HET LEVEN
EN
DE LOTGEVALLEN
VAN
ROBINSON CRUSOE,
DOOR
DANIËL DE FOE.
TWEEDE DEEL.
OP NIEUW UIT HET ENGELSCH VERTAALD.
TE AMSTERDAM, BIJ
J.F. SCHLEIJER.
1843
HET LEVEN EN DE LOTGEVALLEN
van
ROBINSON CRUSOE.
Lezers, ons gewone Engelsche spreekwoord, dat wat in het gebeente zit,
niet uit het vleesch zal gaan, werd bij niemand meer dan bij mij
bevestigd. Iedereen zou denken, dat na vijf en dertig jaren vol
rampspoed en eene menigte ongelukken, zoo als zelden of nooit iemand
ondervond, en na bijkans zeven jaren rust en welvaart in alle opzigten
genoten te hebben; en nu ik oud was, en zoo goed als iemand zeggen mogt,
in mijne mannelijke jaren ondervinding opgedaan te hebben, ik zeg, na
dit alles zou men denken, dat de zucht tot zwerven, die, gelijk ik
verhaald heb, mij aangeboren was, wel zou uitgebluscht zijn, en ik op
mijn een en zestigste jaar weinig lust kon hebben mijn vaderland te
verlaten en mijn leven en bezittingen op nieuw in gevaar te stellen.
Wat meer is, ik had geene reden meer om buitenlandsche avonturen te
zoeken; want ik behoefde mijne fortuin niet meer te maken. Al had ik
tienduizend Pond St. verdiend, ik zou er niet rijker om geweest zijn,
want ik bezat reeds genoeg voor mij en voor hen, dien ik het nalaten
zou; en het vermeerderde nog dagelijks; want daar ik een kleine familie
had, kon ik mijne inkomsten niet verteren, of ik had eene andere
levenswijze moeten aannemen; zoo als een groot huishouden opzetten,
knechts en paarden houden, gastmalen geven, en zoo voorts; dingen,
waarvan ik geen verstand, noch lust toe had; zoodat ik slechts behoefde
stil te zitten en te genieten wat ik had, om dit nog dagelijks onder
mijne handen te zien aangroeijen.
Dit alles maakte echter geen indruk op mij, althans niet genoeg om mij
den lust te benemen, om weder buiten 's lands te gaan, dat eene
aangeboren kwaal bij mij scheen te zijn; vooral maalde mij de begeerte,
mijn eiland en de kolonie, die ik daar achtergelaten had, weder te zien,
mij gestadig door het hoofd. Des nachts droomde ik er van, en over dag
peinsde ik er gestadig over, tot dat mijne verbeelding zoo werd, dat ik
in mijn slaap er over sprak. Kortom, niets kon dit mij uit het gemoed
zetten; en het werd daardoor zelfs lastig met mij om te gaan, want ik
kon nergens anders over spreken, maar had er, tot walgens toe, altijd
den mond vol van.
Ik heb dikwijls verstandige lieden hooren zeggen, dat al wat men lieden
van spoken of geesten hoort verhalen, alleen zijn oorsprong heeft in
hunne eigene sterk gespannen verbeelding; dat er geesten noch spoken
verschijnen, maar dat men door gestadig aan afgestorvenen te denken, zoo
ver komt van zich eindelijk te verbeelden, dat men die bij buitengewone
gelegenheden ziet, met hun spreekt en antwoord ontvangt; terwijl alles
slechts ijdelheid, bedrog en zelfbegoocheling is.
Wat mij betreft, ik weet niet dat er spoken zijn, of dat er in de
spookgeschiedenissen, die men hoort, iets anders dan de werking eener
verhitte verbeeldingskracht is; maar dit weet ik, dat mijne verbeelding
zoo gaande raakte, dat ik mij somtijds verbeelden kon op het eiland, in
mijn oud kasteel achter het geboomte te zijn; dan zag ik mijn ouden
Spanjaard, Vrijdags vader, en de schelmsche matrozen, die er achter
gebleven waren; soms verbeeldde ik mij, dat ik met hen sprak; en daar
dit niet in mijn slaap, maar als ik wakker was, gebeurde, werd ik
eindelijk bevreesd hoe dit alles zou afloopen. Eens in mijn slaap
verbeeldde ik mij duidelijk, dat de oude Spanjaard en Vrijdags vader mij
de slechtheid der drie matrozen verhaalden, zij vertelden hoe deze al de
overige Spanjaarden hadden willen vermoorden, en zij hunnen voorraad van
levensmiddelen hadden in brand gestoken, om hen te laten verhongeren;
dingen, waarvan ik nooit gehoord had, en die ook later bleken onwaar te
zijn. Dit alles stond mij zoo levendig voor den geest, dat ik niet
anders dacht of het was waarlijk zoo; ook hoe ik op de aanklagt der
Spanjaards dit bestrafte, hen voor mij als regter daagde, en alle drie
veroordeelde om opgehangen te worden. Wat hiervan waarheid is zal men
later zien, hoezeer dit was, moet ik zeggen, zeer veel. Wel was er niets
letterlijk zoo gebeurd als in mijn droom, maar toch had het slechte
gedrag der schelmen veel overeenkomst daarmede, en zoo wel als ik hen
naderhand gestreng wilde straffen, had ik hen toen kunnen laten
ophangen, en zou gelijk gehad hebben, en mijn gedrag door Goddelijke en
menschelijke wetten te regtvaardigen geweest zijn. Doch ik keer tot
mijne geschiedenis terug.
Ik had in deze gemoedsgesteldheid nu eenige jaren geleefd. Ik had geen
genot van mijn leven; niets was er, dat mij vermaak verschafte, of dit
werd hierdoor getemperd; zoodat mijne vrouw, die bespeurde hoezeer mijn
hart mij derwaarts trok, mij op zekeren avond ernstig onder het oog
bragt, hoe zij het voor een geheimen aandrang der Voorzienigheid hield,
die besloten had, dat ik derwaarts zou gaan; en dat zij vond, dat mij
niets hierin verhinderde dan mijne gehechtheid aan vrouw en kinderen.
Zij zeide, dat zij, wel is waar, er niet aan denken kon van mij te
scheiden, maar dat zij zich verzekerd hield, dat het het eerste zijn
zou, wat ik na haren dood deed, dat zij dus, daar het des Hemels wil
scheen te zijn, niet de eenigste hinderpaal wilde zijn. Want dat als ik
besloten had te gaan.... Hier hield zij in verwarring op, om dat zij
zag, dat ik met een zeer ernstig gelaat naar haar luisterde. Ik vroeg
haar waarom zij niet voortging en zeide wat haar op het hart lag. Maar
ik bemerkte, dat haar hart te vol was, en dat de tranen haar in de oogen
kwamen.--"Spreek verder, mijn beste," zeide ik, "verlangt gij, dat ik
gaan zoude?"--"Neen," zeide zij, "verre vandaar. Maar zoo gij er toe
besloten hebt, wil ik, liever dan de eenigste hinderpaal te zijn, u
vergezellen; want schoon het eene ontzettende onderneming voor iemand
van uwe jaren is, zoo wil ik echter, als het zijn moet," vervolgde zij
weenende, "u niet verlaten. Want is het des Hemels wil, dan moet gij het
doen, en zoo de Hemel wil, dat gij gaat, zal hij mij ook sterken om u te
vergezellen, of maken, dat ik niet langer een hinderpaal daar tegen
ben!"
