ZEVENDE HOOFDSTUK.

Aan doovemans-deur geklopt.

Het was meer dan tijd, dat Cornelis naar het Rapenburg ging om Meester

Albertsz. te gaan wekken, want het was dichter bij halfvier dan bij

drie uren.

Toch maakte hij niet zoo bijzonder veel haast, want hij begreep zeer

goed dat er, als hij alles verteld had, van Meester Albertsz.' op reis

gaan naar de Bommelerwaard niets komen zou. Dat men hem mogelijk niet

zou willen gelooven, hieraan dacht hij geen oogenblik. Hij vertelde

toch waarheid?

Toen hij den klopper op de deur liet vallen, werd er een bovenraam

geopend en riep eene stem: "Gij komt laat, manneke, zeer laat! Ik

ben al op en gekleed! Zorg naderhand beter voor uwe zaken!"

Juist wilde Allertsz. het raam weer sluiten toen Cornelis riep:

"Heer Kapitein, u zou goed doen, zoo ge niet naar den Prins gingt!"

"Wat raast gij, jongen? Wat hebt gij daar mede te maken?"

"Niets, Heer Kapitein, maar ge moet me een oogenblik te woord staan. Ik

heb u wat te vertellen."

"Nu, wat zal dat zijn?"

"Ja, maar u moest beneden komen; ik mag het zoo hard niet schreeuwen."

"Bij Sint-Felten, jongen, wat hebt ge veel noten op uwen zang! Ik

kom beneden, wacht maar wat!"

Het raam werd gesloten, voetstappen kwamen de trap af en de deur

werd ontgrendeld.

"Wat hadt gij me nu te zeggen?" vroeg Allertsz., eenigszins barsch

en ontevreden.

Cornelis vertelde hem, wat hij gehoord en gezien had, en zoodra had

hij niet verteld, wat Don Martin D'Ayala bij het heengaan zeide,

of Allertsz. schudde den knaap bij de schouders heen en weer en beet

hem toe: "Knaap, gij spreekt onwaarheid! Dat kan niet waar zijn! Dat

is onmogelijk! Zoo slecht is Pier Quaet-Gelaet niet!"

"En toch is het waar," antwoordde Cornelis en trachtte zich uit de

ijzeren vuisten van den Hopman los te wringen.

"Bengel, ik zeg nogmaals, dat gij mij grove leugens wilt wijsmaken,"

hernam Allertsz. nogmaals.

"Ik heb u al gezegd, Heer Kapitein, dat ik heusch niets dan waarheid,

zuivere waarheid spreek," klonk het half snikkende. "Waarlijk, het

is stellig zoo! Ik bid u, geloof me toch."

"Knaap, ik zal u gelooven! Maar wee u, zoo er één woord van al,

wat ge me gezegd hebt, blijkt geene waarheid te zijn! Dan laat ik u

de poort uitjagen om er nooit meer binnen te komen. Ga heen, en zeg

uwen Vader, dat ik niet naar Rotterdam ga, en dat hij te acht uren

bij mij zijn moet!"

"U kan er staat op maken, dat ik waarheid sprak, en mijn Vader zal

komen, daar kan u op rekenen!"

"Goed, en zeg dat hij Van Schaeck en Pieter Cornelisse Van der Morsch

ook mee brengt! Maar wee u, knaap, zoo ge gelogen hebt!" klonk het

nogmaals.

De deur van Meester Allertsz. viel toe en de schippersjongen vervolgde

zijnen weg om de andere luiden te wekken. Wat hem echter nooit gebeurd

was, hij vergat er dezen morgen twee, die er nog al op aangedrongen

hadden, dat hij hen toch vooral niet later dan vier uren roepen zou.

Het waren twee schippers, die vertrekken moesten. Ze zouden er echter

niets bij verzuimen; want juist op het uur van afvaart hadden ze

zulke vreemde geruchten opgevangen, dat ze besloten dien dag niet af

te varen.

Te acht uren waren Van Schaeck, Van Keulen en Van der Morsch bij

Allertsz. om middelen te beramen, die er aangewend moesten worden om

den Magistraat en velen der burgerij, was het dan ook te elfder ure,

de oogen te openen voor het dreigende gevaar.

