HOOFDSTUK XXXVIII

Mevrouw Jennings prees Edward's gedrag met groote warmte, maar alleen

Elinor en Marianne beseften de ware verdienste ervan. _Zij_ alleen

wisten, hoe weinig hem verlokte tot ongehoorzaamheid, en hoe gering

de troost was, die hem overbleef, bij het verlies van vrienden en

fortuin, buiten de zekerheid, goed te hebben gehandeld. Elinor was

vervuld van blijden trots om zijn rechtschapenheid, en Marianne

vergaf hem al zijn wandaden uit medelijden met zijn straf. Maar

hoewel, na deze openlijke ontdekking, het oude vertrouwen tusschen

hen was teruggekeerd, was dit toch niet een onderwerp, waarover zij

gaarne spraken, als zij alleen waren. Elinor vermeed het uit beginsel,

daar het door Marianne's al te vurige, al te stellige verzekeringen,

licht kon leiden tot een te aanhoudend verwijlen van haar gedachten

bij de voorstelling van Edward's blijvende genegenheid voor haarzelve,

welke zij liever van zich wilde afzetten; en Marianne ontzonk spoedig

de moed, als zij poogde te spreken over een onderwerp, dat haar altijd

een ontevreden gevoel gaf met zichzelve, door de vergelijking, die het

wel moest oproepen tusschen Elinor's gedrag en het hare. Het treffende

van die vergelijking gevoelde zij ten volle; doch dit noopte haar

thans niet tot inspanning, zooals hare zuster had gehoopt; het ging

gepaard met de pijn van een aanhoudend zelfverwijt, waarin zij bitter

betreurde zich te voren nooit te hebben ingespannen; doch het bracht

enkel de kwelling mede van berouw, zonder hoop op verbetering. Haar

geest was zoozeer verslapt, dat zij het nog steeds onmogelijk waande,

haar kracht te beproeven, en daardoor te meer ontmoedigd werd.

In de eerstvolgende paar dagen vernamen zij niets nieuws, noch uit

Harley Street, noch uit Bartlett's Buildings. Maar hoewel zij reeds

zooveel van de zaak wisten, dat Mevrouw Jennings genoeg te doen zou

hebben gehad met het verder verbreiden van die kennis, zonder naar

meer te verlangen, had zij dadelijk besloten, zoodra ze kon, haar

nichten een bezoek te brengen, om hen te troosten en navraag te doen,

en alleen een grootere toeloop van bezoek dan gewoonlijk had haar

verhinderd dat plan ten uitvoer te brengen.

De derde dag nadat het bericht hun ter oore was gekomen, was een

prachtige Zondag, die velen uitlokte tot een bezoek aan Kensington

Gardens, hoewel het nog slechts de tweede week was van Maart. Tot die

bezoekers behoorden ook Mevrouw Jennings en Elinor; doch Marianne,

die wist, dat de Willoughby's weer in de stad waren, en altijd bang

was, hen te ontmoeten, wilde liever thuisblijven dan zich vertoonen

op een plaats, waar zooveel menschen bijeen kwamen.

Een goede kennis van Mevrouw Jennings voegde zich bij hen, zoodra

zij het hek waren binnengegaan, en het speet Elinor niet, dat

zij hun gezelschap bleef houden, en druk doorpraatte met Mevrouw

Jennings, zoodat zij zelve rustig kon nadenken. De Willoughby's zag

zij niet; Edward evenmin; en een tijdlang vertoonde zich niemand,

die om eenige reden, 't zij van ernstigen of vroolijken aard, haar

belangstelling kon wekken. Eindelijk echter werd zij, tot haar

verwondering, aangesproken door de oudste Juffrouw Steele, die,

hoewel een weinig verlegen kijkend, toch haar genoegen te kennen gaf,

hen te zien, en, aangemoedigd door Mevrouw Jennings' buitengewone

vriendelijkheid, haar eigen gezelschap een poosje verliet, om zich

bij hen te voegen. Mevrouw Jennings fluisterde Elinor haastig toe:

"Zie, dat je alles te weten komt, kind. Ze vertelt je, wat je wilt,

als je maar vraagt. Je ziet wel, ik moet bij Mevrouw Clarke blijven."

Het trof gelukkig voor Mevrouw Jennings' nieuwsgierigheid, en die

van Elinor eveneens, dat Anne alles wel wilde vertellen, _zonder_

gevraagd te worden; want anders hadden zij niets vernomen.

"Ik ben zoo blij, dat ik u hier tref," zei Juffrouw Steele, haar

vertrouwelijk in den arm nemend; "want ik verlangde juist erg om u

eens te spreken"; en met zachtere stem voegde zij erbij: "Mevrouw

Jennings heeft zeker al alles gehoord. Is ze boos?"

"Op u, geloof ik, in 't geheel niet."

"Dat treft. En Lady Middleton, is _die_ boos?"

"Dat lijkt mij haast niet mogelijk."

"Wat ben ik dáár blij om! Och lieve deugd, wat heb ik al niet

uitgestaan! Ik heb Lucy nog nooit van mijn leven zóó woedend gezien. Ze

hield bij hoog en laag vol, dat ze nooit weer een hoed voor mij

zou opmaken, of wàt ook voor mij doen, zoolang ze leefde; maar 't

is nu al weer bijgetrokken en we zijn weer beste maatjes. Zie eens,

dien strik op mijn hoed heeft zij gemaakt; gisteravond heeft ze er

de veer op gezet. Kijk, nu lacht u óók alweer om mij. Maar waarom

zou ik geen rose mogen dragen! _Ik_ kan toch niet helpen, dat het

de lievelingskleur van den dokter is. Ik zou 't waarlijk niet hebben

geweten, dat hij aan die kleur boven alle andere de voorkeur geeft,

als hij 't niet zelf gezegd had. Mijn nichtjes hebben me toch zóó

geplaagd! Ik zeg wel eens, ik weet niet, waar ik mijn gezicht zal

bergen, wanneer zij beginnen."

Zij was afgedwaald tot een onderwerp, waarover Elinor niets had te

zeggen, en vond het dus geraden, tot het eerste terug te keeren.

"Hoor eens, Juffrouw Dashwood," zei ze zegevierend, "de menschen mogen

nu zeggen wat ze willen, van dat Mijnheer Ferrars beweerd had, dat

hij Lucy niet wou hebben; maar daar is niets van aan, hoor; en 't is

schande, dat er zulke leelijke praatjes worden rondgestrooid. Wàt Lucy

zelf er ook van vond, andere menschen hadden volstrekt niet noodig,

dat maar zoo voor waar aan te nemen."

"Ik heb in de verste verte niets van dien aard gehoord," zei Elinor,

"dat kan ik u verzekeren."

"O zoo! niet? Maar 't _werd_ toch verteld; dat weet ik zeker, en

door verschillende menschen; want Juffrouw Godby had tegen Juffrouw

Sparks gezegd, dat niemand die bij zijn verstand was, kon verwachten,

dat Mijnheer Ferrars iemand als Juffrouw Morton, die dertig duizend

pond meebrengt, zou laten loopen voor Lucy Steele, die geen cent

bezat; en dat hoorde ik van Juffrouw Sparks zelf. Mijn neef Richard

zei trouwens ook al, als 't er zóó voor stond, dan was hij bang,

dat Mijnheer Ferrars ons liet zitten, en toen Edward zich in geen

drie dagen bij ons vertoonde, wist ik zelf niet, wat ik ervan moest

denken; ik geloof dat Lucy in haar hart ook alles al had opgegeven;

want we gingen Woensdag weg bij uw broer, en Donderdag, Vrijdag en

Zaterdag kregen we hem niet te zien, en we wisten ook niet, wat er

met hem gebeurd was. Eenmaal dacht Lucy erover, hem te schrijven;

