HOOFDSTUK XXXV

Elinor's verlangen om Mevrouw Ferrars te zien was nu voldaan. Het

was haar gebleken dat deze vrouw alle eigenschappen bezat, die

een verderen omgang tusschen beide families niet wenschelijk deden

schijnen. Zij had genoeg gezien van haar trots, haar kleingeestigheid

en haar onverzettelijke vooringenomenheid tegen haarzelve, om al de

bezwaren te begrijpen, die een verloving zouden hebben bedorven en

een huwelijk verhinderd tusschen Edward en haar, zoo hij overigens al

vrij ware geweest; en zij had welhaast genoeg opgemerkt, om dankbaar

te zijn op zichzelf, dat één gewichtiger beletsel haar vrijwaarde

voor de kwelling der vele andere, welke Mevrouw Ferrars had kunnen

uitdenken; voor eenige afhankelijkheid van hare luimen, of eenige

bezorgheid omtrent hare goede meening. Of althans besloot zij, zoo

ze zich al niet ten volle kon verheugen over het feit, dat Edward

aan Lucy gebonden was, dat zij zich daarover had _moeten_ verheugen,

wanneer Lucy beminnelijker was geweest.

Zij verbaasde zich erover, dat Lucy zoo in de wolken kon zijn over

Mevrouw Ferrars' beleefdheid; dat zij zich zóó kon laten verblinden

door haar eigenbelang en ijdelheid, om de attenties, die haar toch

enkel werden bewezen, omdat zij _niet_ Elinor was, als een hulde

aan haarzelve op te vatten,--en om bemoediging te putten uit een

voorkeur, die haar slechts geschonken werd, zoolang haar werkelijke

verhouding tot hen allen hun onbekend bleef. Dàt Lucy verrukt was,

hadden niet alleen haar blikken verraden op den avond van de partij;

maar zij kwam het den volgenden morgen nog eens persoonlijk verklaren;

toen Lady Middleton haar, op haar uitdrukkelijk verlangen, in Berkeley

Street liet uitstappen, in de hoop, Elinor alleen te vinden, om haar

te kunnen vertellen, hoe gelukkig zij zich gevoelde.

Het toeval bleek haar gunstig gezind; want kort na dat zij gekomen

was, werd Mevrouw Jennings door een boodschap van Mevrouw Palmer

weggeroepen.

"Mijn beste vriendin," riep Lucy, zoodra zij alleen waren: "ik

moest u eens komen vertellen, hoe blijde ik ben. Kon er wel iets

vleiender geweest zijn, dan de manier waarop Mevrouw Ferrars mij

gisteren behandelde? Ze was werkelijk allervriendelijkst! U weet,

hoe ik er tegen opzag, haar te ontmoeten; maar van 't oogenblik af,

dat ik aan haar werd voorgesteld, gedroeg ze zich jegens mij met een

voorkomendheid, die bepaald deed blijken, dat ze bijzonder met mij

was ingenomen. Vondt u dat ook niet? U hebt het zelf alles bijgewoond,

en viel het u ook niet op?"

"Zeker; ze ontving u heel beleefd."

"Beleefd?--Zag u alleen beleefdheid in haar houding? Nu, ik dan

vrij wat méér--een vriendelijkheid, die aan niemand anders dan

mij werd bewezen! Niets trotsch, niets uit de hoogte; en uw zuster

eveneens,--een en al beminnelijkheid en tegemoetkoming!"

Elinor wilde over iets anders gaan spreken; maar Lucy liet niet los,

eer zij had toegegeven, dat er reden bestond voor haar blijdschap,

en Elinor was gedwongen nog iets te zeggen.

"Als zij geweten hadden van uw verloving," zeide zij, "dan zou hun

houding tegenover u ongetwijfeld zéér vleiend zijn geweest; maar nu

dit niet het geval was..."

"Dat dacht ik al, dat u dat zoudt zeggen," antwoordde Lucy snel;

"maar er was niet de minste reden, waarom Mevrouw Ferrars zich met

mij ingenomen zou toonen, als ze dat niet wàs,--en dat ze van mij

houdt is de hoofdzaak. Neen, u zult me mijn voldoening niet kunnen

ontnemen. Ik geloof stellig, dat alles best zal afloopen, en dat er,

vergeleken bij 't geen ik mij had voorgesteld, in 't geheel geen

moeilijkheden zullen zijn. Mevrouw Ferrars is een allerliefste vrouw,

en uw zuster ook. Ze zijn allebei even aardig!--'t verwondert mij, dat

u ons nooit verteld hebt, wat een lieve vrouw Mevrouw Dashwood was!"

