HOOFDSTUK XLIII

Marianne stond den volgenden morgen op haar gewonen tijd op; antwoordde

op elke vraag, dat zij zich beter gevoelde, en trachtte te bewijzen,

dat dit het geval was, door ook haar gewone bezigheden ter hand te

nemen. Maar de dag, dien zij doorbracht met zitten huiveren bij het

vuur, een boek in de hand, waarin zij niet lezen kon, op de sofa

liggen, leverde geen treffend bewijs van die beterschap, en toen

zij eindelijk, steeds meer ongesteld, vroeg naar bed ging, verbaasde

Kolonel Brandon zich over de kalmte van haar zuster, die, hoewel zij

Marianne tegen den zin der zieke den geheelen dag had verzorgd en

opgepast, en haar gedwongen had, des avonds medicijnen te gebruiken,

evenals Marianne zelve vertrouwde op de goede uitwerking van den slaap,

dien zij als zeker beschouwde, en niet in ernst ongerust was.

Een zeer onrustige en koortsige nacht stelde echter beider

verwachtingen te leur; en toen Marianne, die volstrekt had willen

opstaan, toegaf, dat zij zich niet in staat gevoelde op te zitten,

en uit zich zelve weer naar bed ging, volgde Elinor gaarne Mevrouw

Jennings' raad, den plattelandsheelmeester te laten halen, die in de

buurt van de Palmers woonde.

Hij kwam en onderzocht de patiënte; en hoewel hij Elinor poogde te

bemoedigen door de verzekering dat haar zuster binnen eenige dagen

hersteld zou kunnen zijn, liet hij zich toch het woord "besmetting"

ontvallen, waardoor Mevrouw Palmer dadelijk zeer bezorgd over

haar kindje werd. Mevrouw Jennings, die van den beginne, meer dan

Elinor, Marianne's ongesteldheid als ernstig had beschouwd, keek zeer

bedenkelijk, toen zij hoorde wat de Heer Harris had gezegd; zij vond

Charlotte's angst en bezorgdheid zeer gegrond, en drong erop aan, dat

zij onmiddellijk met het kind zou vertrekken; terwijl de Heer Palmer,

hoewel hij hun vrees overdreven achtte, aan de angstige smeekingen van

vrouw geen weerstand kon bieden. Er werd dus besloten, dat zij dadelijk

zou gaan, en een uur na het bezoek van den Heer Harris vertrok zij, met

haar kleinen jongen en het kindermeisje, naar een bloedverwant van den

Heer Palmer, die een paar mijlen aan den anderen kant van Bath woonde;

terwijl haar man, op haar dringend verzoek, beloofde haar over eenige

dagen te zullen volgen, en zij bijna evenzeer erop gesteld was, haar

moeder ook daarheen mee te nemen. Mevrouw Jennings echter verklaarde,

met een innige goedhartigheid, die Elinor werkelijk liefde voor haar

deed opvatten, dat zij Cleveland niet zou verlaten, zoolang Marianne

ziek bleef, en dat zij wilde trachten door haar eigen oplettende zorg

de moeder te vervangen, aan wie zij haar had ontnomen; en Elinor

vond in haar ten allen tijde eene ijverige en gewillige helpster,

gaarne bereid, haar moeite en vermoeienis te deelen, en wier ervaring

op het punt van ziekenverpleging haar dikwijls van groot nut was.

De arme Marianne, mat en gedrukt door haar ziektetoestand, en

zich nu wel zeer ongesteld gevoelend, kon niet langer hopen, dat

zij den volgenden dag beter zou zijn; en de gedachte aan 't geen

die dag haar zou gebracht hebben, wanneer deze ongelukkige ziekte

niet tusschenbeide was gekomen, verscherpte elke pijn; want morgen

zouden zij de thuisreis hebben aanvaard, vergezeld door een knecht

van Mevrouw Jennings, zoodat zij in den loop van den daaropvolgenden

dag hun moeder zouden zijn komen verrassen. De weinige woorden die

zij sprak, uitten enkel haar beklag over dit onvermijdelijk uitstel;

hoewel Elinor haar poogde op te beuren en te doen gelooven, zooals zij

_toen_ werkelijk zelve geloofde, dat dit uitstel slechts kort zou zijn.

