Hundley was van de verzekeringsmaatschappij naar de Hamilton Club
gesneld.
Hier wachtten hem reeds eenige journalisten op, om van hem inlichtingen
over den diefstal te verkrijgen.
Hundley scheepte de reporters af en was juist van plan te gaan
ontbijten, toen Lyon op hem toetrad en hem in korte woorden het besluit
van de Hamilton Club, betreffende duelleeren van de leden, uiteenzette.
Hundley hoorde nauwelijks.
De geschiedenis interesseerde hem niet. Plotseling echter spitste hij
de ooren.
„Ik heb u”, zeide Lyon, „een uitdaging van Bird over te brengen. Hij
laat u de beslissing der wapenen over.”
Hundley liet mes en vork op tafel vallen, de bete bleef hem in den mond
steken.
Hij meende niet goed gehoord te hebben.
„Gij wilt wel de goedheid hebben, mij uwe secondanten te zenden, opdat
wij alles verder regelen”, zeide Lyon zakelijk.
Lyon had, na deze woorden, zijn visitekaartje naast het bord van
Hundley gelegd, groette en trok zich terug.
Nauwelijks was hij weg of Hundley sloeg met de vuist op tafel, en
schreeuwde:
„De geheele Hamilton Club schijnt plotseling gek te zijn geworden. Ik
zie er van af, als een Europeaan met iemand te vechten.”
Een clublid, dat zijn uitlatingen gehoord had, kwam naar hem toe, en
zeide:
„Ik zal uw woorden aan het bestuur mededeelen en verzoek u in naam van
de Hamilton Club, dadelijk de lokaliteiten van onze vereeniging te
verlaten.”
„Goddam”, bruischte Hundley op, „spaar uw voorden maar, lafbek.”
Daarop keerde de toegesprokene zich kalm om, ging naar de bedienden en
beval hen, den heer Hundley het gebouw uit te zetten.
Er volgde groote opschudding.
De millionnair kon slechts met geweld verwijderd worden.
Toen hij thuis kwam, raasde hij als een losgelaten stier.
Alleen de gedachte aan de twee en een half millioen, die de
maatschappij hem moest uitbetalen, matigde hem wat.
Inmiddels was het laat in den namiddag geworden en brachten de
avondbladen de volgende annonce: