HOOFDSTUK XLIX

Hoe onverklaarbaar echter ook de omstandigheden, waaronder zijn

bevrijding had plaatsgegrepen, der geheele familie mochten voorkomen,

het stond vast, dat Edward vrij was, en tot welk doel die vrijheid

zou worden aangewend, konden allen gemakkelijk voorzien; want na

de zegeningen te hebben ervaren van ééne onvoorzichtige verloving,

aangegaan zonder zijn moeder's toestemming, zooals hij reeds meer

dan vier jaren had gedaan, kon er, na de verbreking van deze, niet

anders van hem worden verwacht, dan dat hij onmiddellijk eene andere

verbintenis zou sluiten.

Het doel van zijn bezoek te Barton was eenvoudig genoeg. Hij wilde

niets anders, dan Elinor ten huwelijk vragen, en in aanmerking genomen

dat hij op dit punt niet geheel onervaren was, kon het vreemd schijnen,

dat hij zich thans zoo weinig op zijn gemak gevoelde, en zooveel

behoefte had aan bemoediging en frissche lucht.

Hoe spoedig hij echter, al wandelende, tot een genoegzaam vast

besluit was gekomen, hoe dra de gelegenheid zich voordeed om het

ten uitvoer te brengen, op welke wijze hij zich uitdrukte, en

hoe hij werd ontvangen, behoeft niet in bijzonderheden te worden

vermeld. Wij kunnen volstaan met te zeggen, dat hij, toen zij samen

om vier uur aan tafel gingen, omstreeks drie uren na zijne aankomst,

zijn verloofde had gewonnen, haar moeder's toestemming had verworven,

en zich, niet slechts met de verrukte overdrijving van den minnaar,

maar in waarheid en werkelijkheid een der gelukkigste menschen ter

wereld voelde. Waarlijk, hij mocht zich buitengewoon bevoorrecht

achten. Zijn hart mocht zwellen, zijn geest zich verheffen met meer dan

den natuurlijken trots van beantwoorde liefde. Hij zag zich bevrijd,

en zonder het minste zelfverwijt, van banden, die hem lang een bron van

kwelling waren geweest, van eene vrouw, die hij reeds lang niet meer

liefhad, en plotseling verzekerd van het bezit eener andere, waaraan

hij bijna niet anders dan met wanhoop had kunnen denken, zoodra hij

was begonnen het te beschouwen als het doel van zijn verlangen. Niet

van uit twijfel en onzekerheid, doch van uit de diepste ellende ging

hij over tot het geluk;--en die verandering uitte zich onomwonden,

in zulk een echte, natuurlijk opwellende, dankbare vroolijkheid,

als zijn vrienden nog nimmer bij hem hadden waargenomen.

Zijn hart stond nu open voor Elinor; al zijne zwakheden en dwalingen

werden gebiecht, en zijne eerste, jongensachtige verliefdheid op

Lucy werd beschouwd met al de philosofische waardigheid van den vier

en twintigjarige.

"Het was van mijn kant een dwaze, lichtzinnige neiging," zeide hij,

"'t gevolg van gebrek aan wereldkennis en gemis van bezigheid. Had

mijn moeder mij werkzaam laten zijn in eenig beroep, toen ik op mijn

achttiende jaar aan de zorg van den Heer Pratt werd onttrokken,

dan denk ik, neen, dan weet ik stellig, dat het nooit zou zijn

gebeurd; want hoewel ik Longstaple verliet met wat ik toen als eene

onoverwinnelijke neiging beschouwde voor zijne nicht, ik zou toch,

wanneer ik toen eenige bezigheid had gehad, eenig doel, dat mijn tijd

in beslag nam en mij enkele maanden van haar verwijderd hield, zeer

spoedig die gewaande genegenheid zijn te boven gekomen; vooral door

mij meer onder vreemden te bewegen, zooals ik in dat geval had moeten

doen. Maar inplaats van iets te doen te krijgen,--in plaats dat eenig

beroep voor mij werd gekozen, of eene eigen keuze mij werd vergund,

kwam ik terug bij mijn familie om totaal leeg te loopen, en het eerste

jaar na mijn thuiskomst had ik zelfs niet die zoogenaamde bezigheid,

die het verblijf aan de universiteit mij zou hebben verschaft;

