TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Noordwest! Noordwest!

Bij de Marepoort stonden op Dinsdagmiddag, den achtentwintigsten van

Herfstmaand, twee mannen op wacht.

Zij zagen er beiden zeer vermagerd en verzwakt uit en het kostte hun

moeite, het op de beenen te houden.

Daarom hadden ze hunne musketten op den grond gezet en leunden er op,

om het afgematte lichaam nog eenigen steun te geven.

Hij, die deze mannen in vroegeren tijd gekend had, zou er thans vast

aan twijfelen, of het wel waar was, zoo er een was, die hem zeide:

"Die daar, met zijnen rossen baard en dat fletse oog is Gijsbert

Cornelisz. Van Schaeck en de andere, die als een afgeleefd grijsaard,

met knikkende knieën en gekromden rug tegenover hem staat, is de

eertijds zoo vroolijke en spotzieke rederijker, Pieter Van der Morsch!"

En toch is het zoo.

"Die zon hindert me, Van Schaeck! Het is zoo aardedonker in mijn hart,

dat ik geen licht verdragen kan!"

"Kom, kom, Van der Morsch! Bij mij is het nog altijd omgekeerd! Het

is of ik des nachts den honger nog meer voel dan overdag. Overdag heb

ik wat te doen, maar des nachts niet. Dan slaap ik zelfs niet eens."

"Ik weet niet wat beter is nacht of dag. Ik ben zoo vreemd te moede,

alsof er wat met me gebeuren zal."

Van Schaeck trachtte te lachen, en zeide: "Gij eet te veel,

man! Gisteren is het laatste paard geslacht en nu hebt gij de maag

overladen. Hiervan wordt een mensch altijd zoo raar. Eet minder!"

"Spot niet, Van Schaeck, en praat me niet te veel van eten, want dan

zou ik den geeuwhonger krijgen!"

"Stil, oude jongen, daar komt Cornelis aan! Die heeft zeker eene

boodschap aan ons."

Het kostte ook nog al eenige moeite om den knaap, die toch nog zooveel

niet geleden had, als de andere stadgenooten, te herkennen. Hij had

in alle gevallen onder de vrijbuiters nog eenige goede dagen gehad, en

de voorraad brood, dien hij Jurrie zoo slim had weten te ontfutselen,

was ook nog eene versterkende spijze geweest, die de anderen hadden

moeten missen.

"Wel, Cornelis, is er nieuws?" vroeg Van Schaeck toen de jonge man

ook op den wal was.

"Och ja, zooveel als anders in een geheel jaar! Vanmorgen hebben

ze Krelis Louwensz. met zijne vrouw en twee kinderen dood in het

bed gevonden!"

"Jongens, jongens! Vier weken geleden was die Louwensz. nog een man als

een boom! En nu van den honger gestorven! Het is wat te zeggen! Waar

moet dat toch heen?" klaagde Van der Morsch.

"Neen, ze zijn niet van den honger gestorven! Ze hebben de pestziekte

gehad," zeide Cornelis.

"Nu, pest of honger, het is een zusje en een broertje. Maar stil,

daar komt een vogel aan! Mochten we nu maar vrij schieten, dan had

ik vanmiddag vleesch in den pot," zeide Van Schaeck. "Ziet gij het

dier wel, Morsch?"

"Het is eene duif. Kijk maar! Het is eene duif," riep Cornelis.

"Zou het een briefdragerke van Speelman zijn, Morsch?" vroeg Van

Schaeck, terwijl hij met alle aandacht naar den vogel keek.

"Dat weet ik niet, Van Schaeck! Maar kijk, hoe ze beurtelings rijst

en daalt! Het is alsof ze wat zoekt! Daar gaat ze naar beneden!"

"Ja, ja, in de buurt van de Steenschuur, en daar woont die Speelman. Ik

ga kijken, hoor," juichte Cornelis en liep heen, zoo snel hij nog

loopen kon.

"Komt ge ons wat vertellen, als er iets is, Cornelis?" riepen de

beide achterblijvenden hem na.

