe geene orders had, liet hij alles zoo als het was, en
nam alleen de pinnas weder mede.