VIJFDE HOOFDSTUK.

Er broedt verraad en onweder.

Intusschen waren nog een paar schippers den Rijn komen afzakken om,

als wind en waterstand zulks toelieten, de brug door te komen. Onder

de laatst aangekomenen was ook de schipper van Leiden op Utrecht,

die zelf meestal niet aanboord was, en alles overliet aan zijnen

meesterknecht Barend Cornelisz. Van Keulen, dien we vroeger reeds

noemden. De man had een moeielijk bestaan, want niet alleen dat hij

voor zijne vrouw, Willempje Jansdochter, en voor negen kinderen, vier

zoons en vijf dochters te zorgen had, had hij Cornelis Joppensz. ook in

huis. En hoe lang al! Toen hij pas gehuwd was, stierf zijne buurvrouw,

de weduwe van eenen Watergeus. Ze liet een kind van anderhalf jaar

geheel onverzorgd achter. Barend en Willempje hadden zich het lot van

het weesje aangetrokken en het zelfs, toen ze eigen kinderen kregen,

niet minder liefde betoond. Schipper Barend kon wel eens ruw zijn,

maar Moeder Willempje was de zachte en weldoende liefde in persoon,

zoodat Cornelis zielsveel van haar hield. Hij was al vroeg van school

gegaan om zijnen Pleegvader te helpen, en geen uurtje had hij verloren

laten gaan, waarin hij zich in lezen, schrijven en rekenen oefenen

kon, want die kennis had hij als schippersknecht hard noodig. Was hij

eenmaal te Leiden aan den wal, nu, dan werd er nog wel eens gespeeld

of een guitenstreek uitgehaald, en zijn beste en trouwste kameraad

daarbij was ons Leeuwke, wiens Moeder eene weduwe was, die, behalve

voor hem, nog voor vijf kinderen te zorgen had.

Zoodra Cornelis de snebbe van schipper Van Schaeck zag liggen, was

hij er dadelijk aanboord gegaan om naar zijnen kameraad te vragen,

en toen hij vernam dat deze uit eieren zoeken was, besloot hij hem

op te sporen en was ook weldra verdwenen in de richting die Gerrit,

volgens Van Schaeck genomen had. Kort daarop kwam Gerrit thuis om

zijnen schipper alles te vertellen, en toen beiden het middagmaal

genomen hadden, ging de schipper een dutje doen en Gerrit, zijnen

vriend vergetende, zocht zich aan den wal te verzetten.

Omstreeks vier uren kwam Van Keulen bij Van Schaeck aanboord.

"Weet ge het nieuws al?" vroeg hij dadelijk aan Van Schaeck. "Het is

eene nare tijding."

"Gij bedoelt den veldslag, die door Graaf Lodewijk moet verloren

zijn? Zou het waar zijn?"

"Maar al te waar, kompeer! Heel het leger van Graaf Lodewijk is

verslagen, en de Graaf, zoowel als zijn broeder Hendrik, moeten

gesneuveld zijn."

"En Graaf Jan?"

"Die schijnt den dans ontsprongen te zijn."

"En de Prins van Oranje?"

"Deze lag reeds in de Bommelerwaard toen hij de tijding van de

nederlaag ontving. De Prins was verpletterd van droefheid, want in

Graaf Lodewijk verliest hij ontzettend veel."

"Ja, en hij niet alleen, maar heel het land; want wie zal nu de

onderhandelingen met vreemde Vorsten voeren? Heer van Marnix zit

gevangen en de Graaf is dood. De toekomst wordt donker, Van Keulen!"

"Dat wordt ze, goede vriend," sprak deze zuchtend.

"Maar zou het wel waar zijn? Een kwaad gerucht wordt altijd vergroot."

"Ik kom van Utrecht en daar is een ijlbode bij den Bevelhebber der

bezetting gekomen."

"Durfdet gij het wagen naar Utrecht te gaan? Toen ik u niet te Woerden

vond, dacht ik dat ge naar Gouda gevaren zoudt zijn."

"Utrecht is, zoo lang als het duurt, wel te genaken, want de Graaf

De la Roche, die nu op het slot Vredenburg het bevel voert, schijnt

werkelijk een man te zijn, die het met de arme inwoners van Utrecht

nog al wel meent."

"Ja, die Utrechtenaars, hoe goed Spaansch ook, moeten zoo nu en dan

nog al eens wat van hunne zoogenaamde vrienden geleden hebben."

"Wát geleden, Van Schaeck? Wát? Neen, ontzettend veel. Ik heb er nu

eens alles haarfijn van vernomen. De kaaskooper, bij wien ik vroeger

altijd mijne kaas bracht, bezocht ik nu weer. Ik had hem in geen

anderhalf jaar gezien, en toen ik hem het laatst zag, was hij een

welvarend man. Nu is hij straatarm."

"Door de Spanjaarden?"

"Ja, door niemand anders. Gij weet niet hoe ze daar huis gehouden

hebben. Hij was begonnen met twee Alferessen (Vaandrigs) in kwartier

te krijgen, arme slokkerds, wier Ouders misschien in Spanje loopen

bedelen. Hier stelden zij zich aan als groote Heeren, en eischten

eene Kapiteins-bediening."

"Wat is dat?"

"Eene afzonderlijke kamer, iederen avond drie dikke kaarsen op tafel

en een groot vuur aan den haard, elken dag een schoon tafellaken en

twee schoone servetten, benevens schoon ondergoed, dat ze niet hadden,

maar eenvoudig aan lappen uit de winkels wegnamen en voor niemendal

lieten naaien. Zij hielden ieder twee bedienden en twee honden,

en die allen moesten onderhouden worden. Voor de Alferessen was het

beste eten nog niet goed genoeg. In anderhalf jaar tijds is de goede

man op die manier niet minder dan drieduizend gulden kwijtgeraakt en

zijne zaak is geheel verloopen."

"Deden ze dat soms, omdat hij een Ketter is?"

"Hij is geen Ketter. Hij is goed Roomsch en den Koning onderdanig

als de beste. Maar juist de aanzienlijkste geslachten in Utrecht,

die allen den Koning getrouw en oprecht Roomsch zijn, worden het meest

afgezet. De Spanjool weet dat daar wat te halen is, want liederlijke

ledigloopers gaan naar de Dons en vertellen daar voor eenig drinkgeld,

wie de rijksten der stad zijn. En wat doen dan die deugnieten? Dan

sturen ze naar zulk eenen Heer de boodschap, dat er een Kapitein

of Alferes in kwartier zal komen, doch dat ze hiervan verschoond

kunnen blijven, als ze twintig gulden, zoogenaamde "servicio-gelden"

aan hen uitbetalen. Dat wordt meestal gedaan en dan steken ook die

schelmen de twintig gulden elke maand in den zak, want ze hebben die

Capitano's en Alferessen maar uit hunnen duim gezogen."

"Dat is schandelijk. Maar klagen de Utrechtenaren dan niet?"

