"Nu, wáár, wáár, er is zooveel wáár, maar daarom moet ge niet alles
zoo zeggen. En bovendien, ik zeg dat onze Pieter Van Wezel wel een
geweten heeft!"
"Hoort gij dat?" riep Pieter triomfantelijk en liet zich het roemerken
nog eens vullen.
"Maar een geweten, dat alles doorlaat zooals een eiernetje het water,"
vervolgde Van Keulen, "en dan, dan het is zóó een piepertje van een
gewetentje." Hij wees een stukje nagel van zijne pink aan.
Pieter die zich eerst zoo verheugd had, werd nu woedend, en zeide:
"Ja, al wie tegen eenen aap durft zeggen, dat zijne jongen leelijk
zijn, die deugt niet. Zoo gaat het altijd. Maar ik tart iedereen om te
weerleggen, of het den eenvoudigen werkman lijkt, als de Magistraat
zoo willekeurig omspringt met het geld. Nu de coman in zijne comeny
wat zou kunnen verdienen, zoo hij de zetting mocht houden, die de
Magistraat tijdens het beleg verordend heeft, is het dadelijk na
het beleg: "Ieder, die comanschap drijft, is vrij zoo duur en zoo
goedkoop te verkoopen als hij wil." Weg zijn de verdiensten, die
toch wel gebruikt zouden kunnen worden. En of dat alles niet genoeg
is, legt de Magistraat tot groot ongerief en nadeel van de burgeren
gedurende zes maanden eene belasting op alle eet- en drinkwaren. Ik
vraag waartoe dit noodig is?"
"Om de stadskas, die nu schoon ledig is, weer wat aan te vullen,"
sprak Jan Van Hout, de wakkere Secretaris. "Er is geen geld in kas
om ook maar eenen zak rogge te koopen!"
"De Magistraat koopen," schreeuwde Pieter. "De Magistraat heeft niets
te koopen en allerminst koren. Wat zou er mede gedaan worden?"
"U en allen Leidenaars er brood van geven, als de stad alweer belegerd
wordt," antwoordde Van Hout.
Pieter begon luidkeels te lachen en riep: "Alweer belegerd! Een gek,
die dat gelooft! Maar van Secretaris Van Hout, die, geholpen door
zijnen vriend Pieter Adriaensz., den Burgemeester, wil doordrijven
dat de verlaten Spaansche schansen geslecht en tot eigen gebruik
nieuwe aangelegd worden, kan men zoo iets verwachten."
Hierop wendde zich Pieter tot eenen boer, die wel tot de bewoners
van Leiden behoorde, maar toch buiten de stad woonde, en zeide: "Dat
is nu de man, Gerrit, die niet wil hebben, dat gij uw houten huis en
evenmin uwe houten schuur, die ge op bevel van den Magistraat bij het
beleg moest afbreken, in steen opbouwt. Gij moogt hem wel eene kaas
tot dank aan huis bezorgen. Hij woont bij het Wolhuis en is met zijn
negenen. Hij kan dus best een kaasje gebruiken."
Alsof hij de grootste aardigheid gezegd had, begon hij luid te lachen
en zijnen buurman Hendricksz. aanstootende zeide hij tot dezen:
"Die is raak, hé? Als hij eenen goeden zak heeft, kan hij hem vullen."
Enkelen waren er, die ook medelachten, doch de meesten lieten een
afkeurend gemompel hooren en Frans Franszoon, de brouwer uit de
Donkersteeg, sprong op Pieter toe, greep hem bij den strot en riep:
"Slik die lasterlijke woorden in, Glipper, of ik wring je de keel toe."
"Het was m-maar gek-heid," bracht Pieter er met moeite uit, terwijl
hij bloedrood werd.
"Laat dat, Frans," zeide Jan Van Hout. "De man heeft te veel
brangdemoris of courage-water gedronken, en hij weet niet, wat
hij zegt."
"Maar waarom wilt gij niet, dat ik huis en schuur in steen
opbouw?" vroeg nu Gerrit.
"Huisman, wat denkt gij toch weinig na! Hoe zou ik, die maar Secretaris
van Leiden ben, zoo iets kunnen tegenhouden? Mijn goede vriend,
ik heb niets te gebieden of te verbieden."
"Nu, dan verbiedt de Magistraat het, en waarom doet hij dat?"
"Omdat de octrooien van Leiden het verbieden, Gerrit! Meer kan ik er
niet van zeggen."
"Dan moet de Magistraat die octrooien afschaffen," meende Gerrit. "Het
is niets anders dan plagerij."
"Alweer mis, Gerrit! De Magistraat mag op eigen hand die octrooien
niet afschaffen. Dat is het werk van de Staten en van den Prins. Leg
er u dus bij neer, man!"
"Maar waarom mag dat niet?" vroeg Gerrit.
