ZESDE HOOFDSTUK.

Twee, die vroeg op pad zijn.

Men zou zich zeer vergissen, zoo men het Leiden van 1574 wilde gelijk

stellen met het Leiden van onze dagen. Voorzeker is er na dien tijd

menige straat verbreed, menig huis afgebroken en weer opgebouwd en

menige gracht gedempt of gegraven. Maar behalve al deze veranderingen

was het Leiden van toen nog heel wat kleiner in omvang dan heden.

Gedurende de belegering was de Oude-Vest de gracht, die om de wallen

der stad lag, en wanneer men van de Zijlpoort af voorbij het oude

Ziekenhuis ging en dus de Oude-Vest aan de rechterhand liet liggen,

dan kon men loopen tot aan het einde der Paardestraat zonder aan

de overzijde der gracht iets anders te zien, dan het lage weiland

in den omtrek en de torens van Rijnsburg, Warmond en Sassenheim in

de verte. Neemt men nu nog in aanmerking, dat men in dien tijd eene

bijzondere vergunning noodig had om aan den buitenkant der stad steenen

woningen te bouwen, zoodat er dan ook maar zelden gebruik van gemaakt

werd, dan kunnen mijne lezers, voor zoover ze in Leiden wonen of daar

goed bekend zijn, als ze die buiten-gebouwen, die er in den laatsten

tijd gebouwd zijn, afrekenen, zich een tamelijk denkbeeld vormen van

Leiden tijdens de belegering.

We verzoeken hun nu, eenen dag na de monstering en den omgang

der schutterij, een huis binnen te gaan, dat op het Rapenburg

staat. Het is gebouwd in den smaak dier tijden en de hooge voorgevel

eindigt trapsgewijze in een punt, waarop een verroeste windwijzer

zijn knarsend geluid laat hooren. Hier woont Andries Allertsz., de

"opperste" Hoofdman der Burger-vendels, en het is van binnen te zien,

dat hij ook een der meest welgestelde burgers is.

Het is Maandag, de vierentwintigste Mei.

De verschillende geruchten, die er geloopen hebben aangaande een

nieuw beleg der Spanjaarden, beangstigen de burgers niet meer,

niettegenstaande mannen als Pieter Adriaensz., Van Hout, Bronkhorst,

Speelman, Van Aecken, Van Keulen, Jonkheer van der Does, de Schout

Hendrick Van Broeckhoven en vele anderen, hunne medeburgers en den

Magistraat gedurig aanmanen, toch niet zorgeloos in te dommelen,

maar een waakzaam oog te laten gaan op hetgeen er buiten Leiden

zoo al voorvalt. Daarentegen doen mannen, als Pier Quaet-Gelaet,

Jurrie Thijsz., ja, zelfs vele Leden van den Magistraat, die voor

een deel Spaanschgezind is, hun uiterste best om iedereen gerust

te stellen. En ze kunnen dat goed ook; want ze voeren redenen aan,

die voor de lichtgeloovigen klinken als eene klok.

Had gisteren nog bij het verlaten der kerk Pier Quaet-Gelaet niet

met nadruk gewezen op de muiterij der Spaansche soldaten, die om

hunne soldij schreeuwden? En wat was er met oproerige manschappen te

beginnen, tegen eene stad, als Leiden, die gedurende vierentwintig

weken en drie dagen getoond had, dat ze voor de goede zaak pal

stond? Valdez was een te ervaren Veldheer en te zeer op zijne eer,

als Veldoverste, gesteld, om nogmaals onverrichter zake te moeten

aftrekken. Het was immers meer dan dom, nu nog te gaan gelooven en

te vreezen, dat de vijand zou terugkomen, en nog dommer was het,

levensmiddelen op te koopen, de pakhuizen er tot het dak mede te

vullen en de burgers, die duur te laten betalen om ze naderhand,

ten deele bedorven, voor eenen appel en een ei van de hand te doen.

