Waar moet het heen?
Dinsdag, de zesentwintigste Mei, was haast voorbij, want het liep naar
het uur van middernacht. In langen tijd was er zoo laat in den nacht,
niet zooveel volk op de been geweest.
Het heette, dat de een den ander aangaande de geruchten, die geloopen
hadden, kwam gerust stellen; maar eigenlijk was het bij de meesten
een zekere angst, die hen naar de wallen dreef om te luisteren,
of er ook iets in den omtrek gehoord werd.
"Wonderlijk," zeide Willem Cornelisz. Speelman tot een ander,
"wonderlijk toch, dat nergens iets te zien is van den dikken brouwer
en zijne kornuiten, Pier Quaet-Gelaet en Jurrie Thijsz. Zouden die
zich hebben...."
"Verstoken?" vroeg de ander. "Neen, dat geloof ik niet. Ze zullen,
als de voorspelling van de Prinsgezinden moest uitkomen, de woede des
volks niet hebben willen afwachten en gevlucht zijn naar Jonker van
Mathenesse de Wybisma, die er roem op draagt het met Spanje eens en
met Valdez bevriend te zijn."
"Maar gelooft gij dan toch werkelijk, dat de Spanjaarden terugkomen
en onze stad belegeren zullen, Meester?"
"Ja, ik voor me-zelven houd het voor vast waar, dat ze komen
zullen. Maar dan behoede God ons Leiden! Waarvan de burgerij alsdan
leven moet, zoo het beleg wat lang moest duren, dat weet ik niet! De
Vroedschap heeft in deze zaak kwalijk gehandeld!"
"Het kan zijn; maar het ontbrak haar ook aan geld om koren te
koopen. Gij zult toch ook wel weten, dat ze reeds den zesden van
Wintermaand des vorigen jaars, order gegeven heeft tot Rotterdam koren
te koopen met belofte, de eene helft dadelijk te betalen en de andere
bij het ontschepen aan de kade!"
"Ik weet dat alles zeer goed. Maar al had de Regeering honderd zulke
orders gegeven, het is uit alles blijkbaar, dat ze aan geen tweede
beleg gelooft. Maar stil, hoe maakt dat hoopken volks ginder zulk
eene beweging?"
Het tierende troepje kwam al nader en nader. Voorop gingen Cornelis
Joppensz. en Gerrit Verlaen, ons Leeuwke, die op voorspraak van
Allertsz., op vrije voeten waren gesteld geworden. Nu togen ze in alle
eer door de straten heen en zongen beiden een welbekend spotliedje
van die dagen, waarvan het refrein van ieder versje:
"Ons Patroon van Alven,
Sal u met sijner salven,
Bestrijcken also wel!"
telkens door de menigte werd uitgegalmd.
"Ei zie," zeide Speelman op dit gezicht, "ei zie, hoe wispelturig
het volk is! Nog dezen middag wilde het beide jongens van het leven
berooven, en nu trekt men onder woest getier met die jonge borsten
door Leiden heen! Zóó is het volk, veranderlijk als de wind bij
een onweder."
Plotseling zweeg de menigte midden in het refrein en klonk het gejaagde
geroep van: "Waar zijn ze? Vanwaar komen ze?" onheilspellend door
de straat.
"Ze zijn hoogstwaarschijnlijk in karveelen over het Haarlemmermeer van
Amsterdam hier gekomen. Maar hoe sterk ze zijn en wie de Bevelhebber
is, kan men niet onderscheiden," sprak de man, die het woeste gezang
met zulk eene slechte tijding kwam verstoren.
In een oogenblik waren de straten, grachten en pleinen ledig. Wat
loopen kon, spoedde zich naar den wal tusschen de Zijl- en
Hoogewoerdspoorten. Ieder meende wat te zien, of te hooren, en allen
wenschten, dat de dageraad maar mocht aanbreken. Doch de uren verliepen
niet sneller dan anders en naar den algemeenen zin, maakte de dageraad
aan het martelend ongeduld der nieuwsgierigen al te laat een einde.
