De dames Dashwood waren nu reeds ruim twee maanden in de stad
geweest, en met iederen dag groeide Marianne's verlangen aan, om te
vertrekken. Zij snakte naar de buitenlucht, de vrijheid, de rust van
het landleven, en verbeeldde zich, als zij ergens tot kalmte kon komen,
dat het in Barton moest zijn. Elinor was bijna niet minder verlangend
dan zijzelve om te gaan, en slechts in zooverre minder geneigd om het
plan aanstonds ten uitvoer te brengen, als zij de bezwaren inzag,
verbonden aan zulk een lange reis, die Marianne niet verkoos in
aanmerking te nemen. Zij begon echter thans ernstig te denken over
het vertrek, en zij had haar wensch reeds te kennen gegeven aan haar
vriendelijke gastvrouw, die zich met al haar hartelijke welsprekendheid
ertegen verzette, toen een plan werd geopperd, dat, hoewel het hen
nog een paar weken langer van huis zou doen blijven, Elinor toch
verkieselijker scheen dan eenig ander. De Palmers zouden in het
laatst van Maart naar Cleveland vertrekken, voor de Paaschvacantie, en
Mevrouw Jennings werd mèt haar beide vriendinnen, allerhartelijkst door
Charlotte uitgenoodigd, met hen mede te gaan. Dit zou op zichzelf niet
voldoende zijn geweest om Elinor's schroomvalligheid te overwinnen;
doch het verzoek werd zoo beleefd en dringend ondersteund door den
Heer Palmer, wiens houding tegenover hen zeer was verbeterd, sedert
hij wist van haar zuster's teleurstelling, dat zij de uitnoodiging
met genoegen aannam. Toen zij het aan Marianne vertelde, was het
eerste antwoord, dat zij ontving, niet zeer gunstig.
"Naar Cleveland!" riep zij zenuwachtig. "Neen, dáár kan ik niet
heengaan."
"Je vergeet," zei Elinor op zachten toon, "dat het niet zoo
dichtbij... dat het niet in de buurt is van..."
"Maar 't is in Somersetshire,--ik kàn niet naar Somersetshire
gaan.--Daar, waar ik eenmaal hoopte te komen... Neen, Elinor, dat
kan je van mij niet verwachten."
Elinor wilde maar niet met haar redeneeren over de verplichting,
zulke gevoelens te bestrijden; zij trachtte ze alleen tegen te gaan,
door te werken op andere, en bracht haar dus onder het oog, dat deze
maatregel het tijdstip van háár terugkeer naar haar lieve moeder,
die zij zoo verlangde weer te zien, veel nader zou brengen, en wel op
een meer gemakkelijke en verkieselijke wijze, dan eenig ander plan zou
kunnen doen; misschien zonder veel langer uitstel. Van Cleveland, dat
een paar mijlen van Bristol was gelegen, duurde de reis naar Barton
niet langer dan één dag; hoewel dan een langen dag reizens, en hun
eigen knecht kon hen daar gemakkelijk komen afhalen. Daar zij wel niet
langer dan een week te Cleveland zouden behoeven te logeeren, konden
zij nu reeds over ruim drie weken weer thuis zijn. Daar Marianne's
liefde voor haar moeder oprecht was, behaalde zij, zonder veel moeite,
de overwinning over de denkbeeldige bezwaren, door haar opgeworpen.
Mevrouw Jennings was het gezelschap harer gasten zoo weinig moede, dat
zij er ernstig bij hen op aandrong weer met haar terug te keeren van
Cleveland. Elinor was haar dankbaar voor haar vriendelijkheid; maar
het voorstel kon hun plan niet doen veranderen; en nadat hun moeder
gaarne hare instemming ermede had te kennen gegeven, werd alles voor
de terugreis, zooveel doenlijk was, in gereedheid gebracht. Marianne
vond eenige verlichting in het opmaken van eene lijst der uren,
die haar nog scheidden van Barton.
"Ach, Kolonel, ik weet niet, wat u en ik zullen beginnen zonder de
dames Dashwood," zei Mevrouw Jennings, toen kolonel Brandon haar
voor het eerst bezocht, nadat hun vertrek was bepaald,--"ze zijn
vast van plan van de Palmers naar huis te gaan; wat zullen wij het
dan eenzaam hebben, als ik terugkom! We zullen elkaar zitten aan te
gapen als twee kikkers op een kluitje."
