Nu, Elinor", zei Mevrouw Jennings met een veelzeggenden glimlach,
zoodra de Kolonel was vertrokken, "ik vraag je maar niet, wat Kolonel
Brandon je had te vertellen; want al deed ik, op mijn woord van eer,
mijn best om er niets van te hooren, ik ving toch, zonder dat ik er
iets aan kon doen, genoeg op om te begrijpen, waarover het ging. Ik
moet je zeggen, dat ik er van harte blij om ben, en ik wensch je
oprecht geluk ermee."
"Dank u, mevrouw," zei Elinor. "Het verheugt mij ook innig, en ik ben
werkelijk getroffen door Kolonel Brandon's goedheid. Er zijn niet veel
menschen, die gehandeld zouden hebben als hij. Zoo vol meegevoel zijn
er maar weinigen! 't Heeft mij meer verwonderd, dan ik kan zeggen."
"Lieve kind, je bent wel heel bescheiden! Mij verwondert het in
't minst niet; want ik heb in den laatsten tijd dikwijls gedacht,
dat niets zoo waarschijnlijk was als dit."
"U leidde dat oordeel af uit wat u wist van Kolonel Brandon's
edelmoedig karakter; maar u kon niet voorzien, dat de gelegenheid
zich zoo spoedig zou aanbieden."
"Gelegenheid," herhaalde Mevrouw Jennings, "och, wat dàt betreft, als
zoo'n plan eenmaal vaststaat bij een man, dan vindt hij, hoe dan ook,
de gelegenheid gauw genoeg. Nu, lieve kind, ik zeg nog eens, ik ben er
hartelijk blijde om, en als er ooit een gelukkig paar is geweest in de
wereld, dan weet ik nu wèl, wáár ik dat binnenkort zal kunnen vinden."
"U wilt het zeker te Delaford komen zoeken," zei Elinor met een
flauwen glimlach.
"Ja zeker, kind; dat ben ik stellig van plan. En dat het huis niet goed
genoeg zou zijn, ik weet niet, wat de Kolonel dáármee kan bedoelen;
want ik zou niet weten, wat erop viel aan te merken."
"Hij zei, dat er in lang niets aan gedaan was."
"Nu, wiens schuld is dat? waarom laat hij het dan niet opknappen--wie
zou het ànders doen dan hij?"
Zij werden gestoord door de komst van den bediende, die kwam zeggen,
dat het rijtuig vóór was, en Mevrouw Jennings zei, vlug opstaande:
"Nu moet ik al weg, kind, eer we nog half erover zijn uitgepraat. Van
avond kunnen we 't in elk geval nog eens overdoen; want we zijn onder
ons. Ik vraag je maar niet om mee te gaan, want ik denk dat je te
veel hiermee vervuld zult zijn, om nu graag vreemden te spreken;
en je zult wel verlangen, het aan je zuster te vertellen."
Marianne was de kamer uitgegaan, eer hun gesprek begon.
"Zeker, Mevrouw, ik zal 't aan Marianne zeggen; maar vooreerst spreek
ik er nog met niemand anders over."
"O, heel goed," zei Mevrouw Jennings, ietwat teleurgesteld. "Dus
dan mag ik het nog niet aan Lucy vertellen; want ik dacht erover,
naar Holborn te gaan vandaag."
"Neen, mevrouw, zelfs niet aan Lucy. Een dag uitstel maakt weinig
verschil; en mij dunkt dat er niet met anderen over moet worden
gesproken, eer ik aan den Heer Ferrars geschreven heb. Dat zal ik nu
aanstonds doen. Het komt er voor hem op aan, geen tijd te verliezen,
want hij zal natuurlijk nog veel te doen hebben, met het oog op zijn
aanstelling, als predikant."
Nu begreep Mevrouw Jennings er niets meer van. Waarom er zoo'n haast
bij was, dat de Heer Ferrars op de hoogte zou worden gebracht, was haar
eerst niet recht duidelijk. Maar na een oogenblik nadenken ging haar
een licht op, en zij riep uit: "Aha! nu begrijp ik je. Op Mijnheer
Ferrars is de keus gevallen. Kom, dat is aardig. Ja natuurlijk,
eerst moet hij predikant zijn, en ik ben blij, dat je al zoover heen
bent met je plannen. Maar kind, is dit nu toch eigenlijk niet wat
vreemd? Moest de Kolonel hem dat zelf niet schrijven? Mij dunkt,
dat is toch meer _zijn_ werk."
Elinor begreep niet precies, wat Mevrouw Jennings bedoelde met haar
eerste woorden; maar vond navragen niet de moeite waard, en antwoordde
dus alleen op haar laatste opmerking.
