VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Samenzweerders beluisterd.

Het was een donkere, drukkend heete nacht in het begin van September.

In het huis van Barend Cornelissen Van Keulen lag alles in diepe rust,

behalve Cornelis, die de wacht op de wallen had.

Ééne echter kon niet slapen, en die eene was de vijftienjarige Gonda.

Het meisken woelde zich op haar strooleger om en om, doch kon den

slaap niet vatten.

Wat was er dan gebeurd, dat ze zoo onrustig was?

Ze had in den afgeloopen avond een gesprek aangehoord tusschen Barend

Cornelissen en zijne vrouw. Ze had gehoord, dat de leeftocht in Leiden

was opgeteerd en dat er alleen nog eenige magere koeien te slachten

waren overgebleven. En als die ook eens op waren, wat dan?

En dan het gesprek van den afgeloopen avond!

Had niet Barend Cornelissen zelf gezegd, dat er nog veel zwaarder, nog

veel droever, ja, vreeselijke dagen voor de arme Leidenaars stonden

aan te breken! Had niet zijne vrouw met tranen in de oogen op hare

kinderen gezien en gezegd: "God, Barend, als dát gebeuren moest,

wat zal er dan van deze arme schepseltjes worden?"

En diezelfde kinderen, hadden die heel den dag al niet van honger

geweend, en dat nú nog, terwijl er nog een paar koeien konden geslacht

worden en er dus nog vleesch was!

Was niet Cornelis, stellig onder voorwendsel, dat hij hoofdpijn en

geenen eetlust had, zonder iets te gebruiken naar de wallen gegaan?

O, ze had het wel gezien, dat hij onwaarheid sprak, dat hij geene

hoofdpijn en wèl eetlust had, en toen ze dat zag, bleef haar het

vleesch, taai als zoolleder, als eene prop in de keel steken en had

ze ook genoeg!

Ja, dat had ze gezien en ze had gedacht aan haren Vader en hare

Moeder, die heen waren gegaan, en aan den goedhartigen Leeuwke, die

het lekkerste en beste altijd voor zijne Gonda bespaarde, en toen

was ze naar bed gegaan, niet om te slapen, maar om het hoofd in een

kussen te verbergen en eens uit te weenen!

Omtrent middernacht stond zij op en een raam openende, stak ze haar

verhit hoofd naar buiten.

Het was stil, doodstil. Geen zuchtje werd gevoeld. Geen enkel blaadje

bewoog zich. Niets was er te hooren. Het scheen, dat de heele stad

uitgestorven en zij alleen overgebleven was.

Onderwijl ze daar echter zoo door het venster zag, hoorde ze iemand

voorzichtig langs de straat sluipen en een oogenblik later tegen het

raam van eenen der overburen tikken.

Er werd oogenblikkelijk geopend, en de man, die getikt had, vroeg:

"Zijt gij gereed, Martensz.?"

"Jawel," antwoordde deze, "maar hebt ge "Roode Jaap" en Jaspersz. ook

al gewekt?"

"Ja," zeide de ander weer, "ze zijn door de Molensteeg naar het

rondeel van de Koepoort gegaan!"

"Naar de Koepoort?" werd er verwonderd gevraagd. "Ik dacht dat we in

het wachthuis bij de Rijnsburgerpoort bij elkander zouden komen."

"Ja, dat zou ook gebeurd zijn; maar Cornelis Joppensz., die albedril,

staat daar op wacht, en die nare jongen is mans genoeg om heel de

zaak aan den dag te brengen."

"Dat geloof ik ook," werd er weer geantwoord. "Wacht maar even,

ik ga zoo aanstonds mee."

"Ik zou zulks gaarne willen doen," zeide de ander weer; "maar ik moet

den besten van allen nog wekken."

"Meester Jakobsz., het Lid van de Vroedschap?"

"Ssst, de muren hebben soms ooren, Martensz.! Ja, hij is er ook

bij. Komt gij dan?"

"Ik zal er zijn," was het antwoord. Het venster werd gesloten; de

man verwijderde zich en het bovenraam van Barend Cornelissen werd

ook voorzichtig toegedaan.

Een oogenblik later ging Martensz. op weg, doch werd op een twintig

schreden afstands gevolgd door Gonda, die zich in eene zwarte falie

gewikkeld had.

Onder duizend angsten sloop zij voort, doch bereikte, een weinig na

Martensz., gelukkig en zonder door iemand gezien te zijn, den rand

van het bedoelde rondeel.

Hier zette zij zich op de hurken in den donkersten hoek neer, en

beluisterde het gesprek der mannen, die hier veilig meenden te zijn

en dus geene voorzorgen genomen hadden, en ook geene moeite deden

zachter dan anders te spreken.

"Hoor eens, Jaspersz.," begon er een, die een gesprek scheen voort te

zetten, dat hij onderweg reeds aangevangen had, "ik zeg, als er geene

verandering komt, dat we allen van den honger zullen sterven. Vertel

ons eens, als gij kunt, wat is er gedaan om ons te ontzetten?"

"De Maas- en IJseldijken zijn doorgestoken."

