Elinor, die met een blik vol ontzetting terugdeinsde toen zij hem zag,
gaf gehoor aan eene natuurlijke opwelling, toen zij zich omkeerde,
om de kamer te verlaten, en zij legde de hand reeds op den deurknop,
toen zij werd teruggehouden, doordat hij haastig nadertrad, en op
eer bevelenden dan verzoekenden toon zeide:
"Juffrouw Dashwood, blijf!--een half uur,--tien minuten, ik smeek u
er om."
"Neen mijnheer," zeide zij vastberaden; "ik blijf hier niet. U kunt
om _mij_ niet gekomen zijn. De bedienden hebben zeker vergeten u te
zeggen, dat de Heer Palmer niet thuis is."
"Al hadden ze mij verteld," riep hij heftig, "dat de Heer Palmer
en zijn geheele familie naar den duivel waren, dan zou mij dat niet
hebben bewogen, heen te gaan! Ik kom hier om u te spreken, u alleen."
"Mij!"--riep zij, ten hoogste verbaasd,--"welnu, zeg het dan vlug,--en
als u kunt, met minder heftigheid."
"Gaat u zitten; dan zal ik aan beide voorwaarden voldoen."
Zij aarzelde; zij wist niet, hoe te handelen. Het ging haar door
het hoofd, dat Kolonel Brandon hem hier bij zijn aankomst zou
kunnen vinden. Maar zij had beloofd, hem aan te hooren, en zoowel
nieuwsgierigheid als die verplichting drongen haar te blijven. Na
een oogenblik nadenken echter kwam zij tot het besluit, dat
voorzichtigheid haast gebood, die door haar bereidwilligheid het
beste werd bevorderd. Zij ging dus zwijgend naar de tafel en nam
plaats. Hij ging op den stoel tegenover haar zitten, en een halve
minuut bleven beiden zwijgen.
"Wees zoo goed te zeggen, wat u te zeggen hebt, mijnheer," zeide
Elinor ongeduldig,--"ik heb geen tijd te verliezen."
Hij zat in diepe gedachten verzonken, en scheen haar niet te hooren.
"Uwe zuster," zei hij een oogenblik later,--"is buiten gevaar. Ik
hoorde het van den knecht.--Goddank!--Maar is het waar?--is het
werkelijk waar?"--
Elinor wilde niet antwoorden. Hij herhaalde de vraag met nog meer
aandrang.
"Om Godswil, zeg het mij, is het gevaar geweken, of niet?"
"Wij hopen het."
Hij stond op, en liep door de kamer.
"Had ik dit een half uur geleden geweten... Maar nu ik eenmaal hier
bèn," ging hij met gedwongen levendigheid voort, terwijl hij weer ging
zitten, "wat komt het er nu op aan?--Laat ons nog eenmaal,--misschien
voor de laatste maal, Juffrouw Dashwood,--samen vroolijk zijn. Zeg
mij eens eerlijk,"--een donkerder tint kleurde zijn wangen, "waarvoor
houdt u mij, voor een schurk, of voor een gek?"
Elinor zag hem met steeds meer verbazing aan. Zij begon te denken,
dat hij beschonken moest zijn; zij kon het vreemde bezoek en zijn
zonderlinge houding op geen andere wijze verklaren; en onder dien
indruk stond zij onmiddellijk op, met de woorden:
"Mijnheer Willoughby, ik raad u aan, nu naar Combe terug te keeren. Ik
heb geen tijd, om langer te blijven. Wàt u mij ook hebt te zeggen,
morgen zult u het u beter herinneren, en het beter kunnen verklaren."
"Ik begrijp u," antwoordde hij met een veelbeteekenenden glimlach,
op volkomen kalmen toon. "O ja, ik ben dronken. Dat glas bier bij
mijn koud vleesch in Marlborough was voldoende om mij van de wijs
te brengen."
"In Marlborough?" riep Elinor, die steeds minder begreep wat hij
toch wilde.
"Ja, ik ben van morgen om acht uur uit Londen vertrokken, en in de
eenige tien minuten, die ik sinds dat vertrek buiten mijn rijtuig
doorbracht, heb ik iets gebruikt te Marlborough."
Zijn bedaarde wijze van spreken en de vastheid van zijn blik
overtuigden Elinor, dat het geen dronkenschap was, die hem hier bracht,
welke onvergefelijke dwaasheid hem dan ook naar Cleveland mocht hebben
gedreven. Na een oogenblik nadenken zeide zij: "Mijnheer Willoughby,
u behoordet te begrijpen, wat _ik_ zeer stellig gevoel, dat, na 't
geen er gebeurd is, uwe komst hier op deze wijze, en dit met geweld
u aan mij opdringen, wel zéér noodig verontschuldiging eischen. Wat
is uwe bedoeling?"
"Mijn bedoeling is," zeide hij met ernstigen nadruk, "als ik
kàn, te bewerken, dat u mij _iets_ minder zult verafschuwen dan u
thans doet. Mijn bedoeling is, althans eenige verschooning, eenige
verklaring aan te bieden van het verleden,--mijn geheele hart voor u
open te leggen, en u te overtuigen dat ik, hoewel altoos kortzichtig,
niet altoos slecht ben geweest,--om althans iets als vergiffenis te
verkrijgen van Ma..., van uwe zuster."
"Is dat de werkelijke reden van uw komst?"
"Dat zweer ik u,"--antwoordde hij, met een warmte, die haar aan den
Willoughby van vroeger levendig herinnerde, en haar noopte, haars
ondanks te gelooven aan zijn oprechtheid.
"Wanneer dat alles is, dan kunt u reeds voldaan zijn; want Marianne
vergeeft u--hééft u reeds lang vergeven."
"Is dat waar?"--riep hij, met die zelfde ontroering in zijn stem.--"Dan
heeft zij mij vergeven, eer het daartoe de tijd was. Maar zij zal
mij nogmaals vergeven, en met grondiger reden daartoe. Wilt u mij
_nu_ aanhooren?"
Elinor boog toestemmend het hoofd.
"Ik weet niet," zeide hij, na een poos van stilte, afwachtend van háár
kant, nadenkend van den zijnen--"hoe _u_ mijn gedrag tegenover uwe
zuster hebt verklaard, of welke duivelsche beweegreden u mij moogt
hebben toegeschreven. Misschien zult u hierna niet eens veel beter
over mij denken; maar het is de moeite waard, het te beproeven,
en u zult alles vernemen. Toen ik voor het eerst uw familie van
nabij leerde kennen, had ik geen ander plan, geene andere bedoeling
met dien omgang, dan mijn tijd aangenaam door te brengen, zoolang
ik in Devonshire moest blijven; aangenamer dan ik ooit te voren had
gedaan. Uw zuster's bekoorlijkheid en haar ongewone gaven moesten mij
wel aantrekken, en haar houding jegens mij, bijna van den beginne, was
zóó... Verwonderlijk, wanneer ik bedenk, wat die was, en hoe _zij_ was,
dat mijn hart zoo gevoelloos heeft kunnen zijn!--Doch ik moet bekennen,
in het begin werd alleen mijn ijdelheid erdoor gevleid. Onverschillig
voor haar geluk, alleen denkend aan mijn eigen genoegen, geheel onder
den invloed van gevoelens, waardoor ik te zeer gewend was mij te laten
beheerschen, trachtte ik, door elk middel dat mij ten dienste stond,
beminnelijk te schijnen in haar oogen, zonder het minste voornemen,
haar genegenheid te beantwoorden."
Hier wierp Elinor hem een blik toe vol verontwaardigde minachting,
en viel hem in de rede door te zeggen:
"Het is werkelijk niet de moeite waard, mijnheer Willoughby, dat
u nog langer blijft vertellen, of ik naar u luisteren. Wat zou er
kunnen volgen, na zulk een begin? Laat mij niet méér hooren over dit
pijnlijke onderwerp."
"Ik wil, dat u alles zult aanhooren," was zijn antwoord. "Mijn fortuin
was nooit aanzienlijk, en ik was altoos verkwistend geweest, altoos
gewend om te gaan met lieden, die meer inkomen hadden dan ikzelf. Met
ieder jaar, sedert ik meerderjarig was geworden, en reeds eerder,
geloof ik, waren mijn schulden toegenomen, en hoewel de dood van mijn
oude nicht, Mevrouw Smith, mij daarvan zou bevrijden, had ik, daar op
die gebeurtenis niet viel te rekenen, en zij nog lang leven kon, reeds
eenigen tijd het voornemen opgevat, weer in beteren doen te geraken
door een rijke vrouw te trouwen. Aan eene verloving met uwe zuster
viel dus niet te denken; en met een lage, zelfzuchtige wreedheid,
die geen verontwaardigde, minachtende blik, zelfs van u, juffrouw
Dashwood, genoeg kan afkeuren,--ging ik voort, zooals ik was begonnen,
pogend haar genegenheid te winnen, zonder eenig voornemen, die te
beantwoorden. Een ding echter mag te mijnen gunste worden aangevoerd,
zelfs in dien verfoeilijken toestand van zelfzuchtige ijdelheid
besefte ik niet den omvang van het misdrijf dat ik wilde begaan,
omdat ik _toen_ niet wist wat het zeggen wil, lief te hebben. Heb ik
dat ooit geweten?--Wel mag dat worden betwijfeld; want zou ik, zoo ik
waarlijk bemind had, mijn gevoel hebben opgeofferd aan ijdelheid, aan
hebzucht--of wat erger was, het hare hebben prijsgegeven?--Toch heb
ik dat gedaan. Om eene betrekkelijke armoede te vermijden, die haar
liefde en haar bijzijn van alle bitterheid zouden hebben ontdaan,
heb ik, door mij rijkdom te verwerven, alles verloren, wat dien
rijkdom tot een zegen zou kunnen doen zijn."
"U hebt dus," zeide Elinor, ietwat verzacht, "een tijdlang geloofd,
dat u waarlijk genegenheid voor haar gevoelde."
"Zooveel beminnelijkheid te weerstaan, gevoelloos te blijven voor
zooveel teederheid!--is er wel een man ter wereld, die daartoe in staat
zou zijn geweest?--Ja, van lieverlede, onmerkbaar bijna, maar zeker,
nam mijn gehechtheid aan haar toe, en de gelukkigste uren van mijn
leven waren die, welke ik sleet in haar bijzijn, als ik gevoelde, dat
mijn bedoelingen eerlijk waren, en mijn genegenheid zuiver. En toch,
zelfs _toen_, terwijl ik stellig voornemens was, haar ten huwelijk
te vragen, stelde ik op onvergefelijke wijze van dag tot dag uit,
gevolg te geven aan dit plan uit schroom, een verloving aan te gaan
in mijne benarde omstandigheden. Ik wil hier niet wijzen op--noch
aan u overlaten dat voor _mij_ te doen,--de dwaasheid, en erger dan
dwaasheid, terug te schrikken voor het verpanden van mijn trouw,
waar mijn eer mij reeds had gebonden. De uitkomst heeft bewezen, dat
ik een listige gek ben geweest, die met groote omzichtigheid zich de
mogelijkheid wilde voorbehouden, voor altijd verachtelijk en ongelukkig
te worden. Ten laatste echter stond mijn besluit vast, en ik had mij
voorgenomen, zoodra ik haar alleen kon spreken, de oprechtheid te
bewijzen der hulde, die ik haar voortdurend had toegebracht, en haar
openlijk de liefde te verklaren, die ik zoo duidelijk en opzettelijk
reeds had aan den dag gelegd. Doch in het tijdsverloop van enkele
uren, die nog moesten verstrijken, eer ik gelegenheid kon vinden
haar onder vier oogen te spreken,--gebeurde iets... iets ongelukkigs,
dat mijn plannen verijdelde, en mij tevens alle rust ontnam. Er werd
iets ontdekt..." (hier aarzelde hij, en sloeg de oogen neer). "Mevrouw
Smith had op de eene of andere wijze vernomen, ik denk door een verren
bloedverwant, wiens belang medebracht, mij van haar gunst te berooven,
van eene zaak, eene verbintenis... doch ik behoef mij niet nader te
verklaren," voegde hij erbij, met verhoogde kleur en haar aanziende
met een vragenden blik, "uwe bijzondere vertrouwelijkheid met... u
zult waarschijnlijk de geheele geschiedenis reeds hebben vernomen."
"Dat heb ik," antwoordde Elinor, eveneens blozend, en opnieuw haar
hart verhardend tegen eenige opwelling van medelijden met hem. "Ik
weet dat alles. En hoe u ook maar een zweem van uw schuld in die
treurige zaak zult kunnen wegredeneeren, gaat mijn bevatting te boven."
"Bedenk," riep Willoughby, "van wien u het verhaal hebt gehoord. Kon
het onpartijdig zijn? Ik erken, dat ik haar omstandigheden en haar
jeugd had moeten ontzien. Ik wil mij niet van schuld vrijpleiten,
doch evenmin kan ik u in de meening laten verkeeren, dat ik niets
te mijner verdediging heb aan te voeren; dat zij onberispelijk was,
omdat haar onrecht werd aangedaan, of dat, wijl ik losbandig was,
zij een heilige moest zijn. Als de onstuimigheid van haar hartstocht,
de zwakheid van haar geestvermogens... maar verdedigen wil ik mij
niet. Haar liefde voor mij had beter verdiend, en dikwijls herinner
ik mij, met diep zelfverwijt, de teederheid, die voor zeer korten
tijd vermocht een dergelijk gevoel in mij te wekken. Ik wenschte van
ganscher harte dat dit nooit was geschied. Maar ik heb anderen dan
haar kwaad gedaan; en ééne heb ik kwaad gedaan, wier liefde voor mij
(mag ik het zeggen?) niet minder innig was dan de hare, en die naar
den geest... o, hoe oneindig veel hooger stond dan zij!"
"Maar uwe onverschilligheid voor dat ongelukkige meisje,--ik moet het
zeggen, hoezeer mij het bespreken van zulk een onderwerp ook tegen de
borst stuit--uwe onverschilligheid maakt uwe hartelooze veronachtzaming
niet goed. U moogt niet denken, dat eenige zwakheid, eenig natuurlijk
gebrek aan begrip van haar kant eene verontschuldiging zou kunnen
zijn voor de lichtzinnige wreedheid, door u zoo duidelijk aan den dag
gelegd. U moet hebben geweten, dat zij, terwijl u in Devonshire reeds
weer nieuwe genoegens vondt, nieuwe plannen maaktet, altoos vroolijk,
altoos welgemoed, intusschen bitter gebrek leed."
"Ik verzeker u, ik wist dat _niet_," antwoordde hij met nadruk;
"ik herinnerde mij niet, dat ik verzuimd had, haar mijn adres op te
geven; en als zij haar verstand gebruikt had, zou ze 't licht hebben
kunnen uitvinden."
"Maar gaat u voort: wat zeide dan nu Mevrouw Smith?"
"Zij kwam dadelijk met hare beschuldiging voor den dag; en dat ik
beschaamd was, behoef ik niet te zeggen. Haar strenge zedelijkheid,
haar vormelijke begrippen, haar gebrek aan wereldkennis,--alles had ik
tegen mij. Het feit zelf kon ik niet ontkennen, en elke poging het te
verzachten, was vergeefsch. Zij was toch al reeds geneigd, geloof ik,
mijn zedelijk gedrag over 't geheel te wantrouwen, en daarbij was
zij ontevreden, omdat ik, bij dit bezoek, al zeer weinig aandacht,
en zeer weinig tijd aan háár had geschonken. Het kwam dan ook tusschen
ons tot een volslagen breuk. Op ééne wijze slechts had ik mij kunnen
redden. Bij haar nauwgezette opvattingen van zedelijkheid bood de
goede vrouw aan, het verleden te vergeven, als ik met Eliza wilde
trouwen. Dat ging niet--en zij ontzei mij van nu af hare gunst en
hare gastvrijheid. Op den avond na dit gesprek,--ik zou den volgenden
morgen vertrekken,--overwoog ik mijn toekomstig gedrag. De strijd was
zwaar,--doch te spoedig gestreden. Mijn liefde voor Marianne, mijn
stellige verzekerdheid van haar gehechtheid aan mij,--al die gevoelens
waren niet bij machte, op te wegen tegen de vrees voor armoede of
de verkeerde denkbeelden te overwinnen omtrent de onmisbaarheid van
rijkdom, die ik van nature geneigd was, te koesteren, en die mijn
omgang met verkwistende vrienden had versterkt. Ik wist, dat ik op
de toestemming mijner tegenwoordige vrouw kon rekenen, wanneer ik
haar ten huwelijk vroeg, en ik maakte mijzelf wijs, dat mij, uit
voorzichtigheid, niet anders overbleef. Nog een zware taak wachtte
mij, eer ik Devonshire kon verlaten; ik had beloofd, dien dag bij u
te zullen dineeren; er was dus eenige verontschuldiging noodig voor
het verbreken dier belofte. Of ik deze schriftelijk zou afleggen,
of persoonlijk zou komen brengen, was een punt, waarover ik het
langen tijd niet met mijzelf kon eens worden. Marianne weer te zien,
zou ontzettend zijn, en ik twijfelde zelfs, of ik, als ik haar zag,
bij mijn besluit kon volharden. Op dat punt echter onderschatte ik
mijn krachten, zooals uit het gebeurde is gebleken; want ik ging; ik
zag haar; zag hoe zij leed, en verliet haar in haar lijden;--verliet
haar, hopende haar nooit weer te zien."
"Waarom bracht u dat bezoek, Mijnheer Willoughby?" zeide Elinor
verwijtend; "een brief zou volkomen afdoende zijn geweest. Waarom
was het noodig, zelf te gaan?"
"Mijn trots gedoogde niet anders. Ik verkoos niet, heen te gaan op
een wijze, die u, of de andere kennissen in de omtrek, zou kunnen
doen gissen, wat tusschen mij en Mevrouw Smith was voorgevallen,
en daarom besloot ik, op weg naar Honiton, bij uw huis stil te
houden. Vreeselijk was het voor mij, uwe lieve zuster te zien, en
wat de zaak nog moeilijker maakte, ik trof haar alleen. U waart
allen uitgegaan, waarheen weet ik niet. Den avond te voren had
ik haar verlaten, zoo stellig, zoo vast besloten in mijn hart, te
doen wat goed was! Binnen weinige uren zou zij voor altoos aan mij
verbonden zijn geweest; en ik weet nog, hoe gelukkig, hoe verheugd
ik mij gevoelde, toen ik van uw huisje naar Allenham wandelde,
tevreden over mijzelf, jegens ieder welgezind! Doch bij dat laatste
vriendschappelijke onderhoud naderde ik haar met een schuldgevoel,
dat mij het vermogen tot veinzen bijna benam. Haar smart, haar
teleurstelling, haar diepe verslagenheid, toen ik haar zeide, dat
ik zoo plotseling uit Devonshire moest vertrekken,--ik vergeet het
nooit; en daarbij haar volkomen geloof, haar vertrouwen in mij! O God,
wat een hardvochtige schurk was ik toen!"
Beiden zwegen een poos. Elinor sprak het eerst.
"Zei u toen, dat u spoedig zoudt terugkeeren?"
"Ik weet niet, wat ik haar zeide," antwoordde hij ongeduldig; "minder,
in elk geval, dan het verleden haar recht gaf, te verwachten, en
waarschijnlijk veel meer dan de toekomst in vervulling bracht. Ik
kan er niet aan denken,--ik wil dat niet. Daarna kwam uwe goede
moeder, om mij nog verder te pijnigen met haar vriendelijkheid en
haar vertrouwen. Dat hééft mij gepijnigd, Goddank. Ik voelde mij
ellendig. Juffrouw Dashwood, u kunt u niet voorstellen, hoe het mij
goed doet, te denken aan wat ik geleden heb. Zoo bitter verwijt ik
mij mijn eigen domme, schurkachtige dwaasheid, dat al het verdriet,
dat ik mij er vroeger door heb berokkend, mij nu een bron van
trots en blijdschap is. Nu dan, ik ging; ik verliet allen, die ik
liefhad, en ging naar hen, wien ik, op zijn best, onverschillig
was. Mijn reis naar de stad,--met mijn eigen paarden, en dus zoo
langzaam,--geen sterveling om meer te spreken,--mijn eigen gedachten
zoo vroolijk,--mijne vooruitzichten zoo uitlokkend!--den terugblik
naar Barton zoo bevredigend!--o, het was een onvergetelijke tocht."
Hij zweeg.
"En is dat alles?" zeide Elinor, die ofschoon zij medelijden met hem
had, verlangde, dat hij zou vertrekken.
"Alles? neen!--hebt u vergeten wat er in Londen voorviel? Die
schandelijke brief! Heeft zij hem u laten lezen?"--
"Ja; ik las alle brieven, die werden gewisseld."
"Toen ik haar eerste briefje ontving (dadelijk, want ik was al dien
tijd in de stad) was mijn gevoel zooals men dat gewoonlijk uitdrukt,
niet onder woorden te brengen; eenvoudiger gezegd,--misschien
te eenvoudig om ontroering te wekken,--ik was pijnlijk, zéér
pijnlijk getroffen. Elke regel, ieder woord was--om de afgezaagde
vergelijking te bezigen, die de lieve schrijfster, zoo zij hier ware,
zou verbieden,--een dolksteek in mijn hart. Het bericht, dat Marianne
in de stad was, trof mij, in die zelfde taal uitgedrukt, als een
donderslag. Donderslagen en dolksteken!--hoe zou ze mij de les hebben
gelezen!--haar smaak, haar oordeel,--ik geloof dat ze mij beter bekend
zijn dan mijn eigen meeningen, en zéér zeker zijn ze mij liever."
Elinor's gemoed, waarin vele wisselingen hadden plaats gegrepen
in den loop van dit zonderlinge gesprek, was thans weer verzacht;
maar toch achtte zij het haar plicht, dergelijke denkbeelden in hem
te bestrijden.
"Dit is niet goed, mijnheer Willoughby. Bedenk, dat u getrouwd
bent. Vertel mij alleen, wat u in ernst noodig acht, dat ik zal
vernemen."
"Toen Marianne's briefje mij de zekerheid schonk, dat ik haar nog
even dierbaar was als vroeger, dat zij ondanks de vele, vele weken,
sedert onze scheiding verloopen, nog even trouw was aan haar eigen
gevoelens en nog even vertrouwend op de standvastigheid van de mijne,
ontwaakte in mij het berouw. Ik zeg: ontwaakte; want de tijd en
Londen, bezigheid en ijdel vermaak hadden het, in zekeren zin, doen
insluimeren, en ik was langzamerhand een waarlijk verharde booswicht
geworden, mij verbeeldend, dat ik haar onverschillig was, en mij
inpratend, dat ik ook voor haar niets meer gevoelde; ik beschouwde
inwendig onze vroegere genegenheid als een voorbijgaand, vluchtig
minnarijtje, haalde de schouders erover op, om mij zelf dat diets te
maken, en bracht elk verwijt tot zwijgen, verwon elk gewetensbezwaar,
door in stilte nu en dan te zeggen: "Ik zal blij zijn, wanneer ik
hoor, dat ze een goed huwelijk heeft gedaan."--Doch dat briefje
leerde mij mijzelf beter kennen. Ik gevoelde, dat ik haar oneindig
liever had dan eenige vrouw ter wereld, en dat ik haar schandelijk
behandelde. Doch juist toen was tusschen Juffrouw Grey en mij alles
beslist. Terugtrekken was onmogelijk. Al wat mij stond te doen, was,
u beiden te vermijden. Ik antwoordde Marianne niet, om geene verdere
mededeeling van haar uit te lokken; en een tijdlang was ik zelfs
niet voornemens, een bezoek te brengen in Berkeley Street; maar daar
ik het tenslotte verstandiger vond, de houding aan te nemen van een
onverschilligen, gewonen bekende, wachtte ik op zekeren morgen tot
ik u allen had zien uitgaan, en gaf daarna mijn kaartje af."--
"Zaagt u ons uitgaan?"
