Watergeuzen en Spanjaarden.
Na het innemen van Zoetermeer en het bezetten en doorsteken van
den heerweg naar Benthuizen, was van Boisot nog altijd werkeloos op
Noord-Aasche meertje blijven liggen en, wat hij ook beproeven mocht,
niets baatte; want de ondiepte van het onder water gezette land,
belette hem verder te trekken.
Wat echter in den nacht van den achtentwintigsten van Herfstmaand den
belegerden vreugd veroorzaakt had, werd ook op de vloot waargenomen, en
terstond was van Boisot er op bedacht, de noodige maatregelen te nemen.
Hij liet andermaal de Kapiteins bij zich aanboord komen en toen ze
allen verschenen waren, zei hij: "Eindelijk heeft het Gode behaagd,
dat de wind keeren zou. Thans willen we het woord houden, dat we dien
Leidschen jongen meegaven: "Als God wil: de vrijbuiter is iederen
dag gereed!"
Wij hebben beproefd, wat we konden, en vriend De Moor had, omdat alle
vaarten voorbij de stad liepen, zelfs al het plan gevormd om een kanaal
te laten graven, teneinde zoo in Leiden te komen. Dat zal echter nu
niet noodig zijn, tenminste, als mijn vermoeden bewaarheid wordt,
dat de storm, die thans opgestoken is, vanavond of morgenochtend naar
het zuid-westen loopt; want dan zullen we volop water krijgen.
Nu is mijn plan aldus:
"Ik zal met vijfentwintig galeien trachten Zoeterwoude, waar de
hoofdmacht der Spanjaarden ligt, te bereiken. De overige galeien
moeten onder bevel van den Vice-Admiraal zich naar het huis Zwieten
wenden. Gij, Heer van Assaliers, blijft hier, als Commissaris-Generaal
der artillerie, met het geschut en den levensvoorraad achter, en blijft
daar tot wij meester zijn van den Kerkweg. Zoodra dit het geval is,
dan volgt gij ons, en jaagt met uw geschut den Spanjaard uit de
schansen te Zoeterwoude. Zoo een van de Heeren iets beters weet,
dat hij dan spreke!"
Niemand had echter iets tegen het plan van den Admiraal in te brengen,
en weldra bevond ieder zich aanboord zijner galei, om de ontvangen
orders ten uitvoer te brengen.
Gelukkig werd ook het algemeene vermoeden der Watergeuzen bewaarheid,
en liep de wind, die nog altijd hevig was, naar het zuid-westen.
De Spanjaarden hadden echter wel bemerkt, op welke plaats de aanval
der vrijbuiters het ernstigste zou gemeend zijn, en hadden daarom in
de nabijheid van den Kerkweg zich sterk verschanst.
Tusschen Vrijdag en Zaterdag van den eersten en tweeden October
stelde de vloot zich in beweging. Vooraan bevond zich het troepje,
dat Cornelis wakker gemaakt had, toen hij, moede en afgemat onder
den knotwilg lag te slapen.
Het vorderde wel langzaam, maar toch ging het vooruit.
"Wie daar?" klonk het van den Kerkweg.
Geen antwoord.
"Wie daar?" riep nog eenmaal een der wachthebbende Spanjaarden.
Zij, die naderden, bleven, op gegeven bevel, in hun stilzwijgen
volharden.
"Wie daar?" schreeuwde de Spanjaard ten derden male.
"Vuur!" kommandeerde de Hopman der vrijbuiters, en thans kregen de
Spanjaarden zulk een gevoelig antwoord, dat zij, na eenen korten
tijd weerstand geboden te hebben, met achterlating van eenige hunner
schuiten, ijlings op de vlucht gingen.
"Eenoog, kijk ze eens loopen! Kijk ze eens beenen maken," riep de
man zonder ooren.
"Denkt gij dan, dat ik het niet zie? Ha, ik zal ze die pil van
Zoetermeer betaald zetten? Ha-ha! Wat dachten ze wel, dat ze mij zoo
maar met éénen musketkogel eens voor altijd genoeg konden geven?"
