DERTIENDE HOOFDSTUK.

Medicijn voor den Prins.

De avond was reeds lang gevallen toen men op den weg tusschen het

slot Endegeest en Rijnsburg, een jonge, Spaansche musketier stevig

door zag stappen.

Hij had zeker haast; want zonder de voorbijgangers te groeten,

ging hij maar altijd door en alleen, als hij een Overste, Hopman of

Onderhopman der belegeraars tegenkwam, groette hij beleefdelijk.

"Hei, kameraad, waar moet dat met zulk eene vaart heen?" vroeg hem

onverwachts een Luikenaar, die onder het bevel van Jan de Nester

stond en nu op weg was naar de Poelschans, om eene boodschap van

zijnen Meester aan Don Marion over te brengen.

"Ik? Wel, ik moet naar Den Haag!"

"Zoo, naar Den Haag! En voor wien dat?"

"Ge zijt nieuwsgierig, kameraad, erg nieuwsgierig ook! Maar als ge het

zoo graag weet, wil ik het wel zeggen. Ik moet voor onzen Bevelhebber

naar Den Haag en naar den Heer Pastoor van de Sint Jacob!"

"Wat? Moet ge naar den Eerwaarden Vincentius Hugo?"

De aangesprokene, die blijkbaar niet wist, dat de Pastoor van die

kerk zoo heette, zeide kortaf: "Ja, is dat zoo vreemd?"

"Vreemd? Welneen, Don Valdez komt daar dikwijls. Hij is met zijn

Eerwaarde zeer bevriend! Maar ik wilde wel in uwe plaats zijn om die

boodschap te doen!"

"Wandelen is vermakelijker dan op post staan; maar de wandeling is

toch wel wat ver, kompeer! En, we werken ons hier toch ook niet dood!"

"Hoor eens, vriendje, al was de wandeling nog driemaal zoo ver,

ik deed ze met pleizier. Kent ge "Bruine Sanne?"

"Bruine Sanne? Neen! Wie is dat?"

"Die dient bij den koster van de Sint Jacob en ze heeft zooveel als

een goed oogje op me, vat ge?"

"Ha, waait de wind uit dien hoek? Nu, wat te belasten soms?"

"Belasten, belasten! Neen! Ja toch! Wilt ge ook wat voor me doen?"

"Zeker, met alle genoegen!"

"Kijk," zeide de Luikenaar, terwijl hij uit een beursje een klein

ringetje haalde, "kijk, dat ringetje is van mijne lieve Moeder! Toen

die stierf zei ze: "Jean, neem dit ringetje en draag het, of geef

het aan een, die het verdient te dragen. Nu was ik eene week of vier

geleden in Den Haag, maar ik durfde het haar niet geven. Wilt gij nu

voor mij vragen, of ze het ter gedachtenis aan mij dragen wil?"

De jonge musketier, in wien ge misschien reeds onzen Cornelis zult

herkend hebben, had volstrekt geen plan in Den Haag ergens aan te

loopen. Hij had dat praatje van die boodschap bij den Eerwaarden

Heer Pastoor maar verzonnen om niet aangehouden te worden. Nu die

soldaat evenwel blijk gaf van hem te gelooven, en tevens liet zien,

dat in zijn hart ook nog voor heel wat anders plaats was dan voor

wreede gedachten, besloot hij terstond dien man van dienst te zijn,

en daarom zeide hij: "Wel zeker, kompeer, wel zeker! Maar als ik nu

eens dat ringetje aannam, het niet aan "Bruine Sanne" bracht en voor

mijzelven verkocht, wat dan? Gij kent mij toch niet!"

"Aan uwe spraak hoor ik, dat gij een Hollander zijt, en nu zou ik wel

willen vragen, of de Hollanders geene Moeders gehad hebben, en zoo

ja, of zij dan den wil van die Moeder niet hebben leeren eerbiedigen,

ja, zelfs den wil van eene goede Moeder van eenen hunner makkers?"

Cornelis' oog schoot op die teedere woorden van den ruwen, gebaarden

krijgsknecht vol tranen en hem de hand toestekende, zei hij: "Jean,

ik heb geene Moeder meer. Ik heb haar nooit gekend. Maar ik heb

eene trouwe, brave Pleegmoeder, die ik zielslief heb. Geef hier uw

ringetje. "Bruine Sanne" zal het aannemen en u ter gedachtenis dragen,

of gij krijgt het terug!"

"Ziet ge wel, dat ik mij niet bedroog! Maar hoe heet gij?"

