Eenige dagen na deze ontmoeting verkondigden de nieuwsbladen der wereld
de tijding, dat de echtgenoote van den Heer Thomas Palmer voorspoedig
was bevallen van een zoon; een zeer belangwekkend en verblijdend
bericht, althans voor alle intieme bekenden, die erop waren voorbereid.
Deze gebeurtenis, zoo hoogst gewichtig voor Mevrouw Jennings'
levensvreugde, bracht een tijdelijke wijziging in hare tijdverdeeling,
en oefende eveneens invloed uit op het doen en laten harer jeugdige
vriendinnen; want daar zij liefst zooveel mogelijk bij Charlotte
wilde zijn, ging zij daar elken morgen heen, zoodra zij gekleed was,
en kwam eerst laat in den avond terug; terwijl de dames Dashwood, op
het dringend verzoek van de Middletons, den geheelen dag doorbrachten
in Conduit Street. Zij zouden het zelven veel gemakkelijker hebben
gevonden, ten minste des morgens tehuis te blijven; maar die wensch
kon niet tegen den zin van alle anderen worden doorgedreven. Hun tijd
werd dus ter beschikking gesteld van Lady Middleton en de beide dames
Steele, die feitelijk hun gezelschap bitter weinig op prijs stelden,
maar het des te ijveriger beweerden te zoeken.
Zij waren te verstandig om aangenaam gezelschap te zijn voor de eerste,
en door de beide anderen werden zij met een afgunstig oog beschouwd,
als indringsters op hun terrein, die deelden in de vriendelijkheid,
welke zij voor zich alleen in beslag dachten te nemen. Hoewel niets
beleefder kon zijn dan Lady Middleton's houding tegenover Elinor en
Marianne, hield zij toch in het geheel niet van hen. Daar zij noch
haar, noch hare kinderen vleiden, kon zij niet gelooven, dat zij
goedhartig waren; en omdat ze veel van lezen hielden, verbeeldde
zij zich, dat ze satiriek waren; zonder misschien precies te weten
wat satiriek zijn beduidde; maar dàt deed er minder toe. Het was
een gebruikelijke afkeuring, en 't kon geen kwaad, dat het eens
werd gezegd.
Hunne tegenwoordigheid legde beiden haar en Lucy een zekeren
dwang op. Zij hinderden de eene in haar laten, en de andere in haar
doen. Lady Middleton schaamde zich voor hen, dat ze niets uitvoerde,
en Lucy was bang, dat ze haar zouden minachten om de vleierij,
die zij anders vol zelfvoldoening placht toe te dienen. Juffrouw
Anne werd het minst van streek gebracht door hun bijzijn, en het
stond in hun macht, haar geheel ermee te verzoenen. Als een van hen
beiden haar maar eens volledig en tot in de kleinste bijzonderheden
had ingelicht omtrent die geschiedenis tusschen Marianne en den Heer
Willoughby, dan zou ze zich ruim beloond hebben geacht voor 't gemis
van het warmste plaatsje bij den haard na den eten, dat zij na hunne
komst had moeten afstaan. Maar deze tegemoetkoming werd haar niet
bewezen, en al liet zij zich meermalen tegenover Elinor uitroepen
van medelijden met hare zuster ontvallen, of al hield ze ten aanhoore
van Marianne herhaaldelijk beschouwingen over de wispelturigheid van
galante cavaliers, zij bereikte er niet anders mee, dan dat de eerste
onverschillig en de laatste met minachtenden afkeer haar aanzag. En met
nog veel geringere moeite hadden ze haar vriendschap kunnen winnen. Als
ze haar toch maar eens hadden geplaagd met den dokter! Doch zij waren
al even weinig als de anderen gezind haar hierin ter wille te zijn,
en als Sir John niet thuis kwam dineeren, moest zij soms een geheelen
dag doorbrengen zonder andere grappen te hooren over dat onderwerp,
dan die, waarmee ze zich zelve placht te vermaken.
