Na een paar weken was Mevrouw Palmer zóó wel, dat haar moeder het
niet meer noodig vond, zich geheel en al aan haar te wijden; zij
bezocht haar dan nu ook slechts eens of tweemalen per dag en keerde
terug naar haar eigen huis en tot haar oude gewoonten; waarbij zij
de dames Dashwood zeer bereid vond, deze te deelen, zooals zij dat
reeds vroeger hadden gedaan.
Den derden of vierden morgen nadat zij het oude leventje in Berkeley
Street hadden hervat, kwam Mevrouw Jennings, bij haar terugkomst van
het gewone bezoek aan Mevrouw Palmer, den salon binnen, waar Elinor
alleen zat, met zulk een haast, en zulk een vertoon van gewicht,
dat Elinor zich reeds op iets heel bijzonders voorbereidde; maar
zonder haar tijd te gunnen tot méér dan die eene gedachte, begon
haar gastvrouw deze aanstonds te rechtvaardigen door te zeggen:
"Mijn lieve Elinor! heb je 't nieuws al gehoord?"
"Neen, mevrouw. Wat is het dan?"
"O, zoo vreemd! Ik zal je alles vertellen. Toen ik bij mijn dochter
kwam, was Charlotte doodelijk ongerust over 't kind. Ze dacht dat het
erg ziek was;--'t schreide, 't was lastig, en 't had uitslag overal. Ik
ging gauw kijken, en ik zei: Lieve kind, zei ik; dat is niets; een
beetje roos, en dat zei de baker ook. Maar Charlotte had er geen rust
bij; dus werd Dr. Donovan gehaald; en hij was gelukkig juist thuis
gekomen uit Harley Street, dus liep hij even bij ons aan, en zoodra hij
't kind zag zei hij ook net als wij, dat het een beetje roos was in
het tandvleesch, en toen was Charlotte gerust. En juist toen hij wou
heen gaan, kwam 't mij zoo in de gedachte, ik weet niet hoe 't zoo was,
maar 't viel mij zoo in, om hem te vragen of hij ook iets nieuws had te
vertellen. Nu, toen lachte hij zoo'n beetje, en trok een gek gezicht,
en keek dan weer ernstig, en scheen wel iets bijzonders te weten, en
eindelijk zei hij zachtjes: "Als de jonge dames die bij u logeeren,
misschien ongunstige berichten mochten hooren omtrent hun zuster's
ongesteldheid, dan wil ik nu maar vast tot hun geruststelling zeggen,
dat er geen reden bestaat tot bezorgdheid; het zal, denk ik, met
Mevrouw Dashwood wel goed afloopen, daar ben ik niet bang voor."
"Wat? is Fanny ziek?"
"Precies wat ik zelf zei, kind. "Heden", zei ik, "is Mevrouw Dashwood
ziek?"--Dus toen kreeg ik alles te hooren, en naar ik wèl heb begrepen,
komt het hierop neer: Mijnheer Edward Ferrars, dat zelfde jongemensch
met wien ik jou wel eens geplaagd heb (ik ben intusschen maar blij,
nu 't zoo uitkomt, dat dààr niets van aan was) die Mijnheer Edward
Ferrars dan schijnt al langer dan een jaar verloofd te zijn geweest
met mijn nichtje Lucy!--Wat zeg je dáárvan, kind. En geen mensch, die
er van wist dan Anne! Zou je zooiets hebben kunnen gelooven?--Dat ze
van elkaar houden is zoo'n wonder niet; maar dat het zóóver tusschen
hen was gekomen, en niemand er op verdacht was! _Dat_ is vreemd!--ik
heb ze nooit samen gezien,--anders had ik het natuurlijk gauw in
de gaten gehad. Nu, het werd dan diep geheim gehouden, uit vrees
voor Mevrouw Ferrars, en noch zij, noch je broer en zuster hadden
't flauwste vermoeden ervan,--tot dat Anne, die een goed schepsel is,
zooals je weet, maar de wijsheid niet in pacht heeft, er van morgen