want ik werd niet ingeschreven te Oxford, eer ik negentien jaar was

geworden. Ik had dus niets ter wereld te doen, dan mij te verbeelden,

dat ik verliefd was, en daar moeder mijn verblijf tehuis niet in

elk opzicht aangenaam maakte,--daar ik geen vriend of kameraad vond

in mijn broeder, en ongeneigd was, nieuwe kennissen te zoeken, was

het niet onnatuurlijk, dat ik veel naar Longstaple ging, waar ik mij

altijd thuis gevoelde, en zeker was, hartelijk te worden verwelkomd;

zoodoende bracht ik het grootste deel van mijn tijd daar door, tusschen

mijn achttiende en negentiende jaar. Lucy scheen toen zoo beminnelijk

en voorkomend als iemand maar zijn kon. Mooi was zij ook;--ten minste

_toen_ vond ik dat; en ik had zoo weinig omgegaan met andere vrouwen,

dat ik geen vergelijkingen kon maken, en geen gebreken zien. Alles in

aanmerking genomen, hoop ik dus, dat onze verloving, hoe onverstandig

die ook was, en sedert in elk opzicht is gebleken, toentertijd toch

geen onnatuurlijke of onverschoonbaar dwaze daad is geweest."

De verandering, die enkele uren hadden bewerkstelligd in den geest

en de gemoedsstemming der Dashwoods was zoo groot, dat zij allen, en

niet zonder voldoening, een slapeloozen nacht tegemoet zagen. Mevrouw

Dashwood, te gelukkig om kalm te zijn, wist niet hoe Edward genoeg

te waardeeren, noch Elinor te prijzen;--hoe dankbaar genoeg te zijn

voor zijn bevrijding zonder zijn fijngevoeligheid te kwetsen;--noch

hoe zij hun tegelijkertijd gelegenheid zou schenken tot ongedwongen

onderling gesprek, en tevens, zooals zij dat wenschte, zou kunnen

genieten van beider aanblik en gezelschap.

Marianne kon hare vreugde slechts uiten door tranen. Vergelijkingen

drongen zich aan haar op; weemoedige herinneringen kwamen oprijzen;

en hare blijdschap, hoewel oprecht als haar zusterlijke liefde, was

er eene, die haar noch opgewekt, noch spraakzaam vermocht te doen zijn.

Doch Elinor, hoe _hare_ gevoelens te beschrijven? Van af het oogenblik,

waarop zij vernam, dat Lucy met een ander was gehuwd, dat Edward

vrij was, tot aan dat, waarin hij de hoop in vervulling deed gaan,

zoo plotseling daarop gevolgd, was zij beurtelings alles geweest,

behalve kalm. Doch toen dat tweede oogenblik voorbij was,--toen

zij elken twijfel, alle bezorgdheid voelde wijken,--toen zij haar

toestand vergeleek bij wat die nog zoo kort geleden was geweest,--toen

zij hem, met behoud van zijne eer, zag ontslagen van zijn vroegere

verbintenis,--zag, hoe hij aanstonds gebruikmaakte van die bevrijding,

door zich tot haar zelve te wenden, en de bekentenis af te leggen

van eene liefde, zoo teeder en trouw als zij die altoos geloofd

had te zijn,--toen was zij bezwaard, ja overstelpt door haar eigen

geluksgevoel, en hoezeer ook des menschen geest gelukkigerwijze

geneigd is, zich gemakkelijk te gewennen aan elke verandering ten

goede, toch moesten meerdere uren verloopen eer haar gemoed zijne

kalmte herkreeg, haar hart eenigermate tot rust kwam.