Toen het helder dag was geworden zag ieder Leidenaar tot zijn leedwezen
te laat, dat de veste, die zoo slecht van levens- en krijgsvoorraad
voorzien was, voor de tweede maal zou belegerd worden.
Het geleek, kort na het bekend worden van de komst der Spanjaarden,
wel eene dwaze onderneming van die dertig burgers, onder bevel van den
Kapitein Allertsz., om de bewegingen des vijands meer van naderbij
te gaan verkennen. Maar Allertsz. achtte het plicht van alles op
de hoogte te zijn, en het was hem niet genoeg in de duisternis te
staan gapen en zich tevreden te stellen met dat, wat de een zeide
gehoord en de ander vertelde gezien te hebben. Hij rekende ook op
den donkeren nacht, en al had hij over eene krijgsmacht, van zooveel
duizenden manschappen, als er nu tientallen waren, kunnen beschikken,
hij kon niet met meer moed de stad verlaten hebben dan nu. Onder hen,
die aan den gevaarlijken tocht deelnamen, waren ook Van Schaeck en
Van Keulen, die uit belangstelling voor de goede zaak medegingen;
want ze waren niet in een vendel ingelijfd.
Het is natuurlijk dat de menigte, na zich overtuigd te hebben, dat de
Spanjool teruggekeerd was, de moedige mannen, die bij de duisternis
uitgetrokken waren, met het oog trachtte te volgen.
Ze behoefden echter niet lang te zoeken; want weldra hoorde
men duidelijk de schoten der haakschutters knallen, een bewijs,
dat de dertig mannen in eene heete schermutseling met eenige goed
gewapende Spanjaarden waren. De drift vee, die de dapperen hadden
willen meevoeren, moest prijs gegeven worden, en zonder eenig voordeel
behaald te hebben, kwamen vijfentwintig man terug. Onder de gevallenen
behoorde ook de moedige Bevelhebber Andries Allertsz.
Daar stond nu de menigte! Thans was het beslist, dat men andermaal een
beleg te gemoet ging, hetwelk door de zorgeloosheid van den Magistraat
en het krachtig drijven der Spaanschgezinden uitgelokt was. De
magazijnen ledig of half vol, de krijgsvoorraad verre van toereikend,
geene bezetting, de Overste al gesneuveld, Spaanschgezinden mogelijk
nog in groot aantal in de stad,--ja, wèl was het niet te verwonderen,
dat de groote menigte verslagen en hopeloos de bewegingen des vijands
aanschouwde.
Zie, ginds gaan reeds drie vendels goed gewapende en in den oorlog
ervaren mannen, onder bevel van Don Louis Gaëtan, van Leiderdorp door
de Weipoort naar Zoeterwoude! Thans zien de Leidenaars hoe dwaas ze
geweest zijn, de schansen niet te slechten. De Spanjaard heeft ze
maar binnen te trekken, even als een burger een ledig huis. Het is
om radeloos te worden! Nu eerst wordt de Regeering wakker, nadat zij
zich inslaap heeft laten sollen door de voorwendsels en redeneeringen
van "Pier Quaet-Gelaet" en zijne vrienden. In allerijl worden boden
uitgezonden naar Den Haag, Delft, Rotterdam en Dordrecht, in welke
laatste stad, naar een bericht dien dag ontvangen, de Prins van Oranje
zich ophield, nadat hij uit de Bommelerwaard terug gekomen was.
Het bericht, dat de uitgezondenen medebrachten, was verre van
geruststellend. De Prins liet hun weten, dat ze moesten beproeven de
belegering drie maanden vol te houden, dan zou hij in dien tusschentijd
naar krachtige middelen uitzien om de stad te ontzetten. Om met
den aanwezigen leeftocht langer toe te komen, achtte hij het ook
wenschelijk, dat de Regeering de onnutte monden verwijderde, en, om de
kleine bezetting, die uit de burgerij en eenige vrijbuiters bestond,
te versterken vóór de stad geheel ingesloten was, gaf hij bevel,
de Engelschen, die te Alfen en te Gouwesluis lagen, in te nemen.
