"Luister," hernam Bakker, die met zijne vrienden gezeten was. "Gij
weet Roos en ik zijn weer met brieven naar den Prins geweest."
"Dat weet ik," zeide Van Keulen, "en gij zijt zóó lang weggebleven, dat
we al vermoedden, dat gij beiden in het lot van Leeuwken gedeeld hadt."
"Gelukkig niet, goede vriend! Toen de Prins onze brieven gelezen had,
vroegen wij wanneer wij antwoord konden krijgen. De Prins bleef eenen
geruimen tijd in gedachten zitten, doch eindelijk stond hij op en
zeide: "Hoort eens, mannen, de Magistraat van Leiden is zelf de schuld
van den ellendigen toestand der stad. Trots al mijne raadgevingen
heeft hij de schansen niet geslecht, en niet gezorgd, dat er koren
en andere levensvoorraad binnen de stad kwam. Zorgeloos vierde men
zelfs feest bijna met den vijand voor de wallen. De handelingen van
den Magistraat zijn onverantwoordelijk geweest. Maar nu maakt het
volk met een klein deel der Regeering alles goed. Ik heb niets over
dan bewondering voor mannen, als Pieter Adriaensz., Jonker van der
Does, Jan Van Hout en zoovele anderen, die met eene zelfopoffering,
nooit door anderen te evenaren, trouw aan de goede zaak blijven. Maar
vele honden zijn der hazen dood, zóó kunnen ze het niet volhouden;
er moet wat gedaan worden, dat die trouwen eenen steun brengt. Gij
blijft hier tot ik in overleg met de Staten gehandeld heb." Zoo sprak
de Prins en--wij werden er warm van onder onzen kolder. Eenige dagen
later moesten wij voor de Staten verschijnen en toen wij daar kwamen,
zeide de Prins: "Mannen, deelt den Heeren, volgens plicht en geweten,
den toestand mede waarin het benarde Leiden verkeert."
Wij deden dit naar de zuivere waarheid en toen wij uitgesproken
hadden, vroeg de Prins: "Wat dunkt u, Heeren, moeten de Leidenaars
niet geholpen worden? Kan ons één offer te groot zijn?"
"Wat stelt Uwe Doorluchtigheid dan voor?" vroeg de Advocaat van
Holland, Meester Paulus Buys.
"Gij kent mijn voorstel, Heeren," zeide de Prins. "De Maas- en
IJseldijken moeten doorgestoken en het land onder water gezet
worden. Het water moet onze bondgenoot worden; wij hebben geenen
anderen."
"Ik heb berekend," sprak nu een Lid, "dat dit aan ons gewest eene som
van niet minder dan zevenmaal honderd duizend gulden zal kosten. Dat
gaat boven onze krachten, Uwe Doorluchtigheid!"
"Alle onkosten zullen ponds-pondsgewijze door heel Holland betaald
worden."
"Maar al het land wordt door het water bedorven, Uwe Doorluchtigheid,"
sprak weer een ander.
"Beter bedorven dan verloren land, Heeren," antwoordde de Prins.
"Toegegeven," zoo sprak nu een derde, "maar Rijnland ligt hooger
dan Schieland en Delfland. De Landscheiding bij Zoetermeer houdt het
water tegen."
"Dat kan niet tegengesproken worden, Heeren, maar ook de Landscheiding
moet doorgestoken worden."
"Alsof Valdez geduldig zal toekijken, als dat gebeurt. Wij hebben
geen leger om den vijand te wederstaan," bromde een vierde.
"Wij hebben in Zeeland Watergeuzen, en als deze aangevoerd worden door
eenen man als Louis van Boisot, dan gelden ze voor meer dan een leger."