Edward moest nu minstens een week te Barton blijven; want van welke

andere verplichtingen hij zich ook had te kwijten, het was onmogelijk,

dat een korter tijdsverloop dan eene week zou worden gewijd aan het

genot van Elinor's gezelschap; of voldoende had kunnen zijn om de

helft te zeggen van 't geen er te zeggen viel over verleden, heden en

toekomst; want hoewel in een paar uren van volijverig en onverpoosd

gesprek meer onderwerpen kunnen worden behandeld, dan feitelijk aan

twee redelijke wezens gemeenschappelijk belang kunnen inboezemen, bij

gelieven is het toch anders gesteld. Tusschen hen is geen onderwerp

afgehandeld, wordt geene mededeeling zelfs als gedaan beschouwd,

wanneer zij niet minstens twintigmaal herhaald is.

Lucy's huwelijk, een bron van eindelooze en verklaarbare verbazing voor

hen allen, vormde natuurlijk een der eerste onderwerpen van gesprek

tusschen de gelieven, en Elinor's bijzondere bekendheid met de beide

partijen deed het in hare oogen in elk opzicht een der zonderlingste

en onverklaarbaarste gebeurtenissen schijnen, die haar ooit waren ter

oore gekomen. Hoe zij met elkaar in aanraking waren gekomen, en welke

aantrekkingskracht Robert had verleid tot een huwelijk met een meisje,

van wier schoonheid zij hem zelve zonder eenige bewondering had hooren

spreken, een meisje nog wel, dat reeds verloofd was met zijn broeder,

en om wier wil die broeder door zijn familie was verstooten,--het ging

haar begrip te boven. Haar eigen hart vond in het gebeurde reden tot

groote blijdschap; haar verbeelding trof het als iets belachelijks;

doch voor haar verstand, haar oordeel bleef het een onopgelost raadsel.

Edward kon slechts pogen het te verklaren door de onderstelling, dat

na eene eerste toevallige ontmoeting de ijdelheid van den een zoozeer

gestreeld was door de vleierij der andere, dat hieruit van lieverlede

al het overige was gevolgd. Elinor herinnerde zich, wat Robert haar in

Harley Street had verteld aangaande zijne meening omtrent hetgeen zijne

bemiddeling in zijn broeder's aangelegenheid zou hebben uitgewerkt, zoo

hij bijtijds ware tusschenbeide gekomen. Zij vertelde dit aan Edward.

"Dàt was wel juist iets voor Robert," merkte hij dadelijk op. "En

dàt," voegde hij erbij, "heeft hij misschien in het hoofd gehad,

toen zij elkaar voor 't eerst ontmoetten. Terwijl Lucy mogelijk

in 't begin alleen erop bedacht was, zijn voorspraak te mijnen

gunste te winnen. Later kunnen toen wel andere plannen bij hen zijn

opgekomen." Hoelang die verstandhouding tusschen hen had bestaan,

kon hij echter evenmin uitmaken als zijzelve; want te Oxford, waar

hij bij voorkeur was gebleven sedert zijn vertrek uit Londen, had hij

geen ander bericht omtrent haar kunnen ontvangen dan door haarzelve,

en tot het allerlaatst waren hare brieven noch in aantal, noch in

hartelijkheid verminderd. Geen de minste achterdocht was dus bij hem

gerezen, om hem voor te bereiden op hetgeen gebeuren ging, en toen

het hem ten slotte geheel onverwacht werd geopenbaard door een brief

van Lucy zelve, was hij een tijdlang half verbijsterd geweest, dacht

hij, door verbazing, ontzetting en vreugde over zulk een ongedachte

verlossing. Hij liet Elinor den brief lezen.--

"Geachte Heer.

Daar ik zeer wel weet, dat ik reeds lang niet meer uwe liefde

bezit, acht ik mij gerechtigd, de mijne aan een ander te

schenken, en twijfel ik niet, of ik zal zoo gelukkig met hem

worden als ik eens had gedacht te zullen zijn met u; maar ik

acht het beneden mij, de hand aan te nemen van hem, wiens hart

aan eene andere behoort. Ik wensch u oprecht geluk met uwe

keuze, en zal het mijne schuld niet zijn, als wij niet steeds

goede vrienden blijven, zooals nu ook behoorlijk is, daar wij

naaste verwanten worden. Ik mag gerust zeggen, dat ik u geen

kwaad hart toedraag, en ik weet wel, dat gij te edelmoedig

zijt om ons te willen benadeelen. Uw broeder heeft mijn geheele

hart gewonnen, en daar wij zonder elkander niet konden leven,

zijn wij zooeven in den echt verbonden, en thans op weg naar

Dawlish voor een paar weken, waarnaar uw broeder zeer verlangt;

maar meende ik u eerst deze paar regels te moeten schrijven,

en blijf steeds gaarne, u van harte alle goeds wenschend,

uwe vriendin en zuster

Lucy Ferrars.