"Ja zeker. U zoudt verwonderd zijn, als u wist, hoe dikwijls ik u
bespiedde, hoe licht ik u had kunnen ontmoeten. Ik ben menigmaal een
winkel binnengegaan, om niet door u te worden gezien, als uw rijtuig
voorbijreed. Er ging bijna geen dag voorbij, waarop ik niet uit mijn
kamer in Bond Street een van u allen in 't voorbijgaan zag, en niets
dan voortdurende waakzaamheid van mijne zijde, de onveranderlijke
wensch om mij niet aan u te vertoonen had ons zoolang gescheiden
kunnen houden. Ik vermeed de Middletons zooveel mogelijk, evenals
alle anderen, die wellicht gemeenschappelijke bekenden hadden kunnen
zijn. Daar ik niet wist, dat zij in de stad waren, ontmoette ik hen
bij Sir John, den eersten dag nadat ze waren aangekomen, geloof ik,
en den volgenden dag bracht ik dat bezoek bij Mevrouw Jennings. Hij
vroeg mij op een partij, een danspartij bij hem aan huis dien
avond. Al had hij mij _niet_ verteld, om mij over te halen, dat u
en uwe zuster er ook zouden zijn, dan zou ik daarop toch te stellig
hebben gerekend, om mijzelf in zijne buurt te wagen. Den volgenden
morgen kreeg ik weer een briefje van Marianne,--nog steeds hartelijk,
open, eenvoudig, vertrouwend, --al wat _mijn_ gedrag verfoeilijk kon
doen schijnen. Ik kon er niet op antwoorden. Ik beproefde het, maar
kon geen woorden vinden. Doch ik dacht aan haar, geloof ik, op elk
uur van den dag. Wanneer _u_ mij kunt beklagen, Juffrouw Dashwood,
beklaag dan den toestand, waarin ik mij _toen_ bevond. Terwijl mijn
hoofd en hart vol waren van uwe zuster, moest ik tegenover eene
andere vrouw de rol van den gelukkigen minnaar spelen! Die drie
of vier weken waren het ergst van alles. En ten laatste, ik behoef
het u niet te zeggen, _moest_ ik u ontmoeten; en hoe fraai was mijn
houding!--Wàt een avond was dat! Marianne aan den eenen kant, even
schoon als altoos, mij bij mijn naam noemend op zùlk een toon!--o God,
haar hand naar mij uitstekend, mij een verklaring vragend van mijn
gedrag, terwijl die betooverende oogen met zoo sprekende bezorgheid
op mijn gelaat gevestigd waren!--en Sophia, razend van jaloezie,
aan den anderen, met een gezicht als... Laat ik daarvan zwijgen;
het is nu voorbij. Zulk een avond! Zoodra ik kon, vluchtte ik heen
van u allen, doch niet eer ik Marianne's lief gezicht doodsbleek
had zien worden. Dàt was de laatste, laatste blik dien ik van haar
opving,--de laatste dien ik op haar wierp. Ontzettende aanblik! Toch,
toen ik mij haar vandaag als stervende voorstelde, was het in zekeren
zin een troost voor mij, te denken, dat ik wist, hoe zij zich zou
vertoonen aan hen, die haar voor het laatst aanschouwden in deze
wereld. Ik zag haar voor mij, aanhoudend vóór mij, op weg hierheen
met dien zelfden blik, diezelfde lijkkleur."
Er volgde een korte stilte, waarin beiden nadachten. Willoughby,
het eerst uit zijn overpeinzingen opschrikkend, verbrak het zwijgen,
door te zeggen:
"Laat ik nu gaan. Uwe zuster is dus werkelijk beter, werkelijk
buiten gevaar."
"Dat is ons stellig verzekerd."
"En uwe arme moeder!--die zoo dweepte met Marianne!"
"Maar die brief, mijnheer Willoughby, uw eigen brief; hebt u daarover
niets te zeggen?"
"Ja, ja; veel zelfs. U weet, uw zuster schreef mij nog eenmaal,
den volgenden morgen. Wat zij zeide, hebt u gezien. Ik ontbeet
bij de Ellison's, en haar brief werd mij daar, met andere,
overhandigd. Toevallig viel Sophia's oog erop, eer ik hem zag, en
het formaat, de fraaiheid van het papier, het handschrift, alles
wekte onmiddellijk haar achterdocht. Er was haar reeds iets ter oore
gekomen van mijne genegenheid voor eene jonge dame in Devonshire, en
wat den vorigen avond onder haar oogen was voorgevallen, had haar doen
zien, wie die jonge dame was, en haar jaloezie nog verergerd. Met een
voorgewende luchtige speelschheid, zoo aantrekkelijk in eene vrouw,
die men waarlijk liefheeft, opende zij den brief zelf, en las den
inhoud. Zij kreeg voor die onbescheidenheid haar verdiende loon. Wat
zij las, deed haar verdriet. Haar verdriet had ik gemakkelijk kunnen
verdragen; maar haar drift, haar woede... in elk geval moest ik ze
doen bedaren. En wat zegt u nu wel van mijn vrouw's stijl,--was de
brief niet kiesch, teeder, met vrouwelijk fijn gevoel geschreven?"
"Uw vrouw?--De brief was van uw eigen hand."
"Ja; maar mij kwam alleen de verdienste toe, die zinnen, die ik mij
schaamde, te onderteekenen, slaafsch te hebben nageschreven. Het
origineel was haar eigen vinding; haar eigen beminnelijke gedachten,
zoo lieftallig onder woorden gebracht. Maar wat kon ik doen?--wij
waren verloofd: alles werd in gereedheid gebracht; de dag was bijna
bepaald; --doch neen, ik spreek onzin. Gereedheid!--dag bepalen! In
ronde woorden gezegd, ik had haar geld noodig, en in omstandigheden
als de mijne zou ik alles hebben gedaan om een breuk te voorkomen. En
wat deed het er trouwens toe, in welke bewoordingen mijn antwoord was
ingekleed? Het zou het oordeel van Marianne en hare vrienden omtrent
mijn karakter niet veranderen. Dat zou toch altijd hetzelfde zijn. Ik
moest openlijk erkennen, dat ik een schurk was, en of ik dat nu deed
met mooie praatjes of zonder omwegen, maakte weinig verschil. "Zij
zullen tòch nooit weer goed over mij denken," zeide ik tot mijzelf;
"hun omgang is mij voor altoos ontzegd; nu reeds houden ze mij voor
een gewetenloozen kerel, en na dien brief zullen ze mij bovendien
als een lompen vlegel beschouwen." Zóó redeneerde ik, terwijl ik,
met een soort roekelooze onverschilligheid, de woorden van mijn vrouw
naschreef, en de laatste herinneringen aan Marianne prijsgaf. Haar drie
briefjes,--ik had ze alle drie in mijn portefeuille, helaas! anders
zou ik ontkend hebben, dat ze bestonden, en ze voor altoos hebben
bewaard; ik werd gedwongen ze af te geven zonder er zelfs een kus op
te drukken. En de haarlok, die ik altoos bij mij droeg, in die zelfde
portefeuille, door mijn vrouw in haar kwaadaardige drift nauwkeurig
doorzocht,--de dierbare haarlok,--alles,--ieder aandenken werd mij
met geweld ontnomen."
"Dit is slecht, Mijnheer Willoughby; dit is zeer verkeerd van u," zeide
Elinor, terwijl hare stem, haars ondanks, ontroering en medelijden
verried, "zóó moogt u niet spreken, noch van Mevrouw Willoughby,
noch van mijne zuster. U hebt uwe eigen keuze gevolgd. Zij werd u
niet opgedrongen. Uwe vrouw heeft recht op uwe beleefdheid, op uwe
achting dan toch. Zij moet iets voor u gevoelen; anders had zij u niet
getrouwd. Door haar onvriendelijk te behandelen, of met minachting
over haar te spreken, maakt u tegenover Marianne niets goed; en
evenmin kan het, dunkt mij, uw eigen geweten verlichten."
"Spreek mij niet van mijne vrouw," zei hij met een zwaren zucht. "Zij
verdient uw meelijden niet. Zij wist, dat ik haar niet liefhad,
toen wij huwden. En zoo zijn wij dan getrouwd, en gingen naar Combe
Magna om gelukkig te zijn, en keerden terug naar de stad om ons te
vermaken.--En hebt u nu medelijden met mij, Juffrouw Dashwood? Of is
al wat ik u zeide te vergeefs gezegd? Ben ik--al is het ook maar een
zweem--minder schuldig in uwe oogen dan te voren? Niet altijd waren
mijn bedoelingen slecht. Heb ik door deze verklaring mijn schuld
althans gedeeltelijk doen verminderen?"
"Ja; u hebt die wel degelijk verlicht--een weinig, ten minste. U
hebt getoond, dat u, over 't geheel, minder slecht waart, dan ik
mij u voorstelde. U hebt getoond, dat uw hart minder, veel minder
verdorven was. Maar toch,--als ik denk aan het verdriet, dat door u
is veroorzaakt,--ik weet bijna niet, wat nòg erger had kunnen zijn."
"Wilt u nog eens herhalen voor uwe zuster, als zij hersteld is, wat
ik u heb gezegd? Laat ook zij een weinig beter over mij denken, zoowel
als u. U zegt, dat zij mij reeds vergeven heeft. Laat mij althans mij
mogen verbeelden, dat een beter inzicht in mijn gemoedsgesteldheid
en mijn tegenwoordige gevoelens haar eene meer vrijwillige, meer
natuurlijke, meer zachtaardige, minder hooghartige vergiffenis zal
ontlokken. Spreek haar van mijn ellende en mijn berouw; zeg haar dat
mijn hart haar nimmer ontrouw was, en zeg zoo u dat wilt, dat zij op
dit oogenblik mij dierbaarder is dan ooit."
"Ik zal haar alles zeggen, wat noodig is, om u, als men het zoo
noemen mag, te rechtvaardigen. Maar u hebt mij nog niet verklaard,
waarom u juist nu kwaamt, en hoe u hebt vernomen, dat zij ziek was."