Een der Heeren, die nog niet gesproken had, lachte en zeide: "Zijn
de Watergeuzen dan vogels geworden? Hoe zouden ze met hunne schepen,
die zelfs te veel diepgang hebben voor onze weteringen, die toch vrij
diep zijn, bij de Landscheiding komen? Voor al wat Uwe Doorluchtigheid
voorstelt willen mijne vrienden en ik onze toestemming geven, doch
het bezwaar, dat ik aangevoerd heb, valt niet te wederleggen en met
dat bezwaar valt het heele plan."
De slimmerd meende stellig den Prins nu overwonnen te hebben, doch
deze wederlegde dat bezwaar.
"Kom," riep nu Van Keulen, "hoe kon hij dat? Ik zou er geene kans
toe zien."
"De Prins wel," vervolgde Bakker. "Er kwam een gelukkig lachje over
zijn ernstig gelaat en hij zeide: "Dan is het voorstel, dat ik deed,
aangenomen. Heeren! Admiraal van Boisot, dien ik daarover geraadpleegd
heb, zal met zijne onverschrokken Watergeuzen op platboomde schuiten,
goed gewapend en van leeftocht voorzien, het werk aan de Landscheiding
verrichten, en--het zal, het moet gelukken."
Thans was er geene tegenspraak meer mogelijk en er werd besloten,
dat de dijken van Maas en IJsel zouden doorgestoken worden.
"Besluiten is nog geen doen," sprak Van Keulen, die nog geen enkel
blijk gegeven had, dat hij nu ook hoop op ontzet had.
"Wel, ongeloovige Thomas, hoe komt gij toch zoo zwaarmoedig?" vroeg
Bakker.
"Omdat ik al van zooveel genomen besluiten gehoord heb zonder er
wat van te zien. Kallinghe is mallinghe, doen is een ding, zegt het
spreekwoord."
"Bah, wat zou een spreekwoord zeggen?"
"Veel, Bakker, heel veel!"
"Niets, Van Keulen, want het besluit is volbracht. Eergisteren, dus
Zaterdag, is de Prins met Meester Paulus Buys en eenige Leden van
de Staten naar Kapelle aan den IJsel gegaan, en daar is, onze eigen
oogen hebben het gezien, want wij waren er bij, onder toezicht van de
Jonkers van Palensteyn en van Wijngaarden, de dijk doorgestoken. Van
Kapelle tot over IJselmonde zijn nu zestien gaten in den dijk, en
de Maasdijk is doorgestoken tusschen Rotterdam en Delfshaven. De
sluizen te Rotterdam en te Schiedam staan niet alleen open, maar de
vijf sluizen bij Vlaardingen ook. Het water stroomt nu over het land
en--Holland wordt eene binnenzee. Wat zegt gij nu?"
Ontroerd stond Van Keulen op en Bakkers hand drukkend, zeide hij:
"Leiden doet veel, maar Holland doet niet onder. Ik zal niet meer
morren, maar het hoofd omhoog houden, dat beloof ik, dat zweer ik
bij al wat heilig is!"
Moeielijk zou het zijn den indruk weer te geven, welken dat blijde
bericht maakte op de heele bevolking. Het liet zelfs de heftigste
ontevredenen zwijgen en legde een slot op hunnen mond, of, om eene
uitdrukking van die dagen te gebruiken, het liet "de tong in den
lomberd brengen."
De toegang tot de wallen was wel verboden aan ieder, die niet met de
wapenen de stad diende, doch men zag het nu door de vingers, dat elk
oogenblik nieuwsgierigen kwamen om het wassen van het water te zien,
want hiervan hing het ontzet geheel af. Die toeloop verminderde
evenwel met elken dag, want, was het water wel iets hooger dan het
gewone zomerpeil, toch was er geene sprake van dat de weilanden
onder stonden. Helaas, het doorsteken der dijken had niet gebaat,
omdat bij de noordoosten-, oosten- en zuidoostenwinden het zeewater
niet hoog genoeg kwam om het peil in Maas en IJsel op te voeren.