"Zeker! Ze hebben rechtstreeks eene aanklacht bij den Koning ingediend,

doch deze vroeg inlichtingen aan Duc d' Alv en het einde van de

zaak was, dat ze er niets bij wonnen. Eerst na het vertrek van Duc

d' Alv zijn de zaken verbeterd, doch voor velen was het toen al te

laat.--Maar nu verteld hoe ik het groote nieuws vernomen heb. Toen

Requesens hoorde, dat Graaf Lodewijk eenen inval in het zuiden des

lands zou doen, liet hij, dat weten we, Valdez het beleg van ons

goede Leiden opbreken. Eer Valdez zich evenwel met D' Avila vereenigd

had, was Graaf Lodewijk met de zijnen op de Mookerheide den vorigen

dag verslagen, zoodat Valdez, die niet zoo erg tuk op krijgsroem

schijnt te zijn, wel voor Leiden had kunnen blijven liggen. D'Avila

stuurde hem ten minste heen, en nu kwam hij eergisteren met al zijne

benden voor Utrecht, waar hij aan den Graaf De la Roche vergunning

vroeg om binnen de stad te trekken om daar met zijne soldaten uit

te rusten. Maar dat was een tegenvallertje voor den baas. Graaf De

la Roche liet hem weten, dat hij in de stad mocht komen, doch dat

zijn volk buiten moest blijven. Enkelen van zijne soldaten mochten,

maar dan alleen met hun zijdgeweer (zwaard of degen) gewapend, binnen

de poorten treden om een en ander te koopen. En wat heeft hij toen

gedaan? Hij heeft beproefd om de Wittevrouwen-poort te overrompelen,

doch de Magistraat was er met de burgers aanwezig, en heeft onzen

braven man zoo netjes tusschen de poort en de hamei ingesloten,

dat hij daar zat als een vink in de slagkooi. Nu werd hij woedend

en gaf eenen der Magistraats-leden eenen slag in het aangezicht en

dreigde door het kasteel heen binnen de stad te komen. Toen liet de

Gouverneur alle mannen onder de wapenen komen, en zoo zag baas Valdez

zijn heele plan mislukken."

"En waar is hij nu?"

"Nog in de omstreken van Utrecht waar zijn volk zoo schandelijk

huishoudt, dat het met geene pen te beschrijven is, en ik mag van

geluk spreken, dat ik met mijne kostbare lading ongehinderd tot hier

gekomen ben. Maar weet gij, wien ik voor Utrecht gezien heb?"

"Hiernaar is moeielijk te raden. Wien?"

"Den aartsschelm Pier Quaet-Gelaet heb ik er gezien. Hij liep onder

de Spanjaarden te zoetelen, en scheen met eenen Alferes op eenen zeer

goeden voet te staan. Mij heeft hij niet gezien."

"En waarheen zal Valdez nu gaan?"

"Misschien naar Amsterdam om daar uit te rusten."

Van Schaeck schudde het hoofd en zeide: "Neen, maat, hij zal voor

Leiden uitrusten, let op, wat ik voorspel."

"Dan hoop ik vóór dien tijd nog de twee ladingen rogge te kunnen halen,

die ik daar gekocht heb op last van Burgemeester Pieter Adriaensz. De

eene last, dien ik nu brengen zal, helpt niet veel. Maar waarom gelooft

gij nu zoo vast en zeker dat de Spanjaarden weer naar Leiden komen? Mij

dunkt dat Valdez, als hij binnen Utrecht wilde uitrusten, en dat is

vast waar, wel aan rust, maar niet aan belegeren denkt. Alleen die

"Pier Quaet-Gelaet" zou mij ongerust kunnen maken."

"En ik heb ook redenen meer voor mijne ongerustheid," zeide Van Schaeck

en deelde zijnen vriend nu mede, wat Gerrit te weten was gekomen.

Zoo bleven ze nog eenigen tijd met elkander praten en het was al laat

in den middag toen Van Keulen heenging.

Gedurende dit gesprek was Gerrit niet aanboord geweest. Hij had

geholpen om eene vrij kleine tentsnebbe door de brug te wringen en

was daartoe met zooveel jongens aanboord gegaan, dat de kleine schuit

bijna zonk. Hun werk was vergeefsch geweest en de schipper lag weer

voor de brug.

Na het gewone avondeten wilden Van Schaeck en Gerrit reeds naar de

kooi gaan toen Schipper Van Keulen nog eens kwam om te vragen of

Cornelis hier ook was.

"Neen," zei Van Schaeck. "De jongen is voor den middag reeds hier

geweest en toen uitgegaan om Gerrit te zoeken, maar Gerrit is al lang

thuis en heeft Cornelis niet gezien."

