Wat zal van Leiden worden?
Reeds vroegtijdig was Cornelis den anderen morgen ontwaakt en daar
de Prins nog eerst eene samenkomst moest hebben met den Advokaat van
Holland, en zelfs nog niet eens opgestaan was, zoo besloot Cornelis,
eene wandeling door Delft te maken, dat toen binnen de wallen niet
veel kleiner was dan tegenwoordig.
Welk een verschil met gisteren!
Toen scheen het, alsof ieder treurde en den dood vreesde van eenen
Vader of Moeder. De aangezichten stonden bedrukt en zelfs de smid,
die bij de Haagsche poort woonde, liet droomerig en lusteloos den
zwaren hamer op het aanbeeld vallen.
En nu? De aangezichten stonden opgewekt en hier en daar klonk zelfs een
vroolijk liedeken, waarin een Duc d'Alv of Koning Filips het zwaar te
verantwoorden had. De smid bij de Haagsche poort liet nu, met forsche
en snel volgende slagen, den hamer zoo zwaar op het gloeiende ijzer
vallen, dat de vuurvonken sissend door de smidse tot op straat vlogen.
Scheen de Prins van Oranje na eene zware krankte tot een nieuw en
krachtig leven gewekt, elke Delftenaar scheen dat met hem.
En te midden van al die vroolijke bedrijvigheid lette niemand op den
jongen man, die de boodschap uit Leiden had overgebracht, hoewel hij
hier en daar toch wel een en ander uit de verschillende uitroepen en
gesprekken opving.
Vooral gaf hij zijnen ooren den kost, als er over de Watergeuzen,
de vloot of over het water gesproken werd.
Op de Voorstraat komende, vond hij voor de brouwerij "De Flapcan"
het werkvolk in druk gesprek met eenen man, die er al heel akelig
uitzag. Geene gedroogde schol was ooit zoo gekorven, als deze man
het in zijn gelaat was. Hij had maar één oog en het stompje vleesch
en been, dat zich tusschen de twee oogen bevond, geleek al bitter
weinig op eenen neus. Aan de linkerhand ontbraken twee vingers,
en ooren waren bij hem niet te vinden. Voor het overige was hij een
man als een boom. Daardoor stak hij boven alle andere mannen uit en
viel ieder in het oog. Op het hoofd droeg hij eene wollen muts met
een zilveren halve maantje.
Hij was een Watergeus, die onder het algemeene gelach der omstanders
vertelde, dat hij, als eene rat, in eene Spaansche klem had gezeten,
doch dat hij gedaan had, als de vossen, die liever gehavend vrij
komen dan ongeschonden doodgeslagen worden.
Op de vraag hoe het met de vloot ging, vertelde hij dat men bitter
weinig vorderde uit gebrek aan water. De meeste vaartuigen hadden
drie en eenen halven voet diepgang en op de weilanden stond nog maar
één voet water. De plaatsen waardoor men in de vaarten zou kunnen
komen, waren sterk bezet en de Spanjaarden waren "lompe" menschen,
want niet één was er onder, die zei: "Ga door, goêman!" Integendeel,
ze schoten, sloegen en hakten er op in, dat een fatsoenlijke Watergeus
er nog een lesje in had kunnen nemen. Zoo was de toestand, zie, zóó,
en niet anders.
"Maar zou de vloot dan wel ooit tot Leiden kunnen komen?" vroeg een
uit den hoop, en hij voegde er bij: "Ik heb altijd gezegd, dat die
doorstekerij niet veel meer dan gekkenwerk is geweest."
De Watergeus lachte luid en zeide: "Pas op, die springt nog uit mekaêr
van geleerdheid. Ik zeg ja, maar, de Leidenaars moeten nog wat geduld
hebben. Wij zijn hier nu eenmaal in Holland en we gaan er niet uit
vóór we de stad van de "Leidsche kaas" van binnen gezien hebben.
"En als het water nu niet hooger komt?" vroeg dezelfde. "Wat dan?"
"Als het water niet hooger komt, dan neemt onze admiraal van Boisot
een mes tusschen de tanden, een musket in de eene en eene schop in
de andere hand. Dat doen we hem allen, allen na. Niet één van de
achthonderd Watergeuzen, die thuis blijft om op zusje te passen. Elk
musket zal eenen vijand treffen; elk mes eenen Spanjaard vinden. Dan
hebben we ruim baan en we graven eene wetering, eene vaart, eene
rivier of eene zee, zeg maar, wat je hebben wilt en--wij komen er met
vlag en wimpel, desnoods met van Boisots Admiraalsschip. Maar Leiden
moet Holland blijven. En nu, brouwt bier en gaat aan het werk! Ik
wil je groeten!"
De Watergeus ging heen, doch niet één uit den hoop, die staan bleef,
of hij dacht: "Ze zullen er komen! Wat een volk!"