"Ja maar, die kogel heeft je toch overdwars in je maag gezeten,"
zeide weer een ander.
"Bah, wat zou dat! In mijn been, ja! Maar nu die Zoetermeersche
kattenvilder van eenen dorpsbarbier, dat ding er zoo netjes uitgehaald
heeft, nu ben ik het ventje weer! En ze zullen het weten ook!"
"Vooruit, mannen, vooruit! Bestormt de Spaansche wachten! Het is nu
geen tijd om over koetjes en kalfjes te babbelen," riep de Hopman.
"Die man is zeker terstond na zijne geboorte met zijnen neus in eenen
hoop brandnetels gevallen, dat hij zoo warm gebakerd is," zeide Eenoog
tot zijne makkers.
"Kom, kom, geene praatjes, kerel! Vooruit!" beval de Hopman nog
eenmaal.
"Nu ja, verslik-je niet, man, verslik-je niet! Vooruit, mannen, dat
zei de jongen ook, en hij reed met twee oude bakkers aan een touwtje
over den havendijk," spotte Eenoog weer.
Andermaal hielden de Spanjaarden wakker stand, doch het schrootvuur
der Zeeuwen dunde hunne gelederen zoodanig, dat ze eindelijk den
Kerkweg prijs gaven.
Aanstonds begonnen de vrijbuiters op den veroverden weg twee schansen
op te werpen, en toen dit gedaan was, stak men drie gaten in den weg
en hielp de galeien er door. Van Assaliers met de artillerie en den
leeftocht volgde.
Thans roeide van Boisot naar de Meerbrug, doch hij vond zich hier
zeer teleurgesteld, daar het water op verre na niet diep genoeg was,
om er over heen te komen.
"Wat? Nog geen water genoeg?" riep Eenoog. "Toe jongens, laten wij
den Admiraal onze kunsten eens toonen! De boot uit!"
"En het water in?" vroeg de man met het houten been.
"Neen, de modder in, kameraad," riep Eenoog, hartelijk lachend.
"En dan?"
"Dan zult gij zien, wat er komt, zei Jansje van Cadsand en ze zette
de kousen op haar hoofd en deed eene keuvel aan hare voeten!"
"Och, loop, met die malle praat! Zeg wat gij van plan zijt, of we
blijven er allemaal in," sprak Zonderooren.
"Begrijpt gij mij dan geen van allen, kerels? Wij zullen de boot op
onze schouders leggen, en in de Meerbrugschen polder dragen!"
De anderen volgden dit voorbeeld en met het aanbreken van den morgen,
lagen de schuiten, galeien en booten op de genoemde plaats.
Zoodra de Spanjaarden dit zagen, begonnen ze bevreesd te worden, en
ziende, dat de vrijbuiters hunnen koers niet naar de stad richtten,
maar wel naar de Vrouwenbrug en het Papenmeer, vermoedden ze niets
anders, dan dat hun plan was, Zoeterwoude te bezetten en in te sluiten.
Valdez liet de diepte van het water peilen en daar er bevonden werd,
dat het in den afgeloopen nacht meer dan eenen voet gerezen was,
ging hij, den vrijbuiters eenen rijken buit achterlatende, op de
vlucht naar Voorschoten.
Het was wel wat laat toen van Boisot hiervan kennis kreeg, doch de
Zeeuwen meenden, dat er nog wel wat klappen te deelen zouden vallen,
vooral, nu Valdez door Hopman Don Alonzo Lopez Gallio met zeven
vendels musketiers gevolgd werd.
"Vooruit, mannen, vooruit!" schreeuwde Eenoog op zijne beurt. "Toe
maar! Trekt de riemen aan stukken! Zie-je de luî daar met dien
mooien man voorop naar de Vrouwenbrug loopen? Dat hoopje is voor
onze rekening! Halloh, frisch op! Vooruit! Vooruit! Ze zullen er
van lusten!"
De kleine afdeeling Spanjaarden was spoedig ingehaald.