"Dan zoekt hij me zeker nog, schipper! Er zit nu niets anders op dan

dat ik op mijne beurt hem ga opzoeken. Hij kon wel eens een ongeluk

gekregen hebben."

"Dat is goed, jongen, maar als gij hem om twaalf uren nog niet

gevonden hebt, dan moet gij naarboord terugkeeren, zult gij? Anders

gaat Cornelis u weer zoeken, en dan komt er nooit een einde aan."

"Goed, Schipper," sprak Gerrit en was weldra in het duister

verdwenen. Eerst meende hij in de richting van het eilandje te gaan,

waar hij het gesprek had aangehoord; doch hij bedacht zich en geloofde

dat hij hem wel ergens anders vinden zou. Hij sloeg derhalve den weg

in naar de schans waarin eenige Engelschen lagen om den Spanjaarden

te beletten uit Utrecht hunnen weg langs den Rijn te nemen en zoo

Holland binnen te dringen. Eene dergelijke sterkte had men ook aan

de Gouwesluis.

Donker staken de wallen der kleine schans, die te midden van

laaggelegen, vlakke weilanden was opgericht, tegen den kalen omtrek

af. Men had hier niet, zooals om Leiden, voor het eerste beleg,

alle gebouwen doen afbreken en alle boomen doen uitroeien om den

vijand geene schuilplaats te verschaffen. Het was vanzelf vlak en

onbebouwd geweest.

Leeuwke was er nog een goed eind van verwijderd toen hij onverwachts

uit eenen slootkant hoorde roepen: "Sst, buk u, ga in het gras liggen!"

"Zijt gij dat dan, Cornelis?" vroeg Gerrit op zachten toon en wel

wat verschrikt door het onverwachte geluid.

"Ja, dat ben ik; maar doe nu wat ik zeg!"

Leeuwke bukte zich en kwam bij zijnen vriend aan den slootkant;

maar vroeg natuurlijk waartoe die grappen toch moesten dienen.

"Het zijn geene grappen," antwoordde Cornelis, "daar ginds in of

bij de schans gebeurt iets, dat niet goed is. Ik heb binnen Utrecht

eenen zekeren Spanjaard, Don Martin D'Ayala, leeren kennen, en dien

heb ik vanmiddag, toen ik u ging zoeken, hier als een gewoon poorter,

die in linnen handelt, zien ronddwalen. Ik ben hem overal nageslopen,

doch dat ging zoo gemakkelijk niet, want hij gaf zijnen oogen goed den

kost. Toch heeft hij mij niet gezien en toen het goed en wel donker

was, heeft hij den heerweg verlaten en is naar de schans gegaan. Hij

is daar nu binnen. Kom bij me, dan kruipen we voorzichtig langs den

kant zoover we kunnen komen. Ik weet, dat deze sloot uitkomt in de

gracht, die om de schans ligt. Wie weet, wat we hooren, en waarmede

we den lande van dienst kunnen zijn!"

De twee jongens kropen nu achter elkander en bereikten, zonder door

den schildwacht gezien te worden, de gracht.

Reeds meer dan een half uur hadden ze daar gelegen en reeds wilde

Leeuwke, die van dat luisteren des middags al genoeg genoten had,

en bovendien lang zoo veel geduld niet bezat als zijn vriend, zich

verwijderen, doch Cornelis wist hem te beduiden, dat de Spanjaard

nog niet weg was en dat hij hier dicht voorbij moest komen. Leeuwke

beloofde nog vierhonderd tellens te wachten; maar dan ging hij heen,

vast en zeker heen.

Eer hij echter tot tweehonderd gekomen was, hoorden de beide knapen

voetstappen naderkomen en een fluisterend gesprek voeren. Ongelukkig

konden de knapen niet verstaan wat er gezegd werd; want die twee

spraken te zacht om zoo ver gehoord te worden. Alleen bij het scheiden

hoorden ze elkander bij den naam noemen, en duidelijk verstonden

beiden de woorden: "Don D'Ayala" en "Swift."