maar dat kon ze toen toch weer niet van zichzelf verkrijgen. Nu, maar

van morgen is hij dan toch gekomen, juist toen wij thuiskwamen uit de

kerk; en toen kregen we alles te hooren, dat hij Woensdag in Harley

Street had moeten komen, en hoe zijn moeder en allemaal hem hadden

willen bepraten, en dat hij ronduit had gezegd, hij hield van niemand

dan Lucy, en hij wou Lucy hebben, en geen ander. En dat hij er zoo

ellendig over geweest was, dat hij, zóó als hij uit zijn moeders huis

kwam, te paard was gesprongen en de stad uit was gereden, ik weet niet

meer waarheen; en dat hij den heelen Donderdag en Vrijdag daar ergens

in een logement was gebleven, om zich eroverheen te zetten. En toen hij

alles nog eens weer goed overdacht had, zei hij, leek het hem zoo, nu

hij geen geld had en niets in de wereld bezat, dat het tegenover haar

niet goed zou zijn, als hij haar gebonden hield door die verloving,

omdat zij erbij zou verliezen; want hij bezat niets dan tweeduizend

pond en kon niets meer verwachten; en als hij predikant zou worden,

waar hij over dacht, dan werd hij toch maar hulpprediker vooreerst,

en hoe zouden ze dan moeten rondkomen?--Hij vond dat voor haar een

te treurig vooruitzicht, en hij vroeg haar, als ze ook maar in 't

minst ertoe geneigd was, er een eind aan te maken; en dan zou hij

wel voor zichzelf zien, hoe hij er kwam. Dat hoorde ik hem alles

duidelijk zeggen. En 't was enkel om háár, en voor haar bestwil,

dat hij een woord zei over afmaken, niet om hemzelf. Ik verzeker u

heilig, dat hij zich geen woord liet ontvallen van dat hij genoeg

van haar had, of dat hij liever met Juffrouw Morton zou trouwen, of

zoo iets. Maar natuurlijk, Lucy wou van dat alles niets hooren, dat

zei ze hem dadelijk (met nog een heelen omhaal van verliefde praatjes

en zoo--och, u weet wel, dat kan je zoo niet oververtellen); ze zei,

ze dacht er niet over om het af te maken, want ze kon met hem best

van een klein inkomen leven, en hoe weinig hij ook bezat, ze zou blij

zijn als ze 't kreeg, of zoo iets, dat kan u zich wel voorstellen. Nu:

toen was hij in de wolken natuurlijk, en praatte erover wat ze nu

zouden beginnen, en ze spraken af, dat hij zoo gauw mogelijk zou zien

de wijding als geestelijke te ontvangen, en dat ze zouden wachten met

trouwen tot hij als predikant zou worden aangesteld. Toen kon ik niet

méér hooren, want mijn nichtje riep van beneden, dat Mevrouw Richardson

een van ons beiden in haar koets mee naar Kensington Gardens wou nemen;

dus moest ik wel in de kamer gaan en hen storen, om Lucy te vragen,

of zij misschien wou gaan; maar zij wou Edward niet alleen laten;

dus liep ik gauw naar boven om een paar zijden kousen aan te trekken,

en nu ben ik hier met de Richardsons."

"Ik begrijp niet, wat u bedoelt met "hen storen," zei Elinor;

"u waart toch met hen in de zelfde kamer, niet waar?"

"Welnee! hoe komt u erbij?--Heere, Juffrouw Dashwood, denkt u, dat

zulke verliefde lui vrijen, waar anderen bij zijn? O foei, neen;

ik dacht, dat u wel beter wist!" (Hierbij lachte ze gemaakt). "Neen,

neen, ze zaten samen in den salon, en ik hoorde alles, omdat ik aan

de deur stond te luisteren."

"Maar hebt u dan nu," riep Elinor, "voor mij herhaald, wat u zelf hebt

gehoord door te luisteren aan de deur? Het spijt mij wel zeer, dat ik

dit niet eerder heb geweten; want ik zou stellig hebben geweigerd,

uit uw mond bijzonderheden te vernemen, die u zelve niet behoordet

te weten. Hoe kondt u zoo oneerlijk zijn tegenover uw zuster?"

"Och kom, wat doet dàt er nu toe! Ik stond alleen maar bij de deur,

en ik hoorde wat ik kon opvangen. Ik weet zeker dat Lucy tegenover

mij precies 't zelfde zou hebben gedaan, want een jaar of wat geleden,

toen ik altijd geheimen had met Martha Sharpe, vond zij er niets in,

zich in de kast te verstoppen, of onder den schoorsteen, om af te

luisteren wat wij elkaar vertelden."

Elinor poogde over iets anders te spreken; maar Juffrouw Steele

kon geen twee minuten afblijven van het onderwerp dat haar op dit

oogenblik vervulde.