En onverdroten zwaaide het Hongerspook den schepter. De pest nam ook
weer toe. De wakkere Bronckhorst, die met zulk eene vaste hand, in
naam van den Prins, de Stadsvoogdij uitgeoefend had, stierf en werd
opgevolgd door Jonker Johan van der Does, dien men wel als Bevelhebber
der verdedigers had leeren kennen, doch wiens daden, als Stadsvoogd,
men nog afwachten moest.
"De tongen werden weer uit den lomberd gehaald" en de tegenstand
begon opnieuw. Sterker dan ooit traden de Spaanschgezinden op en
schreeuwden op straat de anderen toe: "Gaat nu op den toren, gij
Geuskens, en ziet het Maaswater te gemoet!"
Valdez, wetende dat het in troebel water goed visschen is, zond bode op
bode om de Regeering tot overgave der stad te bewegen, en de Glippers
hielden ook niet op de mooiste brieven te schrijven.
De strijd van Burgemeester Pieter Adriaensz. met de zijnen werd van
dag tot dag heftiger, en dat gevoelden niet alleen de aanzienlijken,
die hem steunden, dat gevoelden ook eenvoudigen, zooals Van Schaeck
en Van Keulen.
Deze had zijn laatste geldstuk in de handen en bekeek het
nauwkeurig. Het was een achtentwintiger, eene noodmunt, zooals die
het laatst geslagen was. Met aandacht las hij het omschrift: "Godt
behoede Leyden."
"Als dit geld op is," zeide hij met eenen diepen zucht, "en het zal
gauw genoeg op zijn, want alles is even duur, wat dan? Dan moet ik mij
bij onzen Bonmeester aanmelden voor de bedeeling. Voor de bedeeling,
ik, die zulk een trotsch vrijbuitershart heb en die nog altijd, hoe de
nood ook aan den man mocht komen, geenen penning van een ander vroeg!"
Diep zuchtend stak hij den achtentwintiger in den buidel en ging de
deur uit om, zooals hij zijne vrouw zeide, eens naar het water te
zien. Hij kwam nog tijdig genoeg om eenen troep vrijwilligers, die
eenen aanval op de Poelschans gewaagd hadden, doch afgeslagen waren,
te zien terugkeeren. Het eenige, wat ze er bij gewonnen hadden was
een paar maaltjes erwten en boonen.
Zoo liep de maand Augustus ten einde en nog altijd bleef het water
even laag. De ellende binnen de stad steeg en de ontevredenheid en
tegenstand namen hand over hand toe. En wat het ergste was, de Prins
van Oranje lag gevaarlijk ziek te Delft.
Moedeloos liepen Van Keulen en Van Schaeck langs de Breedstraat,
toen ze Bakker en Roos tegenkwamen, die vertelden, dat ze weer naar
den Prins moesten, want dat het zoo niet langer kon gaan. Er moest
verandering komen.
De twee vrienden wenschten den moedigen boodschappers goede reis
en behouden wederkomst, doch haalden de schouders op en dachten:
"Wat zal het anders geven dan beloften?"
"Of het bevestigen van het gerucht dat de Prins dood is," zeide Van
der Morsch, die hen inhaalde en hunne verzuchting gehoord had.
"Dat verhoede God, want dan is het werk der bevrijding vergeefsch
geweest," klaagde Van Schaeck.
De beide boden bleven eene week lang weg en pas Donderdag den vijfden
September kwamen ze terug met het bericht, dat ze den Prins niet
gesproken hadden, omdat hij, bijna door iedereen verlaten, aan eene
besmettelijke ziekte lag. Toch brachten ze eene tijding mede, die weer
nieuwen moed gaf, en dat was dat de Zeeuwsche Geuzenvloot Dinsdag en
Woensdag den derden en vierden September te Rotterdam aangekomen was
en dat men terstond de platboomde vaartuigen, die reeds gereed lagen,
gewapend en bemand had. De Watergeuzen waren achthonderd in getal,
maar telden elk wel voor vijf man. Ze hadden er enkelen gezien en ze
waren er van geschrikt. Men kon het dien lieden aanzien, dat ze den
dood niet vreesden en bij voorkeur de grootste gevaren opzochten. Bij
de Spanjaarden waren ze niet minder, maar nog meer gevreesd.