"Gisteravond, in den foyer van Drury Lane, stond ik plotseling voor Sir
John Middleton, en toen hij zag, dat ik het was, sprak hij mij aan,
voor de eerste maal in deze twee maanden. Dat hij mij sedert mijn
huwelijk den rug toekeerde, had mij niet in het minst verwonderd,
noch geërgerd. Nu echter kon de goedige, eerlijke, domme man, diep
verontwaardigd jegens mij, en vol medelijden met uwe zuster, de
verzoeking niet weerstaan, mij mede te deelen, wat hij wist dat mij
diep had _moeten_ treffen, al zal hij wel niet gedacht hebben, dat het
dit waarlijk deed. Hij zei dus, zoo kortaf als hem mogelijk was, dat
Marianne Dashwood op sterven lag te Cleveland,--dien morgen hadden zij
uit een brief van Mevrouw Jennings gehoord van het dreigend gevaar,
waarin zij verkeerde,--de Palmers waren uit vrees voor besmetting
vertrokken, en zoo voort. Ik was te zeer getroffen, om den schijn aan
te nemen van ongevoeligheid, zelfs tegenover den weinig scherpzienden
Sir John. Zijn hart werd verzacht bij het zien van mijn lijden; en
zijn afkeer van mij was bij het afscheid zoo verminderd, dat hij mij
bijna hartelijk de hand schudde, en mij herinnerde aan een vroeger
gedane belofte omtrent een jongen jachthond. Wat ik gevoelde, toen
ik hoorde dat uwe zuster stervende was, stervend met de gedachte,
dat ik de moedwilligste booswicht ter wereld was geweest, mij
verachtend en hatend in haar laatste oogenblikken,--want welke
afschuwelijke bedoelingen kon men mij niet hebben toegeschreven? Ik
wist dat één persoon mij zou afschilderen als tot alles in staat. Het
was ontzettend! Spoedig stond mijn besluit vast, en om acht uur van
morgen stapte ik in mijn rijtuig. Nu weet u alles."--
Elinor gaf geen antwoord. Terwijl zij zweeg, verwijlden hare
gedachten bij de onherstelbare schade, die een te vroeg verkregen
onafhankelijkheid, en de daarmede gepaard gaande gewoonten van
lediggang, verkwisting en losbandigheid, had berokkend aan den geest,
het karakter, het geluk van een man, die reeds zoozeer bevoorrecht
door zijn persoonlijkheid en zijn vele gaven, een van nature open en
eerlijken aard, en een gevoelig, voor liefde vatbaar gemoed bezat. De
wereld had hem verkwistend en ijdel doen worden; verkwisting en
ijdelheid maakten hem harteloos en zelfzuchtig. De ijdelheid,
die ten koste van een ander haar eigen schuldige triomfen najoeg,
had geleid tot eene oprechte genegenheid, welke door verkwisting, of
althans de daaruit voortvloeiende vrees voor armoede had moeten worden
opgeofferd. Elke schuldige neiging had, hem drijvend tot het kwade,
hem eveneens gedreven naar zijne straf. De genegenheid, waaraan hij
zich schijnbaar had ontrukt, in tegenspraak met zijn eer, zijn gevoel,
zijn eigen hoogere belangen, beheerschte thans, nu zij niet langer
geoorloofd was, al zijn gedachten; en de verbintenis, ter wille
waarvan hij zoo roekeloos haar zuster in het ongeluk had gestort,
beloofde voor hemzelf een bron te worden van nimmer te verzachten
ellende. Uit deze en dergelijke gepeinzen werd zij na enkele minuten
gewekt door Willoughby, die, zich oprichtend uit een niet minder
droevige mijmering, aanstalten maakte om te vertrekken, terwijl hij
zeide: "Wat geeft het, of ik hier al langer blijf; ik moet gaan."
"Gaat u terug naar de stad?"
"Neen; naar Combe Magna. Ik heb daar 't een en ander te doen; over
een paar dagen ga ik weer naar Londen. Adieu."
Hij stak haar de hand toe. Zij kon niet weigeren hem de hare te reiken,
die hij hartelijk drukte.
"En dus denkt u nu werkelijk beter over mij?" zei hij, terwijl hij
haar hand losliet, en tegen den schoorsteen mantel leunde, alsof hij
vergat, dat hij had willen gaan. Elinor verzekerde hem, dat dit zoo
was; dat zij hem vergaf, beklaagde, het beste wenschte,--gaarne zou
zien dat hij gelukkig werd,--en zij voegde er eenige zachtzinnige
raadgevingen aan toe omtrent de gedragswijze, die het best dat geluk
zou bevorderen. Zijn antwoord was niet zeer bemoedigend.
"Wat dat betreft," zei hij, "ik moet maar zien, hoe ik mij door de
wereld sla. Van huiselijk geluk is geen sprake. Zoo ik echter mag
gelooven, dat u en de uwen belang stellen in mijn lot en mijne
handelingen, dan zou dat een middel kunnen zijn... het zou mij
nopen tot voorzichtigheid... het zou althans iets zijn om voor te
leven. Marianne is in elk geval voor goed voor mij verloren. Zelfs
al gaf mij eenig gelukkig toeval de vrijheid terug..."
Elinor legde hem met een blik vol verwijt het zwijgen op.
"Nu dan," zeide hij; "nogmaals adieu. Ik ga heen, en zal van nu af
aan slechts één ding met angst verwachten."
"Wat bedoelt u?"
"Uw zuster's huwelijk."
"Dat is niet goed. Zij kan nooit méér voor u verloren zijn, dan zij
thans is."
"Maar een ander zal haar winnen. En als die ander de man zou zijn, dien
ik het allerminst zou kunnen verdragen... Maar ik wil mij zelf niet
berooven van uwe medelijdende welgezindheid, door te toonen, dat ik
hèm het minst kan vergeven, dien ik het diepst beleedigd heb.--Vaarwel,
het ga u goed!" En met die woorden liep hij haastig de kamer uit.