Van al die afgunst en ontevredenheid echter bleef Mevrouw Jennings
zoo totaal onkundig, dat zij het verrukkelijk voor de meisjes vond
om zooveel samen te zijn; en in den regel haar logéetjes elken
avond gelukwenschte dat ze alweer een dag aan 't gezelschap van een
saaie oude vrouw waren ontsnapt. Zij kwam wel eens met hen bij Sir
John, en sprak ze ook wel in haar eigen huis; maar waar het ook
mocht zijn, zij was altijd in haar nopjes, verrukt en gewichtig,
Charlotte's welbevinden toeschrijvend aan háár goede zorgen, en steeds
bereid tot een zoo nauwkeurige en uitvoerige beschrijving van haar
gezondheidstoestand, als alleen Juffrouw Steele nieuwsgierig genoeg was
te verlangen. _Een_ ding hinderde haar toch, en daarover beklaagde zij
zich dan ook elken dag. De Heer Palmer hield zich aan de algemeene,
doch onvaderlijke uitspraak zijner sekse, dat alle kleine kinderen
precies eender zijn; en hoewel zij op verschillende tijden duidelijk
de meest treffende gelijkenis kon zien tusschen dit kleine ding en
al zijn bloedverwanten van beide zijden, zij kòn zijn vader daarvan
maar niet overtuigen; zij kòn hem niet overhalen te gelooven, dat het
er niet precies zoo uitzag als elke baby van den zelfden leeftijd;
en zelfs tot de eenvoudige verklaring, dat het 't mooiste kindje van
de wereld was, bleek hij niet bereid.
Thans moet ik melding maken van een ongeluk, dat omstreeks dezen tijd
aan Mevrouw John Dashwood overkwam. Toevallig was, bij gelegenheid
van het bezoek harer zusters met Mevrouw Jennings in Harley
Street, eene harer vriendinnen haar een visite komen maken,--op
zichzelf geen gebeurtenis, waaruit eenig kwaad voor haar zou kunnen
voortspruiten. Doch zoolang de verbeelding van andere menschen hen
kan meesleepen tot het maken van verkeerde gevolgtrekkingen omtrent
ons gedrag, die zij daarenboven afleiden uit oppervlakkige gegevens,
kan ons geluk niet anders dan tot op zekere hoogte van het toeval
afhankelijk zijn. In het onderhavige geval had de laatst-gekomen
dame haar verbeelding vergund, zich zoover te begeven buiten de
perken van waarheid en waarschijnlijkheid, dat zij, enkel bij het
hooren noemen van den naam der dames Dashwood, en begrijpende dat
zij de zusters van den Heer Dashwood waren, onmiddellijk hieruit
had afgeleid, dat zij logeerden in Harley Street; en als gevolg van
dit misverstand verschenen een paar dagen later invitatie-kaarten,
zoo voor hen als voor hun broer en zuster, om hen uit te noodigen op
een muziek-avond te hunnen huize. Ten gevolge waarvan wederom Mevrouw
John Dashwood zich genoodzaakt zag niet alleen tot den buitengewoon
lastigen maatregel, de dames Dashwood met haar rijtuig te laten
afhalen; maar, wat erger was, zich de onaangename verplichting zag
opgelegd, hen althans schijnbaar voorkomend te behandelen,--en wie
kon zeggen, of ze er nu niet op zouden gaan rekenen, een tweeden
keer met haar uit te gaan. Het stond wel is waar altijd nog in haar
macht, hen teleur te stellen. Maar dat zou niet voldoende zijn; want
als de menschen vast voornemens zijn zich te gedragen op een wijze,
waarvan ze 't verkeerde zelf inzien, zijn ze tòch beleedigd, als
anderen iets beters van hen verwachten. Marianne was er van lieverlede
reeds weer zóó aan gewend geraakt, iederen dag uit te gaan, dat het
haar onverschillig was geworden, of zij ging of niet, en zij maakte
zich rustig en werktuigelijk gereed voor elke avondpartij, hoewel
zonder ooit eenig genoegen van een dier uitgangen te verwachten, en
dikwijls zelfs tot op het laatste oogenblik niet wetend, bij wie ze
eigenlijk gevraagd was. Voor haar kleeding en haar uiterlijk was zij
zoo volkomen onverschillig geworden, dat zij er onder het kleeden niet
half zooveel aandacht aan wijdde, als haar ten deel viel van Juffrouw
Anne's zijde in de eerste vijf minuten van hun samenzijn. _Haar_
nauwlettende opmerkzaamheid en nieuwsgierigen blik ontging niets;
zij zag alles, vroeg naar alles, had geen rust eer ze wist wat elk
onderdeel van Marianne's toilet gekost had; was van het aantal harer
japonnen beter op de hoogte dan Marianne zelf, en hoopte nog eenmaal,
eer zij weer afscheid namen, te zullen ontdekken, hoeveel waschgeld
zij per week betaalde, en hoeveel haar kleedgeld per jaar bedroeg.
