HOOFDSTUK XLV

Nog eenigen tijd nadat hij haar had verlaten, nadat het geluid van

zijn rijtuig was weggestorven zelfs, bleef Elinor te zeer onder den

indruk van vele gedachten, op zichzelve van zeer uiteenloopenden aard,

doch alle leidend tot droefheid als eenige uitkomst, om zelfs aan

haar zuster te denken.

Willoughby,--de man dien zij nog slechts een half uur geleden had

verfoeid als een nietswaardige,--Willoughby wekte, ondanks al zijn

gebreken, een zoo innig medelijden met de smart, door die gebreken

veroorzaakt, dat de gedachte, hem voor altoos uitgesloten te weten

buiten hunnen kring, haar vervulde met een teederheid en een weemoed,

veel meer in overeenstemming (zooals zij spoedig voor zichzelve

erkende) met zijn verlangen, dan met zijn verdiensten. Zij gevoelde

dat zijn invloed op haar denkwijze versterkt was door omstandigheden,

die redelijkerwijze geen gewicht in de schaal moesten leggen; door de

ongewone aantrekkelijkheid van zijn persoon; door zijn openhartige,

bezielde, levendige wijze van zich te uiten, die op zichzelf toch

niets verdienstelijks insloot, en door die nog steeds zoo vurige

liefde voor Marianne, waaraan hij zelfs niet mocht toegeven zonder

schuld op zich te laden.--Zij gevoelde dat dit zoo was, lang, lang

eer zijn invloed op haar was verflauwd.

Toen zij eindelijk terugkeerde naar de van niets bewuste Marianne,

werd haar zuster juist wakker, verkwikt, zooals zij gehoopt had, door

dien langen en rustigen slaap.--Elinor's hart was vol. Het verleden,

het tegenwoordige, de toekomst,--Willoughby's bezoek, Marianne's

redding, en haar moeder's verwachte komst,--alles tezamen maakte haar

te rusteloos en gejaagd om een spoor van vermoeidheid te gevoelen,

en zij was alleen maar bang, dat zij zich tegenover Marianne zou

verraden.--Er werd haar echter weinig tijd gelaten voor het koesteren

van die vrees; want nog geen half uur na Willoughby's vertrek deed het

geluid van een ander rijtuig haar opnieuw naar beneden snellen. Vol

verlangen om hare moeder elk onnoodig oogenblik van folterende

onzekerheid te besparen, liep zij haastig naar de vestibule, en was

juist bij tijds aan de voordeur, om haar moeder te ontvangen en te

steunen, toen zij binnentrad.

Mevrouw Dashwood, wier angst, toen zij het huis naderden, haar

bijna overtuigd deed zijn, dat Marianne niet meer in leven was,

kon geen woord uitbrengen om naar haar te vragen; kon zelfs Elinor

niet begroeten, die echter zonder te wachten op groet of vraag, haar

onmiddellijk de zaligste verlichting schonk;--en haar moeder, die deze

met de haar eigen geestdrift ontving, was in een oogwenk evenzeer

overstelpt door haar vreugde, als zij het te voren was geweest door

hare vrees. Zij werd, ondersteund door haar dochter en haren vriend,

naar den salon gebracht, waar zij onder tranen van blijdschap, nog

steeds niet bij machte te spreken, Elinor meermalen omhelsde, zich

nu en dan van haar afwendend om Kolonel Brandon de hand te drukken,

met een blik, die zoowel haar dank uitdrukte, als hare overtuiging,

dat hij ten volle deelde in de blijdschap van het oogenblik. Dat deed

hij, doch onder een stilzwijgen, nog dieper dan het hare.