"Neen, maar hoor eens," riep een dikke bierbrouwer, "onze Pieter Van

Wezel spreekt als een boek, en ze kallen als de oude wijfkens uit

het Sint-Elisabeths-gasthuis, die van een nieuw beleg spreken!"

"Er zijn toch altijd nog verstandige koppen, die verder kijken dan hun

neus lang is," dus klonk nu de stem van Jurrie Thijsz., die natuurlijk

hier ook te vinden was. "Ik zeg: het is meer dan schande!"

"Wat is er meer dan schande, schipper?" vroeg Neeltgen Dirksdochter,

de warmoesvrouw, die overal te vinden was waar men aan het vechten,

razen of schelden was.

"Dat men eerlijke lieden, die met de penningen der arme burgerij,

die gedurende dezen winter zooveel geleden heeft, zuinig wil zijn,

verdenkt van heulen met den Spanjaard. Zoo wordt de arme Pieter Van

Wezel, die nu als zoetelaar een armzalig stuk broods verdient, door

die opmakers van het geld, als een schelm, nagewezen en van allerlei

booze dingen beticht."

Pieter Van Wezel, die gemaakt had, dat hij ook bij dit oploopje was,

zette een onnoozel gezicht en zeide zuchtend: "Het is zooals Jurrie

Thysz. zegt, menschen! Ze vertellen dat ik met den Spanjaard heul en

disschen allerlei grove leugens van mij op. En ik vraag allen of er

iemand meer redenen heeft om den Spanjool te haten en te verwenschen

dan ik. Ik had een spaarduitje voor den ouden dag en nu moet ik

zoetelen voor mijn brood en mijn geld is op. Dat is de schuld van

den Spanjool en daarom roep ik, misschien nog welgemeender dan die

wederdooper van eenen Pieter Adriaensz., die hemel en aarde beweegt om

de duiten te mogen opmaken: "Weg met den Spanjool! Leve de vrijheid!"

"Weg met den Spanjool! Leve de vrijheid," brulde de menigte hem na.

"Nu hoort gijlieden het van den man-zelven," riep Jurrie Thijsz.,

"van welk geloof hij is. En zooals hij is, ben ik ook. Maar gij moet

weten, waarom ik hier zoo stout spreek. De Spanjaard kan geen beleg

voor onze stad slaan, omdat al de vendels aan het muiten zijn. Sommigen

hebben zich reeds eenen Electo gekozen...."

"Wat is dat voor een man?" vroeg een uit den hoop.

"Dat is een Keur-overste, dien de soldaten zelven kiezen uit hun

midden, als ze oproermaken om de achterstallige soldij."

"Zulk eenen Electo hebben ze te Utrecht wel gekozen, nu een paar

jaar geleden, doch in den laatsten tijd heb ik er niets van gehoord,"

zeide Cornelis Otten, die boterkruier van beroep was.

"Och, man, waarvan zoudt gij hooren?" vroeg Jurrie Thijsz. "Gij komt

immers nooit verder dan de Boterwaag? Wat ik zeg is waar, want...."

"Is niet waar," herhaalde Otten, wien het verveelde, dat Jurrie

Thijsz. daar onwaarheden stond op te disschen.

De omstanders stoorden zich echter niet aan die tegenspraak en riepen:

"Ga verder, Jurrie! Stoor u niet aan iemand, die door Van Hout betaald

wordt om ons nog armer te maken dan wij al zijn."

"En behalve dat," vervolgde Jurrie, "is er twist tusschen Valdez

en Graaf de la Roche, zoodat iedereen, die maar een aasje gezond

verstand heeft, begrijpen kan, dat de Landvoogd dien twist tusschen

twee Legerhoofden eerst bijleggen moet eer hij aan eene belegering

denken kan."

"Glipper! Glipper! Heeft Don D'Ayala je al die leugens te Alfen

verteld?" klonk opeens eene jongensstem. "Gij zijt een verrader,

Jurrie!"

"Wie durft me daar voor verrader schelden?" galmde Jurrie Thijsz. "Ik

roep allen tot getuigen of ik mijn Vaderland en Leiden niet lief

heb. Hij, die dat roept, is zelf een verrader!"

