HOOFDSTUK XXXIV

Mevrouw John Dashwood had zooveel vertrouwen in haar man's oordeel,

dat zij den volgenden dag zoowel Mevrouw Jennings als haar dochter

een bezoek ging brengen; en zij zag dat vertrouwen beloond door de

ontdekking, dat zelfs de eerste, dat mensch, bij wie hare zusters

logeerden, haar omgang niet onwaardig scheen, terwijl zij Lady

Middleton een van de liefste vrouwen vond, die zij ooit had ontmoet!

Lady Middleton was precies even ingenomen met Mevrouw Dashwood. Van

weerskanten was hier een soort koele zelfzucht, die beiden zich tot

elkaar aangetrokken deed gevoelen, en zij stemden volkomen overeen

in de geestelooze vormelijkheid van hun gedrag, en een totaal gemis

van begrijpend inzicht. Dezelfde houding echter, die Mevrouw John

Dashwood de goede meening van Lady Middleton deed verwerven, beviel

Mevrouw Jennings in 't geheel niet; _zij_ kreeg alleen den indruk van

een nuffig vrouwtje met stijve manieren, dat haar schoonzusters zonder

een spoor van hartelijkheid begroette en hun niets te vertellen had;

want van het kwartiertje, dat zij in Berkeley Street bleef, zat zij

stellig zeven minuten zonder een woord te zeggen.

Elinor had heel graag willen weten, ofschoon zij er niet naar verkoos

te vragen, of Edward al in de stad was; maar niets zou Fanny hebben

kunnen bewegen vrijwillig zijn naam in haar bijzijn te noemen, eer zij

haar kon vertellen, dat zijn huwelijk met Juffrouw Morton vaststond,

of totdat haar man's verwachtingen omtrent Kolonel Brandon waren

vervuld; want zij verdacht hen ervan nog steeds zooveel van elkander

te houden, dat zij bij alle gelegenheden niet ijverig genoeg konden

worden gescheiden gehouden, door woord en door daad. De inlichting

echter, die _zij_ niet verkoos te verstrekken, gewerd Elinor al

spoedig uit een andere bron. Lucy kwam haar medelijden inroepen,

omdat zij Edward niet kon ontmoeten, hoewel hij tegelijk met den Heer

en Mevrouw Dashwood in de stad gekomen was. Hij durfde uit vrees voor

ontdekking niet naar Bartlett's Buildings gaan, en hoewel zij beiden

onuitsprekelijk verlangden elkaar te zien, was schrijven het eenige

dat hun voorloopig overbleef.

Zeer spoedig verschafte Edward zelf hun de zekerheid dat hij

in de stad was, door tweemaal een bezoek te brengen in Berkeley

Street. Tweemaal vonden zij zijn kaartje, toen zij van hun morgenritje

terugkwamen. Elinor was blijde dat hij er geweest was, en nog

blijder, dat zij hem niet had behoeven te zien. De Dashwoods waren

zoo uitermate ingenomen met de Middletons, dat zij, die overigens

aan geven niet gewend waren, nu toch eens besloten een diner te

geven te hunner eere, en zij vroegen hen dus al spoedig te dineeren

in Harley Street, waar zij voor drie maanden een zeer geschikt huis

hadden gehuurd. Hun zusters en Mevrouw Jennings werden ook gevraagd,

en John Dashwood zorgde ervoor dat Kolonel Brandon eveneens van de

partij zou zijn. De laatste, die gaarne overal kwam, waar hij de dames

Dashwood kon ontmoeten, beantwoordde zijne overstelpende beleefdheid

met eenige verwondering, maar met veel meer genoegen. Zij zouden

dan nu Mevrouw Ferrars leeren kennen; maar Elinor kon niet gewaar

worden of haar beide zoons ook waren gevraagd. De verwachting echter,

háár te zullen zien, was voldoende om haar belangstelling te wekken;

want al kon zij nu Edward's moeder ontmoeten zonder het gevoel van

angst, dat vroeger met die voorstelling had moeten gepaard gaan; al

bleef het haar thans volkomen onverschillig, welken indruk zij op de

oude dame zou maken; haar wensch om in Mevrouw Ferrars' gezelschap

te zijn, haar nieuwsgierigheid om te weten hoe zij nu eigenlijk was,

bleven even sterk als voorheen.

De spanning, waarmede zij de partij tegemoet zag, werd spoedig daarna

nog verhoogd op een wijze, niet zoozeer aangenaam als wel prikkelend,

door het bericht dat de dames Steele eveneens waren uitgenoodigd.

Zoo goed stonden zij bij Lady Middleton aangeschreven; zoozeer

hadden zij zich door hun vleierij in haar gunst weten te dringen,

dat zij, hoewel Lucy _niet_ gedistingeerd, en haar zuster zelfs niet

recht vertoonbaar was, evenzeer bereid bleek als Sir John om hen

een paar weken in Conduit Street te logeeren te vragen; en het trof

toevallig de dames Steele als zéér geschikt, zoodra zij hoorden van

de uitnoodiging der Dashwoods, hun bezoek aan te kondigen een paar

dagen vóór de bewuste partij.

Hun aanspraak op de beleefdheid van Mevrouw John Dashwood, als de

nichten van den heer, die jaren geleden met de opvoeding van haar

broer belast was, zou hun overigens allicht geen plaatsje aan haar

disch hebben kunnen verschaffen; doch als de gasten van Lady Middleton

moesten zij haar welkom zijn, en Lucy, die al zoo lang gewenscht had,

de familie persoonlijk te leeren kennen, van naderbij hun karakters te

beschouwen in verband met haar eigen moeilijkheden, en gelegenheid te

vinden tot een poging om hun gunst te winnen, was zelden in haar leven

zóó gelukkig geweest, als bij het ontvangen van Mevrouw John Dashwood's

invitatiekaart. Elinor ging het juist andersom. Zij begon dadelijk te

bedenken, dat Edward, die bij zijn moeder gelogeerd was, mèt haar zou

worden geïnviteerd op een partij, gegeven door zijn zuster, en hem voor

de eerste maal te ontmoeten, na al wat er gebeurd was, in gezelschap

van Lucy!--Zij begreep bijna niet, hoe zij dàt zou verdragen!

Misschien was die vrees wel niet volkomen redelijk, en in elk geval

bleek zij geheel ongegrond. Zij werd echter verdreven, niet zoozeer

door haar eigen rustig nadenken, als door de minzaamheid van Lucy,

die meende, dat zij Elinor bitter teleurstelde, toen zij haar kwam

vertellen, dat Edward Dinsdag in géén geval zou kunnen komen; en zelfs

hoopte haar