op eens mee voor den dag kwam. "Kom," denkt ze bij zichzelf, "ze
zijn allemaal zóó dol op Lucy, ze hebben er bepaald niets op tegen,"
en zóó loopt ze naar je zuster, die in haar eentje aan haar handwerk
zit, en weinig wist, wat haar boven 't hoofd hing,--want ze had geen
vijf minuten te voren tegen je broer gezegd, dat zij van plan was,
het klaar te spelen tusschen Edward en een andere dame, de dochter
van een Lord... dat weet ik niet meer, hoe die heette. Dus je kunt
denken wat een slag dit was voor haar ijdelheid en haar trots. Ze
kreeg het verschrikkelijk op de zenuwen en gilde zoo hard, dat je
broer het beneden hoorde; die zat in zijn kamer, van plan een brief
te schrijven aan zijn rentmeester. Hij vloog naar boven; en toen werd
het daar een scène van belang, want Lucy was er ook op afgekomen,
weinig vermoedende, wat er gaande was. Dat arme schepsel! háár beklaag
ik. Ze hebben haar ook niet mooi behandeld, moet ik zeggen; want je
zuster schold haar uit voor al wat leelijk was; en al heel gauw viel
Lucy flauw. Anne viel op de knieën en schreide allerjammerlijkst, en
je broer liep de kamer rond en wist niet, wat te beginnen. Mevrouw
Dashwood riep maar, dat ze geen minuut langer in haar huis mochten
blijven, en toen moest je broer óók wel voor haar op de knieën vallen,
om haar te bewegen, hen te laten blijven, tot ze hun goed hadden
gepakt. Toen kreeg ze weer een zenuwtoeval, en hij werd zoo bang,
dat hij Dr. Donovan liet halen, en Dr. Donovan had hen met elkaar
gevonden in zóó'n toestand. Het rijtuig stond al klaar om mijn arme
nichten weg te brengen, ze stapten juist in, toen hij wegging; Lucy
kon bijna niet loopen, zei hij, en Anne was haast even erg. Ik kan
't niet uitstaan van je zuster, en ik hoop van harte dat ze toch
een paar worden, tegen haar zin. Och, och, wat zal die arme Edward
wel zeggen als hij ervan hoort! Dat zijn meisje zoo minachtend wordt
behandeld! want ze zeggen dat hij dol op haar is, en geen wonder. 't
Zou mij niet verwonderen, als hij er half razend door wordt, en dat
dacht Dr. Donovan ook. We hebben er samen lang en breed over gepraat,
en het trof gelukkig, dat hij weer terugging naar Harley Street,
om bij de hand te zijn, wanneer ze 't vertelden aan Mevrouw Ferrars;
want die werd gehaald, zoodra mijn nichtjes het huis uit waren; en
je zuster wist vooruit, dat zij 't óók op de zenuwen zou krijgen;
nu, dat gun ik haar graag. Ik heb met geen van beiden een ziertje
medelijden. Daar heb ik geen begrip van, hoe de menschen zoo'n drukte
kunnen maken over geld en voornaamheid. Ik zie volstrekt niet in,
waarom Mijnheer Edward en Lucy niet zouden kunnen trouwen; want
Mevrouw Ferrars kan haar zoon genoeg meegeven, en al heeft Lucy zoo
goed als niets, ze weet beter dan de meesten met weinig rond te komen;
en als Mevrouw Ferrars hem maar vijfhonderd pond in 't jaar wou geven,
dan zou zij ermee voor den dag komen, als een ander met achthonderd
zou doen. Wat zouden ze 't niet genoeglijk kunnen hebben samen, in
zoo'n soort huisje als dat van jelui,--of een beetje grooter--met twee
dienstmeisjes en twee knechts; en ik zou ze dadelijk een kamermeisje
kunnen bezorgen, denk ik, want de zuster van mijn Betty zoekt een
dienst, en die zou juist voor hen passen."