"Kolonel Brandon is zóó fijngevoelig, dat hij het liefst aan een
ander overlaat, den Heer Ferrars omtrent zijn voornemen op de hoogte
te brengen."
"En dus moet _jij_ dat nu wel doen. Dat is toch een vreemd soort van
fijngevoeligheid, dunkt mij!--Maar ik wil je niet storen." (Zij zag
dat Elinor haar schrijfgereedschap klaarlegde). "Je kunt zelf alles
't beste beoordeelen. Adieu, lieve kind. Sedert Charlotte's bevalling
is er niets gebeurd, dat mij zooveel pleizier deed." Zij ging, maar
kwam een oogenblik later terug.
"Ik dacht daarjuist aan Betty's zuster, kindje. Ik zou blij zijn voor
haar, als ze zoo'n goeden dienst kreeg. Maar of ze geschikt is voor
kamenier, dat weet ik niet. Als kamermeisje voldoet ze uitmuntend,
en ze kan goed met de naald terecht. Nu, dat kan je nog wel eens op
je gemak overleggen."
"Zeker, mevrouw," antwoordde Elinor, die niet veel hoorde van Mevrouw
Jennings' gepraat, en meer verlangde alleen te zijn dan te weten,
waarover zij het had. Hoe te beginnen--welke woorden te bezigen
in haar briefje aan Edward, daarop kwam het voor haar nu aan. Hun
bijzondere omstandigheden maakten datgene moeilijk, wat voor een
ander de gemakkelijkste zaak van de wereld zou zijn geweest; maar
zij vreesde evenzeer te veel, als te weinig te zeggen, en zat met de
pen in de hand te overwegen, hoe zij zich zou uitdrukken, tot er een
einde kwam aan haar aarzelen, doordat Edward zelf binnentrad.
Hij had Mevrouw Jennings aan de deur ontmoet, toen zij in haar rijtuig
wilde stappen, terwijl hij zijn afscheidsbezoek kwam brengen; en na
zich te hebben verontschuldigd, omdat zij niet met hem mee terugging,
had zij hem doen besluiten, naar boven te gaan, door te zeggen, dat
Juffrouw Dashwood alleen was, en hem gaarne wilde spreken, daar zij
hem iets van gewicht had mee te deelen.
Elinor had juist, midden in haar weifelingen, zichzelve met
dankbaarheid voorgehouden, dat een brief, hoe moeilijk het ook
mocht zijn, de juiste woorden ervoor te vinden, toch verre te
verkiezen was boven eene mondelinge mededeeling van het bericht,
toen de bezoeker binnentrad, die haar noodzaakte tot deze nog veel
grootere inspanning. Zij was zeer verwonderd en verward, toen hij daar
zoo plotseling voor haar stond. Sedert zijn engagement publiek was
geworden, had zij hem nog niet gezien; dus ook niet, sedert hij wist,
dat zij ervan had vernomen; en dit alles, gepaard met het bewustzijn
van 't geen zij daareven had gedacht, en wat zij hem had te vertellen,
maakte haar in de eerste paar minuten geheel van streek.
Hij was ook alles behalve op zijn gemak, en zij gingen beiden zitten
in een toestand van verlegenheid, die niet veel goeds beloofde. Of
hij haar bij het binnenkomen om verschooning had gevraagd, dat hij
haar zoo onverwacht kwam overvallen, herinnerde hij zich niet meer;
maar voor alle zekerheid verontschuldigde hij zich behoorlijk, zoodra
hij iets kon zeggen, nadat hij had plaatsgenomen.
"Mevrouw Jennings vertelde mij," zei hij, "dat je mij wenschte te
spreken; tenminste dat meende ik te begrijpen;--anders zou ik je
stellig niet zoo zijn komen overvallen; hoewel het mij toch ook erg
zou hebben gespeten, uit Londen weg te gaan, zonder jelui beiden nog
eens te zien; vooral omdat het nog al eenigen tijd zal duren... omdat
het niet waarschijnlijk is, dat ik spoedig het genoegen zal hebben,
je weer te ontmoeten. Ik ga morgen naar Oxford."