"Omdat de vijand zich bij eene belegering daarin zou kunnen
nestelen. Maar laat ik nu maar over deze zaak zwijgen en wat anders
vertellen. De Magistraat heeft besloten om de schans te Valkenburg
met spoed te versterken, want werkelijk, wij vreezen dat de vijand
terugkomen zal."
"Dat geloof ik niet," klonk hier en daar eene stem. "De Spanjaard
heeft aan dat beleg van vijf maanden zóó zijne bekomst, dat hij zich
wel aan geen tweede wagen zal. Let op mijne woorden: wij blijven vrij!"
Pieter Van Wezel knikte met eene kleine beweging van het hoofd
toestemmend en bromde: "Dat heb ik al zoo lang geleden gezegd en
niemand gelooft mij."
"Als gij nooit iets anders dan waarheid gesproken hadt, Pieter,"
zeide Van Hout nu weer, "dan zou iedereen u gelooven. Maar ik heb
toch wat voor u!"
"En dat is?"
"Gij hebt de Heeren van de Gerechte en den Magistraat gevraagd om
onder de Engelschen, die in de schans te Valkenburg liggen, te mogen
zoetelen. Hier is het bewijs, dat gij moogt. Ik wensch u eene goede
comanschap!"
"En hoeveel spionnen zal men mij nazenden?" vroeg Pieter driest.
"Wel, man, niet éénen! Gij staat hier in Leiden bij hoog en laag zóó
goed aangeschreven, dat iedereen u gerust zijn laatste grootje in
bewaring zou durven geven," sprak Van Hout lachend.
"Ei, de laatste koperen grootjes zeker, die ook al ingewisseld werden
om door slecht geld van valsche munters vervangen te worden."
"Is dat mensch nu nog dronken, Van Hout?" riep Van Keulen en stond
al gereed om den lasteraar, die bovendien geen sterk en kloek gebouwd
man was, bij den kraag te vatten.
"Zeker, Van Keulen, hij is dronken en niet recht goed bij zinnen! Breng
den goeden man naar huis en leg hem te bed, anders verslaapt hij
morgenochtend zijnen tijd en een ander zoetelaar doet hem achter het
net visschen. Ik wensch u allen eenen goeden avond."
Van Hout door verscheidene anderen gevolgd verliet de herberg waar
Pieter Van Wezel alleen met zijne vrienden achterbleef.
Onder die achterblijvers behoorden ook enkele soldaten, die met hun
vendel dienst gedaan hadden in de afgeloopen belegering. Reeds kort
na het opbreken van het beleg hadden de verschillende vendels bevel
gekregen om naar Woerden, Delft, Brielle of andere plaatsen heen te
gaan. Verreweg de meesten hadden hieraan voldaan en, waren tot groote
vreugde der burgerij, de stad uitgetrokken. De anderen waren tot heden
onder allerlei voorwendsels in de stad gebleven en leefden ten koste
der burgers, die hiertegen niet weinig morden, want ze meenden dat
ze zoowel door het beleg van Haarlem, als door hun eigen beleg, nu
al lang genoeg die vreemdelingen binnen de poorten gehad hadden. Nog
altijd heeft de groote menigte wat tegen de soldaten en beschouwt ze
eigenlijk als een bijzonder soort van menschen, die niet zoo goed
en minder te vertrouwen zijn dan gewone burgers. Dat is stellig in
onzen tijd zeer verkeerd gezien, doch in die dagen was het maar al
te zeer waar. Wie te lui of te onverschillig was om in het eene of
andere gilde een ambacht te leeren, verhuurde zich als soldaat aan dat
land, dat het meeste betaalde of aan dat Legerhoofd, dat de meeste
plunderingen toeliet. Daarom werd er bij de overgave van eene stad
aan den vijand ook eene zekere som gelds gegeven om de plundering af
te koopen. Had de overwinnende vijand die som niet betaald, en wilde
hij van geen afkoopen weten, dan waren de overwinnaars nauwelijks in
de stad of ze drongen, zonder daartoe verlof te vragen, alle huizen
binnen, namen mede wat van eenige waarde was, vernielden het overige
en bedreven met de bewoners de wreedste baldadigheden. En zulke ruwe
gasten moesten ook door de burgerij binnen de stad genomen worden,
als ze belegerd zou worden. Kazernen had men in dien tijd niet,
zoodat ze bij de burgers tegen eene kleine vergoeding ingekwartierd
werden. Het was dus geen wonder, dat die van Leiden met vreugde
hoorden dat de soldaten vertrekken moesten en met leedwezen zagen,
dat enkelen er wat op gevonden hadden, te blijven. Dat dezen niet
vriendelijk behandeld werden, spreekt vanzelf.