Gewoonlijk werd de lompheid van dat brutale uitvragen zoogenaamd
weer goedgemaakt door een compliment, dat, hoewel bedoeld als een
soort belooning, door Marianne als de verregaandste onbeschaamdheid
werd beschouwd; want na een verhoor te hebben ondergaan omtrent den
prijs en het patroon van haar japon, de kleur van haar schoenen en
de wijze waarop haar haar was opgemaakt, wist zij van te voren, hoe
ze nu te hooren zou krijgen, "dat ze er gerust waar piekfijn uitzag,
en een hoop harten zou veroveren."
Met een dergelijke aanmoediging werd zij ook bij deze gelegenheid
verwezen naar haar broeder's rijtuig, dat geen vijf minuten aan hun
deur had behoeven te wachten; eene nauwgezetheid, weinig gewaardeerd
door hun schoonzuster, die reeds eerder naar het huis van haar
vriendin was gegaan, en hoopte op eenige vertraging van hunne zijde,
ten ongerieve van haarzelve of haren koetsier.
Veel vermeldenswaardigs viel er dien avond niet voor. Op dit, zooals op
andere muziekpartijtjes, was een zeker aantal gasten bijeenverzameld,
dat werkelijk genoot van de uitvoering, en een veel grooter aantal
andere, die er niets om gaven; en de medewerkenden zelf waren zooals
gewoonlijk, volgens hun eigen oordeel, en dat hunner intieme vrienden
de voortreffelijkste amateurs van heel Engeland.
Daar Elinor noch muzikaal was, noch voorgaf het te zijn, zag zij
er geen bezwaar in, haar oogen eens af te wenden van den vleugel,
wanneer zij daar lust in had, en zonder zich te laten intimideeren
door de aanwezigheid van harp en violoncel, haar blik naar believen
te laten rusten op eenig ander voorwerp in het vertrek.
Bij een van die uitstapjes viel haar oog op een groepje jongelui,
waaronder zij hetzelfde jongemensch bespeurde, dat bij den juwelier de
voordracht over tandenstoker-étuis had gehouden. Weldra zag zij hem
naar haar kijken, terwijl hij vertrouwelijk stond te praten met haar
broeder; en zij nam zich juist voor aan John te vragen, wie hij was,
toen zij samen naar haar toekwamen, en de Heer Dashwood hem aan haar
voorstelde als den Heer Robert Ferrars.
Hij sprak haar aan met luchtige beleefdheid, en boog, met een grappige
hoofdwending, die haar even duidelijk als woorden hadden kunnen doen,
liet bespeuren, dat hij wel waarlijk de ingebeelde fat was, dien
Lucy haar had beschreven. 't Zou gelukkig voor haar zijn geweest,
als haar genegenheid voor Edward minder had afgehangen van zijn
eigen verdiensten, dan van die zijner naaste familieleden. Want dan
zou zijn broeders buiging hebben voltooid, wat de booze blikken van
zijn moeder en zuster hadden begonnen. Maar terwijl zij zich verbaasde
over het verschil tusschen de twee jongelieden, bleek het haar, dat de
leeghoofdigheid en ijdelheid van den een haar waarlijk geen geringeren
dunk deden opvatten omtrent de bescheidenheid en degelijkheid van
den ander. Hoe het _kwam_, dat zij zoo verschilden, legde Robert zelf
haar uit in het kwartiertje, dat hij met haar praatte; want sprekend
over zijn broeder, en betreurend dat zijn verregaande _gaucherie_ hem,
naar hij dacht, belette den omgang van zijn standgenooten te zoeken,
meende hij, met oprechte welwillendheid, die linkschheid niet zoozeer
te moeten toeschrijven aan eenig natuurlijk gebrek, als wel aan de
ongelukkige omstandigheid, dat Edward privaat-onderricht had genoten;
terwijl hijzelf, hoewel allicht van nature en feitelijk niet zoo
bijzonder veel meer begaafd dan zijn broeder, alleen aan het voorrecht
eener opvoeding in een openbare school te danken had, dat hij zich
in de wereld wist te bewegen zoo goed als de beste. "Bepaald," voegde
hij erbij, "ik geloof dat het alleen daaraan ligt, en dat zeg ik zoo
dikwijls tegen mijn moeder, als zij erover aan het tobben is. "Mama,"
zeg ik dan, "zet u dat nu uit het hoofd. De zaak is _nu_ niet meer te
verhelpen, en 't is heel en al uw eigen schuld. Waarom liet u zich
ook overhalen door mijn oom, Sir Robert, om tegen uw eigen beter
weten in Edward privaat-onderwijs te laten geven, juist in de jaren,
die er het meest op aankwamen? Hadt u hem naar Westminster laten gaan,
zooals mij, inplaats van hem bij den Heer Pratt in den kost te doen,
dan zoudt u dit alles hebben voorkomen." In dat licht heb ik de zaak
altijd beschouwd, en mijn moeder ziet nu ook zelve haar vergissing
wel in."