Hierop had Elinor niets te antwoorden, en zij deed daar toe ook

geen moeite.

"Is u niet wel, Juffrouw Dashwood?--u lijkt zoo gedrukt, en u zegt

niets,--er scheelt bepaald iets aan."

"O neen, ik voel mij volkomen wèl."

"Daar ben ik blij om; maar u ziet er niet naar uit. Wat zou 't me

spijten, als _u_ ziek werdt--u, die mijn beste en eenige toevlucht

bent geweest! Ik weet waarlijk niet, wat ik zou zijn begonnen zonder

uw vriendschap!"

Elinor trachtte iets beleefds te antwoorden, ofschoon zij vreesde,

dat het haar slecht gelukte. Het scheen Lucy echter te bevredigen,

want zij ging voort: "Ja, ik weet, dat u oprecht voor mij gevoelt, en

na Edward's liefde, is dat mijn grootste troost. Die arme Edward! Maar

nu treft het in een opzicht gelukkig,--we kunnen elkaar nu ontmoeten,

en vrij dikwijls zelfs, want Lady Middleton is verrukt van Mevrouw

Dashwood; dus zullen we, denk ik, wel veel in Harley Street zijn, en

Edward is bijna den heelen dag bij zijn zuster;--bovendien bezoeken

Lady Middleton en Mevrouw Ferrars elkaar nu ook, en Mevrouw Ferrars

en uw zuster waren beiden zoo vriendelijk, meermalen te zeggen, dat

het hun altijd genoegen zou doen, mij te zien. Zulke allerliefste

menschen!--als u ooit aan uw zuster vertelt, hoe ik over haar denk,

dan kunt u niet te veel goeds zeggen."

Elinor verkoos haar echter geen hoop te geven, dat zij dit aan haar

zuster zou overbrengen. Lucy ging voort:

"Ik zou 't stellig onmiddellijk hebben opgemerkt, als Mevrouw Ferrars

iets tegen mij had gehad. Wanneer ze bij voorbeeld, alleen maar

stijfjes voor mij had gebogen zonder een woord te zeggen, en later

in 't geheel geen notitie van mij had genomen, en mij nooit eens

vriendelijk had aangezien,--u weet wel, hoe ik bedoel,--als ik op die

manier op een afstand was gehouden, dan zou ik alles hebben opgegeven

en heel en al wanhopig zijn geweest. Dàt zou ik niet hebben kunnen

verdragen. Want _als_ zij iets tegen iemand heeft, dàn meent zij het,

dat weet ik."

Elinor behoefde deze uiting van beleefde zegepraal niet te

beantwoorden; want de deur werd geopend, de knecht diende den Heer

Ferrars aan, en Edward stapte meteen de kamer in.

Het was een allerpijnlijkst oogenblik; en ieders gelaat gaf dit

duidelijk te kennen. Zij sloegen alle drie een dwaas figuur, en Edward

scheen evenveel lust te hebben het vertrek weer te verlaten, als naar

binnen te gaan. Juist _die_ ontmoeting, in haar onaangenaamsten vorm,

had thans tusschen hen plaats, die ieder van hen het liefst had willen

vermijden; ze waren niet alleen met hun drieën samen maar misten

daarbij de afleiding door ander gezelschap. De dames herstelden

zich het eerst. Het lag niet op Lucy's weg, zich op den voorgrond

te stellen, en het geheim moest zoogenaamd blijven bewaard. Zij kon

haar teedere gezindheid dus slechts door blikken uitdrukken, en na

hem met een enkel woord te hebben begroet, zeide zij niets meer.

Maar Elinor had méér te doen; en zóó gaarne wilde zij dat _goed_

doen, om zijnent- en om harentwil, dat zij zichzelve, na een oogenblik

van krachtige inspanning wist te dwingen hem te verwelkomen met een

blik en een houding, die bijna open, bijna natuurlijk waren; en dit

nog meer werden na een tweede heldhaftige poging. Zij wilde zich,

zoomin door Lucy's tegenwoordigheid als door het bewustzijn van eenig

haar aangedaan onrecht, laten weerhouden, om hem te zeggen, dat zij

blijde was hem te zien, en hoe het haar had gespeten, dat zij uit was,

toen hij reeds eerder een bezoek had gebracht in Berkeley Street. Zij

wilde hem, uit vrees voor Lucy's waakzamen blik, niet die beleefdheid

onthouden, welke zij hem, als vriend en bijna een lid hunner familie,

verschuldigd was, hoewel zij spoedig bespeurde, dat Lucy scherp op

haar lette.