Nauwelijks waren Van Hout en zijne vrienden heengegaan of de
Bevelhebber van de afdeeling Leidsche vrijwilligers, die met hun
allen slechts zesentachtig man uitmaakten, trad binnen en bracht
den soldaten het bevel, dat ze kort en goed te zorgen hadden, dat ze
binnen de vierentwintig uren de stad verlaten hadden.
"Jawel," bromde een soldaat, "we mogen hier wel zijn om lijf en leven
te wagen, als de nood aan den man is, maar is de nood voorbij, dan
kunnen we een heenkomen zoeken."
"Het ergste nog niet," liet een ander zich hooren. "Lijf en leven in
een eerlijk gevecht wagen, bah, een lafaard, die er tegen opziet. Maar
honger lijden, dat men er scheel van wordt en vechten bovendien, ja,
dan zijn we goed, dan zijn we "goeman" voor en "kompeer" achter. Doch
zijn de vetpotten er weer en is de vijand weg, dan zou ieder burger
wel eenen bezemsteel willen nemen en ons, onder het geschreeuw van:
"Pak je weg, gespuis," de poorten willen uitjagen."
"Mij krijgen ze de stad niet uit," zeide een derde. "Ik zou wel eens
willen weten, wie het wagen zou, mij met geweld de poorten uit te
jagen. Dat zou ik willen weten!"
Hij sloeg met den harden lederen handschoen zóó hevig op de tafel,
dat de bierkannen er van opwipten.
"Het is mij om het even of gij wilt of niet, man," zeide Meester
Andries Albertsz., de Bevelhebber. "Inplaats van Cornelis Adriaensz.,
den trommelslager, dien gijlieden niet schijnt te verstaan of te
hooren, want hij is verscheidene reizen te vergeefs geweest, kom ik
zelf het bevel van den Magistraat brengen. Ik weet nu dat gij mij
verstaan en gehoord hebt. Wilt gij nu niet vrijwillig uittrekken,
wacht dan de gevolgen af. Goeden avond!"
Meester Andries Albertsz. was geen man om er mede te spotten, en
waar een ander zich nog door eenig gevaar liet weerhouden, daar wist
hij van geene vrees en hij deed wat er te doen was. Dat wist Pieter
Van Wezel ook wel, doch de deugniet had er een bedoeling mede om de
soldaten in hunne koppigheid te stijven, en daarom zeide hij, zoodra
de Bevelhebber weg was: "Zou men niet zeggen, dat die Meester Andries
voor Veldheer in de wieg gelegd is? Één ding is jammer."
"Wat is jammer?" vroeg een soldaat.
"Dat de Prins hem niet aanneemt om, inplaats van Graaf Lodewijk, die
nu eens hier dan daar is, aan het hoofd van een leger te staan. Hij
heeft nu met alles en alles slechts zesentachtig man onder zijne
bevelen, en als gij,"--hij tikte den soldaat, die zoo dapper met
zijnen handschoen kon slaan, op den schouder--"eenvoudig zegt: "Komt
eens nader, als gij durft," dan loopen ze alle zesentachtig met den
Bevelhebber aan het hoofd, zoo gauw weg als ze maar kunnen. Het is
eene bende koekbakkers, en ik, al ben ik maar een eenvoudig schipper
op eene tentsnebbe of, zooals nu, zoetelaar, ik wil wel zeggen dat
ik ze sta, en allemaal tegelijk ook."
Toen Pieter dat zoo zeide, trok hij een heel dapper gezicht, doch
geheel dat krijgshaftig voorkomen was in een oogenblik verdwenen,
toen Meester Van Aecken, de waard, hem bij den kraag greep en met de
woorden: "Geene ophitserij hier, manneke," buiten de deur zette. Hierop
keerde hij terug en zich tot de negen of tien soldaten wendende,
zeide hij: "Mag ik u verzoeken mijne herberg te verlaten, mannen?"
"En als wij nu niet willen, gij, wijn- en biervervalscher?" zeide
de dappere handschoen-man, terwijl hij uittartend de beide beenen op
tafel legde en brutaal lachend Meester Van Aecken aankeek.
Meester Van Aecken zeide niets, doch de deur naar zijne werkplaats
openende, riep hij: "Toe, jongens, komt me eens even een handje helpen
om windbuilen op straat te gooien!"
"Goed, Meester," klonk het, en bijna op hetzelfde oogenblik traden
vier forsche gezellen, met een schootsvel voor, in de gelagkamer.
"Ik neem dien man met de beenen op tafel voor mijne rekening," zeide
Meester Van Aecken. "De anderen zijn voor u."
Pas was dit gezegd of de handschoen-held spartelde als een paling
in de ijzeren vuisten van den goudsmid en, eer de dappere man er
aan dacht, lag hij al op straat, waar hij gevolgd werd door al
de anderen. Meester Van Aecken sloot de deur en zeide: "Dank u,
mannen! Dat is weer gebeurd."