Zoodra Mevrouw Dashwood zich hersteld had, was haar eerste verlangen,

Marianne te zien; en enkele minuten later was zij bij haar geliefd

kind, haar dierbaarder geworden dan ooit na lange scheiding,

ongeluk en gevaar. Elinor's blijdschap bij het zien van wat beiden

bij die ontmoeting gevoelden, werd alleen verminderd door de vrees,

dat Marianne nu niet meer zou kunnen slapen; doch Mevrouw Dashwood

kon kalm, kon zelfs voorzichtig zijn, waar het behoud van haar

kind op het spel stond; en Marianne, tevreden in het besef van

haar moeder's nabijheid, en wel wetende, dat zij te zwak was om te

spreken, onderwierp zich gaarne aan den eisch van stilte en rust,

waarop al hare verpleegsters aandrongen. Mevrouw Dashwood wilde

volstrekt dien nacht bij haar blijven waken, en Elinor begaf zich, op

haar moeder's dringenden wensch, ter rust. Maar die rust, welke één

volkomen slapelooze nacht en vele uren van uitputtenden angst toch

zoo noodig deden schijnen, bleef uit door den geprikkelden toestand

harer zenuwen. Willoughby, "die arme Willoughby," zooals zij hem nu

wel wilde noemen, was voortdurend in hare gedachten; voor niets ter

wereld had zij zijn poging om zich te rechtvaardigen willen missen,

en nu eens verweet zij zich, om zich daarna weer vrij te pleiten,

dat zij hem te voren zoo hard had beoordeeld. Doch haar belofte om

het aan hare zuster mede te deelen, bleef steeds pijnlijk. Zij zag

er tegenop, die te vervullen; vreesde voor de uitwerking ervan op

Marianne, twijfelde, of zij, na die verklaring, ooit met een ander

gelukkig zou kunnen zijn; en wenschte een oogenblik, dat Willoughby

weduwnaar mocht worden; toen zij echter weer aan Kolonel Brandon dacht,

berispte zij zichzelve, gevoelde dat van _zijn_ lijden en _zijne_

trouw haar zuster de belooning moest zijn, veeleer dan voor die van

zijn medeminnaar, en verlangde in het minst niet meer naar den dood

van Mevrouw Willoughby.

De schrik over Kolonel Brandon's komst te Barton was voor Mevrouw

Dashwood verzacht door haar eigen reeds lang gekoesterde bezorgdheid;

want zij was zoo ongerust over Marianne, dat zij reeds besloten had,

dien zelfden dag naar Cleveland te vertrekken, zonder nader bericht

af te wachten; en zij had haar reis reeds zoover voorbereid, eer

hij kwam, dat zij juist op dat oogenblik de Carey's verwachtte, die

Margaret zouden komen afhalen, daar hare moeder haar niet aan eene

mogelijke besmetting wilde blootstellen.

Marianne's beterschap nam met den dag toe, en Mevrouw Dashwood bewees

door haar van blijdschap stralenden blik en haar onveranderlijke

opgewektheid, dat zij zich, zooals zij herhaaldelijk verklaarde,

de gelukkigste vrouw ter wereld achtte. Elinor kon die bewering niet

aanhooren, noch de duidelijke bewijzen ervan aanschouwen, zonder zich

nu en dan af te vragen, of haar moeder wel ooit aan Edward dacht. Maar

Mevrouw Dashwood, vertrouwend op de kalme gematigdheid, waarmede Elinor

had geschreven over haar eigen teleurstelling, kon in de overmaat

harer vreugde slechts denken aan 't geen hare blijdschap verhoogen zou.

Marianne was haar teruggegeven, na een gevaar, waaraan, zooals

zij thans begon in te zien, zij zelve had geholpen haar bloot te

stellen, toen zij haar uit gebrek aan inzicht, aanmoedigde in haar

noodlottige genegenheid voor Willoughby; en thans vond zij in haar

herstel nog eene andere reden tot vreugde, waaraan Elinor niet had

gedacht. Deze werd haar medegedeeld, zoodra zij gelegenheid vonden

tot een vertrouwelijk onderhoud.

"Eindelijk zijn we dan alleen," zeide hare moeder. "Mijn lieve Elinor;

je weet nog niet, hoe gelukkig ik ben. Kolonel Brandon heeft Marianne

lief; hij heeft het mij zelf gezegd."

Haar dochter, die zich beurtelings blijde en bedroefd, verrast en

niet verrast gevoelde, was een en al zwijgende aandacht.