Dit liefderijk gedrag mijner vrouw bragt mij een weinig tot andere
gedachten, en ik begon over mijn voornemen na te denken. Ik beteugelde
mijne verhitte verbeelding, en vroeg mij zelven af, wat ik, die zestig
jaren oud was, na zulk een leven vol ongevallen en lijden, dat op zulk
eene gelukkige wijze afgeloopen was, wat ik nog noodig had nieuwe
gevaren te zoeken en avonturen, die alleen geschikt zijn voor jeugd en
armoede.
Bovendien overwoog ik welke nieuwe betrekkingen ik had, dat ik eene
vrouw en een kind had, en weldra een tweede mogt verwachten; dat ik
alles bezat wat de wereld mij verschaffen kon, en niet noodig had
gevaren te zoeken, om eenig geld te verdienen; dat ik oud begon te
worden, en eerder denken moest datgene, wat ik gewonnen had, te
verlaten, dan te trachten het te vermeerderen. Met hetgeen mijne vrouw
gezegd had, dat het de wil des Hemels zijn kon, kon ik mij niet
vereenigen; zoodat ik na veel weifelen eindelijk mijn voornemen opgaf,
en mij zelven daartoe overreden met de gronden, die mij voor den geest
kwamen. Als het beste middel daartegen echter, besloot ik eenige
bezigheden aan te vangen, die mij in het vervolg voor soortgelijke
buitensporigheden zouden behoeden; want ik ondervond, dat dit verlangen
mij meestal bekroop als ik niets te doen, noch iets van belang te
wachten had.
Te dien einde kocht ik een boerenplaats in het graafschap Bedford, en
besloot mij daar neder te zetten. Er stond een klein, gemakkelijk huis
op, en ik bevond, dat het daarbij behoorende land voor veel verbetering
vatbaar was, iets, wat zeer met mijne neiging strookte, want land
ontginnen, planten en bouwen was mijn lust; en daar het binnen in het
land lag, was ik buiten allen omgang met schippers en schepen, en
dingen, die tot andere werelddeelen betrekking hebben. Ik ging dan met
mijn gezin mijne boerderij betrekken, kocht ploegen, eggen, een kar, een
wagen, paarden, koeijen, schapen, en ging ijverig aan het werk, zoodat
ik binnen een half jaar een volslagen landedelman was geworden. Mijne
gedachten waren uitsluitend gevestigd op mijne knechts, het bouwen en
planten, enz., en ik leidde, naar mij dacht, het aangenaamste leven,
waartoe iemand, die altijd tot ongelukken bestemd was, in staat was.
Ik bouwde mijn eigen land, behoefde geen pacht te betalen, en kon in
alles mijn eigen hoofd volgen, bouwen of afbreken, naar ik goedvond. Wat
ik kweekte was voor mij, wat ik verbeterde was voor mijn gezin, en toen
al mijne neiging tot zwerven mij verlaten scheen te hebben, was er niets
in mijn leven, dat mij kwelde. Nu meende ik tot dien staat gekomen te
zijn, dien mijn vader mij zoo ernstig aangeraden had, die levenswijze,
die de dichter noemt: "bevrijd van ondeugden en smarten; waar de
ouderdom geene zorgen, de jeugd geene valstrikken kent."
Maar te midden van dit geluk werd het door eene beschikking der
Voorzienigheid mij op eens ontnomen. Deze slag trof mij, mag ik zeggen,
tot in mijn binnenste, en deed mijn lust tot zwerven weder ontwaken, die
mij ingeschapen zijnde, als eene ziekte met onweerstaanbare kracht mij
weder overviel, zoo dat ik tot niets meer geschikt was. Deze slag was de
dood mijner vrouw. Ik wil hier geene lofrede op haar houden, of hare
deugden in het bijzonder opsommen. Zij was de steun van al mijne
verrigtingen; het middenpunt van al mijne ondernemingen; de wijze
raadsvrouw, die mij van de heillooze voornemens, die mij steeds door het
hoofd maalden, wist af te houden; en die hiertoe meer deed dan mijn
moeders tranen, mijn vaders wijze lessen, vriendenraad en mijn eigen
gezond verstand ooit vermogten. Ik was gelukkig als ik naar hare
smeekingen luisterde en aan hare tranen toegaf; en uiterst rampzalig en
van alles beroofd door haren dood.
Toen ik haar verloren had, was de wereld mij een walg; in mijn vaderland
achtte ik mij evenzeer een vreemdeling als in Brazilië, toen ik daar het
eerst aan wal stapte; en even verlaten, met uitzondering van de hulp van
knechts, als op mijn eiland. Ik zag iedereen rondom mij bezig; de een
zwoegde voor zijn brood, de ander verspilde zijn geld in lage
losbandigheden of ijdele vermaken; en beide even ongelukkig, omdat zij
hun doel niet konden bereiken; want dagelijks walgden de najagers van
het vermaak meer van hunne genoegens, en zamelden steeds meer redenen
tot ellende en naberouw; terwijl de arme dagelijks zwoegde om een
schamel stuk brood te verwerven, levende in eenen gedurigen kring van
zorg en kommer, en alleen om zooveel te verdienen, dat zij niet van
gebrek omkwamen.
Dit bragt mij mijne levenswijze en mijn koningrijk, mijn eiland, weder
te binnen, waar ik geen meer graan kweekte, omdat ik niet meer noodig
had; waar ik geen meer geiten aanfokte, daar ik geen meer gebruiken kon;
waar het geld lag te beschimmelen, en naauwelijks eens in twintig jaren
met eenen blik verwaardigd werd. Zoo ik uit deze bedenkingen het regte
nut getrokken had, gelijk ik had moeten doen, en rede en godsdienst mij
leerden, zouden zij mij geleerd hebben naar een volmaakter geluk te
trachten, dan de genoegens des levens mij konden verschaffen; en dat er
een doel van ons bestaan was, dat men aan deze zijde des grafs bereiken,
althans er naar streven konde. Doch mijne wijze raadgeefster was
verdwenen; ik was als een schip zonder loods, dat zich door den wind op
goed geluk laat voortdrijven. Mijne gedachten waren steeds bij mijne
vroegere verrigtingen en op vreemde avonturen gevestigd. De schuldelooze
genoegens van mijn akker- en tuinbouw en huisgezin, die mij vroeger
geheel bezig hielden, waren thans voor mij als muzijk voor een doove, en
lekkernijen voor iemand, die geen smaak heeft. Ik besloot eindelijk
mijne huishouding op te breken, mijn goed te verkoopen, en naar Londen
te gaan, gelijk ik weinige maanden daarna deed.