"Ja, ja, een verrader," joelde het volk en toen allen reeds zwegen,

klonk de machtige stem van den dikken bierbrouwer nog boven al het

gegons der menigte uit: "ja, ja, een verrader!"

Ge zult zeker wel al begrepen hebben, dat het Gerrit Verlaen was,

die den huichelenden poorter zulk eene brutale vraag deed. Doch toen

hij zag, dat de volksgeest ten voordeele van den woordvoerder was,

haastte hij zich een goed heenkomen te zoeken; want bleef hij, dan

liep hij groot gevaar met eene goede dracht slagen bedeeld te worden.

Dit nu was gisteren bij gelegenheid van den optocht en de blijde

feesten, die er mede vergezeld gingen, voorgevallen, en daarom vinden

we Van Schaeck en Van Keulen in de voorkamer van den Burger-Kapitein

om met dezen middelen te beramen, teneinde die Spaanschgezinde

woordvoerders in hun doen en laten wat na te gaan en in toom te houden.

"Het is, eilaci, maar al te waar, dat vele leden der Regeering slapen

of heulen met de Spanjaarden," klaagde Allertsz. met eenen diepen

zucht. "Waar is het, dat de nieuwe Landvoogd veel doet om het volk

te behagen. Maar waarom doet hij dat? Omdat hij een zoo nobel en

vroom karakter heeft? Neen! Omdat hij een wit voetje aan het Hof

van Koning Filips wil krijgen? Neen! Maar weet ge waarom? Weet ge

waarom hij bemiddeling zoekt tusschen den Koning en de Nederlandsche

burgers? Waarom hij het standbeeld van Duc d'Alv heeft laten omver

halen? Omdat hij geen geld heeft om zijne soldaten te betalen, en de

Koning vooreerst geen plan schijnt te hebben aan de billijke eischen

van Requesens te voldoen. Maar let wel, zoodra hij zijnen muitenden

troepen de handen kan vullen, en hij daardoor vrijer spel heeft, dan

zult gij zien, dat hij de slapers op eene geduchte wijze wekken zal!"

"Maar is er dan toch niets aan te doen, Heer Kapitein, om den

Magistraat tot andere gedachten te brengen? Zou Burgemeester Pieter

Adriaensz....."

"Wat zal ik u zeggen? Deze wil wel, maar hij kan niets, Van

Schaeck! Heeft hij er in de afgeloopen week nog niet andermaal op

aangedrongen, dat men stadswerkers zou uitzenden om de schansen te

slechten, opdat de Spanjool, mocht hij wederkomen, de gebraden visschen

voor zijn avondmaal niet gereed zoude vinden? Maar, het was om niet;

de Vroedschap laat zich om den tuin leiden door de zuinige ingezetenen,

die op hunne beurt weer door enkele verraders zich laten bepraten. O,

het is om dol te worden!"

"Maar de Prins, zou die niet te bewegen zijn iets in deze te

doen?" vroeg Van Keulen.

"Ja, de Prins wil ook wel; maar gij weet toch, dat hij nog altijd met

de afdeeling krijgsvolk, waarmede hij zijne broeders wilde bijstaan,

in de Bommelerwaard vertoeft? Maar toch wil ik me morgen derwaarts

op reis begeven, dan zal ik hem beter van een en ander op de hoogte

kunnen brengen, dan dat ik zulks schrijf. Daarenboven is zulk een

bericht aan geenen brief toevertrouwd. Wees daarom zoo goed, Van

Keulen, en zeg uwen Cornelis, dat hij mij morgen ochtend vóór drie

uren wekt, dan ga ik met de Rotterdamsche tentschuit mede!"

Nadat Van Keulen beloofd had, dat hij er voor zorgen zou dat Cornelis

hem kwam wekken, gingen de beide mannen heen.

Zij namen hunnen weg langs de Breede-straat en wilden juist de

Maarsman-steeg ingaan, toen ze voor het stadhuis eenige burgers

zagen staan.

