Elinor's verlangen om Mevrouw Ferrars te zien was nu voldaan. Het
was haar gebleken dat deze vrouw alle eigenschappen bezat, die
een verderen omgang tusschen beide families niet wenschelijk deden
schijnen. Zij had genoeg gezien van haar trots, haar kleingeestigheid
en haar onverzettelijke vooringenomenheid tegen haarzelve, om al de
bezwaren te begrijpen, die een verloving zouden hebben bedorven en
een huwelijk verhinderd tusschen Edward en haar, zoo hij overigens al
vrij ware geweest; en zij had welhaast genoeg opgemerkt, om dankbaar
te zijn op zichzelf, dat één gewichtiger beletsel haar vrijwaarde
voor de kwelling der vele andere, welke Mevrouw Ferrars had kunnen
uitdenken; voor eenige afhankelijkheid van hare luimen, of eenige
bezorgheid omtrent hare goede meening. Of althans besloot zij, zoo
ze zich al niet ten volle kon verheugen over het feit, dat Edward
aan Lucy gebonden was, dat zij zich daarover had _moeten_ verheugen,
wanneer Lucy beminnelijker was geweest.
Zij verbaasde zich erover, dat Lucy zoo in de wolken kon zijn over
Mevrouw Ferrars' beleefdheid; dat zij zich zóó kon laten verblinden
door haar eigenbelang en ijdelheid, om de attenties, die haar toch
enkel werden bewezen, omdat zij _niet_ Elinor was, als een hulde
aan haarzelve op te vatten,--en om bemoediging te putten uit een
voorkeur, die haar slechts geschonken werd, zoolang haar werkelijke
verhouding tot hen allen hun onbekend bleef. Dàt Lucy verrukt was,
hadden niet alleen haar blikken verraden op den avond van de partij;
maar zij kwam het den volgenden morgen nog eens persoonlijk verklaren;
toen Lady Middleton haar, op haar uitdrukkelijk verlangen, in Berkeley
Street liet uitstappen, in de hoop, Elinor alleen te vinden, om haar
te kunnen vertellen, hoe gelukkig zij zich gevoelde.
Het toeval bleek haar gunstig gezind; want kort na dat zij gekomen
was, werd Mevrouw Jennings door een boodschap van Mevrouw Palmer
weggeroepen.
"Mijn beste vriendin," riep Lucy, zoodra zij alleen waren: "ik
moest u eens komen vertellen, hoe blijde ik ben. Kon er wel iets
vleiender geweest zijn, dan de manier waarop Mevrouw Ferrars mij
gisteren behandelde? Ze was werkelijk allervriendelijkst! U weet,
hoe ik er tegen opzag, haar te ontmoeten; maar van 't oogenblik af,
dat ik aan haar werd voorgesteld, gedroeg ze zich jegens mij met een
voorkomendheid, die bepaald deed blijken, dat ze bijzonder met mij
was ingenomen. Vondt u dat ook niet? U hebt het zelf alles bijgewoond,
en viel het u ook niet op?"
"Zeker; ze ontving u heel beleefd."
"Beleefd?--Zag u alleen beleefdheid in haar houding? Nu, ik dan
vrij wat méér--een vriendelijkheid, die aan niemand anders dan
mij werd bewezen! Niets trotsch, niets uit de hoogte; en uw zuster
eveneens,--een en al beminnelijkheid en tegemoetkoming!"
Elinor wilde over iets anders gaan spreken; maar Lucy liet niet los,
eer zij had toegegeven, dat er reden bestond voor haar blijdschap,
en Elinor was gedwongen nog iets te zeggen.
"Als zij geweten hadden van uw verloving," zeide zij, "dan zou hun
houding tegenover u ongetwijfeld zéér vleiend zijn geweest; maar nu
dit niet het geval was..."
"Dat dacht ik al, dat u dat zoudt zeggen," antwoordde Lucy snel;
"maar er was niet de minste reden, waarom Mevrouw Ferrars zich met
mij ingenomen zou toonen, als ze dat niet wàs,--en dat ze van mij
houdt is de hoofdzaak. Neen, u zult me mijn voldoening niet kunnen
ontnemen. Ik geloof stellig, dat alles best zal afloopen, en dat er,
vergeleken bij 't geen ik mij had voorgesteld, in 't geheel geen
moeilijkheden zullen zijn. Mevrouw Ferrars is een allerliefste vrouw,
en uw zuster ook. Ze zijn allebei even aardig!--'t verwondert mij, dat
u ons nooit verteld hebt, wat een lieve vrouw Mevrouw Dashwood was!"