"Ja!" klonk het al van achter het hoekhuis.

De tijding, dat er eene duif met eenen brief gekomen was, werd spoedig

bekend en, even alsof het onnoozele dier een einde aan de ellende

gemaakt had, was op ieders aangezicht vreugde en nieuwsgierigheid

te lezen.

De klok werd geluid, en wie nog krachten had zich zoover voort te

sleepen, begaf zich naar het stadhuis.

Daar verscheen Van Hout met een geopend briefje in de hand.

"Burgers van Leiden!" begon hij, maar met veel zwakker stem dan

vroeger, "hier is een briefke van Admiraal van Boisot! Hij schrijft

ons, dat zijne Vorstelijke Genade, de Prins van Oranje zelf in

het leger en op de vloot is geweest om in persoon bevel te geven,

aangaande het ontzetten onzer goede stad. Hij vraagt ons nog eenen

kleinen tijd uitstel en verzoekt den Magistraat, eenen algemeenen

bededag uit te schrijven, teneinde God om bijstand te smeeken! Zoodra

er wat mede te deelen valt, zal de Admiraal ons dadelijk met een der

andere briefdragerkens, bericht zenden!"

Het was weer de oude tijding! Uitstel, uitstel en nog eens uitstel!

Tot hoe lang?

En toch, de ongelukkigen morden thans niet! Zij schikten zich met eene

zekere onverschilligheid in hun lot, terwijl anderen vast geloofden,

dat er nu toch spoedig uitkomst komen zou.

Was het mogelijk het vreemde van de zaak, dat eene duif eenen brief

gebracht had?....

Daar gromden en bromden de klokken!

Iedereen wist, wat dat te beduiden had. Men ging, op verzoek van den

Prins, in de kerken God om hulp smeeken!

En Roomsch zoowel als Onroomsch, voldeed er gewillig aan, en vast is

het waar, dat in ieders gebed gehoord werd, eene bede om verandering

van den wind, eenen hoogeren waterstand en--brood voor den honger.

Toen de kerken uitgingen, keken alle vrome bedevaartgangers naar

het windvaantje.

Was de wind onder kerktijd gekeerd?

Hoe wijst het?

"Pal noord-oost!"

"Zou het dan nóg niet geholpen hebben? Nóg niet?"

In het naar huis gaan, herhaalde menigeen nog de bede van den eenig

overgebleven Predikant der Hervormden: "Heere, behoed ons! Wij

vergaan!"

Maar ook de Roomschen baden hetzelfde, doch in hunne kerktaal:

"Domine, salva nos! Perimus!"

De eerste gang van Cornelis was, na de afkondiging van het bericht,

naar de wallen geweest, om Van Schaeck en Van der Morsch den inhoud

van het briefke mede te deelen, en de tweede naar zijn huis.

"Kom, Gonda, kleed u aan! Wij gaan naar de kerk," had hij gezegd.

Maar het meiske schudde het hoofd en wees op de bedstede waarin de

zieke hongerlijders bijkans te sterven lagen.

"Ik kan niet, Cornelis! Ik kan hier niet weg! Ik zou ook niet naar

de Sint-Pieter kunnen loopen! Mijne beenen zouden mij zoover niet

dragen! Maar, als gij naar de kerk gaat, bid voor mij dan maar mee

en--vergeet toch vooral ons lief en trouw Pleegmoedertje niet!"

Teedere, trouwe ziel! Uit medelijden was ze, als eene arme weeze in

huis opgenomen, en nu de goede Willempje Jansz., de brave Moeder,

de zorgvuldige huisvrouw nog altijd aan het krankbed gekluisterd was,

nu beproefde zij met hare zwakke krachten, de zware taak van de zieke

op zich te nemen.

Ja, ze was zelve ziek en ook haar kwelde de honger.

Maar, om door daden te bewijzen, hoe dankbaar zij hare weldoeners was,

vergat ze, èn ziekte, èn honger.

