Hundley was ondertusschen in een grenzenlooze woede in zijn auto naar
huis gekomen en liet daar zijn dienaar José, een neger van buitengewone
lichaamskracht en grootte, in zijn slaapkamer komen.
„Gij moet heden een werkje voor mij doen”, zei Hundley tot den zwarte.
De oogen van den neger blikten begeerig op.
„Hoor eens, José”, sprak de millionnair verder, „gij kent het huis in
het Centraalpark van een kennis van mij, een zekeren mijnheer Bird?”
„Ja, mijnheer.”
„Gij moet nog hedennacht in dit huis sluipen, en den heer Bird met een
dolkstoot bestraffen voor de beleediging die hij mij heeft aangedaan.
„Hij is oorzaak dat mevrouw Hundley mijn huis verlaten heeft. Ja, als
mij niet alles bedriegt, heeft zij dezen man lief.”
De zwarte tandenknarste, iets wat Hundley bevredigde. Hij wist dat José
op zijn mooie vrouw verliefd was.
Hij was dus de aangewezen persoon om den gehaten clubkoning naar de
andere wereld te helpen.—
Een half uur later verliet de zwarte het huis van zijn heer, en gleed
als een schaduw langs de villa’s.
Hij was jaren lang een gevreesde bankroover geweest, en wel, wat
niemand wist, met zijn heer te zamen.
De millionnair was, voor hij naar New-York kwam, het hoofd van een in
het Westen van Amerika werkende bende geweest, had echter niet verzuimd
om, zoodra hij een slag geslagen had en een millioen veroverd, het
Westen te verlaten en zich als man van eer onder een anderen naam in
New-York te vestigen.
Hier had hij nu sedert tien jaren een bankzaak, die hij met het
gestolen geld had gevestigd. Van de geheele bende behield hij slechts
den reusachtigen José bij zich. Alle overigen waren verdwenen of dood.
José was ook op de hoogte van den gevaarlijken inhoud van Hundley’s
brandkast.
Op een eenzame boerderij in de nabijheid van New-York woonde een
knappe, teringachtige plaatsnijder en drukker, die met het maken van de
valsche vijf-dollarbiljetten was belast geweest.
Voor millioenen had de arme man, door nood gedreven, gemaakt, en was,
toen Hundley hem ontsloeg en hem met enkele duizenden dollar paaide, in
een New-Yorker hospitaal gestorven.
José bekeek enkele minuten het huis van mijnheer Bird, dat geheel in
het donker lag.
Reeds wilde hij het hek openen, dat de villa van de straat scheidde,
toen hij door een aankomende automobiel daarin verhinderd werd.
Snel gleed hij in een schuilhoek en zag, hoe de auto voor het huis van
den heer Bird stilhield en de clubkoning in huis ging. Dadelijk daarop
reed de chauffeur door de geopende deur in de auto-garage.
De man had niet bemerkt, dat toen Raffles de rechterzijde van de auto
opende, de neger de tegenoverliggende deur opende en zich in den
gesloten wagen zette.
Op deze manier was de handlanger van den millionnair in huis gekomen
zonder over een hek te klimmen of een deur open te breken. Toen de
chauffeur langzaam de auto in de garage bracht, opende de zwarte
zachtjes de deur en sloop onbemerkt weg. In de schaduw van een kleine
loods verborg hij zich, tot de chauffeur en de portier de bergplaats
verlaten hadden.
Nu ging hij naar het sousterrain, opende met zijn mes een raam, en
gleed er doorheen.
John Raffles, die tamelijk vermoeid was, had zich dadelijk te slapen
gelegd.
Slechts Charly Brand waakte nog en las.
Plotseling legde hij het boek neer.
Het was hem als hadden de planken in den vloer gekraakt.
Gewoon op ieder geluid te letten, ging hij naar de deur en opende die
op een kier.
De gang was helder verlicht, aan het einde daarvan lag Raffles’
slaapkamer.
Verschrikt staarde Charly op de deur van de kamer. Duidelijk zag hij er
een neger voorstaan met een geopend mes in de hand.
Dadelijk greep Charly Brand in zijn zak, haalde zijn Browning-pistool
te voorschijn, richtte het op den niets vermoedenden zwarte en riep:
„Handen omhoog, of ik schiet!”
Met een schreeuw van woede sprong de neger van de deur terug en zag met
rollende oogen naar Charly Brand.
Hij scheen nog te overleggen wat hij zou doen, want Charly was, bij hem
vergeleken, een kleine, tengere figuur.
Nog eens klonk Charly Brand’s bevel:
„Handen omhoog, of ik schiet!”
Nu eindelijk liet de neger het mes vallen en hief de handen op.
Op dit oogenblik werd de deur van Raffles slaapvertrek geopend en
verscheen hij zelf.
„Een aardig onderhoud in den nacht”, zeide hij kalm, en keek
glimlachend naar de beide anderen.
„Ik trof hem voor je kamerdeur met het geopende mes in de hand”,
verklaarde Charly Brand.
„O!” knikte Raffles, „nu herken ik den knaap. Hij is in dienst van den
heer Hundley. Een merkwaardige manier om mij een bestelling over te
brengen. Wat verlangt gij?”
De neger wist niets te antwoorden.
Zijn oogen keken onzeker heen en weer.
Hij verstond de beteekenis van Raffles’ woorden niet.
Deze bukte zich, en raapte het dolkmes van den zwarte op.
„Een goed wapen”, zeide hij, „waart gij bevreesd, dat u iemand hier zou
aanvallen?”
De neger knarste met de tanden. Hij bemerkte nu, dat Raffles hem voor
de mal hield.
„Ik zal uw wapen”, ging Lord Lister verder, „bij mijn verzameling
voegen. Ga nu naar huis, en zeg uw heer, dat hij voortaan voor de
uitvoering van zijn bestellingen een geschikteren dienaar moet kiezen.
„Voorwaarts! En nu het huis uit!”
„Je laat hem loopen?” vroeg Charly Brand verwonderd.
„Moet ik hem ook nog gastvrijheid verleenen?” lachte Raffles. „Hij zou
zich wel niet op zijn gemak bij mij voelen. En nu, goeden nacht,
Charly, slaap wel.”
Rustig, als was er niets voorgevallen, zocht de Groote Onbekende zijn
slaapkamer weder op. Toen begaf ook Charly Brand zich ter ruste.
Juist toen hij zich wilde nederleggen, hoorde hij weder den grond
kraken.
Haastig greep hij zijn revolver en stormde naar buiten. Daar zag hij
Raffles voor zich in een donkere overjas, den kraag opgeslagen en een
zwarte tasch in de hand.
„Ben jij het?” vroeg de secretaris verwonderd, „waar wil je nog heen?”
„Een wandelingetje maken”, was het gewone antwoord, „ik ben binnen twee
uur terug. Ik heb een prachtigen inval gekregen. Ga intusschen maar
naar bed en ga slapen.”
Zonder verder op Charly Brand te letten, stapte John Raffles de gang
door en was verdwenen.— —
Het was bijna morgen, toen Lord Lister, door de schemering, naar de
kleine geheime deur van den wintertuin in het paleis van Hundley trad.
Met den sleutel, die hem den vorigen nacht door mevrouw Hundley was
gegeven, opende de Groote Onbekende de deur en trad binnen.
Hij had verscheidene uren in de omgeving van het paleis verscholen
moeten blijven en wachten, daar hij bemerkte, dat Hundley zich nog niet
te slapen had gelegd.
Langs den hem welbekenden weg sloop Raffles nu in de slaapkamer van
Hundley.
Wederom verdoofde hij den slapende met chloroform en opende de
brandkast.
Nu nam hij alle bankbiljetten, die in pakjes verpakt waren, eruit en
vulde daarmede zijn tasch. Zij was niet voldoende, hij moest van
krantenpapier nog een groot pak maken.
Daarop verliet hij de slaapkamer en ging naar huis.
Het was ongeveer negen uur in den morgen, toen een krantenjongen het
bureau van directeur Stamford binnentrad en hem een brief overhandigde.
Hij moest niet op antwoord wachten en verliet dus dadelijk het kantoor.
Stamford opende het couvert, nam den brief er uit, en las:
„Zeer geachte Heer!