"Ziet ge wel, dat ik gelijk had, Gerrit? Ik wist wel dat die Spanjaard

hier was, en ofschoon wij niet verstaan konden, wat ze met elkander

spraken, toch is het meer dan genoeg, dat we weten, dat die Swift in

het geheim een vriend van den Spanjaard is!"

Het brandde Leeuwke op de tong zijnen makker ook te vertellen, welk

avontuur hij den verloopen middag had gehad, en dat hij dienzelfden

Spanjaard reeds in vrij goed verstaanbaar Nederlandsch, een gesprek

had hooren voeren met dien gluiperigen Jurrie Thijsz. Maar hij dacht

aan de vermaning van Van Schaeck om er met niemand een woord over te

spreken en daarom zweeg hij.

Het was al over elven toen beide knapen, erg opgewonden, aanboord

terugkeerden.

Reeds stond Van Keulen gereed den zwendelaar, zooals hij hem noemde,

een paar oorvijgen toe te dienen, toen Leeuwke uitriep: "Sla hem

niet, schipper! Sla Cornelis niet! Wij zijn beiden zoo laat aanboord,

omdat we in den dienst van den lande uit geweest zijn!"

"Wel, hoor me zulk een haan-kuiken eens kraaien," riep Van Keulen. "En

mag ik van de helden weten, hoeveel Spanjolen ze in het stof hebben

doen bijten?"

"Wij hebben niet gevochten, Vader," zeide Cornelis; "maar wij hebben

een gesprek, dat we niet verstaan konden, afgeluisterd!"

"Komaan, dat vordert, zei Bestje van Katwijk en ze spande eene padde

voor eene priksleê! En noemt gij dat nu in dienst van den lande

werkzaam zijn?" vroeg Van Schaeck.

"Ja, zeker," hernam Cornelis op vrijmoedigen toon. "De een was Don

D'Ayala uit Utrecht, en de andere Swift, een van de Engelsche bezetting

uit de schans!"

"Mogelijk zijn ze van vroeger met elkander bekend en was het slechts

eene vriendschappelijke bijeenkomst," merkte Van Keulen aan.

"Het kan zijn," riep Leeuwke, die nu opeens vergat, dat hij van het

voorgevallene van den verloopen middag zwijgen moest, "het kan zijn,

maar die Spanjaard is dezelfde, dien ik even na den noen in gesprek

gehoord heb met Jurrie Thijsz.!"

"Hebt gij hem dan beide keeren zoo goed gezien?" vroeg Van Keulen.

"Neen, gezien niet, maar ik kon hem goed hooren," was het antwoord.

Terwijl Leeuwke dit zeide, stond Cornelis te kijken, alsof hij eenen

klap van den molen had gehad, en onvoorziens trok hij zijne vriend

opzijde en snauwde hem toe: "En waarom hebt gij me dat daar straks

alles niet verteld?"

"Omdat ik het niet vertellen mocht," zeide Gerrit.

"Goed dat ik het weet, dat gij geheimen voor me hebt," bromde Cornelis

en ging heen.

Van Keulen en Van Schaeck spraken nog met elkander af, om van een en

ander, zoodra ze in Leiden gekomen waren, den Magistraat in kennis

te stellen en na elkaâr een "wel te rusten" toegewenscht te hebben,

gingen ze ter kooi.

Middernacht was al voorbij toen, al vreesde ze gehoord of ontdekt te

worden, eene zwarte gedaante langs de huizen der Bruggestraat liep

en voorzichtig aanboord eener snebbe stapte.

Het was Jurrie Thijsz., die zijne vrienden in Alfen had opgezocht, om

met hen een groot deel van zijn verradersloon in bier of brangdemoris

door de keel te jagen.

De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood · 第 10 / 31 题