Van der Morsch sprak het voornemen uit eens naar Petrus Cornelius,

den Predikant zijner gebuurte, te gaan. Hij wist dat deze een man

was, die de onverschilligheid van den laatsten tijd met leedwezen

had aanschouwd. De Predikant zou vast en zeker ingang bij de burgers

vinden; want hij was geliefd bij iedereen.

Allertsz. zelf zou de twee Jonkers van der Does en Burgemeester

Pieter Adriaensz. opzoeken om met behulp van dezen op de gemoederen

der vermogende wevers te werken. Kon men dan ook al het verzuimde

niet inhalen, men kon dan toch nog intijds eenige maatregelen zien

te nemen, die in het welbegrepen belang der burgerij waren.

Maar wat de goedgezinden ook deden, de luiden weigerden geloof te

slaan aan de geruchten, die in omloop waren. Het is waar, niemand kon

zeggen, dat hij Cornelis Joppensz. ooit op eene leugen betrapt had;

maar een knaap was dan toch maar een knaap. Men kon niet weten om

welke redenen hij zich op Pier wilde wreken.

"Laten wij toezien, wat er gebeurt, mannen," zeide de dikke

bierbrouwer. "Immers als het uitkomt, zooals die Cornelis

Joppensz. verteld heeft, dan zien we morgen ochtend den Spanjool weer

uit zijne oude schansen kijken, als eene kraai uit haar nest."

"Ja, laten wij toezien, mannen! De brouwer spreekt verstandig! Morgen

ochtend zal het uitkomen of de knaap waarheid gesproken heeft, ja

ofte neen!" riep een tweede.

"Bij mijne ziel, gij zijt verstandige koppen! Het gaat u allen als

de schol, die zich wel eens gekookt wilde zien en dan weer wilde

wegzwemmen. Begrijpt ge dan niet dat het morgen te laat kon zijn,"

liet Van der Morsch zich hooren.

"Ei, hoort dien Jonker Morsch, den rederijker, eens aan! Zou men niet

wanen den Weleerwaarden Petrus Cornelius te hooren? Man, gij hadt

Hagepreeker, Dominé of Monnik, inplaats van Stadsbode en Kamernar

moeten worden!"

"Ja, spot en lacht maar, vrienden! Als het jaar één dag ouder is,

zullen we elkander wel nader spreken," antwoordde de Rederijker,

die van Dominé Cornelius kwam. Misschien zou hij nog wel meer gezegd

hebben, zoo er op het oogenblik onder de menigte niet eenige beweging

ontstaan was. Die beweging gold niemand anders dan Cornelis Joppensz.,

die naar huis ging.

Nadat hij des morgens was thuis gekomen en gegeten had, was hij de

stad ingegaan in de meening, dat er hier of daar wel wat te verdienen

zou zijn.

Nog altijd denkende aan hetgeen hij in den vroegen morgen gehoord

en gezien had, liep hij droomerig straat in straat uit, en kwam ten

laatste op de Maredorps-Achtergracht bij het huis en de zeemtouwerij

van Burgemeester Pieter Adriaensz.

Hij had reeds meermalen voor den Burgemeester boodschappen in de stad

verricht, en hopende, dat er mogelijk nu weer wel wat zou te doen

vallen, meende hij den winkel in te gaan, toen hij onverwachts bij

zijnen naam geroepen werd. Hij keek om en zag in het open en eerlijk

gelaat van zijnen vriend Gerrit, die naar hem toe kwam en zeide:

"Zoo, Cornelis! Zie ik je weer eens? Hoe komt het toch, dat ge mij

sedert een paar dagen geregeld uit den weg loopt?"

"Omdat ik niets meer met je te doen wil hebben! Gij zijt geen goed

vriend!"

"Ik niet? Wat heb ik dan gedaan?"

"Wat gij gedaan hebt? Vraagt ge dat nog? Hebt ge mij die ontmoeting

op het eilandje te Alfen niet verzwegen, alsof ik een Spanjool of

vriend van Pier Quaet-Gelaet was? Heb ik ooit iets voor u verzwegen?"

"Maar ik mocht niets zeggen, Cornelis! Heusch, ik mocht niet. Schipper

Van Schaeck had het mij verboden!"