"Dat zijn ze; maar daarmede is men al begonnen op het einde van

Hooimaand! Nu hebben we den vierden van Herfstmaand, en waar is

het water?"

"Ja, nog altijd staat het voor de Landscheiding."

"En waar zijn de schepen der Zeeuwsche vrijbuiters en de platboomde

vaartuigen der andere plaatsen, die ons brood zouden brengen en den

vijand uit zijne schansen jagen?"

"Ze wachten op het wassen van het water."

"En waar is "de Arke van Delft", dat reuzenschip, waarover ze een

geschreeuw gemaakt hebben, alsof de Spanjaarden voor dat enkele

hebbeding aan den haal zouden gaan?"

"Ja, dat schip ligt nog altijd in Delft. Er is geen water genoeg voor

eene ledige pont, dus nog minder voor zulk een gevaarte."

"Gansbloed, ik moet zeggen, dat vordert hard! En wat heeft de Prins

van Oranje nog meer laten doen?"

"Hij heeft door de vrijbuiters van Tergouw den Hildam op zeven plaatsen

laten doorsteken."

"En?"

"En den anderen dag zijn die zeven gaten door de Spanjaarden met hooi

en takkenbossen weer gestopt."

"En wie eten er brood met boter en kaas?"

"De Leden van den Magistraat en de voorname Bevelhebbers!"

"Neen, mannen, dat is niet waar," zeide hierop een ander. "Ik zelf

ben Lid van den Magistraat en ik eet evenmin brood met boter en kaas

als gij. Ik weet ook, dat geen der andere leden het doet, doch wat

de Bevelhebbers betreft, daar sta ik niet voor in!"

"Als gij dat niet weet, dan kan ik daar wat van zeggen," bromde eene

zware mannenstem.

"Stil jongens, "Roode Jaap" zal ons hierover een boeksken open

doen. Hij zal ons zeggen hoe die Heeren de kaas snijden, terwijl wij

honger lijden," riep de eerste spreker.

"Welnu," zeide "Roode Jaap," "ik kan u zeggen, dat ik onzen Bevelhebber

van der Does met smaak op eenen oudbakken moutkoek heb zien kauwen,

en, vanmiddag gaf hij zijn aandeel vleesch voor een groot deel aan

Teunisz., wiens vrouw en kinderen ziek liggen."

"Nu goed, de Magistraat eet geen brood met boter en kaas, en de

Bevelhebbers hebben het niet beter," zeide de woordvoerder weer. "Maar

als die Heeren besloten hebben, den hongerdood te sterven, moeten

wij dan maar zeggen: "Goê-man, dat doe ik ook?"

"Neen, dat behoeft niet," hervatte het Magistraatslid, "dat behoeft

niet, vriendschap! Maar de Vroedschap, van der Does en Van Hout zullen

toch niet altijd doof blijven, hoop ik. Eindelijk zullen hunne oogen

wel eens opengaan!"

"Opengaan, ja, wanneer? Als het te laat is, soms?" vroeg Martensz.,

zoo nijdig en spijtig, als hij maar kon.

"God beware ons daarvoor," zeide Meester Jacobsz. "En daarom heb

ik besloten om morgen in onze vergadering, wanneer de drie brieven,

die gij vanavond ontvangen hebt, Jaspersz., zullen voorgelezen zijn,

er ernstig op aan te dringen, dat de stad worde overgegeven."

"En als al uwe woorden eens niet helpen, Meester Jacobsz.? Wat dan? Wij

hebben toch maar al te zeer ondervonden, dat die van der Werff een

stijfkop is."

"Dan ontmoeten we elkander hier morgen nacht om elf uur weer om te

overleggen welken weg wij zullen inslaan om een einde aan onze ellende

te maken."

"En, zoo waar als ik hier sta, dat moet en dat zal gebeuren! Ik

wil mij niet langzaam laten doodhongeren," zeide dezelfde man, die

Martensz. had gewaarschuwd en die ook het meest ontevreden was.

De mannen gingen hierop behoedzaam en langs verschillende wegen naar

huis, en nauwelijks waren ze henengegaan, of Gonda richtte zich uit

haren schuilhoek op, en sloop naar huis.

Zij wierp zich te bed, en of het nu door overmatige inspanning was,

dan wel of de natuur eindelijk hare rechten liet gelden, nauwelijks

had ze zich neergevlijd, of ze viel in eenen diepen en gerusten slaap.

"Gonda, Gonda!" riep vrouw Van Keulen den volgenden morgen, zoo luid

zij kon.

"Wat belieft u, Moeder!" gaf Gonda ten antwoord, want sedert zij

bij Van Keulen in huis was, noemde zij de Pleegouders van Cornelis,

evenals hij, Vader en Moeder.

"Kind, blijft ge vandaag heel den dag slapen? Kom, het is meer dan

tijd om op te staan! Het is bijkans negen uren!"

"Ik kom," antwoordde Gonda en stond weldra in de woonkamer, waar

ze, zonder iets van haar nachtelijk avontuur te laten blijken, hare

Pleegmoeder aan de huiselijke bezigheden medehielp.

De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood · 第 22 / 31 题