"Staat dan, mannen!" riep de dappere Hopman Don Petrus Ciaccone
zijnen moedeloozen en dralenden soldaten toe, zoodra dezen op de
vlucht begonnen te slaan. "Wat draaft ge, als bezetenen, voor zulk
een hoopje rabauwen en zeeschuimers?
De Spanjaarden stonden stil en de vrijbuiters legden de riemen
binnenboord.
"Let wel, dien snuiter van eenen bonten vogelverschrikker neem ik
voor mijne rekening," schreeuwde Eenoog op den Hopman wijzende, en
eer deze er nog op verdacht was, had Eenoog hem met eenen haak in de
kleederen geslagen en trok hem omver.
Eenoog dacht, dat hij dien "snuiter" zoo maar in eens zijne bekomst
gegeven had, en viel met zijne makkers op de anderen aan, die in het
water een goed heenkomen zochten. In een oogwenk waren de vrijbuiters
de boot uit en joegen den vijand na.
Daar stond Don Ciaccone op, en eene bijl, die bij zijne voeten lag,
opnemende, viel hij met het geroep van: "Dood aan de rebellen!" de
vrijbuiters in den rug.
Eenoog lag in een oogenblik met eene diepe wonde in het hoofd op den
modderigen bodem te zieltogen.
"Dood aan de rebellen!" riep Ciaccone andermaal, en thans gold zijnen
slag den man zonder ooren, die dood op den grond tuimelde.
Weer hief hij het geduchte wapen op; het daalde neer, en met eenen
akeligen gil stortte de vrijbuiter, met de brandvlekken op het
aangezicht, ter neder.
De anderen werden door zijne manschappen, die hem trouw gebleven
waren, afgemaakt en Don Ciaccone hier geenen vijand meer te bestrijden
hebbende, sprong met de mannen van zijn vendel in de volgeladen boot
der gesneuvelde vrijbuiters en bracht haar triomfantelijk bij zijnen
laffen Bevelhebber, Don Alonzo Lopez Gallio.
Op andere punten waren de Spanjaarden overal geslagen en, hunne wapenen
wegwerpende, waren ze door Stompwijk gevlucht naar den Leidschendam
en Voorburg.
Door deze nederlaag werden zij, die in de schansen Leiderdorp en
Lammen achtergebleven waren, zeer in het nauw gebracht. Doch hunne
Bevelhebbers waren nog mannen uit het Leger van den Hertog van Alva,
en besloten tot eene hardnekkige verdediging.
Van Boisot zag ook in, dat men wel dicht bij Leiden, maar nog niet
in Leiden was, en dat er misschien nog heel wat tijd verloopen moest,
eer zulks gebeurde.
Wat zou hij doen?
De schans stormenderhand innemen?
Maar, dat zou veel volks kosten, en hij had het niet te missen;
want het geheele Staatsche leger bestond uit niet veel meer dan
vijfentwintighonderd man.
Weer werd er scheepsraad belegd en iedereen trachtte in dit geval
eenen goeden raad te geven.
Eindelijk stond Cret op en zeide: "Mijne Heeren! Van mijne galei af kan
ik de hongerige burgers van Leiden op de wallen zien staan. Hunkerend
en watertandend staren ze ons aan! Zullen we die arme luiden nog langer
doen wachten, omdat ieder onzer zijn leven lief heeft? Dat mag immers
niet, en zulk eene gedachte is den vrijbuiter ook onwaardig! Neen,
mannen, er is maar één aangewezen weg! En die weg is: de bestorming
van Lammen! Ik geef met vreugde mijn leven voor het uitgehongerde
Leiden! Heer Admiraal, hier ben ik, wat beveelt ge mij?"
"Neen, Cret, gij zult niet alleen gaan! Wij volgen u en blijven niet,
als lafaards, achter! Lammen zal bestormd worden," zeide De Moor. "Wij
allen gaan met u, niet één blijft achter!"