"Hé, Gerrit, mocht-je niet? Och, wat zijt ge toch een eerlijke,

beste jongen! Schade, dat ik je niet meer gebruiken kan! Ga maar

andere vrienden zoeken!"

"Gij wilt dus niet meer met me omgaan, Cornelis?"

"Neen, ga maar weg! Ik heb uwe diensten niet van noode! Ik kan je

missen als kiespijn," en dit zeggende ging Cornelis de zeemtouwerij

van den Burgemeester voorbij en den weg op naar de Hooglandsche kerk.

"Dwarskop, die hij is," mompelde Gerrit, en liep hem langzaam

achterna. "Hij kan me missen als kiespijn! Best, ik kan hem missen als

eene dracht slagen! Wat verbeeldt hij zich wel? Denkt hij dan, dat ik

hem moet naloopen en hem al mijne geheimen aan den neus hangen. Dat

kan hij aan zijn hart voelen! Dat doe ik nooit!"

Ondertusschen was Cornelis bij het hoopje lediggangers gekomen, die

hunnen kostbaren tijd aan eenen hoek van de Hooglandsche kerk stonden

te verbeuzelen met over de onmogelijkheid van een nieuw beleg te

spreken, omdat--nu ja, al de "omdats" op te noemen, gaat niet. Van

den oudste tot den jongste wist men zooveel van den toestand der

Spanjaarden te vertellen, dat het wel scheen, dat allen zoo uit

de Spaansche kwartieren, waar ze dagen lang omgezworven hadden,

terugkwamen.

Zoodra de bierbrouwer onzen Cornelis in het oog kreeg, riep hij

luidkeels uit: "Ho, hier hebben we den Jobsbode! Hier, knaap, klim

op dit bankje, en vertel ons eens vaardig, wat ge vanmorgen gehoord

en gezien hebt!"

"Dat zal ik," riep de jongen verheugd, en was in een oogenblik op

de bank, doch aan het gewoel en geschreeuw der menigte, die allengs

aangroeide, scheen maar geen einde te zullen komen.

"Houdt dan toch den snater, eeuwige babbelaars, of ik smijt eenen

ketel kokend mout over uwe hoofden! Laat dien schippersjongen zijn

wedervaren van dezen nacht vertellen! Bijlo, jongen, ge staat daar

als een Franciskaner, die de passie preekt! Komaan, toon uwe kunsten

en laat ieder hooren welke kostelijke leugens gij uit de mouw weet

te schudden!"

Nadat de bierbrouwer dien stroom van woorden meer uitgebulderd dan

gesproken had, ontstond er stilte en kon de knaap beginnen.

Zoodra hij echter begon te vertellen, dat Pieter Van Wezel, en niemand

anders, eenen Spanjaard uit het Convent der Witte Nonnekens naar de

Marepoort gebracht had, begonnen eenigen te schreeuwen:

"De bengel verkoopt ons grove leugens!"

"Dat is niet waar," riep Cornelis. "Wat ik zeg is waarheid, en "Pier

Quaet-Gelaet", die daar achter Neeltgen Dirksdochter, de warmoesvrouw,

zich verscholen houdt, mag mij tegenspreken als hij kan."

Brutaal trad Pieter Van Wezel te voorschijn, hield de vuist voor

Cornelis' gelaat en riep: "Hier ben ik, schavuit! Zeg nu nog eens,

als ge durft dat ik "Pier Quaet-Gelaet" heet en verraders-streken

uithaal! Zeg op, wat ben ik?"

"Een glipper en verrader," klonk de stem van Cornelis, doch juist toen

"Pier" hem eenen stomp in het aangezicht wilde geven, sloeg Cornelis

die vuist neer en de volle hand kwam in zulk eene aanraking met Piers

wang, dat de slag luid weerklonk.

"Smijt hem naar beneden!" riep de een.

"Geef den leugenaar een pak ransel," schreeuwde een ander.

"In de Hooigracht! In de Hooigracht met dien kwaadspreker," barstte

een derde los.