De volgende dag bracht weinig of geen verandering in den toestand der

zieke; beter was zij in elk geval niet; maar men kon haar, behalve

dan in zooverre geen beterschap viel te bespeuren, toch ook niet erger

noemen. Hun gezelschap werd thans nog kleiner; want de Heer Palmer liet

zich, hoewel hij weinig lust had om te gaan, en dat zoowel uit ware

menschelijkheid en goedhartigheid, als uit ongeneigdheid, den schijn

op zich te laden van door zijn vrouw's angst te zijn aangestoken,

ten slotte door Kolonel Brandon overreden, zijn belofte van haar te

zullen volgen gestand te doen, en terwijl hij zich gereedmaakte voor

de reis, begon Kolonel Brandon, wien dit heel wat meer inspanning

kostte, ervan te praten, ook te willen vertrekken. Hier kwam Mevrouw

Jennings' goedigheid hun allen buitengewoon te pas; want om den

Kolonel nu weg te zenden, terwijl zijn lieve vriendin zoo bezorgd

was over hare zuster, zou hen allebei, dacht zij, van allen troost

berooven; dus vertelde zij hem maar dadelijk, dat zij zelve hem hier

te Cleveland volstrekt noodig had; dat hij 's avonds haar partijtje

piquet met haar moest spelen, als Elinor boven bleef bij haar zuster,

en zoo meer; en zoo dringend verzocht zij hem te blijven, dat hij,

die zijn eigen liefsten hartewensch vervulde, wanneer hij toegaf,

zich zelfs in schijn niet lang tegen haar verlangen kon verzetten;

temeer daar Mevrouw Jennings' verzoek ijverig werd ondersteund door

den Heer Palmer, die verlichting scheen te vinden in het besef, dat

hij iemand achterliet, zoo uitnemend geschikt om Juffrouw Dashwood

in geval van nood met raad en daad bij te staan.

Marianne vernam natuurlijk niets van al deze schikkingen. Zij wist

niet, dat zij de bewoners van Cleveland uit hun huis had verjaagd,

pas zeven dagen na hunne terugkomst. Het verwonderde haar volstrekt

niet, dat Mevrouw Palmer zich nooit vertoonde, en daar het haar

evenmin speet, sprak zij in 't geheel niet van hare gastvrouw. Twee

dagen verliepen na het vertrek van den Heer Palmer, en haar toestand

bleef nagenoeg dezelfde. De Heer Harris die elken dag kwam, sprak nog

steeds vol vertrouwen van een spoedig herstel, en Elinor bleef ook

hoopvol gestemd; doch de anderen waren veel minder optimistisch in

hunne verwachtingen. Mevrouw Jennings had zich van den beginne in het

hoofd gezet, dat Marianne er nooit weer bovenop zou komen, en Kolonel

Brandon, die niet veel anders had te doen dan Mevrouw Jennings'

sombere voorspellingen aan te hooren, was niet in de stemming om

hun invloed te weerstaan. Hij trachtte door redeneering de vrees te

onderdrukken, die het andersluidend oordeel van den heelmeester als

dwaasheid scheen te stempelen; doch de vele uren van den dag, die

hij in eenzaamheid doorbracht waren maar al te bevorderlijk voor de

toelating van allerlei treurige gedachten, en hij kon de overtuiging

niet van zich afzetten, dat hij Marianne niet zou weerzien.

Toen de derde morgen was aangebroken, scheen het echter, alsof

beiden de toekomst te donker hadden ingezien; want toen de Heer

Harris kwam, vond hij de patiënte aanmerkelijk beter. De pols was

veel sterker en alle verschijnselen waren gunstiger dan bij zijn

vorig bezoek. Elinor, wier blijde hoop ten volle werd bevestigd,

was een en al vroolijkheid; zij verheugde zich, in haar brieven aan

haar moeder meer haar eigen oordeel te hebben gevolgd dan dat harer

vrienden; want zij had volstrekt geen ophef gemaakt van de lichte

ongesteldheid, die hen vooreerst nog te Cleveland deed blijven, en

bijna den dag reeds bepaald, waarop Marianne op reis zou kunnen gaan.