Haar rustige houding gaf Edward iets meer zekerheid; en hij had

thans moed genoeg om te gaan zitten, maar zijn verlegenheid overtrof

die der dames op een wijze, die in zijne omstandigheden, zooal

niet door zijne sekse, verschoonbaar kon worden geacht; want zijn

hart was niet zoo onverschillig als dat van Lucy, en zijn geweten

niet zoo volkomen zuiver als dat van Elinor. Lucy scheen zich, met

een vertoon van zedige bedaardheid, niet geroepen te gevoelen, het

hare te doen om de anderen op hun gemak te zetten, en verkoos geen

woord te zeggen; zoodat bijna alles, wat er gezegd wèrd, uitging van

Elinor, die uit eigen beweging alle inlichtingen verstrekte omtrent

hun moeder's gezondheid, hun reis naar de stad, enz. waarnaar Edward

_niet_ vroeg, zooals hij behoorde te doen. Nog verder ging zij in

haar pogingen; want weldra voelde zij zich zóó heldhaftig gezind,

dat zij besloot, onder het voorwendsel, Marianne te gaan halen,

de beide anderen alleen te laten; 't geen ze ook werkelijk deed, en

dat wel op de meest loyale wijze; want zij bleef, met grootmoedige

dapperheid, een paar minuten heen en weer drentelen op het portaal,

eer zij naar haar zuster ging. Toen dat echter gebeurd was, had Edward

voor liefdesbetuigingen geen tijd meer; want Marianne vloog in haar

blijdschap onmiddellijk naar beneden en den salon binnen. Als al haar

gevoelens, was haar vreugde, hem weer te zien, levendig op zichzelf,

en levendig uitgedrukt. Zij kwam hem te gemoet met uitgestrekte hand,

en in haar stem den klank van zusterlijke genegenheid.

"Beste Edward!" riep ze, "wat ben ik blij je te zien! Dit zou bijna

alles weer goedmaken!"

Edward trachtte haar vriendelijkheid te beantwoorden, zooals zij

verdiende; maar in tegenwoordigheid der anderen durfde hij niet

half zeggen, wat hij werkelijk gevoelde. Zij gingen weer zitten,

en eenige oogenblikken bleven allen zwijgen; terwijl Marianne met

zichtbaar teeder welgevallen van Edward naar Elinor keek, en alleen

maar betreurde, dat hun blijdschap in elkander's bijzijn werd bedorven

door Lucy's onwelkome tegenwoordigheid. Edward was de eerste, die

sprak; hij merkte op, dat Marianne er minder goed uitzag, en gaf zijn

vrees te kennen, dat het verblijf te Londen haar niet goed bekwam.

"O, denk maar niet aan mij!" antwoordde zij, met opgewekten nadruk,

hoewel haar oogen vol tranen stonden, "maak je over _mijn_ gezondheid

niet bezorgd. Elinor maakt het goed, zooals je ziet. Dat moet voor

ons beiden voldoende zijn."

Deze opmerking droeg er niet toe bij, Edward en Elinor kalmer te

stemmen, en nog minder om haar de welwillende gezindheid te verwerven

van Lucy, die Marianne allesbehalve vriendelijk aanzag.

"Bevalt Londen je goed?" vroeg Edward, om toch maar iets te zeggen,

dat een ander onderwerp van gesprek aan de hand kon doen.

"Neen, volstrekt niet. Ik had mij er veel genoegen van voorgesteld;

maar dat heb ik er niet gevonden. Dit weerzien van jou, Edward, is

de eenige blijdschap, die 't mij heeft gebracht; en jij bent gelukkig

nog altijd dezelfde!"

Zij zweeg--en ook de anderen bleven zwijgen. "Mij dunkt, Elinor,"

ging Marianne voort, "we moesten Edward vragen om voor ons te zorgen

als we weer naar Barton teruggaan. Over een paar weken zal dat wel

gebeuren, en ik denk dat Edward er wel niet op tegen zal hebben,

die opdracht te aanvaarden."

De arme Edward prevelde iets, dat niemand verstond, misschien hij zelf

ook niet. Maar Marianne, die zag, dat hij zenuwachtig was, en licht

geneigd was, de oorzaak hiervoor te zoeken in 't geen haar 't best

behaagde, scheen volkomen voldaan en sprak spoedig over iets anders.