Reeds had een zwaar gebouwde turfdrager met een gemeen uiterlijk, den

jongen bij het wambuis gevat om hem van de bank, waarop hij stond,

af te smijten, toen Gerrit, die door den volkshoop heengedrongen

was, uitriep:

"Blijf van mijn kameraads lijf, versta-je! Ik zeg, blijf er af!" en

zonder af te wachten, of de ruwe man den jongen zou loslaten, nam

hij eenen zwaren keisteen op en smeet dien den turfdrager naar het

hoofd. Oogenblikkelijk tuimelde de groote man achterover en viel zoo

goed als dood neer.

"Sla dood, den gemeenen moordenaar!" schreeuwden weer enkelen, doch

alvorens Gerrit de hulpvaardigheid, waarmede hij zijnen vroegeren

makker bijstond, met den dood, of een pak slaag moest bekoopen,

kwam de burgerwacht onder bevel van Dirk van Bronkhorst aan.

"Zal men dan hier voor den satan op klaarlichten dag eenen moord

begaan?" riep Bronkhorst. "Ho mannen, de eerste, de beste, die eene

hand naar dien knaap uitsteekt, zal ik eene blauwe boon te slikken

geven, die hem levenslang dwars in de maag ligt!"

De burgerwacht schaarde zich in het gelid en hield de brandende

lonten gereed.

"Pakt aan die twee knapen, en brengt ze naar het Stadhuis," beval

hij twee zijner onderhoorigen, die terstond aan dat bevel gevolg gaven.

"En thans, gaat gijlieden naar huis en beproeft het nog eenmaal hier

een leven te schoppen, als eene Katwijksche visschersbende aan de

Vischbrug! Of meent ge, dat Leiden een Spaansch legerkamp is, waar

ge naar hartelust aan het muiten kunt slaan? Voort, voort! Een ieder

ga naar zijne woning!"

"Wij zijn niet begonnen, Hopman," dus sprak Van Wezel. "Een van die

twee bengels schold mij voor glipper en verrader. Ik laat mij zoo

iets niet aanleunen."

"En de ander heeft dezen turfdrager met eenen keisteen bijna

doodgegooid," liet de bierbrouwer zich hooren.

"Zoo die beide jongens aan eenig kwaad schuldig zijn, zullen ze ervoor

gestraft worden," sprak van Bronkhorst bedaard. "Doch hoe het zij,

gijlieden gaat allen heen of ik jaag u met geweld uit elkander."

De dreigende houding had uitwerking en de menigte ging, hoewel

morrend, uiteen.

"Gelukkig dat de knapen niet geroepen werden zich te verdedigen, anders

had het er slecht voor ons uit gezien, Jurrie!" sprak de bierbrouwer.

"En zoo ze gesproken hadden, wat dan? Zijn wij in Leiden niet machtig

genoeg, de zaken naar onzen zin te krijgen?"

"Wel, wat zijt ge een vreemdeling in Jeruzalem! Weet ge dan niet,

dat we te midden van dien grooten hoop van oud en jong, niet veel

sterker dan tien personen waren?"

"En het meerendeel riep: "sla dood!" Hoe is dat dan mogelijk?" vroeg

Jurrie.

"Dat is zóó mogelijk," antwoordde de bierbrouwer, "door op een

gegeven teeken te schreeuwen: "De bengel verkoopt ons grove leugens,"

schreeuwden de anderen ook mee. Het volk denkt niet door, Jurrie! Het

handelt naar den indruk van het oogenblik. Maar juist daarom kunnen

we er niet op rekenen. Nu zijn ze onze beste vrienden, en een half

uur later onze bitterste vijanden."

"Gemeene luiden toch, veranderlijk als de wind," zeide Jurrie, en er

klonk wat minachtends in zijne stem.

"Ja, maar goedgezinden, die zich laten betalen voor de goede gezindheid

zijn toch nog gemeener, zou ik zoo meenen," zeide de brouwer, die

oprecht Spaanschgezind was, doch daarom nog geen man was, die voor

geld alles kon zijn. Menschen, zooals die brouwer er een was, waren er

zeer veel in Leiden en wanneer we later van hen hooren, dat ze niet

op de hand der Regeering waren, dan is het verkeerd om hen terstond

van kwaadwilligheid of verraad te verdenken. Zij meenden het eerlijk,

als ze den Koning en diens Landvoogd getrouw bleven, en het was hunne

vaste overtuiging, dat ieder, die het met den Prins hield, op den

dwaalweg was. Daardoor kwam het, dat de brouwer Jurrie haatte, en toen

deze riep: "Zeg dat nog eens, als ge durft," hem brutaal toesnauwde:

"O, nog twintigmaal, wanneer ge dat zoo verkiest. Als men in het veen

is, ziet men immers op geen turfje!"