Te Londen was ik even onrustig als vroeger, de plaats beviel mij niet;
ik had er niets te doen dan rond te slenteren, als een luiaard, van wien
men zeggen kon, dat hij op Gods aardbodem van geen het minste nut is, en
het iedereen onverschillig is of hij leeft of dood is. Dit was mij al
mijn leven de onaangenaamste toestand, daar ik altijd aan een werkzaam
leven gewoon geweest was, en dikwijls zeide ik tot mijzelven: "een lui
leven is een ellendig leven," en waarlijk ik begreep, dat ik mijn tijd
veel beter besteed had, toen ik zes en twintig dagen werkte, om eene
plank te maken.
In het begin van 1698 kwam mijn neef, dien ik, gelijk ik verhaald heb,
naar zee gezonden en kapitein gemaakt had op een schip, terug van een
reisje naar Bilbao. Hij kwam bij mij en verhaalde, dat eenige kooplieden
van zijne kennis hem voorgesteld hadden, voor hen een reis naar
Oost-Indië en China te doen. "En als gij nu mede wilt gaan, oom," zeide
hij, "verbind ik mij u aan uw oud verblijf op het eiland aan land te
zetten, want wij zullen Brazilië aandoen."
Mijn neef wist niet hoe mijn zucht tot reizen weder bij mij ontwaakt
was, en ik niets van hetgeen hij mij wilde voorslaan; doch dien zelfden
morgen had ik, na alles overwogen te hebben, het besluit genomen van
naar Lissabon te gaan, om met mijn ouden kapitein te raadplegen, en als
het verstandig en uitvoerbaar was, mijn eiland weder te gaan opzoeken,
en zien wat er van het volk daarop geworden was. Het denkbeeld streelde
mij van de plaats te bevolken, inboorlingen van hier derwaarts over te
brengen; en een octrooi of acte te verkrijgen, waarbij het mij wettig
toegewezen werd; toen juist mijn neef inkwam met zijn voorslag, mij
daarheen te brengen op zijne reis naar Oost-Indië.
Ik zweeg eenigen tijd, terwijl ik hem strak aanzag. "Wie duivel heeft u
die ongelukkige boodschap ingegeven?" vroeg ik. Mijn neef ontzette op
deze vraag, maar ziende, dat hij er mij niet mede mishaagde, zeide hij:
"Ik hoop, dat het geen ongelukkige voorslag zal geweest zijn, oom. Ik
dacht, dat gij verlangde uwe nieuwe kolonie te zien, waar gij eens
gelukkiger regeerde dan de meeste uwer broeders, de koningen en vorsten,
in hunne rijken doen."
Het voorstel strookte zoo zeer met mijn verlangen, dat ik hem met korte
woorden zeide, dat ik mede zou gaan, als de andere kooplieden er in
toestemden. "Maar ik beloof u niet verder dan mijn eiland mede te gaan,"
zeide ik.--"Wel oom! ik hoop toch niet, dat gij daar zult willen
achterblijven," hernam hij.--"Kunt gij mij op de tehuisreis niet weder
afhalen?" hervatte ik.--"Dat zou onmogelijk zijn," zeide hij, "want de
reeders zouden nimmer toestaan, dat een zoo rijkgeladen schip zulk een
omweg maakte, daar misschien een, misschien drie of vier maanden mede
konden heengaan. Bovendien, als ik schipbreuk leed," voegde hij er bij,
"en in het geheel niet terugkeerde, zoudt gij u in denzelfden toestand
als vroeger bevinden."
Dit was verstandig gesproken, maar wij vonden er spoedig een middel op,
namelijk om een uit elkander genomen sloepscheepje aan boord te nemen,
dat door eenige timmerlieden, die wij zouden medenemen, op het eiland
ineengezet, en in weinige dagen klaar kon zijn, om zee te bouwen. Ik
bleef dan ook niet lang besluiteloos, want het verlangen van mijnen neef
en het mijne stemden volkomen overeen. Daar aan den anderen kant mijne
vrouw dood was, was er niemand, die mij raad kon geven dan mijne oude
vriendin, de weduwe, die mij ernstig smeekte mijne jaren, mijne
onbekrompen omstandigheden, de gevaren eener lange reis, en bovenal
mijne nog zoo jonge kinderen te bedenken. Doch niets baatte; ik had zulk
eene begeerte die reis te doen, dat ik haar zeide, dat mijn geest er zoo
mede vervuld was, dat ik geloofde de Voorzienigheid tegen te streven,
zoo ik te huis bleef. Zij berustte er dus in, en verleende mij hulp niet
alleen voor mijne uitrusting, maar ook voor het schikken mijner zaken en
de opvoeding mijner kinderen, gedurende mijne afwezigheid. Ik maakte
mijn testament, en zoodanige beschikkingen, dat ik volmaakt gerust was,
dat mijne kinderen na mijn dood ontvangen zouden wat hun toekwam. Hunne
opvoeding liet ik geheel aan de weduwe over, met genoegzamen onderstand,
om haar voor alle gebrek te vrijwaren. Dit alles verdiende zij dubbel,
want geen moeder kon beter voor hunne opvoeding bezorgd of geschikt
geweest zijn; en daar zij bij mijne tehuiskomst nog leefde, mogt ik haar
daarvoor nog mijne dankbaarheid bewijzen.
Mijn neef was in het begin van Januarij 1694 zeilree, en ik ging met
Vrijdag den 8sten aan boord te Duins, hebbende behalve de sloep, eene
groote lading van allerlei noodwendigheden voor mijne kolonie, die ik
besloot in eenen goeden staat te verlaten, als ik ze daarin niet
aantrof. In de eerste plaats nam ik eenige lieden mede, die ik daar als
kolonisten wilde achterlaten, althans voor mij gedurende mijn verblijf
aldaar laten werken, en ze achterlaten of medenemen, naar zij zouden
verkiezen; vooral had ik twee timmerlieden, een smid, en een zeer
handige, vlugge knaap, die eigenlijk een kuiper van beroep was, maar
allerlei werktuigen kon maken en uitdenken. Hij was een goed
wieldraaijer, en kon handmolens maken, om koren te malen, en kon van
klei of hout alles maken, wat men wilde. Aan boord noemde men hem altijd
de duizendkunstenaar.
Bovendien nam ik een kleermaker mede, die als passagier naar Oost-Indië
wilde gaan, maar naderhand er in toestemde, in mijne kolonie te blijven,
en die, gelijk later bleek, een onontbeerlijke en vlugge knaap was in
vele opzigten buiten zijn beroep; want de noodzakelijkheid is de moeder
van vele kunsten.
