EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Watergeuzen en Spanjaarden.

Na het innemen van Zoetermeer en het bezetten en doorsteken van

den heerweg naar Benthuizen, was van Boisot nog altijd werkeloos op

Noord-Aasche meertje blijven liggen en, wat hij ook beproeven mocht,

niets baatte; want de ondiepte van het onder water gezette land,

belette hem verder te trekken.

Wat echter in den nacht van den achtentwintigsten van Herfstmaand den

belegerden vreugd veroorzaakt had, werd ook op de vloot waargenomen, en

terstond was van Boisot er op bedacht, de noodige maatregelen te nemen.

Hij liet andermaal de Kapiteins bij zich aanboord komen en toen ze

allen verschenen waren, zei hij: "Eindelijk heeft het Gode behaagd,

dat de wind keeren zou. Thans willen we het woord houden, dat we dien

Leidschen jongen meegaven: "Als God wil: de vrijbuiter is iederen

dag gereed!"

Wij hebben beproefd, wat we konden, en vriend De Moor had, omdat alle

vaarten voorbij de stad liepen, zelfs al het plan gevormd om een kanaal

te laten graven, teneinde zoo in Leiden te komen. Dat zal echter nu

niet noodig zijn, tenminste, als mijn vermoeden bewaarheid wordt,

dat de storm, die thans opgestoken is, vanavond of morgenochtend naar

het zuid-westen loopt; want dan zullen we volop water krijgen.

Nu is mijn plan aldus:

"Ik zal met vijfentwintig galeien trachten Zoeterwoude, waar de

hoofdmacht der Spanjaarden ligt, te bereiken. De overige galeien

moeten onder bevel van den Vice-Admiraal zich naar het huis Zwieten

wenden. Gij, Heer van Assaliers, blijft hier, als Commissaris-Generaal

der artillerie, met het geschut en den levensvoorraad achter, en blijft

daar tot wij meester zijn van den Kerkweg. Zoodra dit het geval is,

dan volgt gij ons, en jaagt met uw geschut den Spanjaard uit de

schansen te Zoeterwoude. Zoo een van de Heeren iets beters weet,

dat hij dan spreke!"

Niemand had echter iets tegen het plan van den Admiraal in te brengen,

en weldra bevond ieder zich aanboord zijner galei, om de ontvangen

orders ten uitvoer te brengen.

Gelukkig werd ook het algemeene vermoeden der Watergeuzen bewaarheid,

en liep de wind, die nog altijd hevig was, naar het zuid-westen.

De Spanjaarden hadden echter wel bemerkt, op welke plaats de aanval

der vrijbuiters het ernstigste zou gemeend zijn, en hadden daarom in

de nabijheid van den Kerkweg zich sterk verschanst.

Tusschen Vrijdag en Zaterdag van den eersten en tweeden October

stelde de vloot zich in beweging. Vooraan bevond zich het troepje,

dat Cornelis wakker gemaakt had, toen hij, moede en afgemat onder

den knotwilg lag te slapen.

Het vorderde wel langzaam, maar toch ging het vooruit.

"Wie daar?" klonk het van den Kerkweg.

Geen antwoord.

"Wie daar?" riep nog eenmaal een der wachthebbende Spanjaarden.

Zij, die naderden, bleven, op gegeven bevel, in hun stilzwijgen

volharden.

"Wie daar?" schreeuwde de Spanjaard ten derden male.

"Vuur!" kommandeerde de Hopman der vrijbuiters, en thans kregen de

Spanjaarden zulk een gevoelig antwoord, dat zij, na eenen korten

tijd weerstand geboden te hebben, met achterlating van eenige hunner

schuiten, ijlings op de vlucht gingen.

"Eenoog, kijk ze eens loopen! Kijk ze eens beenen maken," riep de

man zonder ooren.

"Denkt gij dan, dat ik het niet zie? Ha, ik zal ze die pil van

Zoetermeer betaald zetten? Ha-ha! Wat dachten ze wel, dat ze mij zoo

maar met éénen musketkogel eens voor altijd genoeg konden geven?"