Ik heb al uwe brieven verbrand, en zal uw portret bij de eerstvolgende

gelegenheid terugzenden. Verscheur als 't u blieft mijn gekrabbel;

den ring met mijn haar moogt ge gerust behouden."

Elinor las den brief, en gaf dien zonder iets te zeggen terug.

"Ik zal maar niet vragen wat je denkt van den stijl," zei Edward. "Ik

had voor geen geld van de wereld gewild vroeger, dat een brief van

haar onder je oogen was gekomen. 't Is al erg genoeg als eene zuster

zoo schrijft; maar je eigen vrouw! Hoe dikwijls kreeg ik een kleur

van schaamte bij 't lezen van haar brieven; en ik geloof wel, te mogen

zeggen, dat sedert het eerste half jaar van die dwaze... geschiedenis,

dit de eerste brief is geweest, dien ik van haar ontving, waarvan de

inhoud de stijlfouten eenigszins vergoedde."

"Hoe het dan ook zoover is gekomen," zeide Elinor na een poos

van stilte, "getrouwd _zijn_ ze nu. En je moeder heeft zich hare

verdiende straf op den hals gehaald. De onafhankelijkheid, die zij

Robert verzekerde, uit verbittering jegens jou, heeft hem in staat

gesteld, zijn eigen keuze te volgen, en door hem die duizend pond

in het jaar te schenken, heeft zij feitelijk bewerkt, dat de eene

zoon het plan volvoerde, wegens welks beraming zij den anderen had

onterfd. Het zal haar wel niet minder grieven, denk ik, dat Robert

met Lucy is getrouwd, dan dat jij haar tot vrouw hadt gekregen."

"Het grieft haar dieper; want van Robert hield zij altoos het

meest. Het grieft haar dieper; maar om diezelfde reden zal ze hem

veel eerder vergiffenis schenken."

Hoe de zaken op het oogenblik tusschen hen stonden, wist Edward niet;

want hij had nog met geen zijner familieleden gepoogd in verbinding te

treden. Nog geen vierentwintig uren na de komst van Lucy's brief had

hij Oxford verlaten; en met slechts één doel voor oogen, de naaste

weg naar Barton, had hij nog geen tijd gehad, eenig voornemen op te

vatten, dat niet met dien weg in het nauwste verband stond. Hij kon

niets doen, eer hij wist, hoe Elinor over zijn lot zou beslissen,

en uit de snelheid, waarmede hij die beslissing zocht, mocht men

opmaken,--ondanks de jaloezie, waarmede hij eenmaal aan Kolonel

Brandon had gedacht,--ondanks zijn bescheiden meening omtrent zijn

eigen verdiensten, en de beleefdheid, die hem van zijn twijfel deed

spreken, dat hij over 't geheel op geen al te wreedaardige ontvangst

had gerekend. Hij behoorde echter te beweren, dat hij dit wèl had

gedaan, en hij zeide dit dan ook, zooals het betaamde. Wat hij een

jaar later omtrent dit onderwerp zou hebben te vertellen, laat ik

over aan de verbeelding van echtelieden.