Doch de dag eindigde niet zoo gunstig als hij was begonnen. Tegen

den avond werd Marianne weer erger; zij gevoelde zich meer afgemat,

rusteloos en gejaagd dan te voren. Haar zuster, nog altijd hoopvol,

was geneigd die verandering toe te schrijven aan de vermoeienis van

het opzitten, terwijl haar bed werd opgemaakt; en na haar zorgvuldig de

voorgeschreven medicijnen te hebben ingegeven, zag zij haar eindelijk

indommelen, en hoopte dat de rust haar goed zou doen. Zij bleef, hoewel

niet zoo rustig als Elinor wenschte, geruimen tijd doorslapen; en

daar Elinor de uitwerking van dien slaap gaarne zelf wilde waarnemen,

besloot zij, bij haar te blijven opzitten, tot zij wakker werd.

Mevrouw Jennings, die niets wist van de verandering in den toestand

der zieke, ging ongewoon vroeg naar bed; haar kamenier, die mede hielp

verplegen, gebruikte haar avondeten in de kamer der huishoudster,

en Elinor bleef met Marianne alleen.

Steeds onrustiger werd de slaap der zieke, en haar zuster, die den

blik niet van haar afwendde, wenschte bijna, nu zij haar voortdurend

van houding zag veranderen, en de herhaalde, vage klachten hoorde,

die haar lippen ontsnapten, dat zij haar mocht wekken uit een zoo

weinig verkwikkende sluimering; toen Marianne, plotseling wakker

schrikkend door een toevallig geluid in huis, overeind vloog, en

koortsachtig opgewonden uitriep: "Komt Mama nu?"

"Nog niet," antwoordde Elinor, terwijl zij, zonder te laten merken

hoe zij geschrikt was, Marianne hielp, weer te gaan liggen; "maar

zij zal nu, hoop ik, spoedig komen. Het is een heel eind, van hier

naar Barton; dat weet je wel."

"Maar ze moet niet over Londen gaan," riep Marianne, op denzelfden

gejaagden toon. "Als ze naar Londen gaat, dan zal ik haar niet

meer zien."

Elinor bespeurde tot haar grooten schrik, dat zij niet volkomen bij

kennis was, en voelde haar pols, terwijl zij trachtte haar tot bedaren

te brengen. De polsslag was zwakker en sneller dan ooit, en daar

Marianne nog steeds verward over mama bleef praten, werd Elinor zóó

ongerust, dat zij besloot, dadelijk den Heer Harris te laten halen,

en een bode naar Barton te zenden om hare moeder. Kolonel Brandon te

raadplegen over de beste wijze, waarop dit zou kunnen gebeuren, was de

gedachte onmiddellijk volgend op het genomen besluit, en zoodra zij

de kamenier had gebeld, om haar plaats bij hare zuster in te nemen,

ging zij haastig naar beneden naar den salon, waar zij wist, dat hij

gewoonlijk, op een nog veel later uur dan thans, was te vinden.

Voor aarzelen was het de tijd niet. Wat zij vreesde en wat haar

bezwaarde werd hem in enkele woorden medegedeeld. Hij had niet

genoeg moed, noch vertrouwen, tot een poging zelfs, om haar vrees

te verdrijven; zwijgend en treurig hoorde hij haar aan; doch haar

moeilijkheden werden onmiddellijk uit den weg geruimd; want met een

bereidwilligheid, die deed vermoeden, dat hij reeds bij voorbaat had

gerekend op deze gelegenheid om van dienst te zijn, bood hij zich

aan als den boodschapper, die Mevrouw Dashwood zou gaan halen. Elinor

maakte geene tegenwerping, die niet gemakkelijk werd overwonnen. Zij

dankte hem in enkele, innig gevoelde woorden, en terwijl hij zijn

knecht haastig heenzond, om den Heer Harris te waarschuwen, en

onmiddellijk postpaarden te bestellen, schreef zij een kort briefje

aan hare moeder. Hoe dankbaar verheugde zij zich op dat oogenblik in

het bezit van een vriend als Kolonel Brandon!--van een leidsman voor

hare moeder, wiens oordeel haar zou voorlichten, wiens hulp haar rust

zou schenken, en wiens vriendschap haar zou troosten!--Voor zoover

de schok van zulk een tijding voor haar kòn worden verzacht, zouden

zijn aanwezigheid, zijn gedrag, zijn gereede hulp daartoe bijdragen.

