Echte leeuwen op den weg.
De soldaten, niet veel meer of beter dan de herberg uitgegooid, waren
woedend en wilden hunne wraak al gaan koelen op de vensterluiken en
ramen van "De Wissel" toen ze de burgerwacht zagen naderen, en al
bestond die ook nu, volgens Pieter Van Wezel, uit acht "koekbakkers"
toch besloten ze om maar niet in aanraking met hen te komen en heen
te gaan.
"Gaat met mij mede, mannen," zeide Pieter, die opeens te voorschijn
trad, "ik weet nog wel eene taveerne waar de waard weet, wat een
soldaat toekomt."
"En verkoopt die brangdemoris?" vroeg een soldaat.
"Verkoopen? Ja, en duur ook aan domme mannen, die het met de Regeering
houden. Maar soldaten rekent hij geen grootje voor eene mingel."
De soldaten keken hem ongeloovig aan en dat was, waarlijk, geen
wonder. Eene mingel was bijna eene halve kan en kostte ongeveer twaalf
stuivers. En zooveel zou hij geven voor nog minder dan een grootje
of halven stuiver? Gekheid, als er zulk eene taveerne of herberg was,
dan hadden ze het immers al lang geweten?
Pieter keek hen lachend aan en zeide: "Nu ja, voor eenen enkelen
keer geeft hij het om niet. Er zijn hier tweeëntwintig herbergen
of taveernen in de stad, maar de Magistraat weet er maar van
eenentwintig. Die eene is er in stilte, en de waard Jurrie Thysz., ook
een schipper, is een heel goed vriend van me. Hij weet den brangdemoris
stilletjes binnen de poort in huis te krijgen, en betaalt er geene
stadsbelasting voor. Ik heb dan ook bijna al mijn brangdemoris,
waarmede ik morgen ga zoetelen, van hem. Op die manier zit er voor
een arm man, als ik ben, nog wat winst op."
De soldaten geloofden hem en volgden hem naar de buurt waar die
Jurrie Thysz. woonde, en dat was bij de Coebrugsgraft, niet ver van
de Zijlpoort.
Terwijl dit op straat vóór "De Wissel" gebeurde en Meester Van Aecken
nog bezig was de deur te sluiten, trad door de achterdeur een jong
Edelman met een vriendelijk voorkomen binnen, en zoodra hij Meester
Van Aecken zag, zeide hij: "Ik ben maar dadelijk achter op het erf
gereden en heb mijn paard aan den stalknecht overgegeven. Gij hebt
zeker voor dezen nacht nog wel eens logies voor me?"
Hij, die daar binnentrad en die woorden sprak, was Jonker Johan van
der Does, Heer van Noordwijk en in Leiden zeer goed bekend, daar
hij er ook eene woning had, welke hij met zijn gezin des winters
betrok. Nauwelijks echter was April in het land of hij en de zijnen
gingen te Noordwijk wonen om daar van het buitenleven te genieten. Op
het oogenblik van ons verhaal was hij nog geen negenentwintig jaar oud.
Meester Van Aecken maakte eene beleefde buiging en zeide: "Zeker, Heer
van Noordwijk! De tijden zijn nog niet zóó, dat al mijn slaapkamers
bezet zijn; maar ik dacht dat uw huis hier in de stad al klaar was."
"Ja, het is klaar. Zoodra we naar buiten gingen, dat was dadelijk
na het beleg, is het werkvolk al gekomen, doch nu is er geverfd en
ik slaap niet graag in een vertrek waar de verf nog niet bestorven
is. Maar, hoe komen die soldaten daar op straat? Ik dacht dat ze
allen weg waren. De Magistraat heeft er toch bevel toe gegeven?"
"Ja, Uwe Edelheid, dat is zoo; maar dat zijn ontevreden achterblijvers,
die van alles bedenken om toch maar niet naar hun vendel terug te
keeren. Zoo even is Kapitein Andries Albertz. echter hier geweest en
heeft hun gelast binnen een etmaal te vertrekken."
"Maar wat voeren ze nu uit? Ze schijnen het op uw huis verzien
te hebben?"
"Ik heb ze de deur uitgeworpen, Uwe Edelheid! Ze beleedigden den
Magistraat en dat kan ik niet hooren."
"Maar welk afschuwlijk leelijk man spreekt daar met hen?"