De vreugde over de komst der Watergeuzen was echter van korten duur,
want zij brachten wel den wil mede om wat te doen, doch het water
hooger doen stijgen, konden ze niet, en evenmin konden ze den wind
veranderen.
"Eer kan men met de handen aan den hemel reiken, eer Leiden ontzet
wordt," heeft de Spanjaard geroepen.
Het is erg genoeg!
De kinderen verhongeren; de vrouwen vermageren; de mannen verzwakken!
Maar neen,--nòg is er een weinig koren, nòg is er wat mout! Nòg
heeft men enkele magere koeien en paarden! Nòg zwerven er op straat
katten en honden! Nòg groeit op de wallen en op de ledige en doodsche
straten tusschen de keien gras! Nòg dragen de boomen bladeren en
nòg hebben ze wortels! Nòg leven in de riolen ratten en in de ledige
korenmagazijnen muizen!
Bah! katten, honden, gras, boombladeren, boomwortels, muizen en ratten,
dat is geen voedsel!
Geen voedsel, jawel, zeker, zeker! Dat alles zullen de Leidenaars eten
en gegeten hebben, eer ze zich overgeven! O, dat de Prins het wist,
het zou hem in zijne ziekte zeker goed doen!"
"Laat mij naar Delft gaan! Ik zal het den Prins zeggen, dat Leiden
zich niet overgeeft," zeide Cornelis Joppensz. tot Burgemeester
Pieter Adriaensz., die bij Van Keulen gekomen was om met dezen te
onderzoeken of er nog niet eens wat door de Leidsche vrijbuiters zou
kunnen gedaan worden.
"Roos en Bakker wagen het niet meer," sprak de Burgemeester. "De stad
is te nauw ingesloten en in den laatsten tijd houdt men veel scherper
wacht. Zoudt gij het dan durven wagen, jongen?"
"Ja, Burgemeester! Vader heeft bij het gevecht te Leiderdorp eenen
Spanjaard gedood en zijne kleederen buitgemaakt. Ze passen me, alsof ze
voor mij gemaakt zijn. Met de Spaansche taal kan ik mij goed behelpen
en ik wil zoo graag ook wat doen, Burgemeester!"
Pieter Adriaensz. keek Van Keulen aan en deze zeide: "Laat den knaap
gaan, Burgemeester! Moest hij in handen van den vijand vallen en
sterven, och, wat nood, hier binnen de stad gaan we den hongerdood
te gemoet."
"Nu goed dan, het zij zoo," sprak van der Werff. "Over een uurtje
wacht ik u voor den tocht geheel gereed op het stadhuis, om nogmaals
eenen brief naar den Prins te brengen."
Na dit gezegd te hebben, vertrok de Burgemeester.
Een uur later is Cornelis klaar en wil gaan.
Daar valt Moeder Willempje Jansz. haren lieven Pleegzoon om den hals
en bergt hare betraande wangen in de bruine lokken van den jongen,
dien ze toch ook zoo innig, innig liefhad.
"Nu, ga met God, mijn jongen," zeide Van Keulen, en hield zich
groot. "Geef uwe Moeder en uwe zusters eenen kus, mij en uwe broeders
eene hand!"
Diep bewogen voldeed Cornelis hieraan en snelde daarop de deur uit,
doch nauwelijks was hij buiten, of daar voelde hij eene meisjeshand
de zijne drukken.
Het was de hand van blonde Gonda, Leeuwke's zuster.
"Dag, Cornelis," zeide ze en eenen traan uit hare oogen pinkende,
bracht ze er nog met moeite uit: "Denk aan Gerrit, Cornelis! God
behoede u!"
"Amen!" zeide Van Keulen, die Cornelis op straat gevolgd was, en
voegde er in stilte bij: "Godt behoede Leyden!"