Hier hield Mevrouw Jennings een oogenblik op, en daar Elinor tijd
genoeg had gehad, haar gedachten te verzamelen, was zij in staat, juist
dàt antwoord te geven, en precies díe opmerkingen te maken, die in dit
geval als voor de hand liggend mochten worden beschouwd. Al blijde,
te bespeuren, dat zij niet werd verdacht van eenige buitengewone
belangstelling, en dat Mevrouw Jennings (zooals zij reeds dikwijls
had gehoopt in den laatsten tijd) al lang niet meer in de meening
verkeerde, dat zij iets gevoelde voor Edward; maar vooral blij, omdat
Marianne niet in de kamer was, kon zij zeer goed, zonder verlegenheid
te toonen, over de zaak spreken, en een, naar zij meende, onpartijdig
oordeel uiten over het gedrag van allen, die erbij waren betrokken.
Zij kon bijna niet uitmaken, wat zij zelve verwachtte dat deze
gebeurtenis ten gevolge zou hebben;--hoewel zij zich ernstig trachtte
te verzetten tegen het denkbeeld, dat de zaak bij mogelijkheid op iets
anders kon uitloopen dan het huwelijk van Edward en Lucy. Wat Mevrouw
Ferrars zou zeggen en doen, scheen wel allesbehalve twijfelachtig;
maar zij was er toch benieuwd naar, en nog veel meer benieuwd, hoe
Edward zelf zich zou gedragen. Met hèm had zij medelijden;--met Lucy
heel weinig, en dat weinigje riep ze met moeite te voorschijn;--met
de anderen in 't geheel niet.
Daar Mevrouw Jennings over niets anders kon praten, zag Elinor
spoedig in, dat Marianne op de bespreking van de zaak moest worden
voorbereid. Er viel geen tijd te verliezen; zij moest op de hoogte
worden gebracht, de volle waarheid vernemen, en leeren, erover te
hooren spreken door anderen, zonder te laten merken, dat zij bedroefd
was om hare zuster, of verontwaardigd over Edward's gedrag.
Het was een pijnlijke taak voor Elinor. Zij moest haar zuster ontnemen,
wat zij werkelijk als Marianne's grootsten troost beschouwde,--moest
haar dingen omtrent Edward vertellen, die zij vreesde, dat hem
voor altoos haar goede meening zouden doen verliezen, en zij zou
Marianne door de gelijkenis van beider omstandigheden, die haar wel
treffend moest schijnen, al haar eigen teleurstelling opnieuw doen
gevoelen. Doch hoe onwelkom die taak ook mocht zijn, zij moest vervuld
worden, en Elinor haastte zich te doen, wat haar te doen stond.
Allerminst wenschte zij, lang stil te staan bij haar eigen gevoelens
of het te doen voorkomen, alsof zij zwaar verdriet had, behalve dan in
zooverre, als het zelfbedwang, dat zij zich had opgelegd, sedert zij
voor het eerst Edward's verloving vernam, voor Marianne eenigermate
eene aansporing kon zijn, dit ook van hare zijde te betrachten. Zij
vertelde alles duidelijk en eenvoudig; en ofschoon niet onbewogen, liet
zij zich toch geenszins vervoeren tot heftige aandoening of onstuimige
smart. _Deze_ bleven overgelaten aan haar die luisterde; want Marianne
hoorde haar aan met ontzetting, en schreide bitter. Elinor scheen de
troosteres te moeten zijn van anderen, zoowel in haar eigen verdriet,
als in het hunne, en bereidwillig bood zij al de geruststelling aan,
die zij kon schenken, door de verzekering, dat zij zelve nu volkomen
kalm was, en door haar ernstige voorspraak van Edward, dien zij
vrijpleitte van alle schuld, behalve onvoorzichtigheid.
Doch een tijdlang wilde Marianne noch het een, noch het ander
gelooven. Edward scheen wel een andere Willoughby, en als Elinor
toegaf, zooals ze _deed_, dat zij hem innig had liefgehad, kon zij
dan minder gevoelen dan Marianne zelve? Wat Lucy Steele betrof,
zij beschouwde haar als zoo volkomen onaantrekkelijk, zoo absoluut
ongeschikt om de liefde van een verstandig man te winnen, dat zij
aan een vroegere genegenheid van Edward voor Lucy eerst niet wilde
gelooven, en hem die in geen geval vergeven kon. Zij wilde zelfs
niet inzien, dat zooiets natuurlijk had kunnen zijn; en Elinor gaf
het maar op, en liet haar bij hare meening, totdat die overtuiging
haar zou zijn bijgebracht door het eenige, dat haar overtuigen kòn,
eene grootere mate van menschenkennis.