"Als ik niet wist, Elinor, dat je altijd anders bent dan ik, dan zou

ik mij verbazen over je kalmte bij dit bericht. Als ik mijn gezin een

groot geluk had mogen toewenschen, dan zou ik het allerliefst hebben

gezien, dat Kolonel Brandon met een van jelui tweeën trouwde. En ik

geloof dat Marianne nog het gelukkigst met hem zal zijn."

Elinor had wel lust te vragen waarom; daar zij begreep dat de reden

niet gegrond kon zijn op eenige onpartijdige beschouwing van hun

leeftijd, karakter, of gevoelens;--doch haar moeder liet zich bij

al wat haar ter harte ging, door haar verbeelding meesleepen, en dus

glimlachte zij slechts, en liet de vraag achterwege.

"Gisteren onder de reis heeft hij zijn geheele hart voor mij

uitgestort. Het kwam onverwacht, geheel zonder opzet. Ik kon, zooals

je wel kunt nagaan, over niets spreken dan mijn kind;--hij kon zijn

smart niet verbergen; ik zag dat die de mijne evenaarde, en hij,

mogelijk denkend, dat louter vriendschap, in onzen nuchteren tijd,

die innige sympathie niet kon rechtvaardigen,--of liever in het

geheel niet denkend misschien,--toegevend aan den onweerstaanbaren

drang van zijn gevoel, openbaarde mij zijne ernstige, teedere,

trouwe genegenheid voor Marianne. Hij heeft haar liefgehad, Elinor,

van het eerste oogenblik, dat hij haar zag."

Elinor begreep wel, dat zij noch Kolonel Brandon's woorden, noch zijne

ware uitingen te hooren kreeg, doch de natuurlijke verfraaiing ervan

door haar moeder's levendige verbeelding, die alles naar believen

inrichtte zooals dat haarzelve het aangenaamst was.

"Zijn liefde voor haar, zoo oneindig hooger staande dan iets, dat

Willoughby ooit gevoelde, of veinsde te gevoelen, daar zij veel

inniger was, veel oprechter, of standvastiger--hoe zullen wij het

noemen?--bleef onveranderd, terwijl hij wist van de ongelukkige

genegenheid onzer lieve Marianne voor dien slechten man, en geheel

onzelfzuchtig, zonder de minste hoop te koesteren, had hij haar met

een ander gelukkig kunnen zien! Zulk een edel karakter! Zoo openhartig;

zoo oprecht!--in hèm kan men zich niet vergissen."

"Dat Kolonel Brandon een buitengewoon goed mensch is," zei Elinor,

"wordt door ieder erkend."

"Dat weet ik," gaf haar moeder ernstig ten antwoord, "anders zou

_ik_ de laatste zijn, om na zulk een waarschuwing, een dergelijke

genegenheid aan te moedigen, of mij daarover te verheugen. Maar dat

hij mij kwam afhalen, zooals hij deed, met die gereede, bereidwillige

vriendschap, bewijst al genoeg, dat hij een van de beste menschen

ter wereld is."

"De roep, die uitgaat van zijn goedheid," antwoordde Elinor, "berust

niet op ééne enkele vriendelijke daad, waartoe, ook zonder eenige

algemeen menschelijke beweegreden, zijn liefde voor Marianne hem

zou hebben aangedreven. Mevrouw Jennings en de Middletons hebben hem

lang en van nabij gekend; zij dragen hem liefde zoowel als achting

toe; ook ik, hoewel ik hem eerst voor kort leerde kennen, weet veel

van wat hem aangaat; en _ik_ waardeer en acht hem zóó hoog, dat ik,

wanneer Marianne met hem gelukkig kan zijn, even geneigd ben als u,

deze verbintenis te beschouwen als het grootste geluk, dat ons kon

ten deel vallen. Welk antwoord hebt u hem gegeven? Zeide u hem,

dat hij hoop mocht koesteren?"

