TWAALFDE HOOFDSTUK.

Godt behoede Leyden!

Het begon er in Leiden bitter treurig uit te zien.

Reeds in het begin van Juli had de pest haren intocht binnen de

belegerde stad gedaan en welke maatregelen de Regeering ook nam,

telkens eischte zij nieuwe slachtoffers. Scheen het nu eens, dat ze

wijken zou, dan weder trad ze met vernieuwde hevigheid te voorschijn.

Toch was de pest het ergste niet.

De levensvoorraad begon met den dag te minderen en de strengste

bepalingen werden gemaakt omtrent het voedsel, dat ieder in zijn eigen

huis in voorraad had en van hetgeen nog in enkele pakhuizen bewaard

werd. Groot en klein, rijk en arm werd op rantsoen gesteld, en dat

rantsoen was zoo klein, dat een werkman, die nog niet eens groot van

eten was, in éénen keer kon opeten, wat hem voor eenen heelen dag moest

dienen. Het hongerspook waarvan Van Keulen zoo akelig geprofeteerd had,

vertoonde zich naast zijne zuster de Pest.

Toch was ook nog het Hongerspook het ergste niet.

Neen, in den boezem van de Regeering bestond verdeeldheid. Van der

Werff, die voorzittend Burgemeester was, stond alleen tegenover de

drie andere Burgemeesters: Cornelis Van Noorde, Cornelis Brouwer en Jan

Jansz. Boersdorp, bijgenaamd "Half-Leyden." Die bijnaam beduidde veel,

want een groot deel van het volk was op zijne hand. En dat waren nu

juist niet allen Spaanschgezinden. We zouden hen liever "kleinmoedigen"

noemen, die niet tegen den honger konden strijden. Zelfs enkele woeste

vrijbuiters, mannen, die tot zinspreuk hadden: "Liever Turksch dan

Paapsch," wilden wel vechten, vechten met alle soorten van wapenen

tegen den vijand, maar honger en gebrek lijden, dat wilden ze niet. Ze

sloegen tot oproer over en toen ze hunnen zin niet kregen, verlieten

ze de stad, waar een wreede dood wel spoedig een einde aan hunnen

honger zal gemaakt hebben. De Spaanschgezinden, die nog in vrij

groot aantal in de stad waren, doch die aanvankelijk uit vrees zich

stilgehouden hadden, staken nu het hoofd op en porden de ontevredenen

aan tot tegenstand, die bij den Magistraat steun vond. Waarlijk,

al de geestkracht, al de moed, al de toewijding, al het verstand

was noodig om Burgemeester van der Werff met Jonker van der Does,

Jan Van Hout, van Bronkhorst, Jonker Jacob van der Does en enkele

andere aanzienlijken, den storm, die dreigde, te laten bezweren.

De Prins van Oranje beloofde ontzet, maar zelfs van der Werff

geloofde er niet aan; hij wist al te goed in welke groote geldelijke

verlegenheid de Prins verkeerde. En toch wilden die moedigen volharden,

hoe dan ook. Twee mannen waagden herhaalde malen hun leven om brieven

en boodschappen naar den Prins te brengen. Het waren een zekere Bakker

en Roos. Maar als ze terugkeerden brachten ze voor al de gevaren,

die ze doorstaan hadden, oude beloften mede, zoodat het volk er niet

meer nieuwsgierig naar was.

Toch was er blijkbaar op Maandag den vijfden Augustus iets

buitengewoons gebeurd; er was weer meer leven in het volk, dat den

vorigen dag nog traag en lusteloos door de stille straten toog,

of zich in huis zat te vervelen aan eenen ledigen disch.

In het eenvoudige huisje van schipper Van Keulen zat het heele gezin

in eene sombere stemming bijeen, zich bezighoudende met het voeren

van allerlei gesprekken over het beleg, de verdeeldheid, den honger,

de ziekte en allerlei akeligheden meer, toen opeens de deur openging

en Van Schaeck, Van der Morsch en Bakker met veel beweging binnen

traden, terwijl op hun gelaat stond te lezen, dat ze de brengers van

eene goede boodschap waren.

"Wat is er aan de hand, mannen, dat ge zoo opgewekt mij

overvalt?" vroeg Van Keulen.

"Wij komen met eene goede tijding, man! De Prins van Oranje heeft

bondgenootschap gesloten met eene Mogendheid, die reuzenmacht heeft,

en deze zal den Spanjaard verstrooien, als kaf voor den wind, en

Leiden ontzetten," zeide Bakker.

"Wat!?" riep het geheele gezin van Van Keulen, bijna tegelijk en vol

verbazing uit.

"Het is zoo," verklaarden Van Schaeck en Van der Morsch. "Er komt

ontzet!"

"Maar wie is dan toch die machtige bondgenoot?" vroeg Van Keulen

opgewonden.

"Het water, schipper, het water is die bondgenoot, en wat het water

kan, dat hebben de Spanjaarden voor Brielle ondervonden," zeide Bakker.

De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood · 第 18 / 31 题