Cornelis kon vrij zijnen naam noemen, daar de Luikenaar dien toch

nooit zou gehoord hebben en daarom verzweeg hij hem ook niet.

"Goed, Cornelis, goed, hier is de ring! Ga nu! God en de Heilige

Maagd behoeden u! Maar--als zij het nu niet eens aanneemt?"

"Dan kom ik het overmorgen terugbrengen, of ik laat het u

bezorgen. Ziet gij mij nu niet, of ontvangt gij niets, dan heeft

"Bruine Sanne" den ring, reken daarop. Maar, dat is waar ook, ik

vergat het wachtwoord aan de schans te Valkenburg, hoe is dat ook?"

"Kort van memorie, kameraad, kort van memorie! Het wachtwoord is

anders gemakkelijk genoeg voor een Hollander te onthouden, het is:

"Haarlem en Leyden!"

"Lomperd, die ik ben, dat is waar ook! Maar zeg, wij staan onzen

tijd hier te verbabbelen en we vorderen niet. Ik ga er van door,

hoor! Morgen met den noen zal uwe "Bruine Sanne" den ring hebben. Maar

van wien moet ik zeggen, dat hij komt? Hoe heet ge nog meer dan Jean?"

"Ik heet Jean Lebon en ben musketier in het vendel van Jan de Nester!"

"Goed, ze zal het weten! Goeden avond, kameraad!"

"Als ge me noodig hebt en ik kan u ook eens eenen dienst doen, dan

wil ik u graag helpen! God geleide u!"

De twee krijgers drukten elkander de hand en gingen ieder hunnen weg.

Of de schildwachten aan de schans te Valkenburg sliepen, dan wel of

er aan de zijde van Rijnsburg geene stonden, wie zal dat zeggen,

maar zooveel is zeker, dat Cornelis het wachtwoord volstrekt niet

noodig had, en dat hij zonder iemand ontmoet te hebben, ongestoord

in het holle van den nacht in het dorp aankwam.

Het was duidelijk te zien, dat hij meer in dat dorp geweest was; want

zonder nauwkeurig rond te kijken, of hij wel op den rechten weg was,

ging hij een klein steegje in en stond eindelijk voor een vervallen,

armoedig huisje stil.

"Ja, het is wel laat; maar ik zal toch maar eens aankloppen,"

fluisterde hij en gaf er onmiddellijk gevolg aan.

Het duurde nog al eene geruime poos eer hij eenige beweging hoorde.

"Heeft er iemand geklopt?" vroeg een man achter de deur.

"Ja, ik heb geklopt," antwoordde Cornelis en vroeg meteen: "Woont

hier Jan Leendertsz. Verlaen nog?"

"Jawel, die ben ik zelf! Maar wie zijt gij? Wat moet gij hebben?"

"Doe maar open, ik moet u even spreken!" zeide Cornelis.

"Ik doe midden in den nacht niet open, of ik moet eerst weten, wie

er klopt! Ik heb u gevraagd wie gij zijt en wat gij moet, en zoolang

ge mij geen antwoord geeft, doe ik niet open," klonk het antwoord

daar binnen.

Cornelis keek door het duister van den nacht in het rond en toen hij

niemand zag of hoorde, zeide hij, maar niet harder dan dringend noodig

was: "Ik ben Cornelis Joppensz., de pleegzoon van schipper Van Keulen

en ik kom uit Leiden!"

Aanstonds ging de deur open.

"Wel, Keesje, ben jij hier?" vroeg de man, die een Oom van Leeuwke was,

en de beide vrienden dikwijls bij zich had gehad. "Waar moet dat heen?"

"Ik moet brieven naar Delft bij den Prins brengen, en nu kom ik

hier mijn Spaansch soldatenpakje uittrekken, om dan verder te gaan,"

antwoordde Cornelis.

"Doe dat, mijn jongen, doe dat! Maar zeg, hebt gij het ook al gehoord,

hoe ongelukkig mijn aardige Gerrit aan zijn einde gekomen is?"

"Neen, Oom Jan, dat weet ik niet! Wij hebben wel vermoed, dat hij

dood is, en ik heb zijnen dood ook al half gewroken. Maar zeg, hoe

is hij omgekomen?"

"Allerellendigst, Kees, allerellendigst," antwoordde de oude man en

vertelde hierop hoe alles toegegaan was.

"Is dat wáár, Oom Jan?" vroeg Cornelis en zijne stem beefde van

aandoening en van kwaadheid.

"Ja, dat is zeker, mijn jongen!"

"Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!" klonk het uit den mond van

Cornelis. "Een musket, Oom Jan, een musket!"

"Stil, stil, jongen, gij vergeet uwe boodschap en denkt er niet aan,

dat de muren van mijn huisje niet dik zijn!"

"Maar moet ik dan Leeuwke niet wreken, Oom Jan? Toe, toe, een musket of

zinkroer, eene handspaak of een verrejager, het is mij onverschillig;

maar wat hebben moet ik! Honderd Spanjolen voor één Leeuwke!"

"Gij weet niet wat ge zegt, jongen! Wees bedaard en wreek mijnen besten

Gerrit zoo goed als ge kunt; maar nu niet, want gij hebt eene boodschap

aan den Prins! Ga die doen en komt gij langs hier terug, dan zal ik

u zeggen, wat ik denk dat ge doen moet om uwen vriend te wreken!"

"U heeft gelijk, Oom Jan, nu mag ik niet," zeide Cornelis, die zich

eindelijk tot bedaren liet brengen.

"En hoe houdt Gerrits Moeder er zich onder met hare kinderen? Is

ze altijd nog ziekelijk? En Gonda, is dat nog zulk een trouwhartig

zieltje? Lijden ze niet veel gebrek?"

"Gebrek lijden we allen, Oom Jan! Gij weet niet, wat er al gegeten

wordt. Zelfs de rijken hebben het niet beter dan wij, want wat er

nog is, wordt eenvoudig verdeeld. In het begin van Augustus heeft

ieder aan zijne Bonmeesters moeten opgeven, waar hij woont, hoe het

hoofd van het gezin heet en uit hoeveel personen dat gezin bestaat,

en dan mag men voor zooveel personen brood laten halen. Nu hebben de

Bonmeesters van onze buurt Gerrit's naam als hoofd van het gezin op

de lijst geplaatst, omdat er alleen maar vermoed wordt, dat hij dood

is en niemand er bericht van gekregen heeft. Zoo kan Gonda nu voor

zeven inplaats van voor zes man brood halen."

"Maar hebben sommigen de Bonmeesters niet bedrogen, door het gezin

grooter te noemen dan het is?"

"Ja, zeker, Oom Jan! Ze hebben zelfs geene aangifte gedaan van de

dooden, en daarom is er eene strenge straf gezet op die bedriegerij."

"Wat een ellendige toestand toch!"

"Ja, wel ellendig, Oom Jan! En als er nu geen brood of vleesch meer

is, wat dan? Van honger sterven of aan de pest! Vreeselijk!"

"Ja, vreeselijk, jongen. Doch als het nu zóó erg wordt en ge zijt

dan weer in Leiden terug, belooft ge mij dan, Cornelis, dat gij bij

mijne Zuster helpen zult?"

Cornelis beloofde het gaarne en meende reeds heen te gaan, toen Oom

Jan naar de spinde ging en er brood en spek uithaalde.

"Hier, jongen, eet zooveel als gij lust," zeide de goedige oude. "Ik

zal mij onderwijl wat aankleeden en dan breng ik u door de duinen

langs den naasten weg naar Wassenaar! Als ge daar maar zijt, dan is

er geen gevaar meer!"

Volgaarne nam Cornelis het aanbod van Oom Jan aan en at met eene

graagte, die bewees, dat hij zulk eenen maaltijd in langen tijd niet

gedaan had.

Toen beiden gereed waren gingen ze op weg en bereikten tegen het

aanbreken van den dag Wassenaar.

Hier namen ze afscheid van elkander en Cornelis beloofde, dat hij,

terugkomende, weer zijnen weg over Rijnsburg nemen zou.

Het was een prachtige morgen toen Cornelis te 's-Gravenhage, dat toen

lang zoo groot en voornaam niet was als tegenwoordig, binnenkwam.

De menschen stonden in dien tijd wat vroeger op dan thans het geval is,

zoodat we ons niet al te zeer verwonderen moeten, dat alles reeds in

beweging was.

"Wel, vrindschap, kunt ge me ook zeggen, waar de Eerwaarde heer

Pastoor Vincentius Hugo woont? Ik heb eene boodschap aan hem te doen,"

zeide Cornelis zich met deze woorden tot eenen hoefsmid wendende,

die al druk bezig was eenige paarden te beslaan.

"Jawel, jonkman! Maar Zijn Eerwaarde zal nog niet op zijn! Het is

nog wel wat vroeg!"

"Ja, maar bij Zijn Eerwaarde moet ik eigenlijk ook niet zijn! Ik moet

bij den koster wezen!"