"Je zoudt toch niet zijn vertrokken," zei Elinor, zichzelve nu weer
meester en vastbesloten, zoo spoedig mogelijk datgene af te doen,
waartegen zij zoo opzag, "zonder onze goede wenschen te ontvangen,
ook al hadden we je die niet persoonlijk kunnen doen toekomen. Het
was waar, wat Mevrouw Jennings je heeft gezegd. Ik heb je iets van
belang mee te deelen, dat ik je juist wilde melden in een brief. Een
zeer aangename taak is mij opgedragen," ging zij, ietwat sneller
ademhalend dan gewoonlijk, voort: "Kolonel Brandon, die nog pas tien
minuten geleden hier was, heeft mij verzocht, je te zeggen, dat hij,
wetende van je plan om predikant te worden, je met groot genoegen
de standplaats te Delaford aanbiedt, die juist is vrijgekomen, en
alleen maar wenschte, dat zij beter bezoldigd mocht worden. Laat
mij je gelukwenschen met zulk een achtenswaardigen en verstandigen
vriend, en mèt hem den wensch uitspreken, dat het traktement--omstreeks
tweehonderd pond in het jaar,--grooter mocht zijn, zoodat het je beter
in staat zou kunnen stellen om te... dat het meer kon worden dan een
tijdelijke tegemoetkoming... dat het in één woord de hoop zou kunnen
verwezenlijken op een toekomstig geluk."
Daar Edward zelf niet kon zeggen, wat hij gevoelde, mag men niet
verwachten, dat een ander het voor hem kan doen. Zijn blikken
drukten al de verbazing uit, die dat onverwachte, ongedachte bericht
onvermijdelijk moest wekken; maar hij zei niets anders dan: "Kolonel
Brandon!"
"Ja," ging Elinor voort; met meer kalmte, nu het ergste voorbij was:
"Kolonel Brandon wilde hierdoor een blijk geven van zijn oprechte
spijt over hetgeen onlangs is voorgevallen,--van zijn medegevoel met de
pijnlijke positie, waarin je bent geplaatst door het onverantwoordelijk
gedrag van je familie; een medegevoel, dat door Marianne, mijzelf
en al je vrienden wordt gedeeld; en eveneens van zijn hoogachting
voor je karakter en van zijn bijzondere waardeering van je houding
in dit geval."
"Dat Kolonel Brandon _mij_ die gunst bewijst! Hoe is dat mogelijk?"
"De onhartelijkheid van je bloedverwanten doet je verbaasd staan,
nog ergens vriendschap te ondervinden."
"Neen," antwoordde hij, plotseling tot zich zelf komend, "niet waar ik
die aantref in jou; want ik weet het wel, aan jou, aan je goedheid,
heb ik alles te danken. Ik voel het;--ik zou 't uitdrukken als ik
kon,--maar je weet wel, ik ben niet welsprekend."
"Je vergist je geheel en al. Ik verzeker je, dat je dit alles alleen,
of ten minste bijna alleen, hebt te danken aan je eigen verdienste,
en aan Kolonel Brandon's juiste waardeering ervan. Ik heb er niet
de hand in gehad. Ik wist zelfs niet, tot ik hoorde van zijn plan,
dat er een vacature was; en het was ook nooit bij mij opgekomen,
dat hij een predikantsplaats had te vergeven. Uit vriendschap voor
mij en mijn familie kàn hij misschien... of hééft hij, dat weet ik,
nog meer genoegen in het bewijzen van deze gunst; maar ik verzeker je,
aan mijne voorspraak heb je niets te danken."
Waarheidsliefde verplichtte haar, een gering aandeel in de handeling
te erkennen; maar zij was zoo ongenegen, als Edward's weldoenster op
te treden, dat zij dit slechts aarzelend deed; 't geen waarschijnlijk
ertoe bijdroeg, het vermoeden bij hem te bevestigen, dat daareven in
zijn geest was opgekomen. Een korten tijd zat hij diep in gedachten,
nadat Elinor had opgehouden te spreken; en eindelijk zeide hij,
met merkbare inspanning:
"Kolonel Brandon schijnt een zeer edelaardig en achtenswaardig
mensch. Ik heb hem altoos als zoodanig hooren roemen, en ik weet, dat
je broer hem zeer hoog stelt. Hij is ongetwijfeld een verstandig man,
en hij heeft bijzonder aangename manieren."
"Zeker," antwoordde Elinor, "ik geloof dat je bij een nadere
kennismaking al wat je omtrent hem gehoord hebt, als waarheid zult
erkennen; en daar je in elkaars onmiddellijke nabijheid zult wonen,
(want ik meen dat de pastorie vlak bij het heerenhuis is gelegen),
treft het wel bijzonder gelukkig, dat hij werkelijk zoo _is_."
Edward antwoordde niet; maar toen zij haar hoofd afwendde, wierp
hij haar een blik toe, zoo ernstig, zoo veelbeteekenend en zoo
droefgeestig, dat zij er duidelijk in had kunnen lezen, hoezeer hij
wenschte, dat de afstand tusschen de pastorie en het heerenhuis veel
grooter had mogen zijn.
"Kolonel Brandon woont, geloof ik, in St. James's Street," zei hij
een oogenblik later, terwijl hij opstond.
Elinor noemde het nummer van zijn huis.