"Gij zijt eene beste Gonda," zeide Cornelis, "en als we het beleg

overleven mogen, en we zijn beiden groot geworden, dan wordt ge mijne

vrouw, hoor! Daar kunt ge vast op rekenen!"

"Ga maar naar de kerk, Cornelis, en bezondig u maar niet met zulke

gedachten. Wie weet of we morgen nog wel leven," zeide Gonda.

Zoodra de kerk uit was ging Cornelis naar de wallen om daar de wacht

te houden.

Hoe ledig was het wachthuis!

Hij kwam er over zijnen tijd en er was nog niemand.

Wanneer hij een paar maanden geleden wat te laat kwam, dan vond hij

vast zijne negen makkers al op hem wachten. Dan hoorde hij al van

verre hun luidruchtig gesnap, dan hoorde hij de dobbelsteenen rollen en

zag hij den kroes, gevuld met bier van haverdoppen, rond gaan! En nu?

Er was nog niemand te zien!

Met hun tienen waren ze altijd bij elkander geweest, doch dat getal

was gaandeweg verminderd! Eerst waren er nog negen, toen acht, later

nog zes en nu waren ze slechts met hun vieren.

De andere zes waren òf aan den honger en de pest gestorven, òf lagen

te huis te vechten tegen eene ziekte, waarvoor geene andere medicijn

was dan voedsel.

En voedsel was er niet!

Zie, daar ginds komt eene vrouw aanstrompelen! Zij heeft de huik van

haren mantel over het hoofd geslagen; want ze wil niet herkend worden.

Is ze arm of rijk? Is ze de vrouw van een vermogend lakenwever of

van een behoeftig poorter?

Dat doet er niet toe! Al was ze de armste vrouw uit de stad, dan

is het nog meer dan erg, dat ze daar op de vuilnishoopen kruipt, om

koolstronken te zoeken, en om die, als zij ze vindt, rauw op te eten.

Cornelis keerde zich om; dát kon hij niet zien! Dát was te veel voor

hem. Zijn gemoed schoot vol.

Eindelijk kwamen er nog drie wachten aan, doch het musket, dat ze

bij zich hadden, werd meer gesleept dan gedragen.

Nu het rot toch niet voltallig was, werd er geloot wie er het eerst

naar de wallen zou gaan, en Cornelis kwam hierdoor het eerst aan

de beurt.

In het begin liep hij langzaam heen en weer, doch daar dit hem weldra

te zwaar werd, ging hij er bij zitten.

Het had den heelen dag stevig uit het noord-oosten gewaaid, doch

tegen den avond was de wind wat gaan liggen.

"Het is of er verandering op til is," dacht hij. "Wind is er haast

niet!"

Weer zat hij eene poos, bijna gedachteloos met de punten van zijnen

mantel te spelen.

Eindelijk het zitten moede, stond hij op en wandelde op den wal wat

heen en weer.

Ginds in de verte zag hij hier en daar kleine lichtjes, zich van de

eene plaats naar de andere bewegen, en dan telkens weer terug keeren.

Het waren de brandende lonten van de Spaansche soldaten, die op de

schansen en daar tusschen in, de wacht hielden.

Nog veel verder, bijna geheel beneden aan de kimmen, zag hij een tal

kleine lichtpunten, die zich niet bewogen.

Dat waren de wachtvuren der vrijbuiters op den Voorweg tusschen

Zoetermeer en Wilsveen.

"Die heb ik daar al dagen lang gezien," bromde hij, "dat is voorwaar

geen nieuws! Kwamen ze iederen dag maar een stap of wat vooruit!"

Weer stond hij stil.

"Het is toch of er meer wind komt," fluisterde hij verder.

"Kon ik nu den windwijzer van de poort maar zien, dan wist ik het. Maar

wacht, de kerk staat oost en west; de poort ligt dus van hier af ook

oost! Zoo, die heb ik nu aan mijne rechterhand! Het noorden ligt nu

voor me en hier aan mijne linkerhand is het westen! Ik zal mijnen

vinger eens nat maken en in de hoogte steken!"

