Marianne zuchtte, en herhaalde: "Ik wensch geene verandering."

"Je beschouwt de zaak," zeide Elinor, "juist zooals een zuiver

gemoed en een klaar begrip haar moeten beschouwen, en ik denk dat

je, evenzeer als ik, niet slechts in deze, maar in menige andere

omstandigheid, reden vindt tot de overtuiging, dat je huwelijk je

veel onvermijdelijk verdriet en teleurstelling zou hebben berokkend;

waarbij je slechts weinig steun zoudt hebben gevonden in eene

genegenheid, die van zijne zijde veel minder betrouwbaar was. Als je

getrouwd waart, zou je altijd arm zijn gebleven. Zijne neiging tot

verkwisting heeft hij zelf toegegeven, en zijn geheele gedrag bewijst,

hoe zelfverloochening een woord is, dat ternauwernood door hem wordt

begrepen. Zijne eischen, gevoegd bij jouw onervarenheid, en dat met

een klein, zeer klein inkomen, zouden oorzaak zijn geworden van een

verdriet, dat niet minder kwellend zou zijn geweest, wijl je het van

te voren hadt kunnen beseffen, noch voorzien. Je eigen eergevoel en

eerlijkheid zouden je, dat weet ik, als de toestand je helder werd,

gedreven hebben tot het betrachten van de grootst mogelijke zuinigheid,

en misschien zou dat je vergund zijn geworden, zoolang je spaarzaamheid

alleen je eigen genoegens besnoeide; maar verder... en hoe weinig

hadt je met den besten wil alléén kunnen doen, om den ondergang te

verhoeden, die reeds vóór je huwelijk was begonnen?... verder, zoo je

hadt gepoogd, met hoeveel recht ook, paal en perk te stellen aan zijn

uitspattingen, was het dan niet te vreezen, dat je, wel verre van

de overhand te behouden op een inborst, zelfzuchtig genoeg om dien

toestand te kunnen verdragen, je eigen invloed op zijn gemoed zoudt

hebben verloren, en hem de verbintenis zoudt hebben doen betreuren,

die hem in zulke moeilijkheden had gewikkeld?"

Marianne's lippen beefden, en zij herhaalde het woord "zelfzuchtig?",

op een toon, alsof zij wilde zeggen: "Dus je denkt werkelijk, dat

hij zelfzuchtig is?"

"Zijn geheele gedrag," antwoordde Elinor, "van 't begin tot het einde,

is alleen op zelfzucht gegrond. Het was zelfzucht, die hem het eerst

deed spelen met je gevoelens; die later, toen zijne eigene erbij waren

betrokken, hem de bekentenis ervan deed verschuiven, en die hem ten

slotte Barton verlaten deed. Zijn eigen genoegen en zijn eigen gemak

bepaalden zijn gedragslijn bij iedere gelegenheid."

"Dat is wel waar. _Mijn_ geluk had hij nooit op het oog."

"En thans," ging Elinor voort, "betreurt hij, wat hij gedaan

heeft. Waarom betreurt hij dat? Omdat hij bemerkt, dat zijne

handelwijze niet aan haar doel heeft beantwoord. Zij heeft

hem niet gelukkig gemaakt. Hij verkeert niet meer in geldelijke

verlegenheid,--van die zijde kan hem nu geen kwaad meer deren, hij

bedenkt nu alleen, dat hij eene vrouw heeft getrouwd, die minder

aangenaam in den omgang is dan jij. Maar volgt daaruit nu, dat hij,

als hij met jou gehuwd was, gelukkig zou zijn geweest? Er zouden andere

bezwaren zijn gerezen. Dan zou hij hebben geleden onder het geldgebrek,

dat hij, nu het geweken is, als niets beschouwt. Hij zou een vrouw

hebben gehad, over wier geaardheid hij zich niet kon beklagen;

maar hij zou altijd behoeftig zijn gebleven,--altijd arm; en hij

zou waarschijnlijk spoedig hebben geleerd, de tallooze voorrechten,

verbonden aan het bezit van een door geen schuld bezwaard goed en

een ruim inkomen, van veel meer gewicht te achten, zelfs voor zijn

huiselijk geluk, dan iets zoo onbeteekenends als de geaardheid zijner

echtgenoote."

"Daaraan twijfel ik niet," zeide Marianne, "en ik heb niets te

betreuren; niets dan mijn eigen dwaasheid."

"Zeg liever: "de onvoorzichtigheid van mijne moeder," mijn kind,"

zeide Mevrouw Dashwood; "op háár komt de schuld neer."

Marianne wilde haar niet laten voortgaan, en Elinor, tevreden,

nu beiden hun eigen dwaling hadden ingezien, wilde liever eene

beschouwing van het verleden vermijden, die hare zuster droefgeestig

zou kunnen stemmen; zij ging dus dadelijk voort, zich bepalend tot

het eerste onderwerp:

"Eene slotsom kan, dunkt mij, worden getrokken uit al het

gebeurde,--dat al Willoughby's moeilijkheden hun oorsprong vonden

in zijn eerste vergrijp jegens de deugd; in zijn gedrag tegenover

Eliza Williams. Die misdaad is de oorzaak geweest van al wat volgde,

en van zijne tegenwoordige onvoldaanheid."

Marianne beaamde die opmerking ten volle, en hare moeder knoopte

er eene beschouwing aan vast, van het onrecht, Kolonel Brandon

aangedaan, en diens verdiensten, voorgedragen met al de warmte,

waartoe vriendschap en hare bijzondere bedoelingen haar slechts konden

vervoeren. Haar dochter gaf echter niet den indruk, alsof zij er veel

van had gehoord.

Elinor zag, zooals zij reeds verwacht had, dat Marianne in de

eerstvolgende twee of drie dagen, niet als te voren in kracht bleef

toenemen; doch daar haar besluit even vast stond, en zij haar best

bleef doen, zich vroolijk en tevreden te toonen, mocht hare zuster

gerust vertrouwen op de goede uitwerking van den tijd ter herstel

van hare gezondheid.

Margaret kwam terug, en het gezin was nu weer vereend; opnieuw waren

zij rustig samen in hun huisje, en indien al niet zoo druk bezig

met hun gewone studies, als toen zij pas te Barton kwamen, althans

voornemens, ze in het vervolg met ijver voort te zetten.

Elinor begon sterk te verlangen naar eenig bericht over Edward. Sedert

haar vertrek uit Londen had zij niets van hem vernomen; niets

nieuws omtrent zijne plannen, en zelfs omtrent zijne tegenwoordige

verblijfplaats verkeerde zij in onzekerheid.

Ten gevolge van Marianne's ziekte waren tusschen haar en haar broeder

eenige brieven gewisseld, en in John's eersten brief kwam deze zin

voor: "Van onzen ongelukkigen Edward weten we niets, en we kunnen geen

navraag doen naar zulk een verboden onderwerp; maar we vermoeden, dat

hij nog te Oxford is,"--'t geen het eenige bericht omtrent Edward was,

dat de briefwisseling haar verschafte; daar zijn naam in de volgende

brieven zelfs niet werd genoemd. Lang echter zou zij niet veroordeeld

blijven, in onwetendheid te verkeeren omtrent zijn doen en laten.

Hun huisknecht was op zekeren morgen naar Exeter geweest, en toen hij,

bij het tafeldienen, de vragen van zijne meesteres omtrent den uitslag

van zijne opdracht had beantwoord, voegde hij uit eigen beweging erbij:

"U weet zeker al, Mevrouw, dat Mijnheer Ferrars getrouwd is?"

Marianne schrikte hevig, zag Elinor verbleeken, viel zenuwachtig

snikkend achterover in haar stoel. Mevrouw Dashwood, wier blik,

terwijl zij de vraag van den knecht beantwoordde, instinctmatig

dezelfde richting volgde, ontstelde, toen zij aan Elinor's gelaat

zag, hoe diep deze was getroffen, en een oogenblik later wist zij,

evenzeer verontrust door Marianne's toestand, waarlijk niet, wie van

hare kinderen het meest hare hulp behoefde.

De knecht, die alleen zag, dat Juffrouw Marianne onwel werd, was

zoo verstandig een van de dienstmeisjes te roepen, die haar, door

Mevrouw Dashwood geholpen, naar de andere kamer bracht. Marianne

herstelde zich reeds, en hare moeder kon haar overlaten aan de zorg

van Margaret en de kamenier, om terug te keeren naar Elinor, die,

hoewel nog zeer onder den indruk, in zooverre haar zenuwen en hare

stem weer meester was, dat zij aan Thomas kon vragen, van wie hij die

tijding had vernomen. Mevrouw Dashwood onthief haar dadelijk van die

taak, en Elinor werd dus, zonder eenige inspanning van hare zijde,

voldoende op de hoogte gebracht.

"Wie heeft je verteld, Thomas, dat Mijnheer Ferrars was getrouwd?"--

"Ik zag Mijnheer Ferrars zelf, Mevrouw, van morgen te Exeter,

met zijn vrouw, juffrouw Steele, zooals ze dan vroeger heette. Ze

zaten in een koets, die stil stond voor de New London Inn, toen ik

daar een brief kwam bezorgen van Sally op het Park, Voor haar broer

die er postillon is. Ik keek toevallig op, toen ik langs de koets

kwam, en ik zag dadelijk, dat het de jongste juffrouw Steele was;

dus nam ik mijn hoed af, en zij kende mij nog, en riep mij; en ze

vroeg naar u, Mevrouw, en de jonge dames, vooral Juffrouw Marianne,

en of ik de groeten wilde doen van haar en Mijnheer Ferrars; hun beider

hartelijke groeten, en dat het hun zoo speet, dat ze geen tijd hadden,

u te komen opzoeken, maar ze hadden zoo'n haast om verder te komen,

want ze gingen nog verder op reis voor een tijdje,--maar in elk geval,

als ze terugkwamen, dan zouden ze u stellig een bezoek brengen."

"En ze zei, dat ze getrouwd was, Thomas?"

"Ja, Mevrouw; ze lachte, en zei dat ze van naam was veranderd,

sedert ze 't laatst hier in de buurt was. Ze was altoos heel aardig

en spraakzaam, en had voor ieder een vriendelijk woord. Dus was ik

maar zoo vrij, haar geluk te wenschen."

"Zat Mijnheer Ferrars met haar in het rijtuig?"

"Ja, Mevrouw. Ik kon hem nog juist zien, hij leunde achterover; maar

hij keek niet op;--mijnheer was nooit iemand, die veel pleizier in

praten had."

Elinor begreep maar al te goed, dat hij zich op den achtergrond had

gehouden, en Mevrouw Dashwood nam vermoedelijk dezelfde verklaring

aan voor zijne houding.

"Zat er anders niemand in het rijtuig?"

"Neen, Mevrouw, zij met hen beiden; anders niet."

"Weet je ook, waar ze vandaan kwamen?"

"Ze kwamen zóó uit Londen, zei Juffrouw Lucy,--Mevrouw Ferrars,

bedoel ik."

"En gingen ze verder naar 't Westen?"

"Ja, Mevrouw; maar niet voor lang. Ze zouden gauw terugkomen, en dan

kwamen ze u stellig opzoeken."

Mevrouw Dashwood zag hare dochter aan; maar Elinor begreep wel,

dat ze hen niet behoefde te verwachten. Die boodschap was weer juist

iets voor Lucy; zij wist wel zeker, dat Edward zich bij hen niet zou

vertoonen. Zachtjes zei ze tegen hare moeder, dat ze waarschijnlijk

naar den Heer Pratt gingen, in de buurt van Plymouth.

Thomas had blijkbaar niets meer te vertellen. Elinor keek, alsof ze

nog meer wenschte te hooren.

"Zag je hen wegrijden, eer je heenging?"

"Neen, Mevrouw, de paarden werden juist buiten gebracht; maar ik kon

niet langer wachten; ik was bang, dat het te laat werd."

"Zag Mevrouw Ferrars er goed uit?"

"Ja, Mevrouw; ze zei dat ze 't best maakte; ze was altoos een knappe

jonge dame, vond ik;--en ze leek erg in haar schik."

Mevrouw Dashwood wist geen nieuwe vragen meer te bedenken, en Thomas

kon spoedig heengaan, met het tafellaken, dat nu even overbodig was

geworden als hijzelf. Marianne had reeds laten zeggen, dat zij niets

meer wilde gebruiken; Mevrouw Dashwood en Elinor waren ook hun eetlust

kwijt, en Margaret mocht nog van geluk spreken, dat zij, ondanks al

de onrust, die hare zusters in den laatsten tijd hadden uitgestaan,

ondanks zooveel reden tot nalatigheid op het punt van geregelde

maaltijden, nog nooit te voren haar middagmaal had moeten missen.

Toen het dessert en de wijn waren binnengebracht en Mevrouw Dashwood

en Elinor alleen waren, bleven zij langen tijd zwijgen, verzonken in

gelijksoortige gepeinzen. Mevrouw Dashwood waagde geene opmerking, en

beproefde evenmin troost te bieden. Zij begreep nu, dat zij zich had

vergist, toen zij vertrouwde op de wijze waarop Elinor zich voordeed,

en zag thans zeer goed in, dat alles in der tijd met opzet was

verzacht, om hare droefheid niet te vermeerderen, terwijl zij reeds

zooveel had te lijden om Marianne. Zij begreep, dat hare dochter,

door zoo zorgvuldig haar gevoel te sparen, haar ertoe had gebracht,

de genegenheid, die zij eens zoo wel had begrepen, van veel minder

beteekenis te achten dan zij vroeger placht te gelooven, of dan deze

thans bleek te zijn. Zij vreesde, dat zij, in dien waan verkeerend,

onrechtvaardig, onachtzaam, ja bijna onvriendelijk was geweest jegens

hare Elinor; dat Marianne's leed, omdat het meer openlijk werd erkend,

zich meer onmiddellijk aan haar opdrong, te veel beslag had gelegd op

hare teederheid, en haar ertoe had gebracht, te vergeten, hoe zij in

Elinor eene dochter bezat, die misschien evenveel had te dragen, en dat

wel met geringer besef van eigen schuld, en met meerder geestkracht.

Gevoel en verstand · 第 58 / 61 题