De waard keek op straat en zeide: "Dat is Pieter Van Wezel, Edele
Heer! Hij is bijgenaamd "Pier Quaet-Gelaet."
"Ha, de beruchte Glipper?"
"Ja, Uwe Edelheid! En nu doet de schelm niets anders dan verdeeldheid
zaaien."
"Zie, hij neemt de mannen mede! Ik gaf wel wat, als ik wist waar
ze heengaan."
"Daar is kans op, Uwe Edelheid! Ik zie daar twee jongens aankomen,
die er als voor geknipt zijn. De een is Cornelis Joppensz., een arme
wees, die van zijne eerste kinderjaren liefderijk verpleegd is ten
huize van Barend Van Keulen, meesterknecht op de marktschuit van
Leiden op Utrecht. Hij noemt zijne Pleegouders Vader en Moeder en
hij kon het bij eigen Ouders waarlijk niet beter hebben. De ander is
Gerrit Verlaen, die knecht is op de schuit van Gijsbert Cornelisz. Van
Schaeck. Beide jongens varen al jaren mede en de schippers hebben
wel gezorgd, dat ze echte Prinsgezinden zijn."
"Ze zijn tenminste in goede handen. Ga, stuurt hen er op uit en
laten ze dan hier komen om te zeggen, wat ze gezien hebben. Maar,
beveel hen voorzichtigheid aan, hoort ge? Die Glippers zijn meestal
uitgeslapen vogels."
Meester Van Aecken begaf zich naar de voordeur en kort daarop zag
men twee jongens de soldaten en Van Wezel voorzichtig nasluipen.
"Geen nieuws in de stad sedert verleden week?" vroeg Van der Does aan
Van Aecken toen deze binnengekomen was en eene kan wijn voor zijnen
gast had nedergezet.
"Neen, Uwe Edelheid! De Magistraat is nog altijd verdeeld in twee
partijen. De sterkste is die, welke, òf uit opzet, òf uit onkunde
volhardt, in het geloof, dat de Spanjaarden zich aan geen tweede
beleg zullen wagen."
"Laat men daarom de schansen van den vijand onaangeroerd? Mij dunkt
dat het noodzakelijk is dat ze geslecht worden."
"Zoo denken Burgemeester Pieter Adriaensz. en Secretaris Van Hout er
ook over, doch ze ontvangen te weinig steun om de zaak door te zetten."
"En het geschil over het koopen van koren?"
"Nog in het geheel niet bijgelegd. Er is trouwens ook te weinig geld
in de stadskas om veel koren te koopen."
"De nieuwe munt schijnt in Holland niet gewild te zijn, al heeft
Zijne Excellentie er ook hare goedkeuring aan geschonken."
"Wat zal ik u zeggen, Uwe Edelheid? Als mannen, zooals Pier
Quaet-Gelaet, de onnoozele Leidenaars weten te bepraten om de papieren
munt niet tegen het nieuwe geld te laten inwisselen, dan zeggen ze
daar buiten: "Als de Leidenaars zelven die munt niet vertrouwen,
waarom zouden wij het dan doen?"
"Dus gij denkt, dat nog niet al het papieren geld ingewisseld is?"
"Nog lang niet, Uwe Edelheid! Pier Quaet-Gelaet had er nog eenen
buidel vol van en zeide dat hij het niet verkoos in te wisselen."
"Die jammerlijke opruiers toch! Als die er niet waren, zouden de
zaken heel anders loopen."
"Maar heeft Uwe Edelheid nog al wat vertrouwen op de Fransche hulp?"
"Niet veel, Van Aecken! Frankrijk kijkt Engeland, en Engeland kijkt
Frankrijk naar de oogen. Beiden hebben den mond vol van de schoonste
beloften, maar als het op krachtige hulp aankomt, dan blijkt het dat
beloven en doen twee is."
"Uit Frankrijk heeft Graaf Lodewijk toch nog al geld medegebracht,
Uwe Edelheid!"
"Zeker! Maar hoe groot die som ook wezen moge, ze is niet meer dan
eene boon in den brouwketel. Zijne Excellentie kan zelf zoo goed als
niets bijzetten. Hij was eens een rijk Prins; hij is nu een arm Vorst."
"Als Graaf Lodewijk in het begin maar wat geluk heeft, dan zal het
met dat geld wel schikken. De soldaten zullen dan door plundering
hunne achterstallige soldij wel krijgen."