"Bij den koster? Dat treft ge! Mijne dochter is daar dienstmeid en

gaat er zoo op het oogenblik heen! Stil, daar is ze al! Sanne, die

borst moet bij den koster zijn en weet den weg niet!"

"Wel, Vader, dan kan hij met me meegaan! Kom maar hier, jonge vriend,

ik ga er heen! Of kan ik misschien de boodschap zelf niet doen?"

Cornelis had haar nooit gezien, doch hij ontdekte spoedig, dat het

meisje, dat zoo driftig naast hem trippelde, niemand anders dan

"Bruine Sanne" was.

"Ik heb eigenlijk den koster niet te spreken," zeide Cornelis, nadat

ze een eindweegs voortgegaan waren.

"Niet? Houdt ge me dan voor den gek?" vroeg ze.

"Wel neen! Maar ik heb eene boodschap aan u!"

"Aan mij? Waar komt gij vandaan?"

"Uit het leger van Don Valdez en Jean Lebon is mijn kameraad!"

Het meisje kleurde en zeide niets.

"En ik heb eene boodschap van Jean aan u," vervolgde Cornelis en

reikte haar meteen den ring over, zeggende: "Hij heeft me verzocht

u dit te geven. Het is een ringetje van zijne lieve Moeder zaliger,

en hij vraagt of gij het hem ter liefde aannemen en aan den vinger

dragen wilt."

Blozend nam Sanne het ringetje aan en vroeg wanneer hij weer naar

het leger dacht terug te keeren.

"Ja, dat kan vandaag en dat kan morgen zijn," antwoordde Cornelis.

"Als het nu eens morgen was, dan zou ik misschien iets van de

bestorming van Leiden kunnen zeggen; want morgen komt Don Valdez hier

op het jaarfeest van Zijn Eerwaarde. Mijn Meester moet dan dienen,

en zal lichtelijk wat hooren van de bestorming van Leiden. En daar

hij nog al babbelachtig is, kom ik zeker er wat van te weten!"

Cornelis stond verwonderd te kijken, dat er van eene bestorming van

Leiden sprake was, en besloot nu het meisje geheel uit te hooren.

Het scheen echter, dat zij er zelve op het oogenblik niets meer van

wist dan dat, wat ze gezegd had, en daar Cornelis het in het belang

der Leidenaars rekende, zoo hij met den terugtocht tot den anderen

dag wachtte, zeide hij:

"Hoor eens, ik moet naar Rotterdam, en nu zal ik het wel zoo weten

aan te leggen, dat ik morgen eerst naar huis kan. Wanneer denkt gij,

dat ik komen kan?"

"Wel, laat zien! Met den noen komt Don Valdez en dan zal het maal om

drie uur zeker wel al afgeloopen zijn, en de koster alles aan zijne

vrouw en mij verteld hebben. Ik zal tegen vier uur aan de deur staan,

en als ik er niet ben, dan klopt ge maar en ge vraagt naar Sanne van

den hoefsmid!"

"Maar als Don Valdez me dan eens zag!"

"Don Valdez komt alléén en, als hij hier is, dan heeft hij wel wat

anders te doen, dan door het raam te kijken, wie er klopt! Maar zeg

eens, gij zijt toch geen Geus of overlooper?" vroeg Sanne, eensklaps

wantrouwend wordende.

"Een Geus? Evenmin als uw Vader, vrijster!"

"Mijn Vader? Ja, beroep u daar maar zoo hard niet op; want al zegt

hij het mij niet, ik zie toch wel, dat hij Geus in zijn hart is. Maar

waarom hebt gij geen wapenrok aan?"

Die vraag kwam zoo onverwachts en het meisje keek hem zoo strak in

de oogen, dat Cornelis, die toch nog geen leugenaar van beroep was,

gevoelde dat hij rood werd.

Hij begreep echter terstond, dat hij er dapper door heen moest slaan,

wille hij geen gevaar loopen de half behaalde voordeelen prijs

te geven.

"Wie is er veiliger op den heerweg, de Spaansche musketier, de

Staatsche soldenier, of de schippersgezel?" vroeg hij.

"Bijlo, ge zijt een slimme vogel," antwoordde Sanne. "De Spaansche

musketier en de Staatsche soldenier gaan den schippersgezel

onverschillig voorbij! Ge zijt slimmer dan Jean, want die zou nooit

op die gedachte gekomen zijn!"

"Hij is anders een dood-goeie jongen," merkte Cornelis aan.