"Edward sprak ervan, gauw naar Oxford te gaan," zei ze; "maar vooreerst

logeert hij in Pall Mall, no. 14. Wat een akelig mensch toch, die

moeder van hem! En uw broer en zuster waren ook lang niet aardig! Maar

tegen _u_ wil ik van hen geen kwaad zeggen; ze stuurden ons toch nog

naar huis in hun eigen rijtuig; dat was meer dan ik verwachtte. _Ik_

was maar bang, dat uw zuster ons naar die mooie naaldenboekjes zou

vragen, die ze ons voor een paar dagen had gegeven; maar niemand zei

er iets van, en ik stopte 't mijne weg. Edward zegt, dat hij nu een

poos in Oxford moet werken; dus daar blijft hij nu een tijdje, en

zoo gauw hij dan maar een bisschop kan vinden, wordt hij gewijd. Ik

ben benieuwd in welke plaats hij dan wordt aangesteld!--O jé, (hier

begon zij te giegelen) "ik wed, dat ik weet wat mijn nichtjes zullen

zeggen, als ze ervan hooren. Dan willen ze, dat ik aan den dokter

zal schrijven, om voor Edward een goed woordje te doen. Dat weet ik

stellig; maar ik zou 't niet doen, al was 't ook nòg zoo. "Verbeeld

je," zal ik tegen hen zeggen, "ik begrijp niet, waar jelui 't vandaan

haalt. _Ik_ aan den dokter schrijven, stel je voor!"

"Nu," zei Elinor, "'t is altijd goed, op alles te zijn voorbereid. Uw

antwoord hebt u ten minste klaar."

Juffrouw Steele wilde verder doorgaan op dat onderwerp; maar daar

zij haar eigen gezelschap nu zag aankomen, scheen iets anders haar

meer dringend.

"O jé, daar komen de Richardsons aan. Ik had u nog een heeleboel te

zeggen; maar ik mag ze niet langer in den steek laten. 't Zijn deftige

lui, hoor. Hij verdient geld als water, en ze hebben eigen rijtuig. Ik

heb nu geen tijd om 't Mevrouw Jennings zelf te vertellen, maar zegt

u haar maar, dat ik blij ben, dat ze niet boos op ons is, en Lady

Middleton ook niet; en als u en uw zuster misschien eens zoudt moeten

weggaan, en Mevrouw Jennings graag wat gezelschap heeft, dan zouden

wij met pleizier bij haar komen, zoolang ze maar wil. Ik denk niet,

dat Lady Middleton ons ditmaal nog wéér verzoeken zal. Nu, tot ziens;

't spijt mij dat Juffrouw Marianne niet hier was. U wilt haar wel van

mij groeten. Heden--hebt u die dunne japon met de moesjes aan?--was

u niet bang dat het goed zou scheuren?"--

Met die bezorgde vraag nam zij afscheid; want zij had nog slechts

even den tijd om Mevrouw Jennings goeden dag te zeggen, eer

Mevrouw Richardson haar kwam afhalen, en Elinor bleef achter met

de wetenschap van 't een en ander, dat haar stof tot nadenken gaf,

hoewel zij weinig meer vernomen had, dan 't geen zij reeds in stilte

zelve voorzien en overlegd had. Edward's huwelijk met Lucy stond even

vast, en het tijdstip der voltrekking ervan bleef even onzeker, als

zij verwacht had;--alles hing af, precies zooals zij had gedacht, van

de mogelijkheid, dat hem een predikantsplaats zou worden aangeboden;

iets, waarop voorloopig niet de minste kans bestond.

Zoodra ze weer in het rijtuig zaten, wilde Mevrouw Jennings alles

hooren; maar daar Elinor zoo min mogelijk dingen wilde verder

vertellen, die, om te beginnen, door ongeoorloofde middelen te harer

kennis waren gekomen, beperkte zij zich tot de korte mededeeling van

die bijzonderheden, welke zij begreep, dat Lucy, terwille van haar

eigen waardigheid, gaarne algemeen bekend zou zien. Zij had niet anders

te berichten dan het voortduren van de verloving, en de middelen die

zouden worden aangewend om het einde ervan te bespoedigen; 't geen

Mevrouw Jennings het zeer natuurlijke antwoord ontlokte: "Wachten tot

hij een predikantsplaats krijgt--ja, dat weten we allemaal wel, waarop

_dat_ uitloopt;--dat houden ze een jaar vol, en als ze dan zien dat

het niets helpt, nemen ze een betrekking voor lief als hulpprediker,

en dan moeten ze 't stellen met vijftig pond in 't jaar, de rente van

zijn tweeduizend pond, en het beetje, dat Mijnheer Steele en Mijnheer

Pratt haar kunnen afstaan. Dan komt er ieder jaar een kind! en och,

och, wat zullen ze zich moeten behelpen!--ik moet eens zien, wat ik

hun kan geven voor 't inrichten van hun huisje. En gisteren praatte ik

nog van twee meisjes en twee knechts! 't lijkt er niet naar.--Neen,

ze moeten een flinke werkster hebben.--Betty's zuster zou hun _nu_

niet meer passen."