Hierop had Elinor niets te antwoorden, en zij deed daar toe ook
geen moeite.
"Is u niet wel, Juffrouw Dashwood?--u lijkt zoo gedrukt, en u zegt
niets,--er scheelt bepaald iets aan."
"O neen, ik voel mij volkomen wèl."
"Daar ben ik blij om; maar u ziet er niet naar uit. Wat zou 't me
spijten, als _u_ ziek werdt--u, die mijn beste en eenige toevlucht
bent geweest! Ik weet waarlijk niet, wat ik zou zijn begonnen zonder
uw vriendschap!"
Elinor trachtte iets beleefds te antwoorden, ofschoon zij vreesde,
dat het haar slecht gelukte. Het scheen Lucy echter te bevredigen,
want zij ging voort: "Ja, ik weet, dat u oprecht voor mij gevoelt, en
na Edward's liefde, is dat mijn grootste troost. Die arme Edward! Maar
nu treft het in een opzicht gelukkig,--we kunnen elkaar nu ontmoeten,
en vrij dikwijls zelfs, want Lady Middleton is verrukt van Mevrouw
Dashwood; dus zullen we, denk ik, wel veel in Harley Street zijn, en
Edward is bijna den heelen dag bij zijn zuster;--bovendien bezoeken
Lady Middleton en Mevrouw Ferrars elkaar nu ook, en Mevrouw Ferrars
en uw zuster waren beiden zoo vriendelijk, meermalen te zeggen, dat
het hun altijd genoegen zou doen, mij te zien. Zulke allerliefste
menschen!--als u ooit aan uw zuster vertelt, hoe ik over haar denk,
dan kunt u niet te veel goeds zeggen."
Elinor verkoos haar echter geen hoop te geven, dat zij dit aan haar
zuster zou overbrengen. Lucy ging voort:
"Ik zou 't stellig onmiddellijk hebben opgemerkt, als Mevrouw Ferrars
iets tegen mij had gehad. Wanneer ze bij voorbeeld, alleen maar
stijfjes voor mij had gebogen zonder een woord te zeggen, en later
in 't geheel geen notitie van mij had genomen, en mij nooit eens
vriendelijk had aangezien,--u weet wel, hoe ik bedoel,--als ik op die
manier op een afstand was gehouden, dan zou ik alles hebben opgegeven
en heel en al wanhopig zijn geweest. Dàt zou ik niet hebben kunnen
verdragen. Want _als_ zij iets tegen iemand heeft, dàn meent zij het,
dat weet ik."
Elinor behoefde deze uiting van beleefde zegepraal niet te
beantwoorden; want de deur werd geopend, de knecht diende den Heer
Ferrars aan, en Edward stapte meteen de kamer in.
Het was een allerpijnlijkst oogenblik; en ieders gelaat gaf dit
duidelijk te kennen. Zij sloegen alle drie een dwaas figuur, en Edward
scheen evenveel lust te hebben het vertrek weer te verlaten, als naar
binnen te gaan. Juist _die_ ontmoeting, in haar onaangenaamsten vorm,
had thans tusschen hen plaats, die ieder van hen het liefst had willen
vermijden; ze waren niet alleen met hun drieën samen maar misten
daarbij de afleiding door ander gezelschap. De dames herstelden
zich het eerst. Het lag niet op Lucy's weg, zich op den voorgrond
te stellen, en het geheim moest zoogenaamd blijven bewaard. Zij kon
haar teedere gezindheid dus slechts door blikken uitdrukken, en na
hem met een enkel woord te hebben begroet, zeide zij niets meer.
Maar Elinor had méér te doen; en zóó gaarne wilde zij dat _goed_
doen, om zijnent- en om harentwil, dat zij zichzelve, na een oogenblik
van krachtige inspanning wist te dwingen hem te verwelkomen met een
blik en een houding, die bijna open, bijna natuurlijk waren; en dit
nog meer werden na een tweede heldhaftige poging. Zij wilde zich,
zoomin door Lucy's tegenwoordigheid als door het bewustzijn van eenig
haar aangedaan onrecht, laten weerhouden, om hem te zeggen, dat zij
blijde was hem te zien, en hoe het haar had gespeten, dat zij uit was,
toen hij reeds eerder een bezoek had gebracht in Berkeley Street. Zij
wilde hem, uit vrees voor Lucy's waakzamen blik, niet die beleefdheid
onthouden, welke zij hem, als vriend en bijna een lid hunner familie,
verschuldigd was, hoewel zij spoedig bespeurde, dat Lucy scherp op
haar lette.