_Hij_ intusschen handelde, wàt hij ook mocht gevoelen, met al de

beradenheid van een rustigen geest, deed al het noodige met de

uiterste snelheid, en berekende nauwkeurig het tijdstip, waarop zij

zijne terugkomst mocht verwachten. Geen oogenblik ging verloren door

eenig oponthoud. De paarden kwamen nog eerder dan zij hadden verwacht,

en Kolonel Brandon stapte haastig in het rijtuig, terwijl hij haar

alleen met een diep-ernstigen blik de hand drukte, en enkele woorden

sprak, te zacht dan dat zij ze kon verstaan. Het was nu omstreeks

twaalf uur, en zij ging terug naar haar zuster's kamer, om te wachten

op de komst van den Heer Harris, en verder dien nacht bij haar te

waken. Voor beiden was het een lijdensnacht. Uur na uur verstreek,

onder slapelooze pijn en koortsig ijlen van Marianne, onder kwellenden

angst van Elinor, eer de Heer Harris kwam. De overmaat der eenmaal

gewekte vrees deed haar boeten voor al haar vroegere kalmte, en het

meisje, dat met haar waakte, (want zij wilde Mevrouw Jennings niet

laten roepen), pijnigde haar te meer door zinspelingen op 't geen

haar meesteres altijd wel had gedacht.

Marianne's gedachten dwaalden nog steeds, bij tusschenpoozen en

onsamenhangend, naar hare moeder; en telkens als zij haar naam noemde,

kromp het hart van de arme Elinor ineen, die, zichzelve verwijtend,

dat zij zoovele dagen van ziekte zoo licht had geteld, en snakkend naar

eenige onmiddellijke verlichting, zich verbeeldde, dat alle hulp wel

spoedig te vergeefsch zou zijn; dat alles te lang was uitgesteld, en

zich haar bedroefde moeder voorstelde, telaat komend om haar geliefd

kind nog in leven, of nog bij haar bewustzijn te vinden.

Zij was op het punt, nogmaals om den Heer Harris te zenden, of

als _hij_ niet kon komen, anderen raad in te winnen, toen hij

eindelijk,--het was reeds over vijf geworden,--verscheen. Zijn

oordeel maakte gelukkig zijn late komst eenigszins goed; want hoewel

hij erkende, dat er een zeer onverwachte en ongunstige verandering

in den toestand der zieke was ingetreden, hij zag nog geen werkelijk

gevaar, en sprak over de goede verwachting, die hij had van eene nieuwe

behandelingswijze, met zooveel vertrouwen, dat Elinor zich eenigermate

gerustgesteld gevoelde. Hij beloofde over een uur of vier te zullen

terugkomen en verliet zoowel de zieke als haar bezorgde verpleegster

kalmer dan hij beiden had aangetroffen.

Met oprechte meewarigheid, en vele verwijten, omdat hare hulp niet

was ingeroepen, vernam Mevrouw Jennings des morgens, wat er gebeurd

was. Haar vroegere vrees, thans en met meer reden, opnieuw gewekt, deed

haar omtrent den afloop geen twijfel koesteren, en hoewel zij poogde,

Elinor woorden van troost toe te spreken, haar stellige overtuiging

omtrent het gevaar, waarin Marianne verkeerde, liet haar niet toe,

den troost der hoop te verleenen. Het deed haar innig verdriet. Het

snelle verval, de vroege dood van een zoo jong en schoon meisje als

Marianne zouden het medelijden hebben gewekt zelfs van wie haar minder

na stond. Doch er was meer, dat haar recht gaf op Mevrouw Jennings'

meegevoel. Drie maanden was zij dagelijks met haar in aanraking

geweest, ook thans nog bleef zij aan hare zorg toevertrouwd;

zij wist dat Marianne groot onrecht was geschied; dat zij lang en

veel had geleden. Het verdriet harer zuster, van wie zij bijzonder

veel hield, moest zij ook aanzien; en wat hunne moeder betrof, als

mevrouw Jennings bedacht, dat Marianne waarschijnlijk voor haar was,

wat Charlotte was voor haarzelve, dan leed zij in waarheid de smart

dier andere moeder mede.

De Heer Harris bracht zijn tweede bezoek precies op tijd; doch zag

zijn hoop op een goeden uitslag teleurgesteld. Zijne medicijnen

hadden niet geholpen;--de koorts nam nog niet af, en Marianne

bleef,--rustiger, doch niet bij kennis,--in een toestand van doffe

bewusteloosheid. Elinor, onmiddellijk onder den indruk van zijn vrees,

en erger nog, stelde voor, andere hulp in te roepen. Doch hij achtte

dit niet noodig; hij wilde nog een nieuwe behandeling beproeven, op

welke uitwerking hij bijna evenveel vertrouwen had als op de vorige,

en hij nam afscheid met bemoedigende verzekeringen, die Elinor

aanhoorde, zonder dat zij doordrongen tot haar hart. Zij was kalm;

behalve wanneer zij aan hare moeder dacht; doch zij had bijna geen

hoop meer; en zoo bleef zij tot twaalf uur bij haar zuster's bed

zitten, terwijl haar gedachten van de eene treurige voorstelling, van

den eenen lijdenden vriend naar den anderen zwierven, en zij bijna

tot wanhoop werd gedreven door het gepraat van Mevrouw Jennings,

die onomwonden uitsprak, dat zij de hevigheid en gevaarlijkheid van

dezen ziekte-aanval toeschreef aan de vele voorafgegane weken van

ongesteldheid, veroorzaakt door Marianne's teleurstelling. Elinor

gevoelde maar al te zeer, hoe gegrond deze veronderstelling was,

en dit stemde haar des te droeviger.

Omstreeks twaalf uur echter begon zij,--maar met een schroomvalligheid,

eene vrees voor teleurstelling, die haar eenigen tijd deden zwijgen,

zelfs tegenover haar vriendin,--zich te verbeelden, te hopen, dat

zij een geringe verbetering bespeurde in haar zuster's polsslag;--zij

wachtte, zag toe, voelde nogmaals en nogmaals, en eindelijk waagde zij,

met een ontroering, moeilijker te verbergen achter uitwendige kalmte

dan al het voorgaand verdriet, hare hoop uit te spreken. Hoewel Mevrouw

Jennings eveneens moest erkennen, dat er een tijdelijke verbetering te

bespeuren viel, trachtte zij haar vriendin te ontraden, die verbetering

als blijvend te beschouwen; en Elinor, langdurig verwijlend bij elke

ingeving van wantrouwen, hield zich zelve voor, dat zij niet mòcht

hopen. Doch het was te laat. De hoop had zich reeds toegang gebaand,

en deelend in al haar angstige bewogenheid, boog Elinor zich over haar

zuster, om te wachten op... zij wist zelve bijna niet wàt. Een half

uur verstreek, en nog mocht zij zich verblijden over het gunstig

teeken. Andere voegden zich daarbij, om het te bevestigen. Haar

ademhaling, haar huid, haar lippen, in alles zag Elinor sporen van

beterschap, en Marianne zag haar aan met een rustigen, schoon matten

blik. Tusschen hoop en vrees, die zich gelijkelijk van haar meester

maakten, had zij geen oogenblik rust, tot om vier uur de Heer Harris

kwam, die haar door zijn stellige verzekering, en door zijn gelukwensch

met een beterschap, welke zijn verwachting overtrof, zoowel vertrouwen

als kalmte schonk en bewoog tot tranen van vreugde.

Marianne was in elk opzicht oneindig beter, en hij verklaarde haar

thans geheel buiten gevaar. Mevrouw Jennings, misschien voldaan,

nu haar sombere voorgevoelens althans gedeeltelijk waren bewaarheid

door den pas uitgestanen angst, begon te denken, dat hij wel gelijk

zou hebben, en gaf met ongeveinsde blijdschap, en al spoedig met

onmiskenbare vroolijkheid, te kennen dat ook zij geloofde in een

volkomen herstel.

Vroolijkheid kon Elinor niet aan den dag leggen. Haar vreugde was van

anderen aard en leidde het allerminst tot blijdschaps-uiting. Marianne

te zien teruggegeven aan het leven, gezondheid, haar vrienden en

hare liefhebbende moeder, was een denkbeeld, dat haar hart vervulde

met een gewaarwording van innige bevrediging; dat het deed zwellen

van vurige dankbaarheid;--doch dat gevoel vertolkte zich door geen

uiterlijk vreugdebetoon, geen woorden, geen glimlach. In Elinor's

binnenste was slechts plaats voor stille, sterke voldoening.

Zij bleef dien namiddag bijna voortdurend aan haar zuster's zijde, elke

vrees bedarend, elke vraag van haar verzwakten geest beantwoordend, tot

alle hulp bereid, en lettend op elken blik, op iedere ademhaling. De

mogelijkheid van instorting kwam haar natuurlijk nu en dan herinneren

aan 't geen het zeggen wilde, angst te gevoelen;--maar toen zij

bij herhaald, nauwkeurig onderzoek, bespeurde dat alle teekenen

van beterschap aanhielden, toen zij Marianne om zes uur in een

rustigen, vasten en oogenschijnlijk verkwikkenden slaap zag vallen,

legde zij elken twijfel het zwijgen op. De tijd naderde thans, dat

Kolonel Brandon kon worden terugverwacht. Om tien uur, dacht zij,

of althans niet veel later, zou voor haar moeder een einde komen aan

de vreeselijke onzekerheid, waarin zij thans naar hen op weg was. En

de Kolonel ook!--misschien weinig minder te beklagen dan zij!--O, hoe

langzaam verstreek de tijd, die hen nog in onwetendheid bleef houden!

Om zeven uur ging zij, toen Marianne nog steeds rustig doorsliep, naar

den salon, om met Mevrouw Jennings thee te drinken. Aan het ontbijt had

zij door haar angst, en aan het diner door de plotselinge bevrijding

ervan, niet veel gegeten,--en dus was haar deze maaltijd, waaraan

zij met zulk een tevreden gevoel deelnam, bijzonder welkom. Mevrouw

Jennings wilde haar na de thee overhalen om nog wat te rusten eer

haar moeder kwam, _zij_ zou dan hare plaats bij Marianne innemen;

maar Elinor voelde op dat oogenblik noch vermoeienis, noch behoefte

aan slaap, en zij wilde volstrekt niet langer dan noodig was, van haar

zuster wegblijven. Nadat Mevrouw Jennings dus met haar was meegegaan

naar de ziekenkamer, om zelf te zien, dat alles goed bleef gaan, liet

zij haar daar alleen met hare taak en hare gedachten, en ging naar

haar eigen kamer, om brieven te schrijven, eer zij zich ter rust begaf.

De avond was koud en stormachtig. De wind joeg in vlagen rondom

het huis en de regen sloeg tegen de vensters; maar Elinor in wier

binnenste alles blijdschap was, deerde het niet. Marianne sliep

door elke stormvlaag heen,--en de reizigers--hun wachtte de rijkste

belooning voor alle tegenwoordig ongerief.

De klok sloeg acht uur. Had het tien geslagen, dan zou Elinor stellig

gemeend hebben, dat zij op dat oogenblik een rijtuig hoorde naderkomen,

en zo zeker geloofde zij het werkelijk gehoord te hebben, dat zij,

al scheen het _bijna_ onmogelijk, hun komst nu reeds te verwachten,

naar de aangrenzende kleedkamer ging, en een der luiken opende, om zich

van de waarheid te vergewissen. Zij zag dadelijk, dat haar ooren haar

niet hadden bedrogen, toen zij het licht van twee rijtuiglantaarns

bespeurde. Bij hun onzeker schijnsel meende zij te zien, dat het

voertuig met vier paarden was bespannen; waaruit zij niet slechts

afleidde, in hoe groote ongerustheid haar arme moeder moest hebben

verkeerd; doch 't geen tevens de onverwachte snelheid verklaarde,

waarmede de reis volbracht was. Nog nooit in haar leven had Elinor het

zoo moeilijk bevonden, kalm te zijn, als op dat oogenblik. Het besef

van wat haar moeder moest gevoelen, terwijl het rijtuig voor de deur

stilhield,--van haar twijfel--haar vrees--haar wanhoop misschien!--en

wat _zij_ daarop te zeggen had!--met dàt besef was het onmogelijk,

kalm te zijn. Het eenige wat haar te doen stond, was haast te maken;

en zoodra zij Mevrouw Jennings' kamenier bij haar zuster had geroepen,

snelde zij de trap af.

Toen zij een afgesloten gang doorliep, hoorde zij aan de voetstappen

in de vestibule, dat zij het huis reeds waren binnengegaan. Haastig

liep zij naar den salon,--trad binnen,--en stond tegenover Willoughby.

Gevoel en verstand · 第 53 / 61 题