"O Edward, wat hebben we gisteren een dag gehad, in Harley Street! Zóó

vervelend; zoo ontzaglijk vervelend! Maar dááromtrent heb ik je veel

te vertellen, dat ik nu niet zeggen kan."

Met zoo bewonderenswaardige omzichtigheid verschoof zij de mededeeling,

dat zij hun wederzijdsche bloedverwanten onaangenamer had gevonden

dan ooit, en in 't bijzonder aan zijn moeder een hekel had, tot later,

wanneer er gelegenheid zou zijn voor een vertrouwelijk gesprek.

"Maar waarom was jij er niet, Edward?--Waarom was je niet gekomen?"

"Ik had iets anders te doen."

"Iets anders?--Maar wat kon dat zijn, terwijl je je beste vrienden

hadt kunnen ontmoeten?"

"U denkt zeker, juffrouw Marianne," riep Lucy, de gelegenheid

aangrijpend om wraak te nemen, "dat jongelui zich nooit bekommeren

om hun verplichtingen, als ze niet van plan zijn, die na te komen,

in 't klein, zoowel als in 't groot."

Elinor was ernstig boos; maar Marianne scheen de hatelijkheid niet

te willen opmerken, want zij antwoordde bedaard:

"Neen, tòch niet; want in ernst, ik ben overtuigd, dat alleen

nauwgezetheid van geweten Edward verhinderde naar Harley Street

te gaan. En ik geloof stellig, dat hij van alle menschen het

allerkwetsbaarste geweten heeft, het meest nauwgezet elke verplichting

nakomt, hoe gering die ook zij, en hoe ook in tegenspraak met zijn

belang of genoegen. Hij is meer bevreesd om anderen verdriet te doen,

om verwachtingen teleur te stellen, minder in staat tot zelfzuchtige

bedoelingen, dan iemand, dien ik ooit heb ontmoet. Het _is_ zoo,

Edward, en ik _wil_ het zeggen. Wat! zou jij je nooit mogen hooren

prijzen? Dan zou je mijn vriend niet kunnen zijn, want zij, wien ik

liefde en achting toedraag, moeten zich ook mijn openhartigen lof

laten welgevallen."

De soort van lof, in dit geval door haar toegekend, paste echter zoo

buitengewoon slecht bij de gevoelens van twee harer toehoorders,

en scheen Edward zoo weinig voldoening te verschaffen, dat hij al

heel spoedig opstond om heen te gaan.

"Ga je nu al?" zei Marianne; "maar beste Edward, dat kan toch niet."

En hem terzijde nemend, fluisterde zij hem toe, dat Lucy stellig

niet lang meer kon blijven. Doch zelfs deze aansporing baatte niet;

hij _moest_ weg, en Lucy, die gewacht zou hebben, al had zijn bezoek

twee uren geduurd, nam spoedig daarna ook afscheid.

"Wat doet ze hier toch zoo dikwijls?" zei Marianne, toen zij was

heengegaan. "Kon ze niet begrijpen, dat we haar graag kwijt waren? Zoo

vervelend voor Edward!"

"Och, waarom?--we zijn allen vrienden van hem; en Lucy heeft hem

't langst gekend. 't Is heel natuurlijk, dat hij haar even graag

ontmoet als ons."

Marianne zag haar ernstig aan en zei: "Je weet, Elinor, dat ik deze

soort van redeneeringen niet kan verdragen. Als je alleen maar hoopt,

tegenspraak uit te lokken, zooals ik wel vermoeden moet, dat het geval

is, dan behoor je toch te bedenken, dat ik de laatste persoon ben, van

wie je die verwachten kunt. Ik wil mij niet verlagen tot die komedie,

mij beweringen te laten afpersen, die volkomen overbodig zijn."

Daarop ging zij de kamer uit, en Elinor durfde haar niet volgen om

de zaak uit te leggen, want gebonden als zij was door haar belofte

van geheimhouding tegenover Lucy, kon zij Marianne niets mededeelen,

dat haar overtuigen kon; en al zouden de gevolgen van Marianne's

onwetendheid in dezen ook nog zoo onaangenaam kunnen zijn, zij

was verplicht ze te dragen. Al wat zij kon hopen, was, dat Edward

niet dikwijls haar en zichzelf zou blootstellen aan de pijnlijke

gewaarwordingen, veroorzaakt door Marianne's misplaatste geestdrift,

of tot eene herhaling van de vele smartelijke gevoelens, die zijn

laatste bezoek had gewekt--en zij had alle reden, dit te verwachten.

Gevoel en verstand · 第 45 / 61 题