Mijne lading bestond, voor zoo ver ik onthouden heb, want ik heb er
geene lijst meer van, uit genoegzaam linnen en ligt Engelsch laken, om
al de Spanjaards, die ik daar verwachtte te vinden, te kleeden, en zoo
veel als naar mijne rekening voor zeven jaren voor hen genoeg was. Als
ik het wel heb, kostten de stoffen voor kleeding, met handschoenen,
hoeden, kousen en schoenen daaronder begrepen, meer dan tweehonderd Pond
St. Hieronder was ook begrepen eenige bedden, beddegoed en
huishoudelijk goed, vooral keukengereedschappen, ketels, potten en
pannen, enz., terwijl ik nog een honderd pond uitgaf voor ijzerwerk,
spijkers en allerlei gereedschappen, krammen, schroeven, hengsels en al
wat ik bedenken kon.
Ik nam ook een honderd wapens, geweren en pistolen, een groote menigte
hagel van allerlei grootte, eenige duizend ponden lood en twee koperen
stukjes geschut, en daar ik niet wist wat er te eeniger tijd gebeuren
kon, een honderd vaatjes kruid, met sabels en houwers, en het ijzer van
eenige pieken en hellebaarden, zoo dat wij, om kort te gaan, een
magazijn van allerlei goederen hadden, en ik deed mijn neef twee
halfdek-stukjes meer medenemen dan hij noodig had, om die daar te kunnen
laten, en zoo het noodig was daar een fort te kunnen bouwen en tegen
allerlei vijanden te kunnen verdedigen. Ik dacht ook in het eerst, dat
wij dit alles en nog meer zouden noodig hebben, om ons in het bezit van
het eiland te handhaven, gelijk men in den loop van mijn verhaal zien
zal.
Op deze reis trof ik zoo veel tegenspoed niet, als ik gewoon was, en
derhalve zal ik den lezer, die misschien naar nieuws uit mijne kolonie
verlangt, minder ophouden; echter troffen wij bij onze uitreis eenige
ongevallen, als slecht weder en tegenwind, dat onze reis langer maakte
dan ik eerst gedacht had, en ik, die slechts eens in mijn leven eene
reis gedaan had, die goed afliep, namelijk mijne eerste reis naar
Guinea, begon te denken, dat hetzelfde onheil mij toefde, en dat ik
geboren was om aan wal nimmer tevreden en op zee altijd ongelukkig te
zijn.
Tegenwinden sloegen ons noordwaarts heen, en wij waren verpligt te
Galway, in Ierland, binnen te loopen, waar wij twee en twintig dagen
moesten blijven. Wij troffen hier echter dit geluk, dat de
levensmiddelen er zeer goedkoop en overvloedig waren, zoodat wij al dien
tijd nimmer den scheepsvoorraad behoefden aan te spreken, maar dien nog
vermeerderden. Ik kocht hier nog twee koeijen, die kalven moesten, met
oogmerk, die bij een gelukkige overtogt, op mijn eiland aan wal te
zetten, maar zij kwamen ons naderhand anders te pas.
Den 5den Februarij verlieten wij Ierland, en hadden eenige dagen zwaren
wind. Als ik het wel heb, was het den 20sten februarij, laat in den
avond, dat de stuurman, die toen de wacht had, in de kajuit kwam, en ons
zeide, dat hij een flikkering van vuur gezien en een schot gehoord had,
en terwijl hij het ons verhaalde, kwam een jongen met het berigt, dat de
bootsman een tweede gehoord had. Dit deed ons allen naar het halfdek
gaan, waar wij eerst niets hoorden, maar eenige minuten later zagen wij
een groot licht, en bemerkten, dat het een vreesselijke brand in de
verte was. Onmiddellijk maakten wij allen ons bestek op, en kwamen
daarin overeen, dat er dien kant uit, waar het vuur zigtbaar was, geen
land zijn kon op geen vijfhonderd mijlen, want wij zagen het in het
W.N.W. Hierop besloten wij, dat het een schip op zee moest zijn, dat in
brand stond, en dat het, daar wij even te voren het schieten gehoord
hadden, niet ver af zijn kon. Wij hielden er dus regt op aan, en zagen
spoedig, dat wij vinden zouden wat het was, daar het licht steeds
grooter werd, naarmate wij verder zeilden, schoon, daar het nevelachtig
weder was, wij eene poos niets anders dan het licht konden zien. Na
verloop van een half uur konden wij, daar wij vlak voor den wind
zeilden, ofschoon die niet stevig was, toen het weder wat opklaarde,
zien, dat het een schip was, dat midden in zee in brand stond. Hoezeer
ik niet wist wie er op waren, trof deze ramp mij allerhevigst. Ik
herinnerde mij mijn vroegere lotgevallen, en in welken toestand ik door
den Portugeeschen kapitein opgenomen was, en in hoe veel beklagelijker
toestand de arme schepsels daar aan boord moesten zijn, zoo zij niet met
een ander schip in gezelschap zeilden. Ik gelastte dadelijk vijf schoten
spoedig achter elkander te doen, om hun, zoo mogelijk, te kennen te
geven, dat er hulp voor hen opdaagde, en dat zij trachten moesten zich
in de boot te redden, want schoon wij de vlam van het schip zien konden,
konden zij ons echter niet gewaar worden.
Eenigen tijd maakten wij een bijlegger en dreven even als het andere
schip dreef, in afwachting dat het daglicht zou doorkomen, toen
plotseling, tot onzen grooten schrik, schoon wij dit hadden kunnen
verwachten, het schip in de lucht vloog, en onmiddellijk, dat wil
zeggen weinige minuten daarna, was al het vuur uit, want het wrak zonk.
Dat was een verschrikkelijk en inderdaad bedroevend gezigt, om de arme
menschen, die ik begreep, dat allen met het schip moesten vergaan, of in
den uitersten angst zijn in het midden van den oceaan in hunne booten,
die wij thans niet zien konden. Om hun echter den weg te wijzen, deed ik
op alle plaatsen van het schip zooveel lantarens hangen als wij hadden,
en wij bleven den geheelen nacht schoten doen, om hun te doen weten, dat
wij niet ver af waren.
Tegen acht ure des morgens ontdekten wij door onze kijkers de
scheepsbooten, en zagen, dat er twee waren, die opgepropt met volk en
zeer diep geladen waren. Wij bespeurden, dat zij roeiden, daar de wind
tegen was, dat zij ons schip zagen en hun uiterste best deden, dat wij
hen zouden zien. Wij heschen dadelijk onze vlag, ten teeken dat wij hen
zagen, zetten meer zeil bij en hielden regt op hen aan. Binnen een half
uur hadden wij hen bereikt en namen hen allen aan boord, ten getale van
niet minder dan vierenzestig, mannen, vrouwen en kinderen, want er waren
veel passagiers.
Wij vernamen, dat het een Fransche koopvaarder, op de tehuisreis van
Quebec op de rivier van Canada, was. De kapitein verhaalde ons in het
breede het ongeluk, dat zijn schip getroffen had, hoe de brand in de
stuurmanskamer, door achteloosheid van den stuurman ontstaan was, maar
nadat hij hulp geroepen had, geheel gebluscht was geworden, gelijk
iedereen gemeend had. Spoedig echter bespeurde men, dat er eenige vonken
gevallen waren op eene plaats, waar men zoo moeijelijk bij kon komen,
dat men die niet kon blusschen, en de brand naderhand tusschen de
inhouten en beschotten geraakt was, vanwaar hij zich in het ruim
verspreid en al hunne inspanningen vruchteloos gemaakt had.
Er was niets anders op, dan in de booten te gaan, die tot hun geluk zeer
groot waren, bestaande uit de barkas en eene groote boot, benevens nog
een sloepje, dat weinig anders hun baten kon, dan om er eenig zoet water
en proviand in te laden, nadat zij zich uit den brand gered hadden. Zij
hadden inderdaad weinig hoop op hun behoud, toen zij zoo ver van alle
land in deze booten gingen, alleenlijk, gelijk zij te regt aanmerkten,
waren zij buiten gevaar van den brand, en bestond de mogelijkheid, dat
zij op die hoogte een schip ontmoetten, dat hen opnam. Zij hadden
zeilen, riemen en een kompas, en waren besloten naar Newfoundland koers
te stellen, daar het eene stijve koelte uit het Z.O.t.O. woei. Zij
hadden zooveel voorraad en water, dat als zij er niet meer van
gebruikten, dan om voor verhongeren bewaard te blijven, zij voor twaalf
dagen genoeg hadden, in welken tijd de kapitein zeide, dat hij gehoopt
had, buiten slecht weder en tegenwind, de banken van Newfoundland te
bereiken, en misschien eenige visschen tot hun voedsel te vangen, totdat
zij het land zouden bereiken. Doch in al deze gevallen liepen zij nog
veel gevaar, als om door storm omvergeworpen en verbrijzeld te worden,
van regen en koude te verstijven en te bevriezen, door tegenwinden
opgehouden te worden en van honger te sterven, dat zoo zij aldus gered
waren geworden, dit waarlijk wel een wonder had mogen heeten.
De kapitein verhaalde mij met tranen in de oogen, dat te midden hunner
beraadslagingen, en toen iedereen alle hoop liet varen en vertwijfelen
wilde, zij plotseling verrast werden door het hooren van een schot, door
nog vier gevolgd; dit waren de vijf schoten, die ik had laten doen,
zoodra wij de vlam zagen. Dit stak hun een riem onder het hart, en
verwittigde hen, gelijk mijne bedoeling was, dat er een schip in de
nabijheid was, om hen te hulp te komen. Op het hooren van deze schoten
hadden zij hunne masten en zeilen gestreken, en daar het geluid voor den
wind afkwam, besloten zij te blijven liggen tot het dag werd. Eenigen
tijd daarna, niet meer hoorende schieten, hadden zij drie geweerschoten
gedaan, die wij echter, daar het in den wind was, niet gehoord hadden.
Eene poos daarna werden zij weder verblijd door onze lichten te zien en
ons schieten te hooren, dat ik, gelijk ik zeide, den geheelen nacht door
had laten doen; dit deed hun aan de riemen gaan en op ons aanroeijen,
ten einde wij hen spoediger zouden kunnen zien, en eindelijk bemerkten
zij tot hunne onuitsprekelijke vreugde, dat zij gezien werden.
Het is mij onmogelijk de verschillende gebaren te beschrijven, de
verrukking en opgetogenheid, waaraan deze arme geredde lieden zich
overgaven, om hunne vreugde over hunne onverwachte redding uit te
drukken. Droefenis en vrees zijn gemakkelijk te beschrijven; zuchten en
tranen, snikken en eenige weinige bewegingen met hoofd en handen zijn de
eenige wijzen, waarop zij uitgedrukt worden; maar een overmaat van
vreugde, eene heugelijke verrassing brengt duizend buitensporigheden met
zich. Sommigen smolten weg in tranen, anderen schreeuwden en jammerden,
alsof zij ten diepste bedroefd waren; sommigen waren volslagen
krankzinnig; anderen liepen stampvoetende over het schip; anderen
handenwringende; sommigen dansten, anderen zongen, anderen lachten,
anderen gilden; sommigen waren van de spraak beroofd en konden geen
woord uitbrengen; sommigen waren ziek en misselijk; verscheidene vielen
in zwijm; en eenige weinige sloegen een kruis en dankten God.
Ik wil hun geen onregt doen; naderhand waren misschien zeer velen
dankbaar; maar de eerste aandoening was hun te sterk, en zij konden die
niet bedwingen; zij waren in zekere mate verbijsterd van zinnen, en
slechts weinigen betoonden zich in hunne vreugde bedaard en gematigd.
Misschien ligt hiervan de reden eensdeels in hunnen eigendommelijken
landaard, ik bedoel den Franschen, wier geest altijd vlugger,
hartstogtelijker en meer geneigd is, om tot uitersten over te slaan, dan
die van andere volken. Ik ben geen wijsgeer genoeg, om de oorzaak te
bepalen, maar nooit had ik vroeger in mijn leven zoo iets bijgewoond. De
verrukking, waaraan zich Vrijdag, mijn trouwe wilde, overgaf, toen hij
zijn vader in de boot aantrof, kwam er het naaste bij; en de verbazing
van den kapitein en zijne brave medgezellen, die ik redde van de
schurken, die hen op het eiland aan wal gezet hadden, zweemde er
eenigzins naar; maar noch dat van Vrijdag, noch iets wat ik ooit in mijn
leven zag, haalde er eenigzins bij.
Ik moet nog opmerken, dat deze uitsporigheden zich niet alleen bij
verschillende personen op zich zelve vertoonden; neen, dezelfde persoon
bedreef ze achtervolgens allen, in een kort tijdsverloop. Een man, die
het eene oogenblik sprakeloos en geheel bedwelmd en verbijsterd was,
danste en schreeuwde het volgende oogenblik als een bezetene; een
oogenblik daarna rukte hij zich de haren uit, scheurde zich de kleederen
van het lijf, en vertrapte die als een krankzinnige; weinige minuten
daarna smolt hij weg in tranen, dan werd hij flaauw en viel in zwijm, en
zou, als men hem niet oogenblikkelijk te hulp gekomen was, binnen
weinige minuten dood geweest zijn; en zoo ging het niet met een of twee,
of tien, of twintig, maar het meerendeel van hen; en als ik wel heb, was
onze doktor verpligt er meer dan dertig te aderlaten.
Er bevonden zich twee priesters onder hen, een oud en een jong man, en
wat zonderling was, de oude man was het hevigst aangedaan. Zoodra hij
aan boord van ons schip was, en zich gered zag, viel hij als dood neder,
terwijl er geen teeken van leven in hem te bespeuren was. Onze doctor
diende hem dadelijk de noodige middelen toe, en was de eenigste man aan
boord, die niet geloofde, dat hij dood was, en eindelijk deed hij hem
eene aderlating, na zijn arm eerst gewreven te hebben, om dien te
verwarmen. Eerst kwam het bloed bij droppels, en vloeide toen wat
ruimer; drie minuten later sloeg de man de oogen op, en een kwartier
daarna scheen hij volkomen hersteld. Nadat zijn arm verbonden was, liep
hij heen en weêr, zeide, dat hij geheel hersteld was, en nam een drankje
in, dat de doctor hem gaf. Een kwartier uurs later kwam men den doctor
roepen, die eene in flaauwte liggende Fransche vrouw aderliet, en zeide,
dat de priester ijlhoofdig was geworden, gelijk ook werkelijk het geval
was. De doctor wilde hem in dien toestand niet aderlaten, maar gaf hem
een verdoovend en slaapwekkend middel in, dat na eenigen tijd werkte, en
den volgenden morgen ontwaakte de oude man volkomen wel en bij zijn
volle verstand.