"Mijne Heeren," antwoordde hierop van Boisot, "ge voorkomt mijnen
wensch; want ook ik geloof, dat geen andere weg ons aangewezen is,
dan de schans te bestormen! Ik zal echter trachten, zooveel mogelijk,
onze macht te versterken. Wij hebben nog ééne duif aanboord, en die zal
ik naar de belegerden sturen met het bericht, dat we morgen ochtend
de schans zullen bestormen. Waar de hongerige om spijze vecht, daar
is zijn strijd een verschrikkelijke. De Spanjaard zelf vreesde dien
strijd voor Haarlem, en daarom zal ik den Leidenaars verzoeken, dat
zij, als wij de bestorming aanvangen, eenen hevigen uitval moeten doen,
dan heeft de Spanjaard den vijand van alle kanten. Ik twijfel niet,
of gij zult dit goed vinden! Ikzelf zal morgen ochtend het sein tot
den aanval geven! Ieder uwer ga thans naar zijne galei! Hoede U God
in den strijd van morgen! Onze veldkreet zal zijn: "Leiden!" Gaat nu,
mijne Heeren, en, weest Gode aanbevolen!"
De een na den ander drukte den moedigen van Boisot de hand en ging
heen.
Toen allen vertrokken waren, zette de Admiraal zich aan het
schrijven. De duif werd binnengebracht en een oogenblik later steeg
de vogel, met het kostelijke bericht beladen, in de hoogte.
"Houdt goede wacht, mannen," zeide van Boisot tot zijne schepelingen,
"en bij het minste onraad, dat ge vermoedt, wekt ge mij! Ik ga wat
slapen! Het was een vermoeiende dag vandaag!"
De Admiraal ging hierop in zijne kleine hut en weldra was alles op
de vloot in rust. Slechts het kabbelende water tegen het scheepsboord
verbrak de stilte van den helderen nacht.
Het uur van middernacht was reeds geslagen en in het Spaansche
legerkamp te Leiderdorp was ook alles in rust.
Slechts de eentonige voetstap van den schildwacht voor de herberg
waarin thans Valdez vertoefde, klonk vervelend door de stilte heen.
In eene binnenkamer van die herberg brandde echter nog licht, en zat
een man, in sierlijk huisgewaad gekleed, voor eene eenvoudige tafel,
waarop een plan van het bezettingsleger om Leiden lag uitgespreid.
"Zou ik waarlijk het beleg moeten opheffen? Maar dat zou toch schande
zijn! Hadde ik de stad maar bestormd toen het mijn voornemen was,
dan zou Leiden reeds lang in mijn bezit zijn geweest! En nu! Wat zal
Requesens zeggen? Wat zal de geschiedschrijver van mij boeken? Maar
het is te laat, ik kan...."
Daar werd op de deur getikt.
"Binnen!" riep Valdez.
De deur ging open en Don Marion trad binnen met eene duif in de eene
en een briefke in de andere hand.
"Wat is er, Marion?" vroeg Valdez.
"Senor, deze duif is te Lammen door eenen schildwacht in den vleugel
geschoten en toen ze nederkwam, vond men dit briefke in hare pooten."
"Geef hier!" beval de Bevelhebber barsch, en Marion reikte het over.
Het was het gewichtige briefje van den Zeeuwschen Admiraal, waarin hij
den Leidenaars kennis gaf van hetgene hij den volgenden dag doen zou.
Het was mogelijk wel een half uur geleden, sinds Valdez het kleine
stukske perkament gelezen en nedergelegd had, en nog altijd stond Don
Marion in eene eerbiedige houding voor de tafel, terwijl Valdez, met de
handen onder het hoofd, zich over het plan der belegering gebogen had.
Het was hem blijkbaar aan te zien, dat er strijd in zijn binnenste
heerschte.
Eindelijk hief hij het hoofd op en den Onder-bevelhebber ziende staan,
zeide hij: "Zijt gij daar nog, Marion?"
"Jawel, Senor!"
"Wacht dan nog even, dan zal ik u een bevel medegeven aan Kolonel
Borgia, die zooals ge weet, op Lammen bevel voert!"
Het briefje was gauw geschreven en bevatte slechts deze woorden:
"De vrijbuiters zullen morgen Lammen bestormen! Spaar de soldaten
en zoek met hen onmiddellijk een goed heenkomen.