De vinger ging in den mond en daarna in de hoogte.

"Ik geloof waarlijk, dat de wind in het noord-west gekomen is; want

aan dien kant wordt mijn vinger koud, en het is juist, of hij daar

droger is dan ergens anders!"

Andermaal liep hij eene poos heen en weer.

Daar stond hij weer in dezelfde houding bij de poort, als zoo

even. Juist streek er een windzuchtje voorbij en lichtte aan de

rechterzijde den mantel in de hoogte en drukte hem aan den anderen

kant tegen het lijf.

"Nu weet ik het! Nu weet ik het! Goddank, de wind is omgeloopen naar

het noord-westen," riep hij hardop. "Dat moeten ze daar binnen weten!"

Zonder er aan te denken, dat hij niet van zijnen post mocht, liep

hij den wal af en het wachthuis binnen, waar hij zijne makkers door

zwakte in slaap gevallen vond.

"Hei, mannen! hei, wordt wakker! Goed nieuws!" schreeuwde hij zeer

opgewonden.

De drie musketiers richtten zich op en vroegen bijna te gelijkertijd:

"Wat is er, Cornelis? Is er onraad?"

"Neen, geen onraad, mannen, geen onraad! De wind is noord-west!"

"Och, kom, gij raast! Wij gelooven het niet."

"Komt maar mee en voelt zelven het maar!"

Cornelis liep weer naar den wal en de anderen volgden hem zoo spoedig

ze konden.

Daar stonden ze alle vier op een zuchtje te wachten.

"Gij hebt het u zeker verbeeld, Cornelis! Er is geen wind," zeiden ze.

"Neen, neen, niet verbeeld! Ik weet het zeker! Zoo even was er

wèl wind!"

"Loop jongen, gij hebt door den honger uwe zinnen verloren en u blij

gemaakt met eene doode musch!"

"Neen, stellig, stellig niet. De wind is noord-west, zoo waar ik hier

sta," was het antwoord.

"Nu hoor, wij gaan heen!"

"Neen, blijft nu nog even, wie weet...."

Weer streek een luchtig koeltje langs de vier mannen.

"Voelt gij het nu, zeg, voelt gij het nu?" juichte Cornelis.

"Ja, Goddank, de wind is noord-west! Goddank! De biddag heeft

geholpen! God heeft ons verhoord! Nu zal het ontzet spoedig

komen. Noord-west! Dank, Vader in den Hemel! Dank, o, dank!"

De drie mannen liepen thans met rasscher schreden, dan ze gekomen

waren, de wallen af! De blijdschap gaf hun, als het ware, krachten.

En om heel de stad, bij alle poorten, had men elkander met tranen in

de oogen de handen gedrukt. Overal had men het aanwakkerende koeltje

gevoeld, en uit aller hart rees het als een dankgebed: "De wind is

noord-west! Goede God, heb dank, heb dank! De ellende zal nu haast

geleden zijn!"

Dien nacht was in Leiden een Engel gekomen, die eene goede boodschap

bracht.

Meer en meer stak de wind op.

Huilend floot hij door de kreunende takken, en ruw blies hij de

schildwachten in het aangezicht! Maar wat men anders liever niet

hooren of voelen wilde, dat zocht men nu op.

Zoo vroeg zulks mogelijk was, spoedde men zich van de wallen in de

stad om er de blijde tijding te brengen.

Wie opstond en buiten de deur kwam, hoorde zich door zijne overburen

toeroepen: "Noord-west, hé?"

"Ja, ja, gelukkig!"

"Zeker, wèl gelukkig! Noord-west! Goddank!"

Twee duiven kwamen er tegelijk in de stad.

"De wind is om de noord naar het noord-westen geloopen; het water

begint een weinig te wassen! Houdt moed!" stond er in het eene briefke.