De jonge priester was zijne hartstogten meer meester, en werkelijk een
voorbeeld van een gelaten en bezadigd karakter. Toen hij eerst aan
boord bij ons kwam, wierp hij zich plat op den grond neder, om God voor
zijne bevrijding te danken, waarin ik hem ongelukkig en ontijdig
stoorde, daar ik dacht, dat hij in flaauwte was gevallen; doch hij sprak
bedaard, dankte mij, zeide mij, dat hij God gedankt had voor zijne
bevrijding, en smeekte mij hem nog eenige oogenblikken ongestoord te
laten, en dat hij na zijnen Schepper ook mij wilde dank zeggen.
Het speet mij bitter, dat ik hem gestoord had, en ik liet hem niet
alleen ongemoeid, maar zorgde ook, dat anderen dit deden. Hij bleef
ongeveer drie minuten in dezelfde houding, kwam toen naar mij toe,
gelijk hij gezegd had, en dankte mij met de opregtste hartelijkheid, en
met tranen in de oogen, dat ik, naast God, hem en zoo vele andere
ongelukkigen, het leven had gered. Ik zeide hem, dat ik hem niet
behoefde aan te sporen, God veeleer dan mij te danken, daar ik gezien
had, dat hij dit reeds had gedaan. Maar ik voegde er bij, dat dit
slechts een bevel was, dat aan alle menschen door de rede en
menschlievendheid voorgeschreven werd, en dat wij even veel reden als
zij hadden om God te danken, dat deze ons de genade had bewezen, ons tot
werktuigen zijner barmhartigheid te maken.
Daarna keerde de jonge priester zich tot zijne landgenooten, trachtte
hen tot bedaren te brengen, en vermaande en smeekte hen, zich aan geene
buitensporigheden over te geven. Bij eenigen gelukte dit, doch de
meesten hadden geenerlei magt over zichzelven. Ik heb dit vermeld, om
dat het nuttig kan zijn voor degenen, in wier handen dit verhaal valt,
dat zij zich voor alle uitsporige vervoering van aandoeningen wachten;
want zoo overmaat van vreugde den mensch reeds zoo zeer buiten het
bestier zijner rede vervoert, waartoe zal dan de overmaat van nijd, haat
of toorn ons niet brengen? Waarlijk, ik zag hier hoe wij steeds over
alle driften de wacht moeten houden, zoo wel bij vreugde en genoegen als
bij droefheid en leed.
Deze uitsporigheden onzer nieuwe gasten veroorzaakten den eersten dag
eene tamelijke verwarring, maar toen zij zich naar bed hadden begeven,
zoo goed wij hun dit in ons schip konden geven, en gerust geslapen
hadden, gelijk de meesten hunner van afmatting deden, waren zij den
volgenden dag geheel andere menschen.
Zij lieten niet na, ons alle beleefdheid en dankbaarheid voor de hun
bewezene diensten te betuigen; want men weet, dat de Franschen over het
algemeen beleefd genoeg zijn. De kapitein en een der priesters kwamen
den volgenden dag bij mij, en verzochten mij en mijnen neef, onzen
kapitein, te spreken, en met ons te beraadslagen, hoedanig wij met hen
zouden handelen. Eerstelijk zeiden zij, dat daar wij hun het leven gered
hadden, al wat zij in de wereld bezaten te weinig was, om ons deze
dienst te vergelden. De kapitein zeide, dat hij eenig geld en eenige
zaken van waarde nog in der haast uit de vlammen had weten te redden, en
dat, zoo wij het wilden aannemen, zij volmagt hadden, ons het aan te
bieden; zij verzochten alleen hier of daar aan wal gezet te worden,
vanwaar zij zoo mogelijk als passagiers naar Frankrijk zouden gaan. Mijn
neef wilde eerst hun geld aannemen en dan beraadslagen wat met hen aan
te vangen; maar ik bragt hem daaraf; want ik wist wat het te zeggen is,
in een vreemd land aan wal gezet te worden, en als de Portugesche
kapitein, die mij op zee opnam, mij zoo behandeld en voor mijne
bevrijding mij alles afgenomen had, had ik van honger moeten sterven, of
in Brazilië even goed slaaf zijn als in Barbarije, behalve dat ik dan
aan geen Turk zou behooren; maar misschien is een Portugees al geen
beter meester dan een Moor, zoo niet in sommige gevallen veel erger.
Ik zeide derhalve den Franschen kapitein, dat wij hen, wel is waar, in
zijnen nood hadden opgenomen; maar dat dit alleen onze pligt jegens
onzen evenmensen was, en gelijk wij in denzelfden of soortgelijken
toestand zouden verlangen gered te worden; dat wij niets voor hen gedaan
hadden, dan hetgeen wij vertrouwden, dat zij voor ons zouden hebben
gedaan, als wij in hun geval en zij in het onze waren geweest; dat wij
hen opgenomen hadden om hen te redden, maar niet om hen te plunderen; en
dat het onmenschelijk zou zijn, hun het weinige, dat zij uit den brand
gered hadden, te ontnemen en hen dan aan wal te zetten en aan hun lot
over te laten; dat zou zijn hen eerst van den dood te redden, om hen
naderhand daaraan ten prooi te geven; hen uit het water te redden om
hen aan den honger prijs te geven; en derhalve verlangde ik, dat hun
niets het minste zou ontnomen worden. Hen aan wal te zetten, was
inderdaad voor ons eene moeijelijke zaak, gelijk ik hun mededeelde, want
ons schip was naar Oost-Indië bestemd, en schoon wij zeer ver westwaarts
heen waren geslagen, hetgeen welligt de Hemel tot hun behoud aldus
beschikt had, was het ons toch ondoenlijk, om hunnentwil onze reis te
veranderen, en mijn neef, de kapitein, kon het niet aan de reeders
verantwoorden, jegens welke hij verpligt was, om zijne reis naar
Brazilië te vervolgen. Al wat ik voor hen doen kon was, ons zooveel
mogelijk in het vaarwater te houden van naar huis gaande
West-Indievaarders, en zoo mogelijk hun een overtogt naar Engeland of
Frankrijk te verschaffen.
