Marianne's ziekte had haar natuurlijk sterk aangegrepen, doch niet
lang genoeg geduurd om haar herstel te vertragen, en met medewerking
van haar jeugd, haar van nature sterk gestel en haar moeder's
bijzijn, was zij weldra zoo veel beter, dat zij vier dagen na haar
moeder's aankomst, kon worden overgebracht naar Mevrouw Palmer's
kleedkamer. Hier verzocht zij uit eigen beweging, dat Kolonel Brandon
haar zou komen bezoeken, daar zij ongeduldig verlangde, hem te danken,
omdat hij hare moeder had gehaald.
Zijne ontroering, toen hij de kamer binnentrad, haar zoo veranderd
zag, en de vermagerde hand drukte, die zij hem dadelijk toestak, deed
Elinor vermoeden, dat die aandoening haar oorsprong vond in méér dan
zijne liefde voor Marianne, of het besef, dat anderen hiervan wisten,
en spoedig bespeurde zij in zijn droefgeestigen blik en wisselende
gelaatskleur, terwijl hij hare zuster aanzag, dat waarschijnlijk de
levendige herinnering aan vele treurige tooneelen uit het verleden
bij hem was wakker geroepen, door die gelijkenis tusschen Marianne en
Eliza, waarvan hij reeds melding had gemaakt, en die thans nog werd
verhoogd door de bleeke tint, de ingezonken oogen, de liggende houding
der nog zwakke herstellende, zoowel als haar innige erkentelijkheid
voor haar in 't bijzonder bewezen goedheid.
Mevrouw Dashwood, niet minder oplettend dan hare dochter waarnemend
hetgeen hier voorviel, doch onder den invloed van geheel andere
gedachten, en zich dus ook een geheel ander beeld vormend uit die
waarneming, zag niets in des Kolonels houding, dan 't geen zij het
gevolg achtte van zeer eenvoudige en vanzelfsprekende gewaarwordingen,
terwijl zij zich verbeeldde, te bespeuren dat in Marianne's handelingen
en woorden reeds iets meer doorschemerde dan dankbaarheid.
Toen nog een paar dagen waren verstreken, en Marianne met iederen dag
zichtbaar sterker werd, begon Mevrouw Dashwood, zoowel op aandringen
harer dochters, als gedreven door haar eigen wensch, ervan te spreken,
naar Barton terug te keeren. Van _hare_ maatregelen hingen die harer
beide vrienden af; Mevrouw Jennings kon Cleveland niet verlaten,
zoolang de Dashwoods er logeerden, en op aller verlangen werd Kolonel
Brandon spoedig overgehaald, zijn verblijf aldaar als even vast,
zooal niet als even onmisbaar te beschouwen. Geholpen door Mevrouw
Jennings, wist hij Mevrouw Dashwood te bewegen, gebruik te maken van
het aanbod van zijn rijtuig op de terugreis, dat haar zieke dochter
meer gemak zou kunnen bieden, en daarvoor beloofde hij, toegevend
aan het eenparig verzoek van Mevrouw Dashwood en Mevrouw Jennings,
wier bereidwillige goedhartigheid haar noopte, hartelijk en gastvrij
te zijn voor anderen zoowel als voor zichzelve, dat hij met genoegen
haar over een paar weken te Barton Cottage zou komen opzoeken.
De dag van hun afscheid en vertrek brak aan; en na een lang en
hartelijk vaarwel aan Mevrouw Jennings, waarin zij uiting gaf aan al de
innige dankbaarheid, den eerbied en de vriendschappelijke gevoelens,
die zij te meer zich bewust was verschuldigd te zijn, door het
stille besef van vroegere tekortkoming,--terwijl zij Kolonel Brandon
goeden dag zeide als een vertrouwden vriend,--werd Marianne door
hem zorgvuldig in het rijtuig geholpen, waarin hij volstrekt wilde,
dat zij minstens de helft der ruimte in beslag nam. Daarna volgden
Mevrouw Dashwood en Elinor, en de anderen bleven achter, om te spreken
over de reizigers, en zich mistroostig te voelen in hun verlatenheid;
totdat Mevrouw Jennings geroepen werd voor een ritje, waarbij zij
zich met het gepraat van haar kamenier kon troosten over 't verlies
harer jonge vriendinnen; terwijl Kolonel Brandon dadelijk daarna
in eenzaamheid zijns weegs ging naar Delaford. De Dashwoods bleven
twee dagen onderweg, en Marianne verdroeg de reis zonder al te groote
vermoeienis. Al wat de meest dienstvaardige genegenheid, de ijverigste
zorg konden doen om haar gemak te verschaffen, was de taak van haar
beide oplettende gezellinnen, en beiden zagen zich beloond door haar
lichamelijk welbevinden en de kalmte van haar geest. Voor Elinor was
het vooral bevredigend, die laatste bijzonderheid op te merken. Zij,
die haar weken achtereen aanhoudend had zien lijden, gepijnigd door
een zielsverdriet, dat zij den moed niet had te openbaren, noch de
kracht om te verbergen, zag thans, met een blijdschap, die geen ander
in zoo hooge mate kon gevoelen, een blijkbare gemoedsrust, die, daar
zij de uitkomst was, naar zij geloofde, van ernstig nadenken, haar
zuster ten slotte tot tevredenheid en ware vroolijkheid zou leiden.
Wel werd Marianne, toen zij Barton naderden, en het landschap
terugzagen, waarin aan elk veld, aan iederen boom eenige bijzondere en
pijnlijke herinnering verbonden was, stil en nadenkend; zij wendde haar
gelaat af en zat ernstig uit het venster te staren. Hier echter vond
Elinor reden tot verwondering, noch afkeuring, en toen zij, Marianne
uit het rijtuig helpend, zag, dat deze geschreid had, zag zij slechts
eene ontroering, te natuurlijk, om iets minder teeders dan medelijden
te wekken, en welke eer lof verdiende, wijl zij zich zoo onopvallend
vermocht te uiten. In haar geheele verdere houding bespeurde zij
de richting van een geest, die gewekt is tot redelijke inspanning;
want zoodra zij de huiskamer binnentraden, zag Marianne om zich heen,
met een vastberaden blik, alsof zij besloten had, zich dadelijk te
gewennen aan het gezicht van ieder voorwerp, waarmede de herinnering
aan Willoughby was verbonden. Zij sprak weinig; maar al wat zij zeide,
had de bedoeling, vroolijk te zijn; en hoewel haar somtijds een zucht
ontsnapte, gleed deze niet over haar lippen, zonder dat zij dien
door een glimlach had vergoed. Na den eten wilde zij haar piano eens
probeeren. Zij ging erheen: doch de muziek, waarop het eerst haar oog
viel, was eene opera, die Willoughby haar had gezonden, en die enkele
hunner geliefkoosde duetten bevatte; terwijl op het schutblad haar
naam door zijne hand geschreven stond. Dat ging niet.--Zij schudde
haar hoofd, legde de muziek terzijde, liet even de vingers over de
toetsen glijden, zeide, dat haar vingers te zwak geworden waren,
en sloot het instrument; terwijl zij echter haar stellig voornemen
te kennen gaf, in 't vervolg hard te zullen studeeren.
Den volgenden morgen was nog geen vermindering te bespeuren van al deze
gunstige verschijnselen. Integendeel, naar lichaam en geest verkwikt
door de rust, verried zij in blik en stem meer echte opgewektheid,
zag met blijdschap Margaret's terugkomst tegemoet, en sprak van
hun genoeglijk kringetje dat dan weer als van ouds samen zou zijn,
van hun verschillende bezigheden en hun vroolijk gezelschap, als het
eenig geluk, dat wenschenswaard mocht genoemd worden,
"Als het weer gestadig wordt, en ik weer even sterk ben als vroeger,"
zei ze, "dan gaan we samen elken dag lange wandelingen doen. We
zullen naar de boerderij gaan aan den rand van de heide, en zien hoe
de kinderen het maken; we zullen een wandeling doen naar Sir John's
nieuwe aanplantingen te Barton Cross en Abbeyland; en dikwijls zullen
we een tochtje doen naar de bouwvallen van de abdij, en trachten de
grondvesten na te speuren, zoover als men zegt, dat ze eenmaal zich
uitstrekten. Ik denk dat we 't heerlijk zullen hebben. Ik weet, dat
de zomer genoeglijk zal voorbijgaan. Ik wil nooit later dan om zes
uur opstaan, en tusschen 't ontbijt en het eten zal ik elk oogenblik
besteden aan muziek en lectuur. Ik heb mijn plannen al gemaakt,
en ben vast voornemens nu eens ernstig aan de studie te gaan. Onze
eigen bibliotheek ken ik te goed om er anders dan voor louter
genoegen gebruik van te maken. Maar op het Park zijn veel boeken,
die de moeite wel waard zijn, en andere, nieuwere werken weet ik,
die ik van Kolonel Brandon kan leenen. Als ik maar zes uur per dag
aan lezen besteed, dan kan ik in een jaar veel leeren, waarvan de
kennis mij nu nog ontbreekt."
Elinor had eerbied voor een voornemen, dat uit zulke edele bedoelingen
voortsproot; hoewel zij glimlachte, nu zij dezelfde vurige verbeelding,
die haar vervoerd had tot het uiterste in haar matte traagheid en
zelfzuchtig beklag, thans aan het werk zag bij het overdrijven van een
plan, dat toch verstandige bezigheid en deugdzame zelfbeheersching
beoogde. Haar glimlach maakte echter plaats voor een zucht, toen
zij zich herinnerde, dat hare belofte aan Willoughby nog niet was
vervuld; en zij vreesde, dat hare mededeeling Marianne weer met
onrust zou vervullen, en althans voorloopig dit goede vooruitzicht
van bedrijvige kalmte zou bederven. Daar zij dus geneigd was tot het
verschuiven van dat ongewenschte oogenblik, besloot zij, te wachten
tot haar zuster's gezondheid zich volkomen zou hebben hersteld,
eer zij het deed aanbreken. Doch dit besluit werd slechts genomen,
om te worden verijdeld.
Marianne was reeds twee of drie dagen thuis geweest eer het weer mooi
genoeg was, om toe te laten, dat eene herstellende zieke als zij zich
buiten waagde. Eindelijk echter kwam een zachte, uitlokkende morgen;
uitlokkend genoeg, om den wensch der dochter, zoowel als het vertrouwen
der moeder te rechtvaardigen, en Marianne, steunend op Elinor's arm,
kreeg vergunning te wandelen zoolang zij zich niet vermoeid gevoelde,
in de laan voor hun huis.
De zusters begaven zich op weg, zoo langzaam als Marianne's zwakte,
sedert haar ziekte nog niet op deze wijze op de proef gesteld,
vereischte,--en zij waren slechts zoover voorbij het huis gekomen dat
zij het volle gezicht konden hebben op den heuvel, den gewichtigen
heuvel, achter hun huisje gelegen, toen Marianne, die stilstond om
in die richting te zien, bedaard zeide:
"Dáár,--kijk, dáár op die plek,"--(zij wees ernaar met haar vinger,)
"was het, dat ik viel; en daar heb ik voor 't eerst Willoughby gezien."
Hare stem werd zachter bij het noemen van dien naam; doch iets
levendiger voegde zij erbij:
"Ik ben blijde, nu ik bemerk, dat ik de plek met zoo weinig
hartzeer kan terugzien!--Zullen wij ooit over dat onderwerp spreken,
Elinor?" liet zij er aarzelend op volgen. "Of zou het verkeerd zijn? Ik
_kan_ er nu over spreken, hoop ik, zooals ik behoor te doen."
Elinor moedigde haar vol teederheid aan, zich uit te spreken.
"Betreuren," zei Marianne, "neen, wat hèm betreft, doe ik dat niet. Ik
wil nu niet spreken van wat ik vroeger voor hem placht te gevoelen,
maar van wat ik thans voel. Zooals het nu is--als ik maar één ding
zeker wist--als ik mocht denken, dat hij niet _altoos_ een rol speelde,
mij niet _altoos_ bedroog;--en vooral, als ik de zekerheid had, dat
hij nooit zóó verdorven was geweest, als ik mij soms heb voorgesteld,
sedert ik wist van dat arme meisje..."
Zij zweeg. Elinor ving met blijdschap haar woorden op, en bewaarde
ze in haar hart, terwijl zij antwoordde:
"Als je dat zeker wist, dan zou je dat rust geven, geloof je."
"Ja. Mijn gemoedsvrede is er in dubbelen zin bij betrokken;--want
het is niet alleen afschuwelijk, iemand, die voor ons geweest is wat
_hij_ was voor _mij_, te verdenken van zulke plannen; maar wat moet
ik mijzelve wel toeschijnen? Wàt anders, in mijn omstandigheden,
dan een onvoorzichtigheid, waarover ik mij diep heb te schamen,
kon mij blootstellen aan..."
"Hoe zou jij zijn gedrag wel verklaren?" vroeg haar zuster.
"Ik zou hem beschouwen als... o, hoe gaarne zou ik dat doen... alleen
lichtzinnig,--heel, heel erg lichtzinnig."
Elinor zweeg. Inwendig overlegde zij, wat het beste zou zijn; nu
aanstonds met haar verhaal te beginnen, of het uit te stellen, tot
Marianne sterker was;--en een paar minuten wandelden zij zwijgend
verder.
"Ik wensch hem niet te veel goeds," zei Marianne eindelijk met een
zucht, "als ik hem toewensch, dat zijn stille overdenkingen niet
droeviger mogen zijn dan de mijne. Hij zal er genoeg verdriet door
hebben."
"Vergelijk je je eigen gedrag met het zijne?"
"Neen. Ik vergelijk het, met 't geen het had behooren te zijn; ik
vergelijk het met dat van jou."
"Onze omstandigheden geleken niet veel op elkaar."
"Ze geleken meer op elkaar dan ons gedrag. Mijn liefste Elinor,
verdedig niet uit vriendelijkheid, wat ik weet dat je helder oordeel
moet afkeuren. Mijn ziekte heeft mij aan het denken gebracht--heeft
mij den tijd en de kalmte geschonken, die noodig zijn voor ernstigen
inkeer tot zichzelf. Lang eer ik weer sterk genoeg was om te spreken,
was ik tot nadenken uitmuntend in staat. Ik beschouwde het verleden;
ik zag mijn eigen gedrag, sedert onze eerste kennismaking met hem
in den vorigen herfst, als eene aaneenschakeling van handelingen,
onvoorzichtig tegenover mijzelve, en jegens anderen liefdeloos. Ik zag,
dat mijn eigen gevoelens mijn lijden hadden voorbereid, en dat mijn
gebrek aan draagkracht mij bijna had ten grave gebracht. Ik wist zeer
goed, dat ik mij mijne ziekte zelve had op den hals gehaald, door mijne
gezondheid te verwaarloozen op een wijze, waarvan ik zelfs toen reeds
het verkeerde inzag. Als ik gestorven was, zou het door zelfmoord
zijn geweest. Van het gevaar was ik mij niet bewust, eer het reeds
was geweken; maar ik verbaas mij over mijn herstel, met gevoelens,
zooals deze overdenkingen in mij wekken;--ik verbaas mij, dat niet
de vurigheid van mijn wensch om te blijven leven, tijd te hebben om
berouw te toonen tegenover God, en u allen, mij heeft gedood. Was
ik gestorven, hoe diep verslagen zou ik je dan hebben achtergelaten,
mijn trouwe verpleegster, vriendin en zuster! die al de verdrietige
zelfzuchtigheid van mijn laatste levensdagen hadt gekend, voor wie
het verzet in mijn hart niet was verborgen gebleven!--Hoe zou ik
geleefd hebben in je herinnering!--En moeder! Hoe hadt je haar kunnen
troosten!--Ik kan niet uitdrukken, hoe ik mijzelf verfoeide. Wáárheen
ik zag in het verleden, overal drong zich een verwaarloosde plicht
aan mij op, of een onbestreden neiging. Ieder scheen door mij te
kort gedaan. De onuitputtelijke goedheid van Mevrouw Jennings had
ik vergolden met ondankbare minachting. Tegenover de Middletons,
de Palmers, de Steeles, tegen al onze oppervlakkige bekenden zelfs,
was ik lomp en onrechtvaardig geweest; ik had hun verdiensten niet
willen inzien, en werd geprikkeld juist door hun voorkomendheid. Aan
John, aan Fanny,--ja zelfs aan hen, al verdienen ze weinig,--had ik
niet gegeven wat hun toekwam. Maar jou vooral, meer nog dan moeder,
had ik onrecht aangedaan. Ik, en ik alleen, wist, wat omging in je
hart en, hoe je hebt geleden;--en toch, waartoe bewoog dit mij?--tot
geen medelijden, dat voor of mijzelve eenige waarde had. Je voorbeeld
had ik voor oogen, doch waartoe was het mij nut? Schonk ik meer
aandacht aan jou en 't geen je aangenaam kon zijn? Trachtte ik je
verdraagzaamheid na te volgen, of je te ontheffen van zelfbedwang,
door mijn aandeel te dragen in de verplichtingen, je opgelegd door
algemeene welwillendheid of bijzondere reden tot dankbetoon, die je
tot nog toe steeds alleen hadt moeten vervullen? Neen;--evengoed toen
ik wist, dat je ongelukkig waart, als toen ik je nog tevreden waande,
weigerde ik elke inspanning, die plicht of vriendschap van mij eischte;
zag bijna niet in, dat er andere smart kòn bestaan dan de mijne;
treurde enkel om dàt hart, dat mij verlaten en bitter gegriefd had,
en liet toe, dat jij, voor wie ik onbegrensde genegenheid heette te
koesteren, om mijnentwille ongelukkig waart."
Hier eindigde de heftige vloed van verwijten, tegen haarzelve gericht,
en Elinor, innig verlangend haar gerust te stellen, ofschoon te eerlijk
om haar te vleien, schonk haar gaarne den lof en de instemming, die
haar openhartigheid en haar berouw ten volle verdienden. Marianne
drukte haar hand en antwoordde:
"Je bent wel goed. De toekomst alleen kan bewijzen dat ik waarheid
spreek. Mijn plan is gevormd; en als ik bij machte ben, mij daaraan te
houden, dan zullen mijn gevoelens worden beheerscht en mijn grillig
humeur verbeterd. Zij zullen niet langer anderen tot last zijn, en
mijzelve tot een kwelling. Ik wil van nu af aan slechts leven voor
mijn familiekring. Jij, moeder en Margaret moeten voortaan voor mij
de geheele wereld zijn; al mijn liefde zal tusschen jelui worden
verdeeld. Nooit zal ik weer de geringste neiging gevoelen om jelui
en mijn eigen thuis te verlaten, en als ik mij in het gezelschap van
anderen begeef, dan zal dat alleen zijn, om te toonen, dat mijn geest
nederiger, mijn hart beter is geworden, en dat ik met zachtheid en
geduld beleefdheidvormen kan in acht nemen en de kleinere plichten des
levens vervullen. Wat Willoughby betreft, het zou vruchteloos zijn,
te zeggen, dat ik hem spoedig, dat ik hem ooit zal vergeten. De
herinnering aan hem kan door geen verandering van omstandigheden
of van zienswijze worden uitgewischt. Doch zij zal worden geregeld,
worden in toom gehouden, door godsdienst, door rede, door voortdurende
bezigheid."
Zij zweeg een oogenblik, en voegde erbij, met zachtere stem: "Als
ik slechts kon weten, wat in _zijn_ hart is omgegaan, dan zou alles
gemakkelijk worden."
Elinor, die thans reeds eenigen tijd had overwogen, of het al dan
niet geraden ware, spoedig te wagen aan haar verhaal te beginnen,
zonder nader tot eenige beslissing te geraken, hoorde dit; en daar zij
begreep, dat snel beraad alles moest doen, waar nadenken niet baatte,
kwam zij al spoedig met de feiten voor den dag.
Zij deed haar verhaal, naar zij hoopte, met omzichtigheid, bereidde de
gretige luisterende voorzichtig voor; vertelde eenvoudig en eerlijk
de hoofdzaken, waarop Willoughby zijne verdediging had gegrond; liet
zijn berouw recht weervaren, en verzachtte alleen de betuigingen
zijner voortdurende genegenheid.
Marianne sprak geen woord; zij beefde; hare oogen bleven op den grond
gevestigd, en uit hare lippen week het weinigje kleur, dat hare ziekte
erin had overgelaten. Duizend vragen rezen op in haar binnenste,
doch zij durfde geene enkele ervan uiten. Ademloos begeerig ving zij
ieder woord op; zonder dat zij het wist, drukte hare hand vaster die
harer zuster, en tranen stroomden over hare wangen.
Elinor, vreezend dat zij vermoeid was, liet haar terugkeeren, en tot
zij de deur van hun huisje bereikten, sprak zij, wel begrijpend, hoe
groot Marianne's nieuwsgierigheid moest zijn, ofschoon geen vraag deze
onder woorden mocht brengen, van niets anders dan Willoughby en hun
beider onderhoud, terwijl zij zorg droeg, de geringste bijzonderheden
van woord en blik te vermelden, waar zij veilig in bijzonderheden
treden kòn. Zoodra zij het huis waren binnengegaan, liet Marianne met
een dankbaren kus, terwijl zij onder tranen slechts de woorden kon
uitbrengen: "Zeg het aan mama," hare zuster alleen, en ging langzaam
de trap op. Elinor wilde niet pogen, eene eenzaamheid te storen, zoo
natuurlijk gewenscht als de thans gezochte afzondering, en terwijl zij
in haar geest reeds angstig de mogelijke gevolgen overwoog, en besloot,
het onderwerp te hervatten, indien Marianne in gebreke bleef dit te
doen, trad zij de huiskamer binnen, om Marianne's daareven gegeven
opdracht te vervullen.