"Ja, als Graaf Lodewijk een plunderaar van beroep was, maar dat is
hij niet. Wel is hij, als de beroemde Franschman, Pierre du Terrail,
Chevalier de Bayard, een Ridder zonder vrees of blaam, maar al wie
Alva of Requesens met eenige vrucht beoorlogen wil, moet nog iets
meer zijn dan dat."
"Die Requesens schijnt dan toch niet te zijn, die hij lijkt?"
"Dat laat nog al wat te wenschen over, Van Aecken! Trouwens de
lastbrief, dien Requesens mede kreeg, luidt niet anders dan die
van Alva. Ik vermoed zoo, dat Requesens niet uit liefhebberij
beulenwerk zal laten verrichten, doch dat hij, uit menschlievendheid
de Nederlanders zachter behandelen zal, dat geloof ik ook niet."
"Toch liet hij het standbeeld, dat Alva zich tot eigen eer oprichtte,
neerhalen."
"Dat zegt zoo goed als niets. Alva heeft in Spanje machtige vijanden,
en Requesens kan even goed een vijand van hem zijn, en die vijandschap
kan oorzaak zijn van het neerhalen van het beeld."
"Hij deed er toch velen Nederlanders evenwel een groot genoegen mede."
"Juist, en hierop zal Requesens ook wel gerekend hebben. En als iemand
ons een genoegen doet, dan willen we wel eenige zijner gebreken over
het hoofd zien. Zoo wordt de heele neerhaling van het beeld niet veel
anders dan eene staatkundige daad."
"De druppel honig om de vliegen te vangen?"
"Ja, of nog beter, het schelvischken, dat men uitwerpt om eenen
kabeljauw te vangen."
"Ziet u de toekomst dan donker in, als ik Uwe Edelheid vragen mag?"
"Donker en donker is twee, Van Aecken! Toen de Watergeuzen Brielle
hadden ingenomen, waren er enkelen, die dat de "dageraad der Vrijheid"
noemden. Ik vind dat het nog schemert en dat de schemering verbazend
lang duurt."
"Veel zal afhangen van hetgeen Graaf Lodewijk met zijn leger uitvoert."
"Dat zal het ook, doch ik vrees, dat het met die onderneming niet
te best zal afloopen. Zijne Excellentie zelve moet er niet veel
van verwachten."
"Maar als de onderneming, wat we waarlijk niet hopen, toch mislukt,
Heer van Noordwijk, wat zouden dan de gevolgen zijn?"
"Van Aecken, ik geloof zoo, dat gij mij naar den bekenden weg
vraagt. Gij denkt over alles, zooals ik en wilt alleen maar meer
zekerheid voor uw geloof hebben. Gij denkt, en ik denk het ook,
dat Leiden dan alweer zal belegerd worden. Gij hebt weinig hoop op
de hulp met Fransch geld, en ik ook, en zoo gelooven wij beiden,
dat binnen betrekkelijk korten tijd Leiden, ten tweeden male, zal
belegerd worden."
"Uwe Edelheid, het is zoo. Ik weet het bijna zeker, dat we eenen bangen
tijd tegemoet gaan, en het is zoo waar als ik hier voor u sta, dat
"Pier Quaet-Gelaet" en zijne vrienden nu al aan het werk zijn. Zij
doen alles, wat ze kunnen, om de zorgeloosheid te doen toenemen."
"Hoe leggen ze dat aan?"
"Ze doen niets dan kallen over het feest, dat plaats zal hebben bij
gelegenheid van de monstering en den "ommegang" der schutters en
de daarop volgende vrije jaarmarkt. Zij beloven gouden bergen van
dat feest, en, lacie, het lichtgeloovige volk gaat zich op eenen
vreugdedag voorbereiden, inplaats van op dagen, weken en maanden van
strijd en nood. Ze .... maar daar zijn de jongens terug. Zal ik hen
hier laten komen of zal Uwe Edelheid zelve naar de voordeur gaan?"
"Laat de jongens hier komen, Van Aecken! Ik wil wel eens wat met hen
praten. Jongens durven overal komen, en ze zien en hooren veel meer
dan wij wel denken. Geef hun ieder eene kan bier!"
Van Aecken liet de beide jongens in de gelagkamer komen, waar ze
stellig Jonkheer Van der Does niet gewacht hadden te zien.