"Ja maar, die kogel heeft je toch overdwars in je maag gezeten,"

zeide weer een ander.

"Bah, wat zou dat! In mijn been, ja! Maar nu die Zoetermeersche

kattenvilder van eenen dorpsbarbier, dat ding er zoo netjes uitgehaald

heeft, nu ben ik het ventje weer! En ze zullen het weten ook!"

"Vooruit, mannen, vooruit! Bestormt de Spaansche wachten! Het is nu

geen tijd om over koetjes en kalfjes te babbelen," riep de Hopman.

"Die man is zeker terstond na zijne geboorte met zijnen neus in eenen

hoop brandnetels gevallen, dat hij zoo warm gebakerd is," zeide Eenoog

tot zijne makkers.

"Kom, kom, geene praatjes, kerel! Vooruit!" beval de Hopman nog

eenmaal.

"Nu ja, verslik-je niet, man, verslik-je niet! Vooruit, mannen, dat

zei de jongen ook, en hij reed met twee oude bakkers aan een touwtje

over den havendijk," spotte Eenoog weer.

Andermaal hielden de Spanjaarden wakker stand, doch het schrootvuur

der Zeeuwen dunde hunne gelederen zoodanig, dat ze eindelijk den

Kerkweg prijs gaven.

Aanstonds begonnen de vrijbuiters op den veroverden weg twee schansen

op te werpen, en toen dit gedaan was, stak men drie gaten in den weg

en hielp de galeien er door. Van Assaliers met de artillerie en den

leeftocht volgde.

Thans roeide van Boisot naar de Meerbrug, doch hij vond zich hier

zeer teleurgesteld, daar het water op verre na niet diep genoeg was,

om er over heen te komen.

"Wat? Nog geen water genoeg?" riep Eenoog. "Toe jongens, laten wij

den Admiraal onze kunsten eens toonen! De boot uit!"

"En het water in?" vroeg de man met het houten been.

"Neen, de modder in, kameraad," riep Eenoog, hartelijk lachend.

"En dan?"

"Dan zult gij zien, wat er komt, zei Jansje van Cadsand en ze zette

de kousen op haar hoofd en deed eene keuvel aan hare voeten!"

"Och, loop, met die malle praat! Zeg wat gij van plan zijt, of we

blijven er allemaal in," sprak Zonderooren.

"Begrijpt gij mij dan geen van allen, kerels? Wij zullen de boot op

onze schouders leggen, en in de Meerbrugschen polder dragen!"

De anderen volgden dit voorbeeld en met het aanbreken van den morgen,

lagen de schuiten, galeien en booten op de genoemde plaats.

Zoodra de Spanjaarden dit zagen, begonnen ze bevreesd te worden, en

ziende, dat de vrijbuiters hunnen koers niet naar de stad richtten,

maar wel naar de Vrouwenbrug en het Papenmeer, vermoedden ze niets

anders, dan dat hun plan was, Zoeterwoude te bezetten en in te sluiten.

Valdez liet de diepte van het water peilen en daar er bevonden werd,

dat het in den afgeloopen nacht meer dan eenen voet gerezen was,

ging hij, den vrijbuiters eenen rijken buit achterlatende, op de

vlucht naar Voorschoten.

Het was wel wat laat toen van Boisot hiervan kennis kreeg, doch de

Zeeuwen meenden, dat er nog wel wat klappen te deelen zouden vallen,

vooral, nu Valdez door Hopman Don Alonzo Lopez Gallio met zeven

vendels musketiers gevolgd werd.

"Vooruit, mannen, vooruit!" schreeuwde Eenoog op zijne beurt. "Toe

maar! Trekt de riemen aan stukken! Zie-je de luî daar met dien

mooien man voorop naar de Vrouwenbrug loopen? Dat hoopje is voor

onze rekening! Halloh, frisch op! Vooruit! Vooruit! Ze zullen er

van lusten!"

De kleine afdeeling Spanjaarden was spoedig ingehaald.