Misschien hoopte Mevrouw Jennings door die levendige voorstelling
van hun toekomstige verveling, hem uit te lokken tot het aanzoek,
dat hem aan die verveling zou kunnen doen ontsnappen,--en als
dit zoo was, dan kreeg zij iets later goede reden om te denken,
dat haar doel was bereikt; want toen Elinor naar het venster ging,
om met meer juistheid de afmetingen na te gaan van eene plaat, die
zij voor haar vriendin wilde copieeren, volgde hij haar, blijkbaar
met een bijzondere bedoeling, en bleef een tijdlang met haar in
gesprek. De uitwerking daarvan op Elinor kon haar aandacht niet
ontgaan; want ofschoon zij te veel eergevoel bezat om te luisteren,
en zelfs opzettelijk, om _niet_ te hooren, haar plaats had verlaten,
om dicht bij de piano te gaan zitten, waarop Marianne speelde, zij
moest wel zien, dat Elinor bleek werd, zenuwachtige spanning liet
blijken en te veel aandacht schonk aan 't geen hij zeide, om met
hare bezigheid voort te gaan. Wat haar hoop nog meer aanmoedigde,
waren enkele woorden van den Kolonel, die haar oor bereikten in een
tusschenpoos, waarin Marianne naar een nieuw stuk zocht, en waaruit
bleek, dat hij zich scheen te verontschuldigen over den slechten
toestand, waarin zijn huis verkeerde. Nu viel aan de zaak niet meer te
twijfelen. Zij vond het wel vreemd, dat hij dit noodig achtte,--maar
dacht, dat het zeker wel zoo zou hooren. Wat Elinor hierop antwoordde
kon zij niet verstaan; maar uit de beweging harer lippen leidde zij
af, dat zij dàt geen overwegend bezwaar vond; en Mevrouw Jennings
prees haar in stilte om haar eerlijkheid. Daarop praatten ze nog
een paar minuten door, zonder dat zij een woord verstond, totdat
een tweede welkome pauze in Marianne's spel haar gelegenheid schonk,
den Kolonel met zijn bedaarde stem te hooren zeggen:
"Ik vrees ten minste dat het niet zeer spoedig kan plaats hebben."
Verbaasd en bijna geërgerd over deze in den mond van een minnaar
weinig passende woorden, had zij bijna hardop gezegd: "Lieve deugd,
wat kan er nu tegen zijn?"--maar zij hield zich nog bijtijds in,
en vergenoegde zich met de in stilte gemaakte opmerking: "Dàt is
al heel raar! Hij behoeft waarlijk niet te wachten tot hij de jaren
heeft"... Deze neiging tot uitstel van des Kolonels kant scheen echter
zijne uitverkorene volstrekt niet te beleedigen of te grieven; want
toen zij kort daarna hun gesprek afbraken en uiteengingen, hoorde
Mevrouw Jennings Elinor duidelijk zeggen, op een toon, waarin haar
oprechtheid doorklonk: "Ik zal u hiervoor altijd van harte dankbaar
zijn." Mevrouw Jennings vond die dankbaarheid allerliefst van haar,
en verbaasde zich alleen, dat de Kolonel, na zulk eene uiting, in
staat was, zooals hij thans deed, doodbedaard afscheid te nemen, en
heen te gaan, zonder haar zelfs te antwoorden!--Zij had niet gedacht,
dat haar oude vriend zulk een onverschillig minnaar zou zijn. Wat
werkelijk tusschen hen voorviel was het volgende: "Ik heb gehoord",
zeide hij op medelijdenden toon, "van het onrecht, uw vriend den Heer
Ferrars door zijn familie aangedaan; want als ik wèl heb begrepen,
is hij door hen voorgoed verstooten, omdat hij zijne verloving met
een goed en achtenswaardig meisje niet wilde verbreken. Heeft men
mij wèl ingelicht?--Is dit werkelijk het geval?"
Elinor antwoordde bevestigend.
"De wreedheid, de onverstandige wreedheid," zeide hij met diepgevoelde
verontwaardiging, "van zulk een poging om twee jongelieden, die
elkander reeds lang hebben liefgehad, te scheiden, is ontzettend;
Mevrouw Ferrars weet niet wat zij doet,--waartoe zij haar zoon wellicht
drijven zal. Ik heb den Heer Ferrars een paar malen in Harley Street
ontmoet, en hij maakte op mij een zeer aangenamen indruk. Hij is niet
iemand met wien men binnen korten tijd vertrouwelijk bekend kan zijn;
maar ik weet thans toch genoeg van hem om hem persoonlijk alle goeds
te wenschen, te meer nog, omdat hij een vriend van u is. Ik hoorde
dat hij zich voorbereidt voor het predikambt. Wilt u zoo goed zijn
hem mede te deelen, dat de predikantsplaats te Delaford, die juist,
naar ik vandaag vernam, is vrijgekomen, hem wordt aangeboden, als hij
geneigd is ze te aanvaarden,--en dááraan valt in zijn omstandigheden
nu wel allerminst te twijfelen; ik wilde alleen wel, dat hij beter
bezoldigd werd. De vorige predikant verdiende, naar ik meen, niet meer
dan twee honderd pond in het jaar, en ofschoon die som stellig nog
wel iets verhoogd kan worden, vrees ik toch, dat die verhooging niet
zooveel zal bedragen, dat hij er eenigszins ruim van leven kan. In
elk geval echter doet het mij groot genoegen hem in dezen van dienst
te kunnen zijn. Dat wilt u hem zeker wel vertellen."
