TWEEDE HOOFDSTUK.

Dat is weer gebeurd.

In eene der drukste en gezelligste buurten van Leiden stond een

net en vrij groot huis, waarvan een gedeelte ingericht was tot eene

werkplaats en eenen winkel voor eenen goud- en zilversmid. Verreweg

het grootste gedeelte van dat huis was echter bestemd tot herberg,

wat dan ook wel te zien was aan het groote uithangbord, dat boven de

deur hing, en waarop met groote letters geverfd was, dat de dorstige

burger "In den Wissel" bij Cornelis Claesz. Van Aecken, zooveel wijn,

bier en brandewijn kon koopen, als hij maar lustte. Vreemd mocht

het echter in dien tijd heeten, dat de herbergier of waard het mes

van twee kanten liet snijden, want een ander bord boven dezelfde

deur vertelde, dat Mr. Cornelis Claesz. Van Aecken meteen goud-

en zilversmid en stempelsnijder was.

Wel was, na het openen der poorten en het neerlaten der bruggen, weer

veel leven en vertier binnen de stad gekomen, vooral vanwege de boeren

en boerinnen, die hunne eerste eieren en hunne boter en kaas aan den

man zochten te brengen, doch in de stad zelve was nog lang niet alles,

zooals het geweest was. Er heerschte eene zeer ongeregelde drukte en

bij velen ook ontevredenheid, die door Spaanschgezinden niet weinig

aangewakkerd werd.

Zoo had de Regeering, zelfs nog in de laatste week van het beleg,

besloten om het papieren noodgeld alweer te doen vervangen door

klinkende munt. Men zou dan zilvergeld slaan van minder zilver-gehalte,

doch den Prins van Oranje verlof vragen om dat slechtere geld in alle

dorpen en steden, die aan zijne zijde waren, voor goed geld te mogen

uitgeven, tot de stadskas instaat zou zijn om het weer tegen munt

van bepaald gehalte in te wisselen. De afkondiging van dit besluit

geschiedde Zondag den eenentwintigsten Maart.

Zoodra het beleg opgeheven was, zette men dat plan door, en Zijne

Excellentie de Prins van Oranje stond toe, dat die van Leiden guldens

en kwartjes zouden mogen slaan van minder zilver, doch naar het

fatsoen en den vorm van de papieren noodmunt. Nu begon de Regeering

met kracht aan het inwisselen, doch stuitte op tegenstand bij de

burgerij, wat geen wonder was. Men had de verzekering gekregen, dat

de papieren noodmunt later zou ingewisseld worden tegen echte munt

van onvervalschte waarde, doch nu men munt in den handel bracht,

die met minder gehalte dezelfde waarde zou hebben, als echte munt,

zoo vertrouwde men de zaak niet, en de meesten, die niet gedwongen

waren door gebrek aan goed geld zich het noodige aan te schaffen,

hielden de papieren munt onder zich, en waren niet tot inwisselen

te bewegen, zoodat tot driemalen toe het besluit der Regeering moest

herhaald worden.

Zoo was het twee weken na het openen der poorten, dus Donderdag

den achtsten April, dat de vrij groote gelagkamer van "de Wissel"

des avonds nog druk bezocht was, en wel met velen, die met den gang

der zaken niet tevreden waren.

Tot de ergste ontevredenen behoorde een schipper, die, als het met de

schipperij niet vlotte, ook zijn brood als zoetelaar verdiende. Hij

heette Pieter Van Wezel en had, hetzij het hem aangeboren was,

of dat hij het door zijne slinksche en bedriegelijke handelingen

gekregen had, zulk een terugstuitend en weerzinwekkend voorkomen,

dat men hem den bijnaam gegeven had van "Pieter Quaet-Gelaet."

Wie om de eene of andere oorzaak op het Stadsbestuur of de Regeering

van den Prins ontevreden was, vond in Pieter Van Wezel terstond eenen

aanhanger, doch altijd in het verborgen, als hij zeker wist, dat er

geen gevaar bij was. Een lafaard was hij, als elke huichelaar, doch

gedurende het winterbeleg had hij het met al zijne slimheid toch niet

zoo ver kunnen brengen, dat de Magistraat er niet achter gekomen was,

dat hij tot die geheime Spaanschgezinden behoorde, welke men in Haarlem

ook had gekend en daar den naam van "Glippers" had gegeven. Meer dan

iemand anders hadden de Prinsgezinden hem dan ook in het oog gehouden,

en geenen vinger kon hij in de asch steken of men wist het.

Nu evenwel was het beleg opgeheven en kon hij ten opzichte van de

stad, als verrader, zoo goed als niets uitrichten, en daarom liet

men hem ook gaan en komen waar hij wilde, zonder hem langer na te gaan.

Het beleg had hem weinig voordeel gebracht, hiervoor had de Magistraat

gezorgd. Daardoor was Pieter dan ook zeer ontevreden, en welk besluit

Schout, Burgemeesters en Schepenen ook mochten nemen, Pieter had er

het zijne van te zeggen, en wat hij er van zeide, was nooit goed.

"Hoe zit gij daar zoo stil, Pieter?" vroeg hem Floris Hendricksz.,

de hoefsmid, en plaatste zich met zijne kan bier naast Van Wezel,

die, in zichzelven gekeerd, zich in eenen hoek van het vertrek bij

zijnen brandewijn of "brangdemoris" had neergezet.

"Het is er, bijlo, ook een tijd naar om vroolijk en opgewekt te zijn,"

luidde een brommend antwoord.

"Hei, hei, nu toch beter tijd dan een veertien dagen geleden. Toen

hadt gij dát niet kunnen krijgen."

Floris Hendriksz. wees op het bijna ledige roemerken brandewijn.

"Ik heb nooit behoefte aan brangdemoris gehad, Floris, en dat ik ze

nu drink is alleen om mijne zinnen wat te verzetten."

"Een slecht middel, Pieter! Brangdemoris is een gemeen goedje. Het

windt een mensch een oogenblik op om hem daarna, als een natgeregende

zoutzak, in elkander te laten zakken. Drink liever bier, het is weer

echt Delftsch brouwsel."

"Schande genoeg, dat de Magistraat toelaat, dat die van Delft tot

schade van onze eigen brouwers, bier mogen invoeren."

"Maar kom, is dat doorslaan! Geen enkele brouwer in onze goede stad

is immers instaat, om binnen acht dagen bier te leveren, zooals dit

is? Neen, man, nu zijt gij al zeer onbillijk."

De schippersjongen, of Leiden in strijd en nood · 第 5 / 31 题