Ik heb mij veroorloofd gisternacht inzage van uw boeken te nemen en
ik hoop dat daardoor, voor ons beiden, bevredigende
zaakverbindingen zullen ontstaan. Gij zult tot de overtuiging
gekomen zijn, dat ik een concurrent van uw verzekeringsmaatschappij
ben, waartegen gij niet zijt opgewassen. Gij bezit niet zooveel
millioenen, als gij, indien ik wilde, zoudt moeten betalen. Daarom
doe ik u den voorslag, mij als stille vennoot in uw zaak op te
nemen. Ik zal u in de toekomst alles, wat ik met mijn bezigheden
verdien, voor de helft van de waarde verkoopen. Ik denk, gunstiger
aanbod is u nog nooit gedaan. Ook zult gij niet spoedig iemand
vinden, die u zoo tegemoet komt.
Om het antwoorden mogelijk te maken, wilt gij u wel van de
afdeeling advertenties van de New-York Herald bedienen. Als
opschrift gebruikt gij de woorden „Stipte deelgenoot”.
Ik heb vannacht bij een van uw klanten, zekeren Hundley, 1½
millioen dollar in bankbiljetten geroofd.
Ik bied u de biljetten voor een half millioen aan, dus een
prachtige zaak voor u, niet waar?
Gemakkelijker dan door mij kunt gij geen geld verdienen.
Antwoordt mij of ik morgen de chèque bij uw bank kan laten afhalen.
Zoo gauw als ik het geld heb, zal ik u uw eigendom toezenden.
Mocht gij soms de politie of een bureau van detectives op mij
afzenden, dan zal het uw schade zijn, en niet de mijne.
Hoogachtend,
JOHN C. RAFFLES.”
Stamford had onder het lezen bijna zijn adem ingehouden, louter van
opwinding.
Het zweet stond in dikke parels op zijn voorhoofd.
Nu was dan gebeurd, wat Newton hem voor eenige dagen had gezegd.
John C. Raffles, die zichzelf aandiende als de Onbekende, nachtelijke
inbreker, was ongetwijfeld een niet te bedwingen tegenpartij.
Stamford herinnerde zich ook den raad, om zich met den Grooten
Onbekende te verstaan.
Tevergeefs martelde hij zijn hersens om een uitweg te vinden. Ieder
oogenblik kon Hundley bij hem komen, om hem te vertellen van den
diefstal, waarvoor hij bij hem verzekerd was.
Stamford riep zijn beambten en beraadslaagde wat te doen.
Men kwam eindelijk tot het resultaat, op Raffles’ voorslag in te gaan.
Juist was het onderhoud afgeloopen, toen Hundley binnenkwam en aan de
deur reeds uitriep:
„Men heeft mij bestolen, directeur, ik ben bestolen!”
Naar lucht happende, zonk hij in een leuningstoel.
„Hoeveel is u dan ontstolen?” vroeg mijnheer Stamford, hoewel hij het
reeds wist.
„Millioenen!” steunde Hundley.
„Hoeveel millioenen?”
„Twee en een half millioen!”
Hij zag den eigenaardigen blik niet, waarmee Stamford hem aankeek.
„Twee en een half millioen?” herhaalde de directeur.
„Ja, twee en een half millioen, ik ben voor drie bij u verzekerd,
zooals gij weet.”
Stamford keek met een onderzoekenden blik naar den millionnair.
„Kunt gij mij een bewijs van de grootte der som brengen, mijnheer
Hundley?”
„Bewijzen? Houdt gij mij niet voor een man van eer? Gij wilt misschien
nog tegenstribbelen om mij het geld uit te betalen?”
„In geen geval”, antwoordde Stamford, „maar het zou toch kunnen, dat
gij u in de som vergistet.”
Hundley lachte ironisch.
„Neen, mijn waarde, als bankier vergis ik mij nooit in getallen.
Gisternacht lag de genoemde som nog in mijn brandkast, en die is nu
gestolen. Ik kan u twee getuigen bijbrengen, mijn kassier en mijn
secretaris.”
„Ik moet u uwe onbedachtzaamheid verwijten”, meende de directeur. „Hoe
kan men een dergelijke groote som in huis bewaren? Daarvoor zijn toch
de banken.”
„Dat is mijn zaak”, antwoordde Hundley op ruwen toon.
„Gij moet mij de grootte der som beëedigen kunnen”, ging Stamford
verder.