"Och, mijn kind, ik kon toen noch hem, noch mijzelve vleien met

hoop. Marianne kon op dat oogenblik wel stervende zijn. Maar hij vroeg

ook niet om hoop of bemoediging. Het was eene onwillekeurige uiting

van vertrouwen, een niet te weerhouden zielsuitstorting tegenover

eene vriendin, wier bijzijn hem rust schonk,--geen vraag, gericht

tot eene moeder. Toch zei ik wèl na eenigen tijd, want eerst was ik

te zeer overweldigd door mijn aandoening, dat wanneer zij, zooals ik

hoopte en vertrouwde, in leven bleef, het mijn grootste geluk zou zijn,

hen gehuwd te zien, en sedert onze komst hier, sedert onze gelukkige

zekerheid, heb ik hem dit nogmaals uitdrukkelijk herhaald, en hem naar

mijn beste vermogen moed ingesproken. De tijd, een weinig tijds zelfs,

zei ik hem, zal alles bewerken;--Marianne's hart kan niet voor altoos

en te vergeefs geschonken zijn aan een man als Willoughby. Zijn eigen

verdienste zal het hem spoedig doen winnen."

"Te oordeelen naar de stemming van den Kolonel, bent u er niet in

geslaagd, hem even hoopvolle verwachtingen te doen koesteren."

"Neen. Hij houdt Marianne's genegenheid voor zoo diepgeworteld, dat

zij eerst na zéér langen tijd zal kunnen veranderen, en zelfs al was

haar hart volkomen vrij, dan is hij nog te bescheiden, om te gelooven,

dat hij, bij zulk een verschil in leeftijd en geaardheid, ooit haar

liefde zou kunnen winnen. Maar dáárin vergist hij zich. Dat verschil

in leeftijd is juist groot genoeg, om in zijn voordeel te zijn; om

zijn karakter en beginselen vastheid te hebben geschonken, en wat zijn

geaardheid betreft, hij is juist de soort van man om je zuster gelukkig

te maken; daar ben ik zeker van. Zijn voorkomen, zijn manieren,

alles heeft hij vóór. Ik ben niet verblind door partijdigheid; zoo

knap als Willoughby is hij niet; dat is waar; maar daarentegen heeft

hij iets veel aantrekkelijkers. Er was altijd iets in Willoughby's

oogen nu en dan, dat mij niet aanstond; dat herinner je je wel."

Elinor herinnerde zich dat _niet_; maar haar moeder ging voort,

zonder haar antwoord af te wachten: "En zijn manieren, het geheele

optreden van den Kolonel, vind ik niet alleen aangenamer dan dat

van Willoughby; maar ik weet stellig, dat ook Marianne zich op den

duur er meer toe aangetrokken zal gevoelen. Zijn zachtaardigheid,

zijn echte beminnelijkheid jegens anderen, en zijn mannelijke,

natuurlijke eenvoudigheid zijn veel meer in overeenstemming met haar

waren aard, dan de dikwijls gekunstelde levendigheid van Willoughby,

die ook wel eens te onpas kwam. Ik voor mij geloof stellig al was

Willoughby werkelijk zoo beminnelijk gebleken, als hij getoond heeft

het tegendeel te zijn, dan zou Marianne nòg met _hem_ niet zoo gelukkig

zijn geworden, als ze zijn zal met Kolonel Brandon."

Zij zweeg. Haar dochter was het niet geheel met haar eens; doch dat

meeningsverschil werd niet geuit en kon dus geen aanstoot geven.

"Te Delaford zal ik haar gemakkelijk kunnen bereiken", voegde Mevrouw

Dashwood erbij, "zelfs als ik te Barton blijf; en heel waarschijnlijk,

(want ik hoor dat het een groot dorp is)--ja, natuurlijk, _stellig_

is er wel een of ander klein huisje of landhuisje in de buurt, dat

even geschikt voor ons zou zijn als Barton Cottage."

Arme Elinor! alweer een nieuw plan om haar naar Delaford te doen

verhuizen! maar zij hield zich goed.

"En dan zijn fortuin! op mijn leeftijd denkt iedereen dááraan toch ook,

niet waar? en hoewel ik niet weet, en ook niet wensch te weten, hoeveel

hij bezit, ik denk toch wel dat het aanzienlijk mag genoemd worden."

Hier werden zij gestoord door de komst van een derde, en Elinor ging

heen, om alles in eenzaamheid te overdenken, haar vriend het beste

te wenschen, en toch tegelijkertijd eene opwelling van medelijden te

gevoelen met Willoughby.

Gevoel en verstand · 第 55 / 61 题