Den volgenden morgen bracht de post Elinor een brief van Lucy

zelf. Zij schreef:

Bartlett's Buildings, Maart.

Ik hoop dat mijn waarde Juffrouw Dashwood mij niet kwalijk

zal nemen, dat ik zoo vrij ben aan haar te schrijven;

maar ik weet dat uw vriendschap voor mij de reden zal zijn,

dat het u genoegen doet zooveel goeds te hooren van mij en

mijn beste Edward, na al 't verdriet dat we in den laatsten

tijd hebben doorgemaakt, en wil ik daarom niet doorgaan met

verontschuldigen, maar verder vermelden dat wij, hoewel

we beiden veel hebben geleden, nu goddank allebei gezond

en wel zijn, en zoo gelukkig, als wij steeds moeten zijn in

elkanders liefde. Wij hebben zware beproevingen en vervolgingen

doorstaan; maar mogen ons toch tevens dankbaar verheugen in

't bezit van vele vrienden, uzelf niet in de laatste plaats,

wier groote vriendelijkheid ik altoos dankbaar zal gedenken,

en Edward ook, die ik het verteld heb. Het zal u pleizier

doen te hooren, en de lieve Mevrouw Jennings ook, dat ik

gisteren twee gelukkige uren met hem doorbracht; hij wilde

niet hooren van een scheiding tusschen ons, hoewel ik, zooals

ik dacht dat mijn plicht was, er ernstig bij hem op aandrong,

uit voorzichtigheid, en zou meteen afscheid van hem hebben

genomen voorgoed, als hij erin had toegestemd; maar hij zei,

dàt nooit; hij gaf niet om zijn moeder's boosheid, zoolang hij

mijn liefde bezat; onze vooruitzichten zijn niet schitterend,

maar wij moeten wachten en het beste hopen; hij zal spoedig

de wijding ontvangen, en als u ooit in de gelegenheid komt,

hem aan te bevelen aan iemand, die een predikantsplaats heeft

te vergeven, zoo zult u ons wel niet vergeten, en weet ik wel

zeker dat de lieve mevrouw Jennings een goed woordje voor

ons zal doen bij Sir John, of Mijnheer Palmer, of wie ook,

die ons op de eene of andere manier helpen kan.--Die arme Anne

heeft wel erg verkeerd gedaan; maar zij deed het om bestwil,

en zeg ik dus maar niets; hoop, dat Mevrouw Jennings niet

tegen de moeite zal opzien om ons eens te bezoeken als zij

dezen kant uitkomt, we zouden 't erg vriendelijk vinden, en

mijn nichtjes zouden haar erg graag leeren kennen. Het papier

is bijna vol, en blijf ik, met veel dankbare en eerbiedige

groeten aan haar en aan Sir John en Lady Middleton, en de

lieve kinderen, als u ze ziet, en veel complimenten aan

Juffrouw Marianne de uwe, enz."

Zoodra Elinor den brief had gelezen, gaf zij dien, zooals zij begreep,

dat de bedoeling der schrijfster was geweest, aan Mevrouw Jennings, die

het schrijven hardop voorlas, met vele uitroepen van voldoening en lof.

"Aardig gezegd!--wat schrijft ze goed!--ja zeker, dat was best,

hem vrij te laten, als hij 't wenschte. Net iets voor Lucy.--Arm

kind, ik wou dat ik hem een predikantsplaats _kon_ bezorgen, 'k zou

't graag doen.--"De lieve mevrouw Jennings," zegt ze, zie je wel? Ze

is een best meisje, met een hart van goud.--'t Is bepaald mooi. Ze kan

't maar aardig zeggen.--Ja stellig ga ik haar eens gauw opzoeken.--Wat

is ze oplettend, ze denkt aan iedereen!--Dank je wel, kind, dat je

hem mij hebt laten lezen. 't Is een echt _mooie_ brief, die Lucy's

hoofd en hart tot eer strekt."

Gevoel en verstand · 第 48 / 61 题