"Staat dan, mannen!" riep de dappere Hopman Don Petrus Ciaccone

zijnen moedeloozen en dralenden soldaten toe, zoodra dezen op de

vlucht begonnen te slaan. "Wat draaft ge, als bezetenen, voor zulk

een hoopje rabauwen en zeeschuimers?

De Spanjaarden stonden stil en de vrijbuiters legden de riemen

binnenboord.

"Let wel, dien snuiter van eenen bonten vogelverschrikker neem ik

voor mijne rekening," schreeuwde Eenoog op den Hopman wijzende, en

eer deze er nog op verdacht was, had Eenoog hem met eenen haak in de

kleederen geslagen en trok hem omver.

Eenoog dacht, dat hij dien "snuiter" zoo maar in eens zijne bekomst

gegeven had, en viel met zijne makkers op de anderen aan, die in het

water een goed heenkomen zochten. In een oogwenk waren de vrijbuiters

de boot uit en joegen den vijand na.

Daar stond Don Ciaccone op, en eene bijl, die bij zijne voeten lag,

opnemende, viel hij met het geroep van: "Dood aan de rebellen!" de

vrijbuiters in den rug.

Eenoog lag in een oogenblik met eene diepe wonde in het hoofd op den

modderigen bodem te zieltogen.

"Dood aan de rebellen!" riep Ciaccone andermaal, en thans gold zijnen

slag den man zonder ooren, die dood op den grond tuimelde.

Weer hief hij het geduchte wapen op; het daalde neer, en met eenen

akeligen gil stortte de vrijbuiter, met de brandvlekken op het

aangezicht, ter neder.

De anderen werden door zijne manschappen, die hem trouw gebleven

waren, afgemaakt en Don Ciaccone hier geenen vijand meer te bestrijden

hebbende, sprong met de mannen van zijn vendel in de volgeladen boot

der gesneuvelde vrijbuiters en bracht haar triomfantelijk bij zijnen

laffen Bevelhebber, Don Alonzo Lopez Gallio.

Op andere punten waren de Spanjaarden overal geslagen en, hunne wapenen

wegwerpende, waren ze door Stompwijk gevlucht naar den Leidschendam

en Voorburg.

Door deze nederlaag werden zij, die in de schansen Leiderdorp en

Lammen achtergebleven waren, zeer in het nauw gebracht. Doch hunne

Bevelhebbers waren nog mannen uit het Leger van den Hertog van Alva,

en besloten tot eene hardnekkige verdediging.

Van Boisot zag ook in, dat men wel dicht bij Leiden, maar nog niet

in Leiden was, en dat er misschien nog heel wat tijd verloopen moest,

eer zulks gebeurde.

Wat zou hij doen?

De schans stormenderhand innemen?

Maar, dat zou veel volks kosten, en hij had het niet te missen;

want het geheele Staatsche leger bestond uit niet veel meer dan

vijfentwintighonderd man.

Weer werd er scheepsraad belegd en iedereen trachtte in dit geval

eenen goeden raad te geven.

Eindelijk stond Cret op en zeide: "Mijne Heeren! Van mijne galei af kan

ik de hongerige burgers van Leiden op de wallen zien staan. Hunkerend

en watertandend staren ze ons aan! Zullen we die arme luiden nog langer

doen wachten, omdat ieder onzer zijn leven lief heeft? Dat mag immers

niet, en zulk eene gedachte is den vrijbuiter ook onwaardig! Neen,

mannen, er is maar één aangewezen weg! En die weg is: de bestorming

van Lammen! Ik geef met vreugde mijn leven voor het uitgehongerde

Leiden! Heer Admiraal, hier ben ik, wat beveelt ge mij?"

"Neen, Cret, gij zult niet alleen gaan! Wij volgen u en blijven niet,

als lafaards, achter! Lammen zal bestormd worden," zeide De Moor. "Wij

allen gaan met u, niet één blijft achter!"