Ook dat dacht Cornelis, die, zelf vrijbuiter zijnde, zich bij dezen
Watergeus al bitter klein gevoelde. Maar als hij weer in Leiden mocht
komen, dan zou hij daar met gloed en vuur de woorden van den echten
Watergeus herhalen, en dat zou helpen om zelfs den vreesachtigste
moed en de wanhopendste hoop te geven.
Te elf uren ging Cornelis naar de woning van den Prins terug en na
de twee brieven alweer, op dezelfde manier als Gerrit gedaan had,
in eenen dikken stok gestoken te hebben, begaf hij zich op weg naar
's-Gravenhage, waar hij omstreeks één ure aankwam.
Daar het nog veel te vroeg was om "Bruine Sanne" op te zoeken, trad
hij de eerste taveerne de beste binnen om daar onder eene kan bier
zijnen tijd af te wachten.
Alsof de waard van "De witte Valk" hem al jaren lang gekend had,
ontving hij Cornelis met eenen gullen uitroep van: "Welkom,
kameraad! Dorstig weer, hè?"
"Ja, wel wat! Geef mij eene kan bier!"
"Graag, maat, graag! We zullen klinken op het gezicht van zeven dagen
slecht weer van je weet wel wien!"
"Neen, dat weet ik niet. Wien bedoel je?" vroeg Cornelis.
"Klaar als de dag. Ik bedoel dien ijzegrim Valdez!"
Cornelis wantrouwde den dikken, luidruchtigen waard terstond en zeide:
"Gij bedoelt zeker Don Valdez, onzen Veldheer, nietwaar? Dat hij een
ijzegrim moet wezen, wist ik nog niet. Ik vind hem een nobel en flink
man, en daarom zal ik hem nooit uitschelden, maar hem altijd noemen
Don Valdez."
"Nu, laat dat Don er maar af! Zeg maar Valdez! Hebt gij hem gezien?"
"Neen, ik kom zoo over Delft uit Rotterdam. Eene heele wandeling!"
"Uit Delft? Jongen, eene pint van mijn beste bier geef ik, als gij
me zegt, of het waar is, dat het gevaar van Zijne Doorluchtigheid
geweken is!"
"Ja, als ge den Prins van Oranje met dat "Zijne Doorluchtigheid"
bedoelt, dan kan ik u zeggen, dat het waar is," zeide Cornelis, die
op raad van Hans Van Bruggen hier in Den Haag, waar de Spanjaard nog
geheel meester was, bijzonder voorzichtig was in hetgene hij zeide
en daarom den Spaanschgezinde uithing.
"Papperlepap, keek daarom die Valdez zoo leelijk op zijnen neus, als
eene dolle kat op eene doode muis! Ha! ha! Nu begrijp ik het! Daar
kan eene pint oud bier op staan! Drinkt gij mee, manneke?"
"Ja, ik wil uw bier wel drinken; maar om dat te doen op de gezondheid
van...."
"Van den Prins, wilt gij zeggen, hé? Durft gij dat niet? Ha, ha,
ik wel! Al waren er duizend Spanjolen bij! Maar daarom moet gij dat
nog niet doen! Ieder mensch is hier zoo vrij als een vischje in het
water! Gij hebt dus Valdez niet gezien, zegt ge?"
"Ik heb immers al gezegd dat ik hem niet gezien heb, dat wil zeggen,
vandaag niet. In het kamp zie ik hem dikwijls genoeg, als ik hem de
visch breng, die ik dikwijls voor hem moet gaan vangen. Hij houdt
wat veel van waterbaars en, hij betaalt goed!"
"Zoo! Dan merk ik het al dat je een Spanjolen-vriend bent," zeide
de waard.
"Ik wed dat hij zelfs geen bier lust dat binnen Delft gebrouwen is,"
merkte een der twee gasten aan, en toen Cornelis dezen aankeek zag
hij zeer goed, dat ze heel wat anders waren, dan hunne kleeding
moest aanwijzen.
Cornelis dronk het bestelde bier uit en fluisterde den waard in
het oor: "Wees maar voorzichtig, man, met zoo over onzen Veldheer
te praten, dat raad ik aan. Ik zal maar niets vertellen van wat gij
zooal gezegd hebt, anders komt op den eenen of anderen dag baas Van
Stroppenburg je halen om je door een hennepen-vensterken te laten
kijken. En verdiend zoudt gij het hebben, want ik zeg dat ieder,
die den Prins van Oranje aanhangt, een groote deugniet moet zijn."
De waard lachte even en zei: "Dank je! Ik wensch je den vrede,
Spanjool! Loop je mooien meester maar na. Een half uurtje geleden
is hij voorbijgekomen om weer naar het kamp terug te keeren. Zeg hem
gerust, wat "Gladde Peer" uit "De witte Valk" verteld heeft. Ik geef
er net zooveel om!" Hij streek hierbij met de eene vlakke hand over
de andere.
