Van Aecken, die, als het in de herberg wat druk liep, zijnen winkel en
gereedschappen verliet om vrouw en dochter in het bedienen te helpen,
keek bij Pieters geroep op, en toen hij dezen zijn roemerken omhoog
zag houden, kwam hij met de brandewijnflesch naar den hoek, waar de
twee zaten en vulden het roemerken tot even beneden den rand.
"Nog niet genoeg verdiend gedurende het beleg om uwen gasten halfvolle
roemerkens te geven voor het geld van volle?"
Meester Van Aecken, die eigenlijk eenen ekel aan Pieter had en liever
zag, dat hij "De Wissel" voorbijging dan dat hij er intrad, sprak
geen woord en wilde zich verwijderen.
"Hei," riep Pieter, "geef gij het soms voor niemendal?"
"Wat geeft gij voor niemendal?" vroeg Van Aecken norsch.
"Ik? Liever niets, maar ze dwingen arme schippers en zoetelaars wel
om tegen hunnen zin en tot hunne groote schade, al te dikwijls wat
voor niemendal te geven."
"Het zal best met Pieter Van Wezel schikken," zeide Van Aecken en
wilde weer heengaan.
"Neen, neen," riep Pieter. "Hier is geld!"
Meteen wierp hij eenen papieren gulden op de tafel.
"Niet gangbaar meer," zeide Van Aecken en liet het papieren muntstuk
eenvoudig liggen.
Pieter Van Wezel wist zeer goed, dat reeds den achtentwintigsten
Maart bekend was gemaakt, dat ieder, die vóór "sonnen-onderganck" de
papieren Munt niet ter bestemder plaatse had ingewisseld, daarvoor
later geene vergoeding zou krijgen. Met opzet nu had hij dat niet
alleen nagelaten, maar heel in stilte had hij zelfs bij enkelen, die
dit vergeten hadden te doen, die papieren Munt voor eene kleinigheid
afgekocht. Toch hield hij zich, alsof hij er in geloopen was, en
eenen handvol papieren guldens en kwartjes uit den buidel halende,
wierp hij die driftig op de tafel en zeide: "Niet gangbaar? Niet
gangbaar? Wat moet ik er dan mede doen?"
"Bewaar ze als rariteiten, Van Wezel," riep Hendricksz. vroolijk
lachend uit.
"Zeker ter eere van hem daar,"--hij wees op Van Aecken,--"die de
stempels van deze vodden gesneden heeft. De man wist, wat hij
deed. Stempelsnijder en beurzensnijder was bij hem één stiel
(ambacht)."
Hendricksz. verschrikte van dat brutale gezegde en keek Van Aecken
vragend aan.
Van Aecken echter glimlachte en zeide: "Denkt gij, Hendricksz.,
dat ik er mij iets van aantrek? Niets man! Glippers mogen mij alles
verwijten; een fatsoenlijk mensch schaamt er zich voor om er ook maar
een oogenblik naar te luisteren."
"Ik een Glipper?!" riep Pieter en sprong zoogenaamd woedend op. "Een
schelm, die dat durft zeggen! Maar weet gij, wie hier in Leiden
dadelijk Glipper heet? Dat is iedereen, die maar wat durft aanmerken
op hetgeen Mijne Heeren van den Gerechte of van den Magistraat believen
te besluiten.
"Ziedaar, hier op tafel ligt eene ronde som van vierentwintig gulden
aan papieren munt. Staande het beleg heb ik ze aangenomen, als een
burger, die het oprecht meent met stad en land. Ik vertrouwde er op,
ze later te kunnen inwisselen tegen goede, klinkende munt."
"Dat hebt ge toch al veertien dagen lang kunnen doen, nietwaar?"
Met deze woorden mengde zich Schipper Gijsbert Cornelisz. Van
Schaeck in het gesprek, nadat hij het al dien tijd met aandacht
gevolgd had, doch zich hield, alsof het hem niet aanging. Hij was
eenvoudig vrachtschipper van Leiden op Utrecht, maar stond bij
dat deel der bevolking en van den Magistraat, dat Prinsgezind was,
hoog aangeschreven, terwijl zelfs al de anderen gaarne met hem te
doen hadden, omdat hij onkreukbaar eerlijk en buitengewoon oprecht
was. Iedereen wist, wat men aan hem had, en niemand achtte er hem
te minder om, dat hij zulk een ijveraar was tegen den Hertog van
Alva en al wat Spanjaard was. Hijzelf zou ook niemand minder achten,
als hij Roomsch of Spaanschgezind, of wel Geus en Hervormd was.
"Elk mensch moet vrij zijn om te denken, wat hij wil," zeide hij
altijd. "En als ik nu graag zie, dat niemand het mij euvel duidt,
dat ik met hart en ziel tegen Alva en zijnen aanhang gekant ben,
dan moet ik het een ander ook niet euvel duiden, als hij tegen den
Prins is. Zóó behoort het. Maar .... eerlijke wapenen, man, eerlijke
wapenen! Niets zijn in het verborgen, om dan rond te sluipen bij
nacht en ontij als eene kat, die naar eene prooi zoekt."
Zoo redeneerde Schipper Van Schaeck, en dat wist even goed de
Spaanschgezinde Jonkheer van Mathenesse, als de Prinsgezinde Jonkheer
Johan van der Does,--dat wist even goed de Calvinistische Predikant
Petrus Cornelius als de Eerwaarde Immetgen Ruelen, de Mater of Abdis
van de Nonnekens in het "Graeuwe Sustershuys", en toch was Van Schaeck
altijd en bij allen de graag gewilde Schipper.
Heel anders was het met Pieter Van Wezel, die Roomsch en in stilte
Spaanschgezind was. Zelfs zijne geloofsgenooten en zij, die evenals
hij, den Spanjaard dienden of achtten, lieten hem, als Van Schaeck
kwam, links liggen, en die van de tegenpartij keken in het geheel niet
naar hem om, dan om hem gedurende het beleg in zijn doen en laten na
te gaan.
Dit griefde Van Wezel, die ook van Leiden op Utrecht voer, niet weinig,
en daarom kon hij Van Schaeck niet lijden.
Toen dan Van Schaeck zoo zeide dat er al veertien dagen lang
gelegenheid bestaan had om het papieren geld tegen klinkende munt
in te wisselen, stoof Pieter op en riep: "Inwisselen voor valsch
geld? Nooit! Die van den Gerechte en den Magistraat mogen het voor
zichzelven verantwoorden kunnen, dat ze valsche munters zijn, mijn
geweten is zoo ruim niet om het aan te nemen of uit te geven. Zeg nu
ook eens wat, als gij kunt."
Deze uittartende vraag gold onzen Van Schaeck en deze zeide heel leuk:
"Gij hebt gelijk, Van Wezel, uw geweten is zoo ruim niet, want gij
hebt er in het geheel geen."
Op dit scherp gezegde ontstond onder de aanwezigen een luid gelach.
"Verdraaid, Gijs, wat zijt gij scherp uitgevallen," klonk nu eene
andere stem. Het was die van Barend Cornelisz. Van Keulen, zetschipper
op de marktschuit van Leiden op Utrecht en niet alleen een oud bekende,
maar ook een goed vriend van Van Schaeck.