"Er waait op zee een storm uit het noordwest! De zee staat

verschrikkelijk hol! Het water is reeds meer dan eene handpalm

gerezen! Houdt u gereed! Wij komen! Zoodra ik weet waar wij de stad het

gemakkelijkst kunnen binnen komen, zal ik het u weer laten weten. Van

Boisot!" las men in het andere briefke.

"Hei, Vader, Moeder, broers, zusters, Gonda! De wind is noord-west! Het

stormt op zee! Er zijn al twee brieven van den Admiraal van Boisot

gekomen!"

Met dezen luid aangeheven juichtoon viel Cornelis letterlijk met de

deur in het huis zijner Pleegouders.

"Wat zegt ge, jongen?" vroeg Van Keulen, die nog op bed lag.

"Ja, Vader, pal noord-west, zoo pal als een muur! Hoor maar, hoe hij

door de boomen fluit!"

"Komt er nu brood, Cornelis?" klonk het op zwakken toon uit eene

bedstede.

"Ja, jongens, dat komt overmorgen misschien al!"

Vader Van Keulen was opgestaan en zijn eerste werk was door het

venster naar buiten te kijken.

"Gij hebt gelijk, Cornelis! De wind is noord-west! Goddank," zeide hij.

"Ik wil ook kijken," riepen de twee oudste jongens en beproefden op

te staan, doch werden hierin door Vader verhinderd.

"Geduld, jongens," zei hij, "geduld! De wind is nu wel goed; maar de

schepen met brood en ander voedsel liggen nog niet voor de kade!"

Ieder ging nu, zoo zijne krachten hem zulks toelieten, naar de wallen

om in de verte de vaartuigen hunner verlossers te zien naderkomen.

"We zullen de Leidenaars eens laten hooren, dat wij komen," had van

Boisot gezegd en beval, dat men de kanonnen zou lossen.

"Hoort gij het, mannen, hoort gij dat?" riepen de belegerden. "Van

Boisot roept ons toe, dat ze komen! Gauw, geeft hem antwoord!"

Een oogenblik daarna trilden al de vensterruiten binnen Leiden! De

hongerige gezonden sprongen van schrik op en de hongerige zieken

ontwaakten uit hunnen onrustigen slaap en vroegen wat er gaande was.

"Wel, buurman, ziet gij het wel," riep men elkander toe, "hij blijft

trouw in zijnen hoek, hé?"

"Ja, ja, hij staat daar stevig, man!"

"En hebt gij het schieten gehoord, zeg!"

"Alsjeblief! De glazen dreunden ervan!"

Den ganschen dag en ook den volgenden verkeerde men in eene hevige

spanning. Zeven duiven waren er al gekomen. Het water werd gedurig

hooger en hooger opgevoerd! De schansen der Spanjaarden lagen,

als kleine eilanden, midden in het water! De wind bleef noordwest;

maar,--brood was er nog niet, en voor en na stierf de een na den

ander den hongerdood. Toch kwamen de verlossers al nader en nader;

maar, .... de Spanjaard bleef nog steeds op zijne eilandjes.

"Dat zal nog een harde dobber zijn, Van Keulen," zeide Van Schaeck,

en hij wees op den vijand, maar hoofdzakelijk op de schans Lammen.

"Ja, langs dezen kant zullen ze toch moeten komen; daar zit niets

anders op," was het antwoord.

"En wie weet hoe lang het nog aanloopt! We zijn veel te vroeg verblijd

geweest! Als de wind nog eens keerde, dan...."

"Eene duif, eene duif!" riep men van verscheidene kanten.

"Bracht dat beest ons maar te eten, dan riep ik ook mee: eene

duif!" zeide Van Schaeck op ontevreden toon.

"Wel, Schaeck, Schaeck, wat zijt ge bar, man! Ik geef den moed niet

verloren," sprak Van Keulen bemoedigend, en begaf zich op weg om

te vernemen, welke tijdingen de briefdrager weer gebracht had. Wij

zullen later vernemen welke berichten dat waren. Eerst maken we nog

eens een uitstapje buiten de stad om te zien, wat daar voorvalt.

De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood · 第 27 / 31 题