Elinor wilde hem niet tegenspreken, want hoe zij ook in 't algemeen
mocht denken over de voordeelen eener opvoeding in een der groote
openbare scholen, aan Edward's verblijf in het gezin van den Heer
Pratt kon zij niet met voldoening terugdenken.
"U woont in Devonshire, niet waar?" was zijn volgende opmerking,
"in een landhuisje, dicht bij Dawlish."
Elinor bracht hem op de hoogte omtrent de plaats waar hun huis gelegen
was, en het scheen hem te verbazen, dat iemand in Devonshire kon wonen,
en tòch niet in de buurt van Dawlish. Hun soort van verblijfplaats
droeg echter zijn welwillende goedkeuring weg.
"Ik voor mij," zei hij, "houd bijzonder van landhuisjes; ze zijn
meestal gezellig, en zien er aardig uit. Ik verzeker u, als ik er
het geld voor had, dan kocht ik een stukje grond, en liet er zelf
een bouwen, in de buurt van Londen, zoodat ik er heen kon rijden
wanneer ik verkoos, en er een paar vrienden vragen, om samen ervan te
genieten. Ik raad iedereen aan, die bouwen wil, om met een landhuisje
te beginnen. Onlangs kwam mijn vriend Lord Courtland bij mij, om mij
om raad te vragen, en legde me drie verschillende ontwerpen voor
van Bonomi. Ik moest beslissen, welk het beste was. "Mijn waarde
Courtland," zei ik, zonder mij te bedenken, en ik wierp ze alle drie
in het vuur, "neem ze geen van alle, maar bouw een landhuisje, en
anders niet." En daar zal het nu wel op uitloopen.--Er zijn menschen,
die denken, dat er met een landhuisje weinig valt te beginnen, dat
er niet genoeg ruimte is; maar dat is allemaal gekheid. De vorige
maand logeerde ik bij goede vrienden, de Elliott's, in de buurt
van Dartford. Lady Elliott wilde een danspartij geven. "Maar hoe
kan dat nu?" zei ze; "mijn beste Ferrars, zeg me toch eens, hoe ik
dat moet aanleggen. In dit huisje is geen enkele kamer groot genoeg
voor tien paren, en waar moeten we soupeeren?"--_Ik_ zag dadelijk,
dat het héél goed ging; en ik zei: "Mijn waarde Lady Elliott, tobt u
dáár niet over. In de eetkamer kunnen met gemak achttien paren ruimte
vinden, speeltafeltjes worden geplaatst in den grooten salon; in de
bibliotheek kunt u thee en andere ververschingen laten presenteeren,
en in den kleinen salon zet u het souper klaar." Lady Elliott was
verrukt over mijn plan. We hebben de eetkamer gemeten, en 't bleek dat
er precies plaats was voor achttien paren; zoodat alles juist werd
geschikt volgens mijn idee. U ziet dus wel, wanneer men maar weet,
hoe men moet te werk gaan, dan kan men 't in een landhuisje even goed
en genoegelijk hebben, als in een ruim en deftig heerenhuis."
Elinor gaf hem maar gelijk, want zij vond niet, dat hij verdiende
als redelijk mensch op redelijke gronden te worden tegengesproken.
Daar John Dashwood evenmin pleizier had in muziek als zijn oudste
zuster, kon hij eveneens zijn gedachten naar believen bij iets
anders bepalen, en in den loop van den avond viel hem iets in,
dat hij bij zijn thuiskomst aan zijn vrouw meedeelde, in de hoop
dat het hare goedkeuring zou wegdragen. De vergissing van Mevrouw
Dennison, die zijne zusters als zijn logeergasten had beschouwd,
had hem op het denkbeeld gebracht, of het misschien ook gepast zou
zijn, hen werkelijk te logeeren te vragen, zoolang Mevrouw Jennings
zooveel tijd buitenshuis doorbracht. Veel onkosten zou 't hun niet
veroorzaken; veel last evenmin, en het was dan toch eene attentie,
die zijn teergevoelig geweten hem als noodzakelijk deed beschouwen, ter
volkomen kwijting van de belofte, tegenover zijn vader afgelegd. Fanny
schrikte van het voorstel.