Haar eerste mededeeling had zich niet verder uitgestrekt dan tot
het feit van de verloving en den duur ervan. Daarop was Marianne's
gevoel tusschenbeide gekomen en had een einde gemaakt aan allen
geregelden samenhang. Een tijdlang rustte op Elinor de taak, haar
droefheid te doen bedaren, haar ongerustheid te doen verminderen en
haar verontwaardiging te bestrijden. De eerste vraag van Marianne's
kant, die tot verdere bijzonderheden leidde, was:
"Hoe lang heb je dit al geweten, Elinor? Heeft hij het je geschreven?"
"Ik wist het al vier maanden. Toen Lucy pas te Barton was gekomen,
in November, vertelde ze mij in vertrouwen, dat ze verloofd was."
Bij deze woorden drukten Marianne's oogen de verwondering uit, die
haar lippen niet konden uitspreken. Na een oogenblik van zwijgende
verbazing, riep ze:
"Vier maanden?--Heb je dit vier maanden lang geweten?"
Elinor antwoordde bevestigend.
"Dus... terwijl je deelde in al mijn verdriet, hadt je _dit_ op het
hart? En ik maakte je er een verwijt van, dat je gelukkig waart!"
"Het zou niet goed voor je zijn geweest, toen te weten, hoe zeer het
tegendeel bij mij 't geval was."
"Vier maanden!" riep Marianne nogmaals. "En zoo kalm, zoo vroolijk! Wat
stelde je daartoe in staat?"
"Het gevoel, dat ik mijn plicht deed. Mijn belofte aan Lucy verplichtte
mij tot geheimhouding. Ik moest dus om harentwil vermijden, ook maar
een zweem van de waarheid te doen vermoeden, en bij mijn familie
en goede vrienden mocht ik geen bezorgdheid wekken, die ik niet bij
machte zou zijn te verdrijven."
Marianne scheen diep getroffen.
"Ik heb dikwijls verlangd, jou en moeder alles duidelijk te maken,"
voegde Elinor erbij, "en een paar malen beproefde ik dat zelfs;--maar
zonder het in mij gestelde vertrouwen te verraden, had ik je nooit
kunnen overtuigen."
"Vier maanden!--en toch hadt je hem lief!"
"Ja. Maar ik had niet hem alléén lief,--en zoolang het geluk van
anderen mij ter harte ging, was ik blijde, hun de wetenschap te
kunnen besparen van wat ik gevoelde. Nu kan ik eraan denken en
erover spreken zonder heftige aandoening. Ik zou niet willen dat je
om mijnentwille verdriet hadt, want feitelijk heb ik zelf nu géén
verdriet meer. Ik heb veel dingen, die mij steun geven. Ik ben mij
niet bewust, mij te hebben blootgesteld aan deze teleurstelling door
eigen onvoorzichtigheid, en ik heb die zooveel mogelijk gedragen
zonder anderen erin te laten deelen. Ik kan in gemoede verklaren
dat Edward zich niet heeft misdragen. Ik hoop, dat hij gelukkig zal
worden, en ik weet zóó zeker, dat hij altoos zijn plicht zal doen,
dat hij het ten slotte worden zàl, al mag hij nu ook nog een weinig
bedroefd zijn. Verstand heeft Lucy genoeg, en dat is een grondslag,
waarop zich veel goeds laat bouwen. En dan, Marianne, wel beschouwd,
ondanks al wat er betooverends moge zijn in de voorstelling van ééne
duurzame getrouwe genegenheid, ondanks al dat roemen in een geluk,
dat uitsluitend afhankelijk is van één bepaalden persoon, het is
ons niet beschoren,--het is niet geoorloofd,--het is niet mogelijk,
dat dit waarheid zij. Edward zal trouwen met Lucy; hij zal trouwen
met een vrouw, die, wat uiterlijk en verstand betreft, de meerdere
is van de helft harer seksegenooten, en tijd en gewoonte zullen hem
leeren vergeten, dat hij ooit eene andere als de meerdere van háár
heeft beschouwd."
"Als je er zóó over denkt," zei Marianne, "als het verlies van wat
je het hoogst schatte, zóó gemakkelijk kan worden vergoed door iets
anders, dan zijn je vastberadenheid en je zelfbedwang misschien een
beetje minder verwonderlijk te achten. Althans meer binnen 't bereik
van mijn begrip."
"Ik weet, wat je zeggen wilt. Je gelooft niet, dat ik ooit veel
gevoeld kan hebben. Vier maanden, Marianne, ben ik van dit alles
vervuld geweest, zonder dat het mij vrijstond, er met één sterveling
over te spreken; begrijpende, dat het jou en moeder bitter verdriet
moest doen, wanneer je het te weten kwaamt, en toch niet in staat,
je er ook maar in 't minst op voor te bereiden. Het werd mij verteld;
het werd mij, om zoo te zeggen, opgedrongen door de persoon zelve,
wier vroegere verbintenis al mijn verwachtingen neersloeg; en verteld,
naar het mij voorkwam, met zegevierenden trots. Háár achterdocht
dus moest ik ontwapenen, door onverschillig te schijnen voor wat
mij het allerdiepst ter harte ging. En dat gebeurde niet éénmaal;
nogmaals en nogmaals moest ik de uitingen aanhooren van haar hoop
en haar verrukking. Ik heb beseft, dat ik voor altijd van Edward
gescheiden zou zijn, zonder te weten van ééne omstandigheid, welke
mij die verbintenis minder wenschelijk had kunnen doen schijnen. Hij
heeft zich noch onwaardig betoond, noch onverschillig te mijnen
opzichte. Ik heb het hoofd moeten bieden aan de onheusche bejegening
van zijn zuster en de beleedigende houding zijner moeder, en de straf
moeten ondergaan voor eene genegenheid, waarvan ik de vreugde gemist
had. En dat alles is gebeurd in dagen, die, zooals je maar al te goed
weet, nog andere droefheid brachten. Wanneer je mij tot éénig gevoel
in staat acht, waarlijk, dan mag je veronderstellen, dat ik _thans_
geleden heb. De kalmte, waarmede ik nu van mijzelf verkregen heb, de
zaak te beschouwen, de troostgronden, die ik bereid was te erkennen,
zijn de vrucht geweest van aanhoudende en smartelijke inspanning;--zij
meldden zich niet vrijwillig aan; zij kwamen aanvankelijk mij geen
verlichting brengen,--neen, Marianne. Toen--wanneer mij geen belofte
het zwijgen had opgelegd, zou mij _toen_ misschien niets, zelfs
niet wat ik mijn liefsten vrienden verschuldigd was, hebben kunnen
weerhouden openlijk te toonen, dat ik mij _diep_ ongelukkig gevoelde."
Marianne had niets meer in te brengen.
"O Elinor," riep ze, "je maakt, dat ik voor altijd een hekel
zal hebben aan mijzelf! Wat ben ik barbaarsch wreed tegenover je
geweest!--tegenover jou, die mijn eenige troost waart, die mij trouw
bijstondt in al mijn ellende, die alleen om mij scheent te lijden! Is
dat mijn dank? Is dat mijn eenige vergelding? Ik heb je verdienste
trachten te verkleinen, omdat zij _mijn_ tekortkoming aan het licht
brengt."
Op die bekentenis volgden de teederste liefkoozingen. In de
gemoedsstemming, waarin ze thans verkeerde, kon Elinor zonder moeite
elke belofte van haar vergen, die haar gewenscht voorkwam; en op haar
verzoek nam Marianne zich vast voor, niemand over de zaak te spreken
met den geringsten schijn van bitterheid;--als zij Lucy ontmoette,
geen de minste toename van haar afkeer te doen blijken, en zelfs
Edward, mocht het toeval hen doen samenkomen, niet minder hartelijk te
begroeten, dan zij vroeger placht te doen. Het waren zware eischen,
die hier werden ingewilligd; maar als Marianne besefte, dat zij een
ander onrecht had gedaan, kende haar bereidvaardigheid om het weer
goed te maken, geen grenzen.
Zij vervulde haar belofte van voorzichtig te zullen zijn, op een
wijze, die bewondering verdiende. Zij luisterde zonder blozen of
verbleeken naar al wat Mevrouw Jennings over het onderwerp te zeggen
had, verschilde geen enkele maal met haar van meening, en zei tot
driemaal toe: "Ja, mevrouw." Bij het aanhooren van Lucy's lof ging
zij alleen op een anderen stoel zitten, en toen Mevrouw Jennings het
had over Edward's genegenheid, kostte haar dat enkel een zenuwachtige
kramptrekking in haar keel. Deze aan het heldhaftige grenzende houding
van hare zuster gaf Elinor een gevoel, alsof zijzelve nu wel tot
àlles in staat was.
Den volgenden morgen werd die heldhaftigheid nog verder op de proef
gesteld door een bezoek van hun broeder, die met een diep ernstig
gezicht de treurige geschiedenis kwam vertellen en berichten, hoe
het ging met zijn vrouw.
"Je hebt zeker al gehoord," zei hij plechtig, toen hij had plaats
genomen, "van de alleronaangenaamste ontdekking, die gisteren bij
ons aan huis heeft plaats gehad."
Zij gaven allen door blikken hun toestemming te kennen; voor woorden
scheen het oogenblik te onheilvol.
"Je schoonzuster," ging hij voort, "heeft het zich ontzaglijk
aangetrokken. Mevrouw Ferrars ook,--we waren allen in een rampzaligen
toestand; maar ik durf toch hopen, dat we den storm weerstand zullen
bieden, zonder dat een van ons totaal bezwijkt. Die arme Fanny;
gisteren had zij het den geheelen dag op de zenuwen. Maar ik wilde
jelui niet al te ongerust maken. Donovan zegt, dat er geen reden is,
iets ernstigs te vreezen; haar gestel is sterk, en haar geestkracht
stelt haar in staat, het ergste te dragen. Met engelengeduld heeft
zij alles verduurd! Zij zegt, dat ze van niemand ooit meer iets goeds
zal verwachten; en geen wonder, na zoo te zijn bedrogen!--zulk een
verregaande ondankbaarheid te hebben ondervonden, als vergelding
van zooveel vriendelijkheid, zulk vertrouwen. Uit pure, oprechte
goedhartigheid had ze die meisjes te logeeren gevraagd, enkel omdat
ze vond, dat hun wel eenige attentie mocht worden bewezen; ze waren
aardig, wisten zich goed voor te doen, en zouden prettig gezelschap
voor ons zijn; want anders zouden we allebei stellig liever jou en
Marianne gevraagd hebben, terwijl je lieve gastvrouw zich wijdde
aan haar dochter. En dan op deze wijze te worden beloond! "Ik wou
om een lief ding," zegt Fanny met haar natuurlijke hartelijkheid,
"dat we je zusters maar hadden gevraagd, inplaats van hen."
Hier wachtte hij even, om bedankt te worden, en toen dat gebeurd was,
praatte hij door.
"Wat dit arme Mevrouw Ferrars uitstond, toen ze 't van Fanny het eerst
kreeg te hooren, is met geen woorden te omschrijven. Terwijl zij in
haar trouwe genegenheid, zulk een uiterst wenschelijke verbintenis voor
hem had weten voor te bereiden, kon men toch niet veronderstellen, dat
hij al dien tijd in 't geheim met iemand anders was verloofd!--dat
vermoeden kòn eenvoudig niet bij haar opkomen. Wanneer ze hem
al verdacht van eenige bijzondere voorkeur, dan was het toch niet
_hierheen_, dat die verdenking zich richtte. "_Daar_," zei ze, "dacht
ik nu toch, dat geen gevaar was te duchten." Zij was letterlijk ten
einde raad. We overlegden samen, wat nu te doen stond, en ten laatste
besloot zij, Edward bij zich te laten komen. Hij kwam dan ook. Wat
toen volgde, verhaal ik ongaarne. Al wat Mevrouw Ferrars kon zeggen,
om hem te bewegen de verloving te verbreken, terwijl zij toch werd
bijgestaan, zooals je kunt begrijpen, door mijn redeneering en Fanny's
smeekbeden, het baatte niets. Plicht, genegenheid, alles verloor
hij uit het oog. Ik had nooit gedacht, dat Edward zoo stijfkoppig,
zoo ongevoelig kon zijn. Zijn moeder deelde hem mede, wat haar plan
was, als hij trouwde met Juffrouw Morton; ze zei dat ze hem hun
bezitting in Norfolk zou schenken, die zonder grondbelasting ruim
duizend pond in het jaar opbrengt; ze bood zelfs aan, toen het begon
te spannen, zijn inkomen op twaalfhonderd te brengen terwijl zij aan
den anderen kant, als hij deze ongepaste verbintenis wilde doorzetten,
hem wees op de onvermijdelijke armoede, waartoe dit huwelijk hem zou
veroordeelen. Zijn eigen tweeduizend pond zouden alles zijn wat hij
bezat, verklaarde zij; zij wilde hem nooit weerzien, en zóó weinig
zou zij gezind zijn, hem den geringsten steun te verleenen, dat zij,
wanneer hij een beroep zou kiezen, om in zijn onderhoud te voorzien,
alles zou doen wat in haar macht stond, om te beletten, dat hij
vooruit kwam."
Hier sloeg Marianne, wier verontwaardiging thans haar hoogtepunt
had bereikt, de handen ineen en riep: "Goede hemel! kan zoo iets
mogelijk zijn?"
"Je moogt je waarlijk wèl verbazen, Marianne," antwoordde haar broeder,
"over een onverzettelijkheid, die zulke argumenten kon weerstaan. Je
uitroep is zeer natuurlijk."
Marianne wilde heftig antwoorden; maar zij herinnerde zich haar
belofte en hield zich in.
"Alles echter," ging hij voort, "werd te vergeefs hem
voorgehouden. Edward zei heel weinig, maar dat weinige op den meest
beslisten toon. Niets zou hem bewegen, zijn verloving te verbreken. Hij
hield zich aan zijn gegeven woord, het mocht dan kosten wat het wilde."
"Dan heeft hij gehandeld," riep Mevrouw Jennings, die zich niet langer
kon stilhouden, met rondborstige oprechtheid uit, "als een eerlijk
man. Neem mij niet kwalijk, mijnheer Dashwood, maar als hij zich anders
had gedragen, dan zou ik hem een schurk hebben genoemd. Ik ben ook
eenigszins bij de zaak betrokken, zoo goed als u; want Lucy Steele is
mijn nichtje, en ik geloof, dat er geen beter meisje in de wereld is
te vinden, géén, die 't zoo goed waard is, een besten man te krijgen."
John Dashwood was zeer verbaasd; maar hij had een kalme geaardheid,
zou niet licht aanstoot nemen, en wenschte niemand te beleedigen,
vooral niet iemand met geld. Hij antwoordde dus, zonder eenige ergernis
te laten blijken.
"Ik zou in geen geval oneerbiedig willen spreken van iemand die
familie is van u, mevrouw. Ik wil gaarne gelooven, dat Juffrouw
Steele een zeer verdienstelijke jonge dame is, maar in dit geval
kan toch van een engagement geen sprake zijn. En dat zij zich in 't
geheim heeft verloofd met een jongen man, die aan de zorg van haar
oom was toevertrouwd, den zoon nog wel van een zoo vermogende dame als
Mevrouw Ferrars, dat is toch op zich zelf wel een beetje vreemd. Maar
het spreekt vanzelf, dat ik geen ongunstig oordeel vel over 't gedrag
van iemand, die door u wordt gewaardeerd, Mevrouw Jennings. We hopen
allen dat zij gelukkig zal worden, en Mevrouw Ferrars' houding is
in alle opzichten zóó geweest, als men van elke goede moeder, die
zich van haar plicht bewust is, in hare omstandigheden zou verwacht
hebben. Zij heeft zich waardig en grootmoedig gedragen. Edward heeft
zijn eigen lot gekozen, en ik vrees dat het niet gelukkig zal zijn."
Marianne gaf met een zucht die zelfde vrees te kennen; en Elinor's
hart bloedde bij de gedachte aan Edward's gevoelens, terwijl hij
zijn moeder's bedreigingen trotseerde voor een vrouw, die hem niet
kon beloonen.
"En hoe," zei Mevrouw Jennings, "liep het toen af?"
"Helaas, mevrouw, het kwam tot een treurige breuk tusschen beiden;
Edward werd door zijn moeder voor goed uit haar huis gezonden. Gisteren
is hij vertrokken; waarheen weet ik niet, en ook niet, of hij nog in
de stad is; want _wij_ kunnen natuurlijk geen navraag doen."
"Die arme jongen; en wat moet er nu van hem worden?"
"Zegt u dat wèl, mevrouw! 't Is droevig om aan te denken. Gewend aan
't vooruitzicht van eenmaal schatrijk te zullen worden! Ik kan mij
geen beklagenswaardiger toestand voorstellen. De rente van tweeduizend
pond--hoe kàn iemand daarvan leven!--en als daarbij dan nog moet worden
bedacht, dat hij door zijn eigen dwaasheid zich de kans liet ontgaan
binnen drie maanden een inkomen te bezitten van tweeduizend vijfhonderd
pond in het jaar (want Juffrouw Morton bezit dertigduizend),--ik kan
mij geen bedroevender omstandigheden denken. We moeten allen met hem
meegevoelen; te meer, daar we geheel onmachtig zijn, hem te helpen."
"Arme jongen!" riep Mevrouw Jennings, "ik weet wel, dat hij in
mijn huis gerust mag komen slapen en eten, en dat zou ik hem zeker
vertellen, als ik hem zag! 't Is niet zooals 't hoort, dat hij nu
zich zelf moet bedruipen, en logeeren op kamers, of in hôtels."
Elinor bedankte haar in haar hart voor die vriendelijke gevoelens
jegens Edward, al kon zij niet nalaten te glimlachen om den vorm,
waarin deze werden uitgedrukt.
"Als hij maar even goed voor zich zelf had willen zorgen," zei John
Dashwood, "als al zijn vrienden geneigd waren voor hèm te doen,
dan zou hij nu zijn natuurlijke positie hebben ingenomen, en aan
niets gebrek hebben gehad. Maar zooals het nu is, kan niemand hem
helpen. En nog iets hangt hem boven het hoofd, wel haast het ergste
van alles--zijn moeder heeft besloten,--en ik vind dat zeer natuurlijk
van haar,--nu al dadelijk _die_ bezitting aan Robert te schenken,
die van Edward had kunnen zijn, als hij zich naar haar voorwaarden
had willen schikken. Toen ik haar van morgen verliet, was zij bezig,
met haar zaakwaarnemer hierover te spreken."
"Nu," zei Mevrouw Jennings, "dat is nu háár wijze van wraaknemen. Ieder
doet dat op zijn eigen manier. De mijne zou het, dunkt mij, niet
zijn, den eenen zoon onafhankelijk te maken, omdat de andere mij
had geërgerd."
Marianne stond op en ging de kamer uit.
"Wat kan meer verbittering wekken in iemands gemoed", ging John voort,
"dan zijn jongeren broeder in 't bezit te zien van een goed, dat _zijn_
eigendom had kunnen zijn? Arme Edward, ik beklaag hem van harte."
Na nog een paar minuten te hebben gewijd aan dergelijke ontboezemingen,
nam hij afscheid, en vertrok met de herhaalde verzekering aan zijn
zusters, dat Fanny's ongesteldheid niet van ernstigen aard was,
en dat zij zich dus niet ongerust behoefden te maken. De drie dames
bleven achter, volkomen eensgezind in hun gevoelens ditmaal, althans
wat het gedrag betrof van Mevrouw Ferrars, de Dashwoods en Edward.
Marianne's verontwaardiging barstte los, zoodra hij de kamer uit was,
en daar haar heftigheid het voor Elinor onmogelijk, en voor Mevrouw
Jennings onnoodig maakte, terughouding te betrachten, gaven zij
eendrachtig en met groote levendigheid uiting aan hun afkeuring van
het drietal.