Dat Lucy stellig bedoeld had, hem te bedriegen, en hem, met eene

uiting van boosaardigen triomf in hare opdracht aan Thomas, zijn

afscheid te geven, was Elinor volkomen duidelijk; en Edward zelf, die

haar karakter thans goed doorzag, gaf onbewimpeld te kennen, dat hij

haar, in hare roekelooze boosaardigheid, tot het allerlaagste in staat

achtte. Hoewel hem de oogen reeds lang waren opengegaan, zelfs eer hij

Elinor leerde kennen, voor hare onwetendheid en het gemis van ruimheid

in sommige harer opvattingen, had hij dit alles aan haar gebrekkige

opvoeding geweten, en totdat hij haar laatsten brief ontving, had

hij altoos gedacht, dat zij een welmeenend, goedhartig meisje was,

en dat zij voor hem eene oprechte genegenheid koesterde. Niets dan

deze overtuiging kon hem hebben belet, een einde te maken aan eene

verloving, die lang eer de ontdekking ervan hem blootstelde aan zijn

moeder's toorn, een aanhoudende oorzaak van onrust en verdriet voor

hem was geweest.

"Ik achtte het mijn plicht," zeide hij, "afgezien van mijn eigen

gevoelens, haar de keus te laten, of zij de verloving wilde verbreken,

of niet, toen ik door mijne moeder werd verstooten, en het scheen,

alsof ik in de wereld stond zonder een enkelen vriend, die mij had

kunnen bijstaan. Hoe kon ik, in zulke omstandigheden, waarin niets

verlokkends gelegen scheen voor de hebzucht of de ijdelheid van

eenig menschelijk wezen, veronderstellen, toen zij zoo ernstig en

hartelijk er op aandrong, mijn lot te deelen, hoe het ook mocht zijn,

dat iets anders dan de meest onbaatzuchtige genegenheid haar daartoe

noopte? En zelfs nu kan ik niet begrijpen, door welke beweegreden

zij werd gedreven, of welk gewaand voordeel zij erin zag, gebonden te

zijn aan een man, voor wien zij geen spoor van liefde gevoelde, en die

slechts tweeduizend pond zijn eigendom kon noemen. Zij kon niet vooruit

weten, dat Kolonel Brandon mij eene predikantsplaats zou bezorgen."

"Neen; maar zij geloofde allicht, dat er iets gebeuren kon in je

voordeel; dat je eigen familie ten slotte zou toegeven. En in elk

geval verloor zij er niets bij, als zij de verloving liet voortduren;

want zij heeft bewezen, dat deze haar noch in hare neigingen, noch

in hare daden belemmerde. De relatie was zeer zeker waardevol, en

verschafte haar waarschijnlijk eenig aanzien onder hare vrienden,

en als zich niets voordeeligers opdeed, was het beter voor haar,

met jou te trouwen dan ongehuwd te blijven."

Het sprak van zelf, dat Edward aanstonds inzag, hoe niets natuurlijker

kon zijn geweest dan Lucy's gedrag, en niets meer verklaarbaar,

dan de beweegreden, die haar ertoe had gedreven.

Elinor berispte hem, streng, als dames steeds eene onvoorzichtigheid

berispen, die voor haarzelve vleiend is, omdat hij zooveel tijd bij

hen te Norland had doorgebracht, toen hij zich toch bewust moest zijn

geweest van zijn eigen ontrouw.

"Je gedrag was werkelijk zeer verkeerd," zeide zij; "omdat, mijn eigen

overtuiging nu nog daargelaten, onze verwanten er allen aanleiding in

vonden, zich te verbeelden en te verwachten, wat in de omstandigheden,

waarin je _toen_ verkeerde, nooit gebeuren kon."

Het eenige wat hij hiertegen kon inbrengen was, dat hij zijn eigen

hart niet had gekend, en te veel gewicht had gehecht aan de bindende

kracht van zijne verloving.

"Ik was onnoozel genoeg, om te gelooven, dat er, daar ik mijne trouw

aan eene andere had verpand, geen gevaar was te duchten van ons beider

samenzijn; en dat het besef, dat ik verloofd was, mijn hart even

veilig en ongerept zou doen blijven, als mijne eer. Ik voelde, dat ik

je bewonderde; maar ik zeide tot mijzelf, dat het enkel vriendschap

was, en totdat ik vergelijkingen begon te maken tusschen jou en Lucy,

wist ik niet, hoever het reeds met mij was gekomen. Daarna geloof ik

wel, dat ik verkeerd deed door zoo dikwijls in Sussex te vertoeven,

en de argumenten, waarmede ik mijzelf poogde te overtuigen dat

hierin geen kwaad stak, kwamen op niet veel beters neer dan dit:

"Ik ben de eenige, die gevaar loopt; ik doe niemand kwaad dan mijzelf."