"Wel, hij is een kalf, zeg dat! Maar van slimme kalvers heb ik toch

nooit gehoord," hervatte Sanne.

Het gesprek had thans lang genoeg geduurd en daar ze juist bij het

huis van den koster waren aangekomen, beloofde Cornelis, dat hij

den volgenden dag te vier uren weer hier terug zou zijn, en, van het

vriendelijk knipoogende meisje afscheid nemende, ging hij heen.

Zoo ongeveer te tien uren in den morgen kwam hij te Delft aan.

Het scheen, alsof de geheele stad treurde; want de man, die zooveel

voor het land gedaan had, lag, zoo zeide men algemeen, met den dood

te worstelen.

Slechts uit de verte bekeek men het Prinsenhof; want iedereen schuwde

het uit vrees der besmetting.

Zelfs de schildwachten, die voor de deur stonden, hadden zich zoo ver

mogelijk verwijderd, en zonder door dezen tegen gehouden te worden,

trad hij binnen.

Na lang in het voorhuis gewacht te hebben, kwam er eindelijk een

bediende, die hem in het ziekenvertrek bracht, nadat hij vernomen

had vanwaar de jongen kwam.

"Is daar iemand?" klonk eene zwakke stem, die uit een bed kwam.

"Er is hier iemand uit Leiden, Uwe Doorluchtigheid," zeide de knecht.

"Durft gij me naderen, man of knaap?" vroeg de Prins nu aan Cornelis.

Cornelis naderde, zachtjes en vol vrees om voor zulk een voornaam

man te komen, de bedstede.

De Prins keek met groote moeite Cornelis aan en zeide: "Uit

Leiden? Heeft de stad zich overgegeven?"

"Neen, Uwe Doorluchtigheid, nòg niet! Maar de nood is

hoog. Burgemeester Pieter Adriaensz. en Jonker van der Does zenden

u dezen brief."

Met moeite verbrak de Prins het zegel en las toen zoo goed als zijne

verzwakte oogen hem dit toelieten den bondigen, echt Vaderlandschen

brief, waaruit hij vernam dat de keurbende van Leidens ingezetenen

besloten had om de stad niet over te geven.

"Gij brengt mij de kostelijkste medicijn, knaap," zeide de Prins. "Ga

in het naaste vertrek en zeg aan mijnen hellebaardier, die u hier

binnen bracht, dat hij hier bij me komen moet. Kom dan morgenochtend

terug, dan zal ik u meteen ook eene boodschap aan mijne trouwe

Leidenaars medegeven."

Cornelis groette beleefd en ging heen, doch vroeg aan den knecht,

of hij hier wel zoo lang mocht blijven tot deze terugkwam, want dat

hij in Delft den weg niet wist.

"Goed, jongen," zei Hans Van Bruggen, die, waar bijna allen den Prins

ontvlucht waren, trouw bij zijnen Meester gebleven was. "Blijf hier

gerust, ik zal u terecht helpen."

Hans was weldra terug en eer hij nog in het vertrek was, riep hij al:

"Jongen, gij zijt een wonder-dokter en hebt de beste medicijn voor

mijnen armen Meester gebracht. Ik herkende Zijne Doorluchtigheid bijna

niet meer. Zonder hulp had hij het bed verlaten en zat reeds aan de

schrijftafel met het oude vuur in de oogen. Dat moet heel Delft weten,

wacht maar even."

Hans liep nu naar den wachthebbenden soldaat en beval dezen, het

heugelijk nieuws aan den Bevelhebber der wacht over te brengen. In

eenen ongelooflijk korten tijd liep het nu als eene blijde mare door

heel Delft: "De Prins is plotseling beter geworden. Een jongen heeft

bericht uit Leiden gebracht, dat ze daar volharden zullen!"

Toen Hans weer bij Cornelis teruggekomen was, zeide hij: "Gij blijft

vannacht hier in het Prinsenhof. Ik heb het Zijne Doorluchtigheid

gevraagd en deze heeft gezegd: "Goed Hans, en laat hem dan maar alles

vertellen van Leiden, wat hij weet. Gij kunt het mij dan later wel

verhalen. Mijn hoofd is nog te zwak om er veel van te vragen." Dat

zei hij en daarom, als gij gegeten hebt, maar flink aan den slag."

Cornelis had er natuurlijk niets tegen, en hij vertelde zóó veel en

zóó lang, dat het zelfs vrij laat was, eer hij in den slaap nieuwe

krachten voor het werk van den volgenden dag ging gâren.

De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood · 第 20 / 31 题