Elinor's verbazing over deze opdracht kon moeilijk grooter zijn
geweest, als de Kolonel haar werkelijk zijn hand had aangeboden. Zulk
een aanbieding, die zij een paar dagen geleden nog als iets had
beschouwd, waarop voor Edward niet te hopen viel, stelde hem nu reeds
in staat, te trouwen;--en _haar_ viel, onder alle lieden ter wereld,
de taak ten deel, hem die gave over te brengen!--Zij gevoelde werkelijk
de aandoening, die Mevrouw Jennings had toegeschreven aan eene geheel
andere oorzaak;--maar welke andere gevoelens, minder zuiver en minder
bevredigend, zich in die aandoening mochten mengen, haar achting voor
de algemeene menschlievendheid en haar dankbaarheid voor de bijzondere
vriendschap, welke Kolonel Brandon bewogen tot deze handeling,
waren diepgevoeld, en werden met warmte uitgedrukt. Zij dankte hem
van ganscher harte, sprak van Edward's beginselen en karakter met den
lof, dien zij wist, dat ze verdienden, en beloofde zich met genoegen
van de opdracht te zullen kwijten, als hij waarlijk wenschte zulk een
aangename taak aan een ander over te dragen. Intusschen kon zij niet
nalaten te denken, dat niemand deze zoo goed zou kunnen vervullen
als hijzelf. Het was een plicht, waarvan zij, ongeneigd als zij was,
Edward pijn te doen, door hem van háár eenig gunstbewijs te doen
ontvangen, zich zeer gaarne had willen ontheven zien;--doch Kolonel
Brandon, die zich eveneens uit kiesche terughoudendheid eraan onttrok,
scheen zoozeer erop gesteld, dat zij de brengster der goede tijding
zou zijn, dat zij in geen geval langer wilde blijven weigeren. Edward
was, naar zij meende, nog in de stad, en van Juffrouw Steele had zij
zijn adres vernomen. Zij kon dus beloven, hem nog in den loop van den
dag het bericht te zullen doen toekomen. Toen dit was afgesproken, gaf
kolonel Brandon zijn genoegen te kennen over het feit, dat hij zulk een
achtenswaardigen en beminnelijken buurman kreeg, en bij die gelegenheid
uitte hij zijn spijt, dat de pastorie klein en niet heel mooi was;
een bezwaar, dat Elinor, zooals Mevrouw Jennings goed had gezien,
al heel licht telde, ten minste wat de grootte van het huisje betrof.
"Dat het huis klein is," zei ze, "zal, dunkt mij, voor hen niet
hinderlijk zijn; want het is dan in overeenstemming met het aantal
bewoners en met hun inkomen."
De Kolonel bespeurde hierdoor tot zijn verwondering, dat _zij_ hun
huwelijk als het onvermijdelijk gevolg van deze aanbieding beschouwde;
hij had het niet mogelijk geacht, dat de predikantsplaats te Delaford
genoeg zou opbrengen, om iemand, gewend aan een levenswijze als de
zijne, in staat te stellen tot het waagstuk, een huwelijk aan te
gaan,--en hij bracht die meening onder woorden.
"In die kleine pastorie en met dat beperkte inkomen kàn de Heer Ferrars
alleen als vrijgezel eenigszins behoorlijk leven;--erop trouwen kan
hij niet. Het spijt mij, dat ik niet meer voor hem kan doen; maar
verder reikt mijn invloed niet. Als het echter, door eenig onvoorzien
toeval, ooit in mijn macht mocht staan, hem verder van dienst te zijn,
dan moest ik al geheel anders over hem zijn gaan denken dan ik nu doe,
wanneer ik ook dan niet even bereid zou zijn, hem hulp te verleenen,
als ik oprecht wensch, dat nu te kunnen doen. Wat ik thans voor hem doe
is van geringe beteekenis, daar het hem zoo weinig nader brengt tot
hetgeen zijn eerst en eenig oogmerk moet zijn ter bereiking van zijn
geluk. Zijn huwelijk moet vooreerst nog een toekomstdroom blijven;--ik
vrees ten minste, dat het niet zeer spoedig kan plaats hebben."
Dit waren de woorden, die, daar zij verkeerd werden begrepen, met
recht kwetsend schenen voor Mevrouw Jennings' kiesch gevoel; doch na
dit getrouw verslag van 't geen werkelijk voorviel tusschen Kolonel
Brandon en Elinor, toen zij bij het venster stonden, kon allicht
de dankbaarheid, door de laatste bij het afscheid uitgedrukt, over
't geheel evengoed zijn gewekt door, en behoefde in geen andere
bewoordingen te zijn vervat geworden na een huwelijksaanzoek.