Wat het verwijderen der onnutte monden betrof, hierin besloot de
Regeering eene wijziging te brengen, en gaf alleen vrouwen en meisjes
benevens jongens beneden de zestien jaar verlof om zich naar andere
plaatsen te begeven, zoo ze dit wenschten. Weinigen schijnen van dat
verlof gebruik te hebben gemaakt, want op eene bevolkingslijst, die
in de eerste week van Augustus door de Bonmeesters opgemaakt werd,
komen meer vrouwen en kinderen voor dan er mannen waren.
Inmiddels kwam uit Utrecht Don Martin D'Ayala met eene sterke afdeeling
voetvolk en ruiterij het leger van Valdez versterken. De bezetting
Engelschen aan de Gouwesluis, sloeg, onder aanvoering van hare dappere
Bevelhebbers Ghensfort en Van der Laan, de bestormers driemaal af, doch
toen de ruiterij van den vijand het voetvolk telkens voorwaarts drong,
moest Ghensfort eindelijk de verdediging opgeven en de schans voor
de Spanjaarden ontruimen. Waren die van Alfen niet zoo traag geweest,
hunne makkers te hulp te komen, misschien zou Ghensfort stand hebben
kunnen houden; doch toen de Alfenaars zich op weg begaven, hoorden
ze dat de schans al over was en keerden terug om wat later op hunne
beurt, zonder veel strijds, hunne sterkte prijs te geven en alzoo
den weg van Utrecht tot Holland voor den Spanjaard open te stellen.
Met de verdediging van de sterkte te Valkenburg ging het ook
slecht. Wel werd er veel geschoten, doch van weerszijden vielen
volstrekt geene dooden, zoodat de Leidenaars, niet ten onrechte,
vermoedden, dat de Engelsche troepen, die ze op last van den Prins
moesten innemen, met den vijand heulden.
Toen na dit onbeduidende gevecht de Engelschen het op een loopen
zett'en, weigerden die van Leiden hen binnen te laten. Men liet hen
buiten de wallen blijven, doch verzekerde hun meteen, dat ze daar van
alles zouden voorzien worden. Deze ontvangst beviel den mannen zeer
slecht, waarom ze terstond tot den vijand overliepen, die hun eerst
alle mogelijke eer bewees; maar reeds den volgenden dag dwong aan
de schansen te arbeiden. Slechts een dertigtal hunner was niet zoo
laag, zich zoo aan den Spanjaard over te geven, en verzocht nogmaals
binnen de stad gelaten te worden, hetgeen hun ook nu niet langer
geweigerd werd.
Zóó ging Leiden zijne belegering te gemoet. Maar niettegenstaande dat
alles, bestond er vooreerst geen gevaar. Men zag maar al te wel, dat
de Spanjaard, wetende dat er zoo bitter weinig levensvoorraad in de
stad was, besloten had, de veste zoo lang te belegeren, tot de burgers
door den honger genoodzaakt zouden worden, de stad over te geven. Men
hoopte dus op den tijd, die komen zou, en tegelijk op de hulp door
den Prins van Oranje beloofd. En, Leiden had nóg iets waardoor het
sterk was. Zij, die het met den Spanjaard hielden, of er mede heulden,
waren met uitzondering van enkelen, uit de stad gevlucht. Het grootste
deel der bevolking, sprak met minachting over die glippers en wierp
al de schuld op hen, doch hunne eigen lichtgeloovigheid brachten ze
niet in rekening.
Zoo werd het Vrijdag, de achtentwintigste Mei.
Tengevolge der belegering stonden handel en nering bijna geheel
stil. De weverijen waren zoo goed als geheel gesloten en de brouwerijen
hadden nog minder dan half werk. Het was derhalve geen wonder, dat
iedereen tijd had, om overal bij te zijn, waar iets aan de hand was,
of dat de mannen zich verzamelden om door allerlei gesprekken den
ledigen tijd te dooden.
"Hebt gij het al vernomen, Cornelis?" vroeg Gerrit zijnen vriend,
terwijl ze elkander op de Breestraat ontmoetten.
"Wat moet ik vernomen hebben?"
"Wel, dat er bij den Magistraat een brief van twee glippers ingekomen
is?"
"Neen, dat wist ik niet! En wie zijn er de schrijvers van?"