"Maar weet ge dan niet, Florisz., dat ik u aan de galg kan brengen? Hoe

zou het u aanstaan, als ik den Magistraat eens kennis gaf, wie er

hier in de stad briefwisseling met Valdez houdt?"

"En als men dan vroeg: "Hoe weet ge dat?" Zoudt ge dan zeggen:

"omdat ik de brieven bezorgd heb!" Maar, weet gij dan niet, man,

dat gij stellig, als vreemdeling, nog veel gauwer aan de galg zoudt

hangen spartelen, dan ik, die een geboren Leidenaar ben?"

"Hoor eens, brouwer, als ge mij nog eens sart, bij alle Heiligen,

ik bezweer het u, dan zal ik alles bij de Vroedschap aanbrengen!"

"En dus leven tegen leven stellen? Och, ik ben daaromtrent gerust,

dat durft gij niet! Daartoe bezit gij den moed toch niet! Maar laten

we liever instede van elkander de huid vol te schelden, op middelen

zinnen om zelf intijds uit de stad te komen of den Spanjaard in de

stad te brengen!"

Hierop begonnen deze twee een gesprek en besloten samen, om in den

eersten tijd zich over niets uit te laten en de kat uit den boom

te kijken.

Zoodra ze echter van elkander gescheiden waren en hunne woningen

opzochten, bromde Jurrie: "Met dien brouwer is het kwaad kersen

eten. Hij gooit met de pitten en is zoo trotsch, als die verwaande Don

Martin D'Ayala, die mij durfde zeggen, dat ik een "ellendige bedelaar"

of een "armzalige schooier" ben. Maar ze moeten voorzichtig zijn met

Jurrie Thijsz., die er niet om geeft, wien hij dient, als er maar

geld gegeven wordt. Biedt die wederdooper Adriaensz., of een ander

mij meer, dan word ik zoo goed Prinsgezind als er maar een is. Ha,

ha, geld is de ziel van alle zaken!"

"De lage huurling," bromde Florisz., de brouwer, zoodra hij alleen

was. "O, konden we maar met open vizier strijden, man tegen man! Maar

daartoe zijn we in Leiden te zwak; we moeten onszelven wel met listen

inlaten. Maar dien Jurrie en dien Pier, ja, ik haat ze en keer hun

den rug toe, waar ik Pieter Adriaensz. nog oprecht de hand druk. Hij,

Van Hout en Jonker van der Does en zoovele anderen zijn ten minste

oprechte tegenstanders, die niet veil zijn voor een handvol gelds."

Zoo was het avond geworden.

En daar, in een donker hol van het stadhuis, een hol waarin slechts

een weinig licht door een vensterke van een span in het vierkant viel,

zaten twee knapen, die geen uur geleden tegen elkander gezegd hadden:

"Ik kan je missen," en "je bent mijn kameraad niet meer!"

Ja, dat hadden ze wel gezegd, maar gemeend toch niet; want zonder

elkaâr iets te zeggen, hadden ze, zoodra ze maar alleen waren,

elkander de hand gegeven, en het verbond van vriendschap vernieuwd.

Onbegrijpelijk was het intusschen, dat het meerendeel der burgers

en ook een groot deel van den Magistraat, niettegenstaande dat, wat

Cornelis verteld had, toch nog maar altijd bleef gelooven, dat de

Spanjaard niet terug zou komen, gerust en vol vertrouwen de toekomst

te gemoet gingen.

"Ik ga zien, dat ik wat slaap," zeide Cornelis.

"Dat is goed, want gij hebt vandaag een zeer moeielijk werk gedaan,

Cornelis," zeide Gerrit.

"Welk moeielijk werk dan?"

"Gij hebt aan eene doovemans-deur geklopt, Cornelis, en dat werk is

zwaar, want als men de knokkels op de eiken paneelen ontveld heeft,

dan heeft nog niemand geroepen: "Ja, ik hoor! Kom binnen!"

De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood · 第 12 / 31 题