Elinor glimlachte, en schudde haar hoofd.

Edward hoorde met genoegen, dat Kolonel Brandon te Barton werd

verwacht; daar hij werkelijk niet alleen wenschte, hem beter te leeren

kennen; maar ook, om gelegenheid te vinden, hem te overtuigen, dat hij

niet afkeerig was van de predikantsplaats te Delaford. "Terwijl thans,"

zeide hij, "na de weinig beminnelijke wijze, waarop ik mijn dank bij

die gelegenheid heb uitgesproken, de Kolonel wel zou kunnen denken,

dat ik hem die aanbieding nooit heb kunnen vergeven." Nu was hij er

zelf verbaasd over, dat hij Delaford nog niet had bezocht. Maar hij

had zoo weinig belang gesteld in de zaak, dat hij al zijne kennis

omtrent het huis, den tuin en den bouwgrond, de grootte der gemeente,

den toestand van het land, en de opbrengst der tienden, te danken

had aan Elinor zelve, die er door Kolonel Brandon zooveel van had

vernomen, en daarbij zoo aandachtig had geluisterd, dat zij thans

volkomen op de hoogte was.

Eene vraag bleef hierna slechts onbeslist tusschen hen; eene

moeilijkheid viel nog slechts te overwinnen. Zij waren tezamengebracht

door wederzijdsche genegenheid, met de hartelijkste goedkeuring

hunner waarachtige vrienden; hunne innig vertrouwde bekendheid met

elkander scheen hun geluk te waarborgen, en zij verlangden nu alleen

het noodige om van te leven.

Edward bezat tweeduizend pond, en Elinor duizend, hetgeen met de

predikantsplaats te Delaford, alles was, wat zij hun eigendom konden

noemen; want het was niet mogelijk, dat Mevrouw Dashwood hun iets zou

afstaan, en zij waren geen van beiden verliefd genoeg, om te denken

dat driehonderdvijftig pond in het jaar hun een behagelijk bestaan

zou verschaffen.

Edward liet nog niet alle hoop varen op eene gunstige verandering

in zijne moeder te zijnen opzichte, en hierop rekende hij, wat de

rest van hun inkomen betrof. Elinor echter vertrouwde hierop niet;

want daar Edward nog steeds met Juffrouw Morton zou kunnen trouwen,

en Mevrouw Ferrars, op haar vleiende manier, het slechts voor een

geringer kwaad had verklaard, als hij háár, inplaats van Lucy Steele

had gekozen, vreesde zij, dat Robert's vergrijp tot niets anders zou

dienen, dan om Fanny te verrijken. Omstreeks vier dagen na Edward's

komst verscheen Kolonel Brandon, om Mevrouw Dashwood's voldoening te

volmaken, en haar het trotsche gevoel te schenken, voor de eerste maal

sedert zij te Barton woonde, van meer gasten te hebben, dan zij in haar

huis bergen kon. Edward mocht zijn recht als eerstgekomene doen gelden,

en dus wandelde Kolonel Brandon iederen avond naar zijn oud kwartier

op Het Park, vanwaar hij gewoonlijk 's morgens terugkeerde, vroeg

genoeg om het tête-à-tête der gelieven te storen, voor het ontbijt.

