HOOFDSTUK XLVIII

Elinor bespeurde thans hoe groot het verschil is tusschen het

verwachten van eene onaangename gebeurtenis, hoe stellig wij ons ook

van hare komst overtuigd weten te houden, en volkomen zekerheid. Zij

bespeurde nu, dat zij, haars ondanks, altoos nog, zoolang Edward

ongetrouwd bleef, eenige hoop had blijven koesteren, dat er iets mocht

gebeuren, 't geen zijn huwelijk met Lucy verhinderen zou; dat òf een

door hemzelf genomen besluit, òf de tusschenkomst van vrienden, òf

eenige meer verkieselijke gelegenheid om de toekomst der jonge dame

te verzekeren, had mogen bijdragen tot de bevordering van hun aller

geluk. Maar nu was hij getrouwd, en zij laakte haar hart wegens die

geheime vleitaal, welke de smart dezer tijding zoo zeer had verscherpt.

Dat hij zoo spoedig getrouwd was, eer hij, naar zij meende,

de wijding had kunnen ontvangen, en bijgevolg eer hij beroepen

had kunnen worden, verwonderde haar eerst een weinig. Maar zij zag

weldra in, hoe waarschijnlijk het was, dat Lucy, in haar baatzuchtige

bezorgdheid, in haar haast om hem te winnen, alles over het hoofd zou

zien behalve het gevaar, verbonden aan uitstel. Zij waren getrouwd;

in de stad getrouwd, en thans haastig op weg naar Lucy's oom. Wat

zou Edward hebben gevoeld, toen hij nog geen vier mijlen van Barton

was verwijderd; toen hij haar moeder's knecht zag; toen hij Lucy's

boodschap aanhoorde!

Zij zouden zeker spoedig, dacht zij, nu gaan wonen te

Delaford,--Delaford, die plaats, waarin zoovele redenen haar noopten,

belang te stellen, die zij wenschte te kennen, en toch verlangde

te vermijden. Zij zag ze vóór zich in hun pastorie; zag Lucy als

de ijverige bekwame huishoudster, die den wensch naar uiterlijk

weeldevertoon wist te paren met de uiterste spaarzaamheid, zich

schamend, zoo iemand maar de helft van hare zuinigheidsmaatregelen

had kunnen vermoeden;--onophoudelijk bedacht op haar eigen belang,

pogend in de gunst te geraken bij Kolonel Brandon, bij Mevrouw

Jennings, en bij alle vermogende vrienden. Hoe zij Edward zag, wist

zij zelve niet, en evenmin, hoe zij hem wenschte te zien; gelukkig

of ongelukkig,--niets kon haar behagen;--van iedere voorstelling,

die ze zich van hem maakte, wendde zij het hoofd af.

Elinor bleef nog hopen, dat een van hunne kennissen in Londen hun

zou schrijven, om het nieuws te berichten en verdere bijzonderheden

te vermelden; maar de eene dag na de andere ging voorbij, zonder

brief of tijding. Hoewel zij niet precies wist, aan wien de schuld te

geven, ergerde zij zich over alle afwezige vrienden. Ze waren allen

vergeetachtig, of lui.

"Wanneer schrijft u aan Kolonel Brandon, moeder?" was de vraag,

die voortsproot uit haar ongeduldig verlangen, dat er toch iets

gebeuren mocht.

"Ik schreef hem de vorige week, lieve, en ik verwacht nog eerder hem

te zien, dan van hem te hooren. Ik drong er zeer op aan, dat hij zou

komen, en 't zou mij niet verwonderen, als we hem vandaag of morgen

zagen binnenstappen."

Dat was toch iets gewonnen; iets om tegemoet te zien. Kolonel Brandon

moest het een of ander hebben te vertellen.

Pas had zij dit voor zichzelve vastgesteld, toen de verschijning van

een ruiter haar de oogen naar het venster deed richten. Hij hield stil

bij hun hek. Het was een heer; het zou Kolonel Brandon zijn. Nu zou

ze meer hooren, en gespannen verwachting deed haar beven. Maar--het

was niet Kolonel Brandon, zijn figuur niet; zijn lengte niet. Als

zooiets nu mogelijk was, dan zou zij zeggen, dat het Edward moest

zijn. Zij keek opnieuw. Hij was juist afgestegen;--zij kon zich niet

vergissen; het was Edward. Ze verwijderde zich van het venster en ging

zitten. "Hij komt van den Heer Pratt hierheen, om ons te bezoeken. Ik

_wil_ kalm zijn; ik _wil_ mij beheerschen."

Op dat oogenblik bespeurde zij, dat de anderen ook hunne vergissing

hadden bemerkt. Zij zag haar moeder en Marianne verbleeken, naar haar

zien, en elkander iets toefluisteren. Ze zou alles hebben gegeven,

om te kunnen spreken, om hen te doen begrijpen, hoe zij hoopte, dat

hun houding geen koelheid, geen onverschilligheid zou aan den dag

leggen; maar zij kon geen woord uitbrengen, en moest alles overlaten

aan hun eigen gevoel van tact. Geen enkel woord werd tusschen

hen gewisseld. Zij wachtten zwijgend, tot de bezoeker verschijnen

zou. Zijn voetstappen klonken op het grintpad; daarna in de gang,

en een oogenblik later stond hij voor hen.

Zijn gelaat drukte bij het binnenkomen geen al te groote blijdschap

uit; zelfs niet voor Elinor. Hij zag bleek van zenuwachtigheid, en

keek alsof hij bevreesd was voor de te verwachten ontvangst, en zich

bewust, dat deze niet vriendelijk kon zijn. Mevrouw Dashwood echter,

zich voegend, naar zij geloofde, naar den wensch van hare dochter,

door wie zij zich, in hare verteederde gezindheid, in alles wilde

laten leiden, begroette hem met een ietwat gedwongen minzaamheid,

gaf hem de hand en wenschte hem geluk. Hij kleurde en stotterde iets

onverstaanbaars. Elinor's lippen bewogen gelijktijdig met die harer

moeder, en toen het ogenblik van handelen was verstreken, wenschte

zij, dat zij hem ook de hand gegeven had. Maar nu was het te laat, en

met een uitdrukking, die zij haar best deed onbevangen te doen zijn,

ging zij weer zitten, en praatte over het weer.

Marianne had zich zoo ver mogelijk teruggetrokken, om hare droefheid

te verbergen, en Margaret, die wel iets, maar niet alles van de zaak

begreep, vond het raadzaam, een waardige houding aan te nemen; zij

ging dus zoo ver mogelijk van hen af zitten, en bewaarde een strak

stilzwijgen.

Toen Elinor klaar was met haar blijdschapsbetuigingen over het mooie

droge weer, volgde er eene onheilspellende stilte. Deze werd verbroken

door Mevrouw Dashwood, die zich verplicht achtte, te hopen, dat Mevrouw

Ferrars het goed maakte. Hij gaf haastig een bevestigend antwoord.

Nieuwe stilte.

Al haar krachten verzamelend, hoewel bang voor 't geluid van haar

eigen stem, zei Elinor: "Is Mevrouw Ferrars te Longstaple?"

"Longstaple?" antwoordde hij verwonderd. "Neen, mijn moeder is in

de stad."

"Ik bedoelde eigenlijk," zei Elinor, een handwerk van de tafel

opnemend, "Mevrouw _Edward_ Ferrars." Zij durfde niet opzien; maar

hare moeder en Marianne zagen hem beiden aan. Hij kleurde, scheen

verlegen, keek twijfelachtig, en zei na eenige aarzeling: "Misschien

bedoel je... mijn broer... je bedoelt zeker Mevrouw... Mevrouw Robert

Ferrars."

"Mevrouw Robert Ferrars?"--herhaalden Marianne en hare moeder op een

toon van de uiterste verbazing, en hoewel Elinor niet kon spreken,

zagen hare oogen hem aan met de zelfde ongeduldige verwondering. Hij

stond van zijn stoel op en liep naar het venster, blijkbaar omdat

hij niet wist, wat te beginnen; hij nam een schaartje in étui op,

dat er lag, en terwijl hij zoowel het schaartje als het étui bedierf,

door het laatste onder het spreken in stukjes te knippen, zeide hij,

op gejaagde toon:

"U weet zeker niet,--u hebt misschien niet gehoord, dat mijn broer

onlangs is getrouwd met... met de jongste... met juffrouw Lucy Steele."

Zijne woorden werden met onuitsprekelijke verbazing herhaald door

allen, behalve Elinor, die met het hoofd over haar werk zat gebogen,

zóó zenuwachtig, dat zij bijna niet wist, waar zij was.

"Ja," zei hij, "ze zijn de vorige week getrouwd, en logeeren nu

te Dawlish."

Elinor kon niet langer blijven zitten. Zij liep bijna op een draf de

kamer uit, en zoodra de deur was gesloten, barstte zij uit in een

stroom van blijde tranen, die zij dacht, dat vooreerst niet zouden

kunnen ophouden te vloeien. Edward, die tot nu toe naar alles had

gekeken behalve naar haar, zag haar wegvluchten, en zag ook,--of

hoorde zelfs,--hare ontroering; want dadelijk daarna verzonk hij

in een gepeins, dat geene opmerking, geen vraag, geen vriendelijke

toespraak van Mevrouw Dashwood scheen te kunnen verstoren, en eindelijk

ging hij, zonder een woord te zeggen, de kamer uit en wandelde den

weg op, naar het dorp, de anderen uiterst verbaasd en nieuwsgierig

achterlatend over zulk een wonderlijke en snelle verandering in

zijne omstandigheden,--zonder eenig ander middel om die verbaasde

nieuwsgierigheid te bevredigen, dan hun eigen gissingen.

Gevoel en verstand · 第 59 / 61 题