Het eerste deel van mijn voorstel was zoo edelmoedig en welgemeend, dat
zij er niet dan zeer dankbaar voor konden zijn, doch zij waren zeer
ongerust, vooral de passagiers, vooral bij het vooruitzigt van misschien
mede naar Oost-Indië te moeten gaan. Zij smeekten mij, dat, aangezien
ik, voordat ik hen aantrof, zoo ver westelijk geslagen was, ik althans
tot de banken van Newfoundland dienzelfden koers zou houden, waar ik
waarschijnlijk wel een scheepje zou aantreffen, dat zij konden huren, om
hen naar Canada terug te brengen.
Ik beschouwde dit als een zeer billijk verzoek, en wilde dit hun gaarne
toestemmen, want ik begreep dat al dit volk naar Oost-Indië mede te
nemen, voor henzelven niet alleen eene onondragelijke hardigheid zijn
zou, maar ook onze reis bemoeijelijken, door het verteren van onze
proviand; zoodat ik het voor geene inbreuk op den vrachtbrief aanzag,
dat een geheel onvoorzien toeval ons hiertoe dwong, en waarin wij niet
te laken waren; want zoowel Goddelijke als menschelijke wetten eischten
van ons, dat wij twee booten vol volk in zulk eenen ongelukkigen
toestand niet weigerden op te nemen, en zoowel hun als onze toestand
vereischte, dat wij hen te hunner bevrijding hier of daar aan wal
zetten. Dus beloofde ik hen naar Newfoundland te brengen, als wind en
weder het toelieten, en zoo niet, dat ik hen dan naar Martinique zou
brengen.
De oostenwind bleef lang aanhouden, doch met goed weder, en daar er
reeds lang oostelijke winden geheerscht hadden, misten wij verscheidene
gelegenheden hen naar Frankrijk te zenden, want wij praaiden
verscheidene naar Europa bestemde schepen, waaronder twee Fransche, die
van St. Kitts kwamen, maar zij hadden zoo lang tegen den wind moeten
opwerken, dat zij geene passagiers durfden innemen, uit vrees van
levensmiddelen te kort te komen voor hen en hunne passagiers. Het was
omstreeks eene week daarna, dat wij de banken van Newfoundland
bereikten, waar wij al onze Franschen aan boord van een bark lieten
overgaan, die zij op zee huurden, om hen naar wal en vandaar naar
Frankrijk te brengen, als zij aan wal genoeg levensmiddelen konden
bekomen. Ik moet echter vermelden, dat de jonge Fransche priester, van
wien ik gesproken heb, hoorende dat wij naar Oost-Indië gingen, ons
verzocht aan boord te blijven, om op de kust van Coromandel aan wal
gezet te worden. Ik gaf hiertoe gereedelijk mijne toestemming, want ik
hield veel van den man, en niet zonder reden, gelijk in het vervolg
blijken zal. Ook vier matrozen namen bij ons dienst, waarvan wij veel
nut hadden.
Vandaar zetten wij koers naar de West-Indiën en hielden omstreeks
twintig dagen Z.Z.O. aan, somtijds met weinig of geen wind; toen wij
nieuwe voorwerpen van menschlievendheid aantroffen, bijkans even
jammerlijk als de vorige.
Het was op 27° 5' N.B., den 18 Maart 1694, dat wij een zeil zagen, dat
in onzen koers Z.Z.O. lag. Spoedig zagen wij, dat het een groot schip
was, dat op ons aanhield, maar wisten eerst niet wat er van te denken.
Wat naderkomende zagen wij, dat het zijne groote steng, fokkemast en
boegspriet verloren had, en hoorden het een noodschot doen. Het weder
was zeer goed, het woei eene bramzeilskoelte uit het N.N.W., en spoedig
konden wij het praaijen.
Wij vernamen, dat het een schip van Bristol was, op de tehuisreis, doch
dat het weinige dagen voordat het zeilree was, door eenen vreesselijken
storm van de reede van Barbados was weggeslagen, terwijl de kapitein en
opperstuurman beide aan wal gegaan waren, zoodat, behalve het gevaar van
den storm, zij slecht in staat waren het schip naar huis te brengen.
Zij waren reeds negen weken op zee, en hadden na den orkaan nog een
vreesselijken storm moeten doorstaan, die hen westwaarts, geheel buiten
hun bestek, had geslagen, en waarbij zij hunne masten verloren hadden.
Zij verhaalden ons, dat zij verwachtten de Bahamas te zien, maar toen
weder door een zwaren N.N.W. wind, dezelfde die thans woei, naar het
Z.O. waren geslagen, en daar zij niet anders dan de onderzeilen en eene
soort van razeil op een noodfokkemast, dien zij opgerigt hadden, konden
bijzetten, konden zij niet digt bij den wind liggen, maar trachtten de
Kanarische eilanden te bereiken.
Het ergste echter was, dat zij bijkans van honger gestorven waren, uit
gebrek aan leeftogt, behalve de vermoeijenissen, die zij uitstonden; hun
brood en vleesch was geheel op, en geen lood er meer van overig. Zij
hadden sedert elf dagen niets genuttigd dan zoet water en een half
vaatje meel; ook hadden zij suiker genoeg; in den beginne hadden zij
eenige confituren gehad, doch deze waren ook op, en zij hadden nog zeven
vaatjes rum.
Aan boord waren een jongeling en zijne moeder met een dienstmeisje als
passagiers; deze waren, denkende dat het schip reeds gereed was onder
zeil te gaan, ongelukkig den avond voor den orkaan aan boord gegaan, en
daar zij geen leeftogt van zichzelven meer hadden, waren zij in nog
jammerlijker toestand dan de overigen; want de matrozen, die zelf
zooveel gebrek leden, hadden geen medelijden met de arme passagiers, en
deze bevonden zich in eenen toestand, wiens ellende onbeschrijfelijk is.
Ik zou dit welligt niet vernomen hebben, indien de nieuwsgierigheid mij
niet, toen de wind bedaard was, aan boord aldaar had doen gaan. De
tweede stuurman, die thans het bevel op het schip had, was bij ons aan
boord geweest, en vertelde mij, dat zij in de kajuit drie passagiers
hadden, die in eenen allerjammerlijksten toestand waren. "Ik geloof
zelfs, dat zij dood zijn," zeide hij, "want ik heb sedert twee dagen
niets van hen gehoord, en vreesde naar hen te vernemen, want," vervolgde
hij, "ik had niets waarmede ik hen kon laven."--Wij zochten onmiddellijk
zooveel leeftogt voor hen bijeen, als wij missen konden, en ik had met
mijnen neef reeds afgesproken, dat ik hen provianderen zou, al zouden
wij ook naar Virginië of eenig deel van de Amerikaansche kust gaan, om
voor onszelven levensmiddelen in te nemen; doch dit was niet
noodzakelijk.