Een verblijf van drie weken te Delaford, waar hij, althans in de

avonduren, weinig anders te doen had, dan de ongunstige verhouding

na te rekenen tusschen zes en dertig en zeventien, deed hem naar

Barton komen in eene stemming, die, ondanks Marianne's merkbaar

verbeterden gezondheidstoestand, haar hartelijke verwelkoming, en de

bemoedigende verzekeringen van hare moeder, nog steeds niet vroolijk

kon worden genoemd. Onder zulke vrienden echter, en bij zooveel

voorkomendheid leefde hij werkelijk op. Nog had hij niets vernomen

van Lucy's huwelijk; hij wist niets van 't geen er gebeurd was,

en dus gaven de eerste uren van zijn bezoek ruim stof tot aanhooren

en zich verbazen. Alles werd hem door Mevrouw Dashwood verklaard,

en hij verheugde zich te meer over 't geen hij voor den Heer Ferrars

had gedaan, nu het ten slotte bleek, dat hij Elinor's belang daardoor

had bevorderd.

Het zou onnoodig zijn, te zeggen, dat met de nadere kennismaking

de wederzijdsche waardeering der beide heeren gelijken tred hield;

want het had moeilijk anders kunnen zijn. Hunne overeenstemming in

zuivere beginselen en helder oordeel, in geaardheid en denkwijze,

zou waarschijnlijk voldoende zijn geweest om hen vriendschap te doen

sluiten, zonder dat eenige andere aantrekking daartoe medewerkte; maar

dat zij hun liefde hadden geschonken aan twee zusters, en twee zusters

die veel van elkaar hielden, deed onvermijdelijk en onmiddellijk de

wederzijdsche genegenheid ontstaan, die anders misschien zou hebben

gewacht op de uitwerking van den tijd, en rijper nadenken.

De brieven uit de stad, die eenige dagen tevoren iedere zenuw

in Elinor's lichaam zouden hebben doen trillen van verrukking,

kwamen nu aan; om te worden gelezen met meer vroolijkheid dan

ontroering. Mevrouw Jennings schreef, om het wonderlijke bericht te

vertellen, haar eerlijke verontwaardiging te uiten jegens het meisje

dat zoo grillig haar minnaar verwierp, en al haar medelijden uit

te storten over dien armen Mijnheer Edward, die naar zij stellig

geloofde, gedweept had met dat ondeugende ding, en nu, naar zij

hoorde, diep wanhopig te Oxford zat. "Ik moet zeggen," ging ze voort,

"het was buitengewoon slim overlegd; want nog geen twee dagen te voren

had Lucy mij opgezocht, en zat een paar uren bij mij te praten. Geen

mensch, die er iets van vermoedde; zelfs Anne niet, die arme ziel,

die den volgenden dag schreiende bij mij kwam, doodsbang voor Mevrouw

Ferrars en omdat ze niet wist, hoe naar Plymouth te komen; want het

blijkt, dat Lucy eer ze wegging om te trouwen, al Anne's geld had

geleend; zeker om er vertooning mee te maken, en die arme Anne had

geen zeven shillings in haar beurs;--ik gaf haar met pleizier vijf

guineas, om naar Exeter te reizen, waar ze een week of drie vier bij

Mevrouw Burgess dacht te logeeren, natuurlijk in de hoop, zooals ik

haar al zei, den dokter daar weer te ontmoeten. En ik moet zeggen,

die onaardigheid van Lucy, om haar niet mee in het rijtuig te nemen,

vind ik het ergst van alles. Arme Mijnheer Edward! Ik kan hem niet

uit mijn hoofd zetten; maar jelui moet hem naar Barton halen; en dan

moet Marianne beproeven hem te troosten."

De Heer Dashwood schreef in ernstiger trant. Mevrouw Ferrars was

de ongelukkigste van alle vrouwen--de arme Fanny had door hare

gevoeligheid onbeschrijfelijke kwellingen verduurd--en hij beschouwde

het als eene reden tot dankbare verwondering, dat beiden na zulk een

slag nog in leven waren gebleven. Robert's vergrijp was onvergefelijk;

maar Lucy had zich oneindig erger misdragen. Beider naam mocht ten

aanhoore van Mevrouw Ferrars niet meer worden genoemd, en zelfs al zou

zij er later toe kunnen komen, haar zoon te vergeven, zijne vrouw zou

nooit als hare dochter worden erkend; noch vergunning verkrijgen, zich

in hare tegenwoordigheid te vertoonen. De geheimzinnigheid, die zij bij

alles hadden in acht genomen, werd zeer terecht aangemerkt als eene

omstandigheid, die hunne misdaad ontzaglijk verzwaarde; want wanneer

de anderen eenig vermoeden hadden opgevat van 't geen er gaande was,

dan waren er maatregelen genomen om het huwelijk te beletten, en hij

vroeg Elinor in gemoede, of zij het niet met hem betreurde, dat Lucy's

verloving met Edward niet liever was doorgegaan, dan dat zij op deze

wijze nog meer onheil had gesticht in hun familie. Hij ging voort:

"Mevrouw Ferrars heeft nog nooit Edward's naam genoemd, 't geen ons

niet verwondert; maar tot onze verbazing heeft zij geen woord van

hem vernomen bij deze gelegenheid. Misschien is zijn zwijgen toe te

schrijven aan de vrees, haar te beleedigen, en ik zal hem dus een wenk

geven, in een brief naar Oxford, dat zijn zuster en ik beiden denken,

dat een schrijven van hem, waarin hij op betamelijke wijze blijk geeft

van eene onderworpen gezindheid (geadresseerd aan Fanny bijvoorbeeld,

en door haar vertoond aan hare moeder) mogelijk in goede aarde zou

vallen; want wij weten allen, welk een teeder hart Mevrouw Ferrars

bezit, en dat zij niets zoozeer wenscht, als met hare kinderen in

goede verstandhouding te leven."

Deze zinsnede was van gewicht, zoo voor Edward's vooruitzichten als

zijn gedrag. Hij werd erdoor bewogen een poging te doen tot verzoening,

al was het dan niet precies op de wijze, door hun broeder en zuster

aangegeven.

"Een schrijven waarin ik op betamelijke wijze blijk geef van een

onderwerpen gezindheid!" herhaalde hij; "zouden ze vinden, dat

_ik_ moeder vergiffenis moet vragen voor Robert's ondankbaarheid

jegens háár, en oneerlijkheid tegenover _mij_?--Ik bèn niet gezind

mij te onderwerpen; het gebeurde heeft mij noch nederig gestemd,

noch berouwvol. Alleen maar zeer gelukkig; en dat vindt zij van

geen belang. Ik zie de betamelijkheid van onderwerping niet in,

in mijn geval."

"Je moogt toch stellig om vergeving vragen," zeide Elinor, "omdat je

haar verdriet hebt gedaan; en ik zou denken, dat je nù wel zoo ver

mocht gaan, eenige spijt te toonen, dat je ooit de verloving hebt

aangegaan, die je moeder's toorn heeft opgewekt."

Hij gaf toe, dat hij dit wel zou kunnen doen.

"En als ze je heeft vergeven, dan zou een weinigje nederigheid je

wel passen, wanneer je haar vertelt van een tweede verloving, in hare

oogen haast even onvoorzichtig als de eerste."

Daartegen had hij niets in te brengen; maar het denkbeeld van

een onderworpen brief stond hem nog steeds niet aan; en om het

hem gemakkelijker te maken, daar hij veel eerder bereid scheen,

mondeling zoete broodjes te bakken, dan op papier, werd er besloten

dat hij, inplaats van aan Fanny te schrijven, naar Londen zou gaan,

en persoonlijk haar tusschenkomst te zijnen behoeve zou verzoeken.

"En als ze werkelijk hun best doen," zei Marianne in haar nieuwe

rol van onpartijdige toeschouwster, "om een verzoening tot stand

te brengen, dan vind ik van nu af zelfs in John en Fanny nog wel

iets goeds."

Toen Kolonel Brandon's bezoek na een dag of vier was afgeloopen,

vertrokken de beide heeren samen uit Barton. Zij zouden eerst

naar Delaford gaan, opdat Edward zijn toekomstig tehuis zou kunnen

in oogenschouw nemen, en met zijn beschermer en vriend zou kunnen

overleggen, welke verbeteringen nog vielen aan te brengen; en na een

paar dagen, te Delaford doorgebracht, zou hij verder doorreizen naar

de stad.

Gevoel en verstand · 第 60 / 61 题