Jonkheer Van der Does keek gedurende eenige oogenblikken de beide
forsch gebouwde knapen aan, en blijkbaar deed hij dat met welgevallen.
Gerrit Verlaen, die zoo ongeveer zestien of zeventien jaar oud kon
zijn, was slank van gestalte, doch wat hij ook aan kracht mocht missen,
scheen hij door vlugheid meer dan goed te kunnen maken. Zijne oogen
stonden hem helder en flink in het hoofd en hadden iets over zich
dat terstond aan wat uittartends denken deed. Geen spelletje, zoo
gevaarlijk, of Gerrit waagde het; geen boom zoo hoog of hij klom tot
in het topje; geen sloot zoo breed of hij durfde er over springen,
en juist, als men dacht: "nu zal hij zijne waaghalzerij toch met een
ongeluk moeten betalen," wist hij zich door zijne voorbeeldelooze
vlugheid uit den brand te helpen. Het was vooral daarom, dat Gerrit
onder zijne makkers den bijnaam had gekregen van "Leeuwke".
Cornelis Joppensz., even oud als "Leeuwke," was niet zoo lang, doch
veel sterker van lichaamsbouw, en wat deze aan vlugheid miste, zou
hij stellig door kracht vergoeden. Dat getuigden de breede schouders,
de dikke nekspieren en de volle kloeke handen. Zijn oogopslag was niet
guitig en slim, zooals van "Leeuwke", maar eer brutaal en driest. Men
kon het hem aanzien, dat hij zich nimmer aan daden wagen zou, waarbij
behendigheid noodig was, maar dat hij altijd te vinden zou zijn,
daar, waar met moed en kracht wat te bereiken viel.
"Zet u jongens, en laten we eens een oogenblik met elkander praten,"
zeide Jonkheer Van der Does, en zoodra ze gezeten waren, vroeg hij
hun vriendelijk: "Van waar kwaamt gij samen toen Meester Van Aecken
u aanriep?"
"Wel, Uwe Edelheid, morgen ga ik met Vader alweer met de schuit naar
Woerden of Utrecht, en mijn vriend Gerrit gaat er ook heen, maar met
Schipper Gijsbert Cornelisz. Van Schaeck. Daar de reis wel lang duren
zal, zoo wilden Gerrit en ik nog wel eens een paar verlaten schansen
zien vóór we vertrekken; later komt er misschien niet van."
"En waarom zou de reis lang duren, vriendje? Zoo veel te laden?"
"Dat ook wel, Uwe Edelheid," antwoordde Gerrit, "want er is hier van
allerlei noodig, en iedereen wil het eerst geholpen zijn. Maar daarom
duurt de reis zoo lang niet. Er is gauw wat geladen."
"Wat is dan de oorzaak?"
"Te Alfen hebben ze eene akelige brug over den Rijn, Uwe Edelheid! In
het voorjaar, als het water hoog is, kunnen de schuiten er niet door
en moeten ze soms dagen blijven liggen eer ze naar Leiden kunnen
doorvaren."
"Dat alles is Zijne Edelheid bekend, manneke," zeide Van Aecken. "Of
weet gij niet dat de Heer van Noordwijk Dijkgraaf en Hoogheemraad
van Rijnland is?"
"Neen," antwoordde Cornelis, "dat wist ik niet."
Jonkheer Van der Does hoorde dit alles bedaard aan, doch welk eene
vrij groote macht hij ook, als Dijkgraaf en Hoogheemraad, bezitten
mocht, aan het veranderen van die brug kon hij niet veel doen, daar
de belangen van het heele waterschap soms heftig konden tegengewerkt
worden door de belangen van de talrijke Heerlijkheden, die men in
Rijnland vond. Hij zeide er dus niets op, maar vroeg: "En hoe zijt
gij in die schansen gekomen?"
"Wij hebben de boot gevraagd van Cornelis Jansz., die op de "Hogewoert"
woont, en deze zelf is met ons medegegaan."
"Ja, en onderweg hebben we Mees nog opgenomen. Deze zat te peuëren,
doch ving niets," sprak Gerrit.
"Welke Mees?" vroeg Van Aecken.
"Mees, de klapperman, die op "Marendorp" woont."
"En wat heeft die heldhaftige krijgsman wel gezegd?" vroeg Jonkheer
van der Does met een spotachtig glimlachje.