"Daar heb je Barend Cornelissen," riep er een uit den hoop, "die zal

ons zeggen, wat hij raadzaam en oorbaar acht. Zullen we de schansen

slechten en levensvoorraad innemen, òf wel de schansen in wezen en

de pakhuizen meer dan half ledig laten?"

"Dat behoeft men mij niet te vragen," antwoordde de

aangesprokene. "Gijlieden weet, dat ik met hart en ziel voor het eerste

ben, omdat ik vrees, dat de Spanjaard zal terugkomen op een oogenblik,

dat we hem het minst verwachten!"

"Ei, hoor me daar zulk eenen geleerden bol eens aan! Een

schippersknecht op eene tentsnebbe, die aan brandhout geen papieren

gulden waard is, verbeeldt zich den Magistraat en der Overheid wetten

te mogen stellen," liet sarrend een zich hooren.

"Ik stel geene wetten," riep Van Keulen. "Gijlieden vraagt mijn

gevoelen, en dat zeg ik u, open, rond en onbewimpeld. Maar onthoud,

wat ik u zeg! Eens zal de dag komen, de Heer gave, dat ik onwaarheid

mochte spreken, dat ge zeggen zult: "De schippersknecht van eene

ellendige tentsnebbe heeft op zijne reizen van Leiden tot Utrecht en

terug, ooren en oogen den kost heeft gegeven. Maar als gij een dwaas

antwoord hebt verwacht, waarom vraagt gij mij dan wat?"

"Schippers zien altijd spoken en vreemde gezichten," riep de

bierbrouwer luid lachend. "Wij wilden maar eens weten welk spook gij

nu alweer gezien hebt."

Het gelaat van Van Keulen nam eenen vreeselijken ernst aan en

onheilspellend klonk zijne stem door de menigte: "Gij hebt gelijk! Ik

zag een spook. Het zweefde over Leiden en droeg een zwart vaandel en

daarop stond in witte letters: pestilentie, honger en dood. Het was

het hongerspook."

Hoe spotachtig men gezind was, de bijgeloovige menigte ontroerde bij

die woorden, en het kostte den Spaanschgezinden heel wat moeite om door

grappen en kwinkslagen de ontroering te verdrijven, en nog waren ze

hiermede druk bezig toen die beide mannen ernstig en nadenkend hunnen

weg vervolgden. Het volk bleef intusschen wachten op het besluit van

de Vroedschap en dat was: "Het slechten der schansen is voorloopig

uitgesteld tot eene volgende bijeenkomst."

Tot eene volgende bijeenkomst! Hoe weinig vermoedden die Vroede

mannen, dat eene volgende bijeenkomst zou gehouden worden in eene

rondom ingeslotene veste!

Ondertusschen verliep de Maandag en onze Cornelis Van Keulen was vroeg

ter kooi gekropen om op de gestelde uren in den nacht de burgers te

gaan wekken, die hem zulks bevolen hadden.

Een donkere, bewolkte nacht was het toen hij zich op straat

begaf. Geheel Leiden lag nog in zoete rust en nergens was eenig leven

te ontdekken dan hier en daar honden of katten, die men vergeten had

in te laten.

"Nu zal ik eerst Kapitein Allertsz. gaan wekken," fluisterde hij in

zichzelven, "en dan ga ik den naasten weg langs de Achtergracht,

door de Nonnensteeg voorbij het Convent van de Witte Nonnekens,

dan ben ik er gauw!"

Eensklaps hoorde hij in de verte achter zich den driftigen tred van

eenen man, die haast scheen te hebben.

"Ik wil weten wie er zoo vroeg uit de veeren gekropen is," mompelde

de jongen en ging achter eene steenen bank liggen. Weldra was de

voetganger hem voorbij geloopen, doch hij liep zóó snel op zijne

teenen voort, en het was zóó donker, dat Cornelis niet onderscheiden

kon wie het was.

Langzamerhand kreeg de liefhebber van eenen mondvol frissche

morgenlucht minder haast en liep in bedaarden tred verder.