Zij bevonden zich echter thans in een nieuw gevaar, namelijk dat van te
veel te eten, zelfs van het weinige, dat wij hun gaven. De stuurman, die
thans bevelhebber was, bragt zes man in de boot mede, maar deze arme
lieden zagen er uit als schimmen, en waren zoo zwak, dat zij naauwelijks
op de riemen konden zitten. De stuurman zelf was zeer ziek en half
verhongerd, want hij verklaarde, dat hij niets boven het volk vooruit
had gehad, en van alles gelijk aandeel met hen genomen. Ik waarschuwde
hem, weinig te eten, maar zette hem dadelijk vleesch voor; maar bij den
derden mond vol werd hij ongesteld en kon niet meer slikken. Onze doktor
maakte daarop eene soep voor hem gereed, dat voedsel en geneesmiddel,
volgens zijn zeggen, te gelijk was, en na die genuttigd te hebben, werd
hij beter. Middelerwijl vergat ik de matrozen niet. Ik gelastte hun eten
voor te zetten, dat de arme lieden meer verslonden dan aten; zij waren
zoo hongerig, dat zij half waanzinnig waren en zich niet bedwingen
konden; en twee hunner aten zoo gulzig, dat zij den volgenden morgen in
levensgevaar waren.
De ellende van deze lieden trof mij zeer, en deed mij herdenken aan het
verschrikkelijk vooruitzigt, toen ik het eerst op het eiland kwam, waar
ik geen mondvol eten had, en geenerlei verwachting het te zullen
bekomen; zonder te spreken van de vrees, om door verscheurende dieren
verslonden te worden. Maar terwijl de stuurman mij aldus den
jammerlijken toestand van het scheepsvolk verhaalde, kon ik niet uit
mijne gedachten zetten wat hij mij van de drie arme schepsels in de
groote kajuit verhaald had, van de moeder, den zoon en het dienstmeisje
namelijk, waarvan hij sedert twee of drie dagen niets gehoord had, en
die hij, naar zijne woorden te oordeelen, scheen te bekennen, geheel
verwaarloosd te hebben, omdat hun eigen nood zoo groot was. Ik begreep
hieruit, dat zij hun in het geheel geen eten gegeven hadden, en dat zij
derhalve gestorven zouden zijn, en misschien dood op den grond van de
kajuit liggen.
Terwijl ik dus den stuurman met zijn volk aan boord hield, om hen te
verkwikken, vergat ik het uitgehongerd volk niet, dat aan boord gebleven
was, maar liet mijn eigen boot uitzetten, en zond den stuurman en twaalf
man daarheen, om hun een zak beschuit en vier of vijf stukken
ossenvleesch, om te koken, te brengen. Onze doktor waarschuwde hen, het
vleesch te laten koken terwijl zij er bij waren, en in de kombuis de
wacht te houden, ten einde het niet raauw gegeten of voor het gaar was
door de matrozen uit den ketel gehaald werd, en ieder man slechts een
klein stukje te gelijk te geven. Deze voorzorgen waren het behoud van
het volk, want anders zouden zij zich dood gegeten hebben aan hetgeen
hun tot behoud van hun leven gegeven werd.
Tevens gelastte ik den stuurman in de groote kajuit te gaan en te zien
in welken toestand de arme personen waren; en zoo zij nog leefden, hen
te vertroosten en zoodanige verkwikkingen te geven als zij behoefden; en
de doktor gaf hem een pot met eenige soep, gelijk hij voor den stuurman
had gereed gemaakt, en die hij niet twijfelde, dat hen van lieverlede op
de been zou brengen.
Ik was hiermede nog niet tevreden, maar daar ik, gelijk ik zeide,
verlangde, het tafereel van ellende, dat ik wist, dat dit schip zou
opleveren, met eigene oogen te zien, nam ik den stuurman of kapitein,
gelijk wij hem thans noemden, mede en begaf mij kort daarop zelf aan
boord. Ik vond de matrozen bijkans in oproer, om het vleesch uit den
ketel te halen eer het gaar was. Mijn stuurman handhaafde de orde, en
deed goede wacht aan de kombuis houden. Het volk, dat daar de wacht
hield, was genoodzaakt, na op alle mogelijke wijzen het volk vermaand te
hebben geduldig te zijn, het met geweld er af te houden. Hij liet echter
eenige beschuit in het vleeschnat doopen, en gaf iedereen daarvan een
stuk, om hunne maag tevreden te stellen, en zeide, dat hij tot hun eigen
bestwil genoodzaakt was, hun slechts weinig te gelijk te geven. Doch
niets baatte; en als niet ik met hun eigen bevelhebber gekomen was, en
hun goede woorden gegeven en ook gedreigd had, hun niets meer te geven,
zouden zij, geloof ik, met geweld in de kombuis gedrongen zijn, en het
vleesch er uitgehaald hebben, want woorden zijn een flaauw voedsel voor
eene hongerige maag. Echter bragten wij hen tot rede, en gaven hun de
eerste maal slechts weinig, en langzamerhand wat meer, tot wij hen
eindelijk verzadigden, en niemand nadeel hierbij leed.
Maar de ellende van de arme passagiers in de kajuit was van een anderen
aard, en ging die van de anderen ver te boven. Want daar het scheepsvolk
zelf zoo weinig had, hadden zij hen in het begin zeer schraal bedeeld,
en op het laatst geheel verwaarloosd, zoo dat zij inderdaad zes of zeven
dagen lang in het geheel geen voedsel hadden gehad, en verscheidene
dagen te voren zeer weinig. De arme moeder, die, volgens den stuurman,
eene zeer welopgevoede vrouw was, had uit moederliefde, alles wat zij
krijgen kon, zoo voor haren zoon bespaard, dat zij er eindelijk onder
bezweken was. Toen de stuurman van ons schip in de kajuit trad, zat zij
op den grond met den rug tegen het beschot, tusschen twee vastgesjorde
stoelen, en haar hoofd op de borst gezonken, schoon zij nog niet geheel
dood was. Mijn stuurman zeide al wat hij kon, om haar op te beuren en
aan te moedigen, en stak haar met een lepel eenige bouillon in den mond.
Zij bewoog hare lippen en hief eene hand op, maar kon niet spreken; zij
verstond echter wat hij zeide, en gaf door teekens te kennen, dat het
voor haar te laat was, maar wees op haar kind, als wilde zij zeggen, dat
hij daarvoor maar moest zorgen.
De stuurman, die hevig getroffen was, trachtte echter haar iets binnen
te krijgen, en zeide, dat hij haar een paar lepels vol had doen
doorzwelgen, schoon ik twijfel of hij hiervan zeker was. Het was echter
te laat; zij stierf nog denzelfden nacht.
De knaap, die ten koste van zijn moeders leven bewaard was gebleven, was
nog niet zoo ver heen, maar toch lag hij in eene kooi uitgestrekt, en
gaf naauwelijks eenig teeken van leven. Hij had een stuk van een ouden
handschoen in zijn mond, waarvan hij het overige opgegeten had. Daar hij
echter jong en sterker was dan zijne moeder, gaf de stuurman hem
langzamerhand wat in, en hij begon zigtbaar te herleven, schoon hij,
toen hij eene poos daarna twee of drie lepels te gelijk innam, zeer
ongesteld werd en het niet kon binnenhouden.