"Ik zie niet in, hoe dat zal gaan," zei ze, "zonder onbeleefd te
zijn jegens Lady Middleton; want ze zijn elken dag bij háár; anders
zou ik het met pleizier doen. Je weet wel, dat ik altijd bereid ben,
hun wáár ik kan, een beleefdheid te bewijzen, zooals ik door dezen
uitgang van avond weer heb getoond. Maar ze zijn de gasten van Lady
Middleton. Kan ik haar nu wel van hen berooven?"
Haar echtgenoot vond, in alle bescheidenheid, hare tegenwerping toch
eigenlijk niet afdoende. Zij hadden nu al een week op deze wijze
gelogeerd in Conduit Street, en het zou Lady Middleton stellig niet
hinderen, wanneer zij hetzelfde aantal dagen doorbrachten bij hun
eigen naaste familie.
Fanny zweeg een oogenblik, en zei toen, met nog grooteren nadruk:
"Beste man, als het maar kon, zou ik niets liever doen. Maar ik had
juist bij mij zelf overlegd, dat we de meisjes Steele een paar dagen
te logeeren moesten vragen. Dat zijn heel geschikte, aardige meisjes;
en ik vind, dat we 't eigenlijk wel verplicht zijn, omdat hun oom zich
zooveel moeite heeft gegeven met Edward. Dan kunnen we je zusters 't
volgend jaar vragen; maar de dames Steele komen misschien dan niet weer
in de stad. Je zult ze stellig héél aardig vinden; trouwens ik weet,
dat je dat nu al doet; evenals mama, en Harry mag ze zoo graag lijden!"
De Heer Dashwood was overtuigd. Hij zag dadelijk in, dat het noodig
was, de dames Steele te inviteeren; en zijn geweten werd gerustgesteld
door het besluit, zijn zusters te vragen in het volgend jaar. In stilte
vermoedde hij wel, dat de uitnoodiging een jaar later overbodig zou
zijn; want dan kwam Elinor natuurlijk als Kolonel Brandon's vrouw,
en Marianne als de gast van dàt echtpaar.
Fanny, blij over die onverwachte uitkomst, en trotsch op de handigheid
waarmee ze zich had weten te redden, schreef den volgenden morgen
aan Lucy, om haar en hare zuster een paar dagen in Harley Street te
logeeren te vragen, zoodra Lady Middleton hen kon missen. Dat was
voldoende om Lucy waarlijk en met reden tevreden te doen zijn. Het
scheen wel, of Mevrouw Dashwood haar plannen in de hand werkte,
alsof zij dezelfde hoop koesterde als zij, en háár geluk wilde
bevorderen! Zulk een gelegenheid om met Edward èn zijn familie samen
te zijn, was voor haar van het allergrootste belang, en zulk eene
uitnoodiging vond zij wel buitengewoon vleiend! Het was een voorrecht,
dat zij niet dankbaar genoeg kon erkennen en niet spoedig genoeg zich
ten nutte maken; en het bezoek bij Lady Middleton, waarvan de duur
te voren niet was bepaald, bleek plotseling over twee dagen aan zijn
afgesproken einde te zullen zijn gekomen.
Toen het briefje, tien minuten nadat het was ontvangen, aan Elinor
werd vertoond, deed het haar voor de eerste maal, eenigszins
deelen in Lucy's verwachtingen; want zulk een ongewoon bewijs van
vriendelijkheid, na zóó korte kennismaking, scheen te duiden op
een welgezindheid, die haar oorsprong vond in méér dan louter
kwaadwilligheid jegens haarzelve, en misschien op den duur en
met wat behendigheid kon worden aangewend om Lucy's verlangens te
vervullen. Haar vleierij had Lady Middleton's trots reeds doen buigen,
en haar den weg gebaand naar het moeilijk toegankelijk hart van
Mevrouw John Dashwood; uitwerkselen, die nog grootere mogelijkheden
deden verwachten.
De dames Steele vertrokken naar Harley Street, en al wat Elinor
ter oore kwam omtrent hun invloed daar aan huis, droeg ertoe bij
haar verwachting te versterken. Sir John, die hen meermalen ging
opzoeken, bracht verhalen mee omtrent de gunst waarin zij stonden,
die ieder versteld deden staan. Mevrouw Dashwood had nog nooit in haar
leven zulke lieve meisjes ontmoet; ze had hun ieder een naaldenboekje
gegeven, het werk van een of anderen vreemden vluchteling; zij noemde
Lucy bij haar voornaam, en zij wist niet, hoe zij het ooit zonder
hen zou stellen.