"Dan moet ik nu gauw weg, om hem den dank te betuigen, dien jij niet
van mij wilt aannemen; om hem te verzekeren, dat hij mij waarlijk
zéér gelukkig heeft gemaakt."
Elinor drong niet aan, dat hij zou blijven, en zij scheidden, van
háár kant met de nadrukkelijke verzekering, dat zij, onder alle
lotswisselingen, die hem mochten ten deel vallen, zich steeds zou
verheugen in zijn geluk; van den zijnen met een poging veeleer tot
het beantwoorden van dien welgemeenden wensch, dan het vermogen dien
uit te drukken. "Als ik hem weerzie," zeide Elinor bij zichzelve, toen
de deur zich achter hem sloot, "dan zal het zijn als de man van Lucy."
En met dat gelukkig vooruitzicht ging zij zitten, om zich het verleden
voor den geest te roepen, zich de woorden te herinneren, door Edward
gesproken, en te pogen al zijn gevoelens te begrijpen; terwijl zij
natuurlijk over de hare onvoldaan was.
Toen Mevrouw Jennings thuiskwam, was zij, ofschoon ze menschen had
ontmoet, die ze nog nooit had gesproken, en van wie ze dus veel
te vertellen had, toch zoo uitsluitend vervuld van het gewichtige
geheim, haar toevertrouwd, dat zij erover begon, zoodra Elinor zich
vertoonde. "Nu, kind," riep zij uit, "ik heb den jongen man maar naar
boven gestuurd. Was dat niet goed?--Hij maakte zeker geen bezwaar.--Had
hij niets tegen op het voorstel?"
"Neen mevrouw, _dat_ was niet waarschijnlijk."
"En wanneer zou hij dan nu klaar kunnen zijn? Want dáárvan schijnt
alles af te hangen."
"Ik weet niet genoeg omtrent die formaliteiten," zei Elinor, "om te
durven zeggen, hoeveel tijd, of welke mate van voorbereiding daartoe
wordt vereischt; maar ik denk dat hij over twee of drie maanden wel
beroepbaar zal zijn."
"Twee of drie maanden?" riep Mevrouw Jennings. "Wel lieve deugd, kind;
wat praat je daar kalm over; en kan de Kolonel zoo lang wachten? Goeie
hemel; daar zou _ik_ geen geduld voor hebben, dat weet ik wèl. En
al wil men dien armen Mijnheer Ferrars nu nog zoo graag een dienst
bewijzen, twee of drie maanden op hèm te wachten, dàt dunkt mij toch
niet de moeite waard. Er kon toch licht iemand anders worden gevonden,
die 't even goed kon doen; een predikant, die al is aangesteld."
"Maar lieve mevrouw", zei Elinor; "waar denkt u aan? 't Is immers
alléén Kolonel Brandon's bedoeling om den Heer Ferrars te helpen."
"Maar kind, je wilt me toch niet wijsmaken, dat de Kolonel alleen
met jou gaat trouwen, om den Heer Ferrars dat buitenkansje van tien
guineas te bezorgen?"
Nu kon het misverstand niet langer voortduren; en de verklaring,
die onmiddellijk volgde, vermaakte beiden niet weinig; zonder dat een
van hen er feitelijk bij verloor; want Mevrouw Jennings verwisselde
slechts ééne bron van uitgelaten vroolijkheid voor eene andere, en
behoefde daarbij toch haar verwachting van het heugelijk nieuws niet
op te geven.
"O ja, de pastorie is maar klein," zei ze, toen ze van haar eerste
uitbarsting van verbazing en pret was bekomen, "en dáár zal allicht
nog al wat aan zijn op te knappen; maar iemand verontschuldigingen te
hooren maken, zooals ik meende, over een huis, met als ik 't wel heb,
beneden vijf zitkamers en gelegenheid om vijftien logeergasten te
bergen, zooals de huishoudster mij vertelde!--En dat tegen jou, die
gewend was aan Barton Cottage! Dat was toch àl te gek.--Maar kindje,
we moeten den Kolonel een beetje aansporen om wat te doen aan die
pastorie, en 't wat gezellig te maken, tegen dat Lucy komt."
"Kolonel Brandon scheen 't niet mogelijk te achten, dat ze zouden
kunnen trouwen op het traktement, dat Edward zou ontvangen."
"Kolonel Brandon weet er niets van, lieve kind; omdat hij zelf
tweeduizend pond in 't jaar heeft, meent hij, dat geen mensch kan
trouwen op minder. Geloof maar wat ik je zeg, als we tijd van leven
hebben, dan kom ik logeeren in de pastorie te Delaford vóór de maand
September achter den rug is, en als Lucy er niet is, dan zie je mij
er niet, dat begrijp je."
Elinor was het volkomen met haar eens, het was niet waarschijnlijk,
dat zij langer zouden wachten.