Marion nam het bevelschrift aan en verwijderde zich.
Weer was Valdez alleen en, in zwaarmoedige gedachten verzonken,
schreef hij met de pen, die hij nog altijd in de hand hield, onder
het plan der belegering in gebrekkig Latijn:
"Vale Civitas, valete Castelli parvi, qui relicti estis propter aquam,
et non per vim inimicorum," dat zeggen wil: "Vaarwel stad! Vaartwel,
kleine schansen, die verlaten zijt om het water en niet door de macht
der vijanden."
"Marsch, ellendig blad," zei hij eensklaps en frommelde de kaart tot
eenen bal, dien hij in eenen hoek van het vertrek smeet, en opstaande
liep hij naar de deur en riep: "Alonzo!"
Zijn dienaar verscheen aan de deur.
"Zadel mijn paard," gebood Valdez.
Alonzo verwijderde zich en een half uur later hoorde men den hoefslag
van een paard op den eenzamen weg.
De ruiter, die het bereed, was Valdez, die Kolonel Don Borgia het
bevel achterliet hem met al het volk naar Utrecht te volgen.
Dat lieten de Spanjaarden zich geen tweemaal zeggen, en weldra waren
ze op weg, om oproer te maken en Valdez te knevelen. De muitelingen
beschuldigden hem, dat hij door de Leidenaars met geld was omgekocht,
en daar de nieuwe Landvoogd Requesens, door geldgebrek genoodzaakt
was, hunne soldij onbetaald te laten, zoo meenden ze bij Valdez te
vinden en te rooven, wat ze van den Koning met recht konden eischen.
Toen later echter de onschuld van Valdez bewezen was, lieten zij
hem vrij. Maar werd hij vrij gesproken van de beschuldiging met de
Leidenaars geheuld te hebben, zijn naam als krijgskundige had hij bij
vriend en vijand verloren. Door zijne vreemde handelwijze was Leiden
voor goed voor Koning Filips verloren.
Meer dan dat. Het langdurige beleg, dat de Leidenaars zoo roemrijk
doorstaan hadden, was, althans voor het oogenblik, het behoud van
Holland.
Leven we nu nog binnen Leiden de laatste uren van het beleg mede.