"Mijne Heeren," antwoordde hierop van Boisot, "ge voorkomt mijnen

wensch; want ook ik geloof, dat geen andere weg ons aangewezen is,

dan de schans te bestormen! Ik zal echter trachten, zooveel mogelijk,

onze macht te versterken. Wij hebben nog ééne duif aanboord, en die zal

ik naar de belegerden sturen met het bericht, dat we morgen ochtend

de schans zullen bestormen. Waar de hongerige om spijze vecht, daar

is zijn strijd een verschrikkelijke. De Spanjaard zelf vreesde dien

strijd voor Haarlem, en daarom zal ik den Leidenaars verzoeken, dat

zij, als wij de bestorming aanvangen, eenen hevigen uitval moeten doen,

dan heeft de Spanjaard den vijand van alle kanten. Ik twijfel niet,

of gij zult dit goed vinden! Ikzelf zal morgen ochtend het sein tot

den aanval geven! Ieder uwer ga thans naar zijne galei! Hoede U God

in den strijd van morgen! Onze veldkreet zal zijn: "Leiden!" Gaat nu,

mijne Heeren, en, weest Gode aanbevolen!"

De een na den ander drukte den moedigen van Boisot de hand en ging

heen.

Toen allen vertrokken waren, zette de Admiraal zich aan het

schrijven. De duif werd binnengebracht en een oogenblik later steeg

de vogel, met het kostelijke bericht beladen, in de hoogte.

"Houdt goede wacht, mannen," zeide van Boisot tot zijne schepelingen,

"en bij het minste onraad, dat ge vermoedt, wekt ge mij! Ik ga wat

slapen! Het was een vermoeiende dag vandaag!"

De Admiraal ging hierop in zijne kleine hut en weldra was alles op

de vloot in rust. Slechts het kabbelende water tegen het scheepsboord

verbrak de stilte van den helderen nacht.

Het uur van middernacht was reeds geslagen en in het Spaansche

legerkamp te Leiderdorp was ook alles in rust.

Slechts de eentonige voetstap van den schildwacht voor de herberg

waarin thans Valdez vertoefde, klonk vervelend door de stilte heen.

In eene binnenkamer van die herberg brandde echter nog licht, en zat

een man, in sierlijk huisgewaad gekleed, voor eene eenvoudige tafel,

waarop een plan van het bezettingsleger om Leiden lag uitgespreid.

"Zou ik waarlijk het beleg moeten opheffen? Maar dat zou toch schande

zijn! Hadde ik de stad maar bestormd toen het mijn voornemen was,

dan zou Leiden reeds lang in mijn bezit zijn geweest! En nu! Wat zal

Requesens zeggen? Wat zal de geschiedschrijver van mij boeken? Maar

het is te laat, ik kan...."

Daar werd op de deur getikt.

"Binnen!" riep Valdez.

De deur ging open en Don Marion trad binnen met eene duif in de eene

en een briefke in de andere hand.

"Wat is er, Marion?" vroeg Valdez.

"Senor, deze duif is te Lammen door eenen schildwacht in den vleugel

geschoten en toen ze nederkwam, vond men dit briefke in hare pooten."

"Geef hier!" beval de Bevelhebber barsch, en Marion reikte het over.

Het was het gewichtige briefje van den Zeeuwschen Admiraal, waarin hij

den Leidenaars kennis gaf van hetgene hij den volgenden dag doen zou.

Het was mogelijk wel een half uur geleden, sinds Valdez het kleine

stukske perkament gelezen en nedergelegd had, en nog altijd stond Don

Marion in eene eerbiedige houding voor de tafel, terwijl Valdez, met de

handen onder het hoofd, zich over het plan der belegering gebogen had.

Het was hem blijkbaar aan te zien, dat er strijd in zijn binnenste

heerschte.

Eindelijk hief hij het hoofd op en den Onder-bevelhebber ziende staan,

zeide hij: "Zijt gij daar nog, Marion?"

"Jawel, Senor!"

"Wacht dan nog even, dan zal ik u een bevel medegeven aan Kolonel

Borgia, die zooals ge weet, op Lammen bevel voert!"

Het briefje was gauw geschreven en bevatte slechts deze woorden:

"De vrijbuiters zullen morgen Lammen bestormen! Spaar de soldaten

en zoek met hen onmiddellijk een goed heenkomen.

De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood · 第 28 / 31 题