Zoodra Cornelis weer buiten de deur was, mompelde hij: "Als dat geen
Spanjolen-vriend is, dan ben ik Cornelis Joppensz. niet."
"Mis, Gladde Peer," zeide een der gasten toen Cornelis weg was. "Als
alle Hollanders waren als die visschersjongen, dan waren wij hier
niet noodig."
"Eer het avond is, heb ik hem, Senor!" zeide de waard. "En dan mijn
loon, Don Louis Gaëtan! Mijn loon, hi-hi, en nog wat! Als de knaap aan
de galg hangt te slingeren, als een oud uithangbord aan een verroest
ijzer, dan komen de luiden bij hoopen om er naar te kijken, en dan
.... een pintje bier aan ieder! Jongens, dat zal gaan, zei Krelis-oom
en hij plantte een goudstuk!"
Zoo redeneerde de kastelein, doch bedroog zich niet weinig. Om eenen
jongen vrijbuiter onder zijn net te krijgen, was hij toch niet slim
genoeg geweest.
Het was nog wel veel te vroeg om naar "Bruine Sanne" te gaan, doch daar
Valdez toch weg was, meende hij niet verkeerd te doen met een uurtje
vroeger te komen dan de afspraak was. Hij zocht dus het kostershuis
op en liet den klopper op de deur vallen.
"Gij komt vroeg," zei "Bruine Sanne," die open deed en op de stoep
bij hem kwam.
"In "De witte Valk" hoorde ik dat Don Valdez terug gereden was en dus
niet meer hier kon zijn," sprak Cornelis. "En wat is uwe boodschap
aan Jean?"
"Geene andere dan dat hij maken moet Vaandrig te zijn, als hij weer
in Den Haag bij mij komt."
"Dat zal hij wis worden, als de bestorming maar doorgaat," zeide
Cornelis.
"De bestorming, vriendschap? Nu, maar dan kan hij lang wachten! Van
die bestorming komt niemendal. Valdez zelf heeft het aan onzen Pastoor
gezegd, waar de koster bij was. En waarom hij dat doet? Weet ik het? Ik
geloof dat hij bang is voor de woede van hongerlijders, die vechten
zullen als wolven, die in geene dagen gegeten hebben. En als hij
moest afdeinzen, dan zou hij zich dat tot ééne schande rekenen. Hij
moet nu plan hebben, de menschen in Leiden eenvoudig door den honger
te dwingen, zich over te geven. De Pastoor heeft wel gezegd, dat hij
dan lang wachten kan, want dat een Hollander zoo gauw den moed niet
opgeeft, maar daarop luidde het antwoord van Valdez: "Heer Pastoor,
ik heb den tijd, en Leiden zàl zich overgeven, zich overgeven, door
het scherpe zwaard van den honger gedwongen." Zoo sprak Heer Pastoor,
en wat denkt gij er van, vriendje? Gij zijt toch ook een Hollander,
nietwaar?"
"Zou uw Vader het doen, Sanne?"
"Vader? Vader?! Wel neen hij! Dat zei hij gisteren nog: "eer ik mij
door den honger aan eenen vijand overgaf, zou er meer moeten gebeuren!"
"Nu, Sanne, ik ben ook een Hollander; ik zou het ook niet doen. En
daarom vrees ik, dat we komende jaar op dezen tijd nog voor Leiden
liggen, als...."
"Wat, als?"
"Als het water ons ten minste niet verjaagt. Ze hebben dan toch de
dijken maar op verschillende plaatsen doorgestoken, weet ge! Het moet
maar wat uit het noordwesten gaan waaien, een springtij zijn, en...."
"Wat, water? Dat komt nooit zoo hoog, dat gij in het legerkamp er
last van hebt! Doch één ding is maar jammer!"
"En dat is?"
"Wel, we dachten allemaal dat de groote Ketterbaas er het leven
bij inschieten zou, en kijk, vanmorgen liep het gerucht, dat hij
beterde! Een jongen uit Leiden moet hem genezen hebben!"
"Nu maar, als er in Leiden zulke knappe jongens zijn, dan mogen ze
die wel in eere en binnen de wallen houden," spotte Cornelis, "want
iemand, die zóó knap is, zal ook wel een middeltje tegen honger weten!"
"En dan hebben ze zeker wèl gedaan zoo ze hem niet uit Delft lieten
gaan; want Don Louis Gaëtan heeft overal schildwachten uitgezet om
hem te snappen, en "Gladde Peer" uit "De witte Valk" heeft ook bevel
gekregen, hem op te sporen, en die vindt hem zeker; want die is me
wat mans!"