Haar rustige houding gaf Edward iets meer zekerheid; en hij had
thans moed genoeg om te gaan zitten, maar zijn verlegenheid overtrof
die der dames op een wijze, die in zijne omstandigheden, zooal
niet door zijne sekse, verschoonbaar kon worden geacht; want zijn
hart was niet zoo onverschillig als dat van Lucy, en zijn geweten
niet zoo volkomen zuiver als dat van Elinor. Lucy scheen zich, met
een vertoon van zedige bedaardheid, niet geroepen te gevoelen, het
hare te doen om de anderen op hun gemak te zetten, en verkoos geen
woord te zeggen; zoodat bijna alles, wat er gezegd wèrd, uitging van
Elinor, die uit eigen beweging alle inlichtingen verstrekte omtrent
hun moeder's gezondheid, hun reis naar de stad, enz. waarnaar Edward
_niet_ vroeg, zooals hij behoorde te doen. Nog verder ging zij in
haar pogingen; want weldra voelde zij zich zóó heldhaftig gezind,
dat zij besloot, onder het voorwendsel, Marianne te gaan halen,
de beide anderen alleen te laten; 't geen ze ook werkelijk deed, en
dat wel op de meest loyale wijze; want zij bleef, met grootmoedige
dapperheid, een paar minuten heen en weer drentelen op het portaal,
eer zij naar haar zuster ging. Toen dat echter gebeurd was, had Edward
voor liefdesbetuigingen geen tijd meer; want Marianne vloog in haar
blijdschap onmiddellijk naar beneden en den salon binnen. Als al haar
gevoelens, was haar vreugde, hem weer te zien, levendig op zichzelf,
en levendig uitgedrukt. Zij kwam hem te gemoet met uitgestrekte hand,
en in haar stem den klank van zusterlijke genegenheid.
"Beste Edward!" riep ze, "wat ben ik blij je te zien! Dit zou bijna
alles weer goedmaken!"
Edward trachtte haar vriendelijkheid te beantwoorden, zooals zij
verdiende; maar in tegenwoordigheid der anderen durfde hij niet
half zeggen, wat hij werkelijk gevoelde. Zij gingen weer zitten,
en eenige oogenblikken bleven allen zwijgen; terwijl Marianne met
zichtbaar teeder welgevallen van Edward naar Elinor keek, en alleen
maar betreurde, dat hun blijdschap in elkander's bijzijn werd bedorven
door Lucy's onwelkome tegenwoordigheid. Edward was de eerste, die
sprak; hij merkte op, dat Marianne er minder goed uitzag, en gaf zijn
vrees te kennen, dat het verblijf te Londen haar niet goed bekwam.
"O, denk maar niet aan mij!" antwoordde zij, met opgewekten nadruk,
hoewel haar oogen vol tranen stonden, "maak je over _mijn_ gezondheid
niet bezorgd. Elinor maakt het goed, zooals je ziet. Dat moet voor
ons beiden voldoende zijn."
Deze opmerking droeg er niet toe bij, Edward en Elinor kalmer te
stemmen, en nog minder om haar de welwillende gezindheid te verwerven
van Lucy, die Marianne allesbehalve vriendelijk aanzag.
"Bevalt Londen je goed?" vroeg Edward, om toch maar iets te zeggen,
dat een ander onderwerp van gesprek aan de hand kon doen.
"Neen, volstrekt niet. Ik had mij er veel genoegen van voorgesteld;
maar dat heb ik er niet gevonden. Dit weerzien van jou, Edward, is
de eenige blijdschap, die 't mij heeft gebracht; en jij bent gelukkig
nog altijd dezelfde!"
Zij zweeg--en ook de anderen bleven zwijgen. "Mij dunkt, Elinor,"
ging Marianne voort, "we moesten Edward vragen om voor ons te zorgen
als we weer naar Barton teruggaan. Over een paar weken zal dat wel
gebeuren, en ik denk dat Edward er wel niet op tegen zal hebben,
die opdracht te aanvaarden."
De arme Edward prevelde iets, dat niemand verstond, misschien hij zelf
ook niet. Maar Marianne, die zag, dat hij zenuwachtig was, en licht
geneigd was, de oorzaak hiervoor te zoeken in 't geen haar 't best
behaagde, scheen volkomen voldaan en sprak spoedig over iets anders.
"O Edward, wat hebben we gisteren een dag gehad, in Harley Street! Zóó
vervelend; zoo ontzaglijk vervelend! Maar dááromtrent heb ik je veel
te vertellen, dat ik nu niet zeggen kan."
Met zoo bewonderenswaardige omzichtigheid verschoof zij de mededeeling,
dat zij hun wederzijdsche bloedverwanten onaangenamer had gevonden
dan ooit, en in 't bijzonder aan zijn moeder een hekel had, tot later,
wanneer er gelegenheid zou zijn voor een vertrouwelijk gesprek.
"Maar waarom was jij er niet, Edward?--Waarom was je niet gekomen?"
"Ik had iets anders te doen."
"Iets anders?--Maar wat kon dat zijn, terwijl je je beste vrienden
hadt kunnen ontmoeten?"
"U denkt zeker, juffrouw Marianne," riep Lucy, de gelegenheid
aangrijpend om wraak te nemen, "dat jongelui zich nooit bekommeren
om hun verplichtingen, als ze niet van plan zijn, die na te komen,
in 't klein, zoowel als in 't groot."
Elinor was ernstig boos; maar Marianne scheen de hatelijkheid niet
te willen opmerken, want zij antwoordde bedaard:
"Neen, tòch niet; want in ernst, ik ben overtuigd, dat alleen
nauwgezetheid van geweten Edward verhinderde naar Harley Street
te gaan. En ik geloof stellig, dat hij van alle menschen het
allerkwetsbaarste geweten heeft, het meest nauwgezet elke verplichting
nakomt, hoe gering die ook zij, en hoe ook in tegenspraak met zijn
belang of genoegen. Hij is meer bevreesd om anderen verdriet te doen,
om verwachtingen teleur te stellen, minder in staat tot zelfzuchtige
bedoelingen, dan iemand, dien ik ooit heb ontmoet. Het _is_ zoo,
Edward, en ik _wil_ het zeggen. Wat! zou jij je nooit mogen hooren
prijzen? Dan zou je mijn vriend niet kunnen zijn, want zij, wien ik
liefde en achting toedraag, moeten zich ook mijn openhartigen lof
laten welgevallen."
De soort van lof, in dit geval door haar toegekend, paste echter zoo
buitengewoon slecht bij de gevoelens van twee harer toehoorders,
en scheen Edward zoo weinig voldoening te verschaffen, dat hij al
heel spoedig opstond om heen te gaan.
"Ga je nu al?" zei Marianne; "maar beste Edward, dat kan toch niet."
En hem terzijde nemend, fluisterde zij hem toe, dat Lucy stellig
niet lang meer kon blijven. Doch zelfs deze aansporing baatte niet;
hij _moest_ weg, en Lucy, die gewacht zou hebben, al had zijn bezoek
twee uren geduurd, nam spoedig daarna ook afscheid.
"Wat doet ze hier toch zoo dikwijls?" zei Marianne, toen zij was
heengegaan. "Kon ze niet begrijpen, dat we haar graag kwijt waren? Zoo
vervelend voor Edward!"
"Och, waarom?--we zijn allen vrienden van hem; en Lucy heeft hem
't langst gekend. 't Is heel natuurlijk, dat hij haar even graag
ontmoet als ons."
Marianne zag haar ernstig aan en zei: "Je weet, Elinor, dat ik deze
soort van redeneeringen niet kan verdragen. Als je alleen maar hoopt,
tegenspraak uit te lokken, zooals ik wel vermoeden moet, dat het geval
is, dan behoor je toch te bedenken, dat ik de laatste persoon ben, van
wie je die verwachten kunt. Ik wil mij niet verlagen tot die komedie,
mij beweringen te laten afpersen, die volkomen overbodig zijn."
Daarop ging zij de kamer uit, en Elinor durfde haar niet volgen om
de zaak uit te leggen, want gebonden als zij was door haar belofte
van geheimhouding tegenover Lucy, kon zij Marianne niets mededeelen,
dat haar overtuigen kon; en al zouden de gevolgen van Marianne's
onwetendheid in dezen ook nog zoo onaangenaam kunnen zijn, zij
was verplicht ze te dragen. Al wat zij kon hopen, was, dat Edward
niet dikwijls haar en zichzelf zou blootstellen aan de pijnlijke
gewaarwordingen, veroorzaakt door Marianne's misplaatste geestdrift,
of tot eene herhaling van de vele smartelijke gevoelens, die zijn
laatste bezoek had gewekt--en zij had alle reden, dit te verwachten.