"Ja, voor vaste waarheid wil ik het u niet vertellen. Men zegt, dat
de brief afkomstig is uit Haarlem van Jan Adriaensz. De Wilde en Ewout
Arent Gerritsz., die daar nu veilig onder Spaansche bescherming zijn."
"Ei, ei! Of ze slib zullen vangen die luiden! Wisten ze maar half
hoe al de glippers tegenwoordig hier in een slecht blaadje staan,
ze zouden gewis tijd en moeite besparen en niet schrijven. Doch ik
heb ook iets! Weet gij al wie onze Overste zal worden?"
"Neen, maar ik kan gauw namen noemen. Is het Jan van Duivenvoorde,
Andries Schot, Bart Havicksz., Nicolaas Dircksz. van Montfoort,
Jonker Jacob van der Does of zijn neef Jonker Johan van der Does?"
"De laatste is het!"
"Maar is dat wel waar? Hij is nog zoo jong! Hij is vast de jongste
van al de Hoplieden! Zou hij wel al dertig jaar oud zijn?"
"Hij is nog maar achtentwintig; maar wat beteekent het of hij jong of
oud is? Jonker Jacob van der Does wilde het op zijnen vergevorderden
leeftijd niet meer zijn. Hij zag er tegen op, en zeide, dat hij niet
gehard was tegen den arbeid, daaraan vast, om bij nacht en bij ontijde
langs de straat en op de vesten, waar de nood roept, de voorste te
wezen. En heeft hij geen groot gelijk? Vader zegt ook, dat we een jong,
krachtig, vroed en dapper man moeten hebben. En dat is Jonker Johan
van der Does, die de kaas niet van zijne boterham zal laten halen;
want hij heeft op zijn musket laten graveeren:
"Laet ons noch houden de wapenen in handen,
Opdat de naem van Vrije Landen,
Niet en gedie tot grooter schanden."
"Morgen, zal hij verkozen worden. Maar stil, daar moeten we bij zijn!"
Dit zeggende zett'en de beide knapen het op een loopen naar het
stadhuis, waar eene groote menigte elkander voor de pui stond te
verdringen.
"Laat hooren wat de glippers schrijven," riepen de ongeduldigsten
uit den hoop.
"Ja, lees op, opdat we hooren welke schoone beloften ze ons komen
brengen en welke gouden bergen ze beloven," klonk het van elders.
"Stilte dan, mannen, als ge zoo raaskalt dan kunt ge hier wel staan
tot de Rijn droog geloopen is, zonder dat ge iets hoort," riep Van
Hout, die zich belast had met den inhoud van den brief bekend te maken.
De nieuwsgierigheid legde allen het zwijgen op en daar klonk het:
"Mijn heeren, die sonderlinghe affectie ende liefde die wij dragen tot
onse vaderlicke Stad, geaccompaigneert met eene groote verschricktheyt
en leedtwesen, is oorsake geweest u luyden te adverteren, te weten,
dat wy versien dat myn Heeren geschapen zijn in de extreme calamtie
te vallen...."
"Houd op, wij verstaan van dien poespas niets! Zeg maar waar al dat
geleuter op neerkomt," lieten velen zich hooren.
"Welnu dan, eerzame burgers der vroede stad Leiden," hernam Van Hout,
"de geheele zaak komt hierop neer, dat zij ons aanmanen, ons aan den
goedertieren Koning van Spanje te onderwerpen, daar we uit gebrek aan
leeftocht, vroeg of laat, ons toch zullen moeten overgeven. Verder
hebben ze een goed woordje voor ons gedaan bij Mijnheere van Licques
een seer beleeft, discreet en verstandich Heere," en ze eindigen met
den wensch: "Biddende God den Heere, dat hem gelieve u E. te inspireren
sijne Goddelicke gratie, teneynde ghy mocht hebben 't gerechte verstant
om alsulcken uyre, die u tot deser tijdt so avantagieus is, niet te
willen met quade perseverantie laten passere!"