"Hij heeft ons alles uitgelegd, Uwe Edelheid! Want, ziet u, die oude
Mees weet van oorlogen af. Hij heeft onder Keizer Karel gediend en is,
zegt hij, zelfs in Rome geweest om den Paus gevangen te nemen. Kan
dat waar zijn, Uwe Edelheid?"
"Dan diende hij onder eenen anderen Karel, en wel Karel van Bourbon
en het is moeielijk uit te maken of die gevangenneming geschiedde
met goedvinden van Keizer Karel, ja of neen."
"Dat zei Mees ook, Uwe Edelheid, en dan zal hij ook wel dien Karel
van Bourbon bedoeld hebben. Maar later ging hij toch in dienst van den
Keizer en van Koning Filips," zeide nu Gerrit. "Hij werd in den slag
bij Saint Quentin gewond en kwam toen, na dertig jaar lang soldaat
geweest te zijn, in Leiden."
"En hoe zien de schansen er van binnen uit?" vroeg Jonkheer van der
Does nu. "Hebben ze niet veel door weer en wind geleden?"
"Wel neen, Uwe Edelheid," hernam Gerrit. "Mees zei: Als de Spanjaarden
terugkomen, zullen ze de Leidenaars niet voor "Schansenschenders"
schelden. Hij vond maar één ding jammer."
"En wat was dat dan?"
"Wel, hij vond het jammer, dat de Leidenaars niet afgemaakt hebben,
wat de Spanjaarden er onvoltooid aan lieten. Mees meende dat dit wel
zoo mooi zou geweest zijn."
"Die oude Mees kan ondeugend wezen," sprak van der Does. "Maar
vertel me nu eens, weet gij waar Pieter Van Wezel met de soldaten
heengegaan is?"
"Ja, Uwe Edelheid, ze zijn met hun allen in het huis van Jurrie
Thijsz. gegaan. Jurrie Thijsz. de schipper, weet u, die op de
"Coebrugsgraft" woont. Die houdt een sluikertje."
"Een sluikertje? Wat is dat?"
"Hij verkoopt in stilte aan het soldaten-volk brangdemoris, Uwe
Edelheid!"
"Kom, hoe zoudt gij dat weten?"
"Wij hebben wel eens op den loer gestaan en de lui er heel raar
vandaan zien komen."
"Maar waarom noemt gij dat een sluikertje?"
"Omdat hij den brangdemoris binnen de stad brengt zonder er belasting
voor te betalen."
"Kom, jongen, gij verzint maar wat?"
"Neen, Uwe Edelheid, het is waar! Nietwaar, Cornelis?"
"Ja, Uwe Edelheid, dat is zoo! En er zijn hier in de stad nog meer
sluikertjes. Maar ieder, die een sluikertje houdt, is een glipper of
zal een glipper worden."
"En denkt gij dat die soldaten daar nu zijn om brangdemoris te
drinken?" vroeg van der Does.
"Ja, Uwe Edelheid, maar ook om kwaad van den Magistraat te spreken,
want Pieter Van Wezel is medegegaan, en die is al een even groote
Spanjaardsvriend, als Jurrie Thijsz. Maar Jurrie Thijsz. is veel
slimmer dan "Pier Quaet-Gelaet." Deze is leelijk ondeugend, maar
erg dom."
"Kom, jongen, dat kunt gij niet weten! Gij zijt daartoe veel te jong!"
"Ja maar, Uwe Edelheid, Mees zeide het vanmiddag, en toen liet Cornelis
Jansz. er op volgen, dat Pier nog wel eens in de val loopen en zich
dan leelijk branden zou."
"Gij moet niet met zulke oude menschen omgaan, jongens! Dat deugt
niet, want gij wordt dan veel te wijs voor uwe jaren. Maar hebt gij
niets meer vernomen?"
"Neen, Uwe Edelheid, anders niet," zeide Gerrit.
"Nu, luistert dan beiden naar dat, wat ik u zeg. Aan Schipper Van
Keulen moogt gij alles vertellen, Gerrit! En gij, Cornelis moogt
alles aan uwen Pleegvader zeggen, maar voor het overige moet gij
zwijgen. Begrijpt gij dat die mannen kwaad doen?"
"Ja, Uwe Edelheid, dat begrijpen wij wel."