"Ei! Maar hebt gij nu niemendal voor uwen bruidegom?" vroeg Cornelis.
"Mijn bruidegom?" zeide Sanne. "Als hij Vaandrig is, dan mag hij het
zijn, zeg hem dat!"
"Ik zal het doen!" antwoordde de knaap en het meisken groetende ging
hij heen.
Het eischte voorzichtigheid om de schildwachten van Don Gaëtan mis
te loopen, en daarom besloot hij naar Scheveningen te gaan en dan
het strand te houden tot op de hoogte van Wassenaar. Kon hij maar
tot zoover komen, dan was hij althans hier weer buiten gevaar.
"Die leelijke "Gladde Peer," bromde hij. "Ik dacht het wel, dat hij de
rechte broer niet was! Hij liet zich veel te onvoorzichtig uit voor
iemand, die te midden van Spanjolen en Spaanschgezinden leeft! Maar
ik zal toch blij zijn, als ik weer in Leiden ben, en in mijn eigen
bed wat uitrusten kan!"
Onder dergelijke gedachten kwam hij ongehinderd te Scheveningen en aan
het Wassenaarsche Slag. Zoo snel hij nu maar loopen kan, liep hij door
de duinen naar Rijnsburg en het was nog helder dag toen hij er aankwam.
Oom Jan had hem al heel den dag verwacht en onthaalde hem weer op spek
en brood. Tegen den avond trok Cornelis het pak van den Spaanschen
musketier weer aan en wilde onder duizend dankbetuigingen heen gaan.
"Wacht jongen," zeide Oom Jan, "berg dit stuk brood in uwe zakken
en steek er die homp spek ook bij. Gij hebt nu eenen goeden maaltijd
gedaan, laat Zuster met hare kinderen het ook eens doen! Maar behalve
dat, geef ik u nog wat anders, en dat is het wachtwoord. Ik ben er
toevallig achter gekomen toen ik een der schildwachten, die afgelost
werd, voorbijging. Het is tot van avond tien uren: Honger! Na dien
tijd krijgen ze een ander! Maak nu maar dat ge voort komt, anders
zijt ge er te laat bij!"
Nadat ze van elkander hadden afscheid genomen, ging Cornelis
stoutmoedig op weg. Zoo brutaal mogelijk ging hij voorbij elke schans,
want nu hij het wachtwoord wist, kon niemand hem den doortocht beletten
en was hij langs ongebaande wegen gegaan, dan zou men hem mogelijk nog
wel nader ondervraagd hebben. Zonder eenige ontmoeting van aanbelang,
kwam hij nog lang vóór tien uren voor de Witte poort aan. Hij werd
aanstonds binnen gelaten, en nadat hij zijne brieven bezorgd en een
en ander verteld had, ging hij naar huis, waar hij met blijdschap
ontvangen werd.
"En raad nu eens wie we in huis hebben genomen, Keesje?" vroeg zijne
Pleegmoeder.
"Ja, dat weet ik niet," antwoordde hij.
"Nu, ik zal het u maar zeggen: Gerrits Moeder. Drie van hare kinderen
zijn van den honger gestorven. De overigen kinderen hebben wij,
buren, onder elkander gedeeld, en nu is Gonda bij ons in huis. Wij
hopen dat de goede God op dat werk der barmhartigheid Zijnen zegen
zal geven! Dat is zeker, het meisken kon het nergens beter hebben!"
"Ge zijt toch eene goede Moeder," vleide Cornelis en gaf haar
eenen kus.
Onder het vertellen van alles, wat hem overkomen was, vlogen de uren
om en was het reeds over middernacht, eer men er aan begon te denken,
dat het bed al lang gewacht had.
"Oost, west, thuis best," dacht Cornelis en sliep weldra in.
Den volgenden morgen aten allen van Gonda's brood en spek mede, behalve
Cornelis, die er niets van wilde hebben, omdat hij den vorigen dag
zich verzadigd had.
De tijdingen, die Cornelis medebracht, waren evenwel niet zeer
bemoedigend.
Niet dat men in Leiden zich onverschillig aanstelde bij het
bericht, dat de Prins van Oranje thans zoo het scheen buiten gevaar
was. Integendeel, menigeen dankte er voor; want op den Prins was hunne
hoop gevestigd, en als hij viel, dat wist iedereen, viel alles,--ook
Leiden!--Maar dat het water zoo weinig rees en maar al door voor de
Landscheiding bleef staan, en dat er toch geen andere weg tot uitkomst
openstond dan juist dat water, zie, dat bracht naast den blijden trek
van blijdschap op het gelaat bij het bericht: "Zijne Doorluchtigheid
wordt beter!" toch dadelijk den droeven trek, die iedereen deed lezen:
"Wat zal van Leiden worden?"