"Daar moet een antwoord op gegeven worden, dat klinkt als eene klok,"
zei Van Keulen, zoodra Van Hout zich verwijderd had, en bijna ieder was
het met hem eens. Maar waarin ze het niet eens waren, dat was in den
tijd van verzending van het antwoord. Deze wilde het op staanden voet,
die stelde voor er eens rijpelijk over na te denken, en gene meende,
het had al den tijd.
Zóó regeerde het volk op zijne manier mede, en hoewel, vooral gedurende
de belegering, de Magistraat zich wel eens richtte naar de algemeene
wenschen van het volk, nu had hij reeds een besluit genomen, want
spoedig werd het bekend, dat de Regeering besloten had, reeds den
volgenden dag den brief te beantwoorden en wel zoo, dat de Glippers
begrijpen zouden, dat men binnen de stad niet naar hunnen raad beliefde
te luisteren.
Hiermede was bijna iedereen tevreden en na nog een en ander met
elkander besproken te hebben, ging de menigte uiteen en verstrooide
zich in de straten.
Reeds vroeg op den Zaterdagmorgen was men weer op de been om den nieuw
gekozen Overste, zoodra deze van het stadhuis zou komen, te begroeten.
Maar instede van Jonker van der Does naar buiten te zien komen,
kwam Van Hout door eene der hoofddeuren op de pui te voorschijn.
"Geef acht," riep de reeds meermalen genoemde Willem Cornelis Speelman,
"daar komt reeds het antwoord van de Glippers!"
"Ei, hoor me dien stoethaspel eens aan," zeide een, die naast hem
stond. "Neen, Meester, gij slaat den bal heelemaal mis, man! Maar
zeg, hebt gij nog duifkens te koop, van die briefdragerkens, meen
ik! Ik wilde...."
"Och, houd toch den snater over duifkens en briefdragerkens! Luister,
liever wat ons medegedeeld zal worden, daar hebben we meer belang bij,"
zeide Van der Morsch.
"Goede en lieve burgers der vroede stad Leiden," riep Van Hout,
"de huidige dag bracht ons andermaal eenen brief!"
"Laat hooren, laat hooren," joelde de menigte.
Langzamerhand werd de woelende menigte bedaard. Het gegons, gebrom
en geschuifel verminderden, en toen alles stil was, klonk het:
"Aen den Burgher-Meesteren, Regenten en de Raedt der Stad Leyden.
"Lieve 'ende seer beminde Heeren ende Vrunden, ick gebiede mijn t'
uwer liefden, 't selve adverterende dat ick een brieve bestelt
hebben ter handen van Cousyn Gerrit Jansz. De Man, den welken
ik...."
Hier werd de lezer genoodzaakt te zwijgen door het vervaarlijk
geschreeuw van:
"Een Glipper! Een nieuwe Glipper! Aan de galg met hem!"
Van Hout maakte allerlei bewegingen om het volk tot bedaren te brengen,
en eindelijk schreeuwde hij, zoo hard hem zulks mogelijk was: "Hij is
geen Glipper, want zelf heeft hij den brief ongeopend den Magistraat
terhand gesteld."
"Zeg ons van wien en vanwaar de brief komt," riep er een.
"De brief komt uit Leiderdorp en is van Gerrit Hoochstraten. Hij
schrijft ons, dat hij op bevel van de Spaansche Hopluiden ons
den voorslag doet, de stad over te geven. Verder zegt hij nog,
dat de Drossaard van Wedden en Gerard van Sighem op hand en tand
beloofd hebben, dat er niet meer dan twee vendelen knechten in de
stad zullen komen, en dat wij, zoo we geene Spanjaarden begeeren,
Duitschers kunnen krijgen. De Drossaard presenteert zijn eigen persoon
te stellen tot uwer verzekerheid. Maar onze nieuwe Overste heeft hierop
heel eenvoudig geantwoord: "Fistula dulce canit, volucrem dum decipit
auceps", dat beduidt: "De vogelaar lokt het vogelken met zoet gefluit".
"Dat is mooi gezegd en kort ook! Bij Sint Pieter, die Jonker van der
Does is een man naar ons hart," riepen een paar stemmen.
"Leve van der Does!" klonk het hierop uit Van Schaecks mond, en het
volk herhaalde dien juichkreet.
Toen het volk vernomen had van welken inhoud de brieven der
Glippers waren en wat men daarop geantwoord had, gingen velen naar
de Cloveniers-doelen om daar in handen van Meester Diederick van
Bronckhorst, die door den Prins tot Stadvoogd benoemd was, en van
Schout, Burgemeesters en Schepenen, den eed van getrouwheid af te
leggen. Men schijnt hiertoe gekomen te zijn, omdat men vreesde, dat
het volk al heel spoedig tot ontevredenheid zou overslaan, daar het
niet lang zou duren of er zou honger geleden worden. Vandaar is het
mogelijk wel, dat velen weigerden dien eed te doen, en dat de Regeering
de oproeping herhalen moest, met bedreiging van straf, als men er
nu nog geen gevolg aan gaf. Om de ontevredenheid der minderen geen
voedsel te geven, werden al de weilanden, die in den naasten omtrek
van de stad lagen tot algemeen gebruik verklaard en al het vee moest
des avonds in de stad gebracht en overdag door wachters beschermd
worden tegen eenen overval der Spanjaarden, die al zeer dicht onder
de wallen lagen. Voor dat weiden van vee moest men, al had men zelf
eigen weiland erbij, geld betalen en iedere veehouder was verplicht
op het stadhuis aan te geven hoeveel koeien, kalveren, paarden, geiten
of varkens hij had. De prijzen van melk, boter, kaas, rogge-, gerste-
en tarwebrood werden vastgesteld en niemand mocht zijne handelswaren
onder of boven die prijzen verkoopen. Was er verder reeds vóór het
beleg besloten om eene burgerwacht te paard op te richten, teneinde
als ruiterij bij eenen uitval dienst te kunnen doen, nu werd er aan dat
besluit gevolg gegeven, hoewel er niet ten onrechte zeer velen waren,
die niet begrepen, wat zulke onervaren ruiters zouden kunnen doen. Het
bleek dat de twijfelaars gelijk hadden, want de ruiterij heeft niets
gedaan dan gedurende eenige dagen de wacht houden in de straten. Van
meer belang was het dat men iederen Leidenaar, die de wapenen dragen
kon, als verdediger der veste bij eene afdeeling schutterij indeelde,
terwijl men de varensgezellen eene afdeeling vrijbuiters liet uitmaken.
Gerrit Verlaen of Leeuwke liet zich als schutter in een der vendels
inschrijven, doch Cornelis Joppensz. bleef bij zijnen Pleegvader, die
liever vrijbuiter wilde zijn. Het duurde echter niet lang of schutters
en vrijbuiters deden, al naar het zoo uitkwam, denzelfden dienst.
"Er wordt toch heel wat gedaan, Vader," zeide Cornelis toen hij
des avonds met zijne Pleegouders, broeders en zusters aan de tafel
zat om het avondmaal, dat bestond uit roggebrood in de wei gekookt,
te nuttigen.
"Ja, jongen, heel wat," sprak de Vader. "Één ding is maar jammer."
"Wat, Vader?"
"Dat het mosterd na den maaltijd is. Hadde men terstond na het eerste
beleg gedaan, wat men nu doet, dan zouden de acht- of negenduizend
Spanjaarden, die nu de stad bijna geheel insluiten, jaar en dag
kunnen belegeren zonder de stad te krijgen. Maar nu? Neen, Cornelis,
nu voorzie ik onuitsprekelijke ellende of--Leidens val, waarop dan
Hollands ondergang volgt."
Terwijl de Vader dit zoo zeide, zuchtte de Moeder luid, en zwak
klonk hare stem: "En alles is zoo duur en niets wordt verdiend. Wat
er nog opgehaald werd tusschen Maart en Mei is schoon weggegaan met
het betalen der schulden in het eerste beleg gemaakt. Hier hebben we
half genoeg voor ons allen en toch voor meer geld dan veertien dagen
geleden. Waar moet het heen?"
"Waar moet het heen?" werd in alle wijken, in alle straten, in alle
huizen vernomen. Men hoorde den rijke zoowel als den arme telkens
met eenen diepen zucht die vraag doen en nog eens doen: "Waar moet
het heen?"