Cornelis besloot hem zoo dicht mogelijk op de hielen te

blijven. Eindelijk bleef de man voor het vervallen Convent der

Witte Nonnekens staan, en liet zoo zacht mogelijk den klopper op de

hoofddeur vallen.

"Ge komt vroeg, kompeer," zei de man, die eindelijk opendeed.

"Toch niet te vroeg om Don Martin D'Ayala te verzoeken zoo spoedig

mogelijk met mij mede te gaan om hem buiten de poort te brengen; want

enkele luiden staan hier vroeg op," was het antwoord van den klopper,

die door Cornelis dadelijk herkend werd, als Pier Quaet-Gelaet.

Een paar minuten later begaven twee mannen zich op weg in de

richting van de Steenschuur op den voet gevolgd door den wakkeren

schippersjongen. Bij het Convent Schagen, achter Maredorp niet ver

van de Marepoort, scheidden ze van elkander.

"En kan ik mijne vrienden dus gerust stellen, Senor?"

"Ik heb u immers gezegd, dat we morgenochtend om dezen tijd voor

de stad zullen liggen! Een Spaansch Edelman liegt niet en is geen

verrader, ellendige poorter," was het antwoord van den trotschen

Don, die den verrader gebruikte om zijn doel te bereiken, maar hem

inwendig haatte.

Pier Quaet-Gelaet ging heen en floot van nijdigheid een geuzenliedje,

en een zacht geplas aan de overzijde van den wal bewees, dat de

Spanjaard buiten de stad en in veiligheid was.

Thans wist Cornelis genoeg en ziende, dat Pier naar zijn huis ging,

besloot hij, door een paar straatjes om te loopen, hem onverwachts

tegen te komen. Dit gebeurde dan ook.

"Goe-morgen, Van Wezel! Al zoo vroeg op pad?" vroeg Cornelis hem op

sarrenden toon.

"Dat zie je; maar wie ben je?"

"Ik? Wel, ik ben Cornelis Joppensz. en ik ga de luiden, die vroeg op

moeten zijn, wekken!"

"Kan ik je dan zoo even niet hebben hooren kloppen in de

Jan-Vossen-steeg?" vroeg Pier, om zoodoende te weten te komen, of de

jongen hem en den Spanjaard misschien ook gezien had.

"Neen, dat niet, ik kom zoo uit de Donkersteeg waar ik Van Schaeck

gewekt heb," antwoordde de jongen. "Maar wat hadt ge zoo vroeg op de

Mare te scharrelen?"

"Ik? Wel nu nog mooier? Zou ik je ook moeten zeggen, jonge borst,

waar ik vannacht geweest ben?"

"Ik wil het niet weten, Van Wezel! Het is zoo maar eene onnoozele

vraag, meer niet!"

"Nu, maar je moogt het wel weten ook. Ik kom van mijnen broeder,

die te Warmond woont en erg ziek is!"

"Zoo! En wie heeft de poort dan opengedaan? Of zijt gij altemet door

de vest gezwommen?"

"Er is toch een portier, dunkt me! Maar weet gij wat, ga de luiden

wekken, anders komt gij overal veel te laat en gij geraakt uwe

prachtige broodwinning kwijt!" Dit gezegd hebbende ging Pier door en

toen hij ver genoeg was om den jongen niet meer te kunnen inhalen,

zoo hij er lust toe gevoelde, riep Cornelis:

"Van Wezel! Van Wezel!"

"Hei, wat is het?" klonk het uit de verte.

"Als gij soms iemand noodig hebt om de luiden in het Convent der

Witte Nonnekens te wekken, denk dan eens om me, zult gij?"

"Ho, kat-aas!" schreeuwde Pier, "dat zal je berouwen," en meteen zette

hij den sarrenden knaap na; doch deze had gezorgd ver genoeg uit de

voeten te zijn om niet ingehaald te kunnen worden, zoodat Pier het

dan ook eindelijk opgaf, en den knaap verwenschende, naar huis ging.

De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood · 第 11 / 31 题