Hundley zette een hooge borst op en zeide:
„Ik zal het voor den rechter beëedigen.”
„Dat zal noodig zijn. Mijn maatschappij verlangt den eed. Uw polis is,
naar ik hoop, in orde?”
Hundley opende zijn pelsjas en haalde een portefeuille te voorschijn.
Hij haalde er een saamgevouwen document uit.
„Hier is mijn polis!”
„Gij kunt deze bij den rechter van mijn district, tot het afleggen van
uw eed, deponeeren, mijnheer.”
Hundley fronste een oogenblik het voorhoofd.
„Het spijt mij, niet lang te kunnen wachten.”
„De zaak zal morgen afgeloopen zijn.”
De heeren gaven elkaar de hand. Toen verliet Hundley het kantoor.
Een uur later bevond zich Stamford weer bij Newton.
„Het is gekomen, zooals gij voorspeld hebt. Hier! lees den brief en zeg
mij wat ik doen moet.”
De eigenaar van het bureau van detectives las aandachtig het schrijven,
en schudde toen het hoofd.
„Deze zaak is niet in orde, mijnheer Stamford”, meende hij.
Verstomd keek deze naar den beroemden detective.
„In hoeverre, waarom?”
„Heel eenvoudig”, lachte Newton, „vindt gij het niet merkwaardig, dat
Raffles opeens de door hem geopende brandkast van zijn inhoud bevrijdt,
nadat hij dit steeds een dozijn keeren niet gedaan heeft?”
Stamford schudde het hoofd.
„Ik begrijp u nog niet, wat meent gij?”
„Heel eenvoudig. Ik ben van meening, dat al de raadselachtige inbraken
de laatste weken door Raffles zijn uitgevoerd. Maar daarbij is nooit
iets gestolen. Ik nam dus aan, dat de inbreker een zeker doel beoogde
en dat dat tegen u was gericht. Een soort van afpersing. Deze brief
echter bewijst het tegendeel. Want waarom nam hij tot heden toe niets
van waarde weg, en waarom besteelt hij nu den heer Hundley voor twee en
een half millioen dollar en biedt ze u voor een half millioen te koop
aan? Deze zaak is niet in orde.”
Beiden keken nadenkend eenige minuten voor zich, toen Stamford zeide:
„Ge maakt mij in de war, er is tegenspraak tusschen Raffles en
Hundley.”
„Welke tegenspraak?”
„Hundley beweert dat hem twee en een half millioen ontstolen zijn, en
Raffles spreekt slechts van anderhalf.”
Newton floot scherp door de tanden, toen lachte hij en zeide:
„Een goed idée van Hundley.”
„Wat meent gij?”
„Nu, hij wil bij het zaakje verdienen. Begrijpt gij dat niet?”
„Ja! maar Hundley verzekerde mij, dat hij de schadesom voor den rechter
wil beëedigen!”
„Dan doet hij een meineed!”
Stamford trommelde zenuwachtig met zijn vingers op de stoelleuning.
Newton lachte ironisch.
„Het zou een meineed zijn, die absoluut ongevaarlijk is voor Hundley,
want niemand zal kunnen bewijzen, dat hij die som niet in de brandkast
had.”
Newton hield de handen voor de oogen, als hinderde hem het daglicht bij
het nadenken. Na enkele minuten richtte hij zich weer op.
„Bericht Raffles, dat Hundley beweert, dat hij twee en een half
millioen gestolen heeft, en wacht het antwoord af.
„Overigens laat gij Hundley rustig den eed doen. Zou hij werkelijk
blijken een misdadiger te zijn, dan moet, niettegenstaande de
moeilijkheid, geprobeerd worden, hem dit te bewijzen. Is dat gebeurd,
dan moet de oude jongen heengaan, waar hij behoort, d.w.z. naar de
gevangenis.
„Hebt gij mijnheer Hundley medegedeeld, dat gij een brief van Raffles
hebt ontvangen?”
„Neen”, antwoordde Stamford, „zooveel criminalistische scherpzinnigheid
bezat ik zelf. Misschien zou ik het gedaan hebben, als de man mij niet,
naar mijn meening, een onwaarheid had gezegd.”
„Verder is er nu voorloopig niets te doen”, meende de detective. „Geef
bericht, en wacht de verdere ontwikkeling van de dingen af.”