"Hoor nu, als ze er achter komen, dat wij hunne streken weten,
dan worden ze voorzichtiger, en wij kunnen hen dan niet meer
straffen. Hier, dat is voor uwe moeite!"
Jonkheer van der Does gaf ieder een verreltje, dat was een vierde
gulden, en beide knapen snelden verheugd heen.
"Wat denkt gij ervan, Van Aecken? Zouden de jongens ons niets wijs
hebben gemaakt? Gij kent het volk hier beter dan ik," zeide van der
Does toen de beide knapen weg waren.
"Het spreekwoord zegt: "kinderen en dronken lieden zeggen de waarheid,"
Uwe Edelheid!"
"Met spreekwoorden moet men voorzichtig zijn, Van Aecken! Als dat
waar was, dan zouden alle waarden welgestelde lieden moeten zijn,
want een spreekwoord is er, dat luidt: "Der en is ghien weert so arm,
hij can eenen gaste een maeltijt broots borghen."
"Uwe Edelheid heeft gelijk, maar met deze twee jongens kan toch wel
een onderscheid gemaakt worden. Beiden varen al van hun tiende jaar
af, en gaan daardoor altijd met oudere lieden om. U kan bovendien
verzekerd zijn, dat beide schippers, als het jagertje de schuit trekt
en er dus aanboord niets te doen is dan te sturen, heel wat met de
jongens bepraten, dat eigenlijk nog niet voor kinderen geschikt is
om besproken te worden."
"Gij meent dus dat Pieter Adriaensz. mij niet uitlachen zal, als ik
hem mijne vermoedens mededeel?"
"Och, Uwe Edelheid, ik houd het er voor, dat hij, zoo wel als Van Hout,
reeds alles weet."
"Hoe zouden ze dat te weten gekomen zijn?"
"Jonker Morsch is er ook nog, Uwe Edelheid! En wat Jonker Morsch niet
weet, dat weet Willem Cornelisz. Speelman."
"Dien laatste ken ik goed. Ik heb hem indertijd toen hij mij vertelde,
dat hij duiven had, die hij niet zoo ver kon wegbrengen of ze kwamen
altijd terug, aangeraden van die duiven aan te kweeken, omdat ze
misschien bij een beleg van dienst zouden kunnen zijn. Zou hij die
duiven nog hebben?"
"Of hij die duiven heeft, kan ik Uwe Edelheid niet zeggen, maar duiven,
die hij buiten en binnen de stad laat vliegen, heeft hij."
"Dan zullen het de duiven wel zijn, die ik bedoel. Maar wie is
Jonker Morsch?"
"Jonker Morsch of de Leidsche Piero zal u toch wel kennen? Hij heet
Pieter Cornelisz. Van der Morsch en is stadsbode."
"O, is het die man? De nar van de Kamer van Rethorijken "De Witte
Acolijen!" Dat is een slim en uitgeslapen man. Met zijne snaaksche
uitvallen en guiterijen is hij overal gezien en weet hij dingen,
die een ander niet hoort. Maar, zoo veel te beter, als Burgemeester
Adriaensz. het weet. Als ik het hem dan ook nog eens zeg, zal hij er
stellig zijne schouders nog wel meer onder zetten om alles te doen,
wat in het belang der stad is."
"Hij kan niet meer doen dan hij reeds doet, Uwe Edelheid! Al zijn
pogen stuit af op den onwil van een groot deel van den Magistraat,
dat gesteund wordt door Spaanschgezinden of door eenvoudige mannen,
die zich door de gladde tongen van mannen als "Pier Quaet-Gelaet"
en Jurrie Thijsz. alles laten wijsmaken."
"Nu, Meester Van Aecken, we willen hopen, dat we kalveren, die in
de weide loopen, voor leeuwen hebben aangezien. Ik wenschte nu ter
ruste te gaan en morgenochtend om halfzes gewekt te worden. Ik heb
morgen veel te doen."
De Heer van Noordwijk nam zijn licht en ging naar zijne kamer, doch
eer hij insliep, schudde hij het hoofd en mompelde: "Het zijn wel
degelijk leeuwen, die ik zie."
Ook Meester Van Aecken ging, na zich verzekerd te hebben, dat alles
gesloten en gegrendeld was, slapen, en eene van zijne laatste gedachten
van dien dag was: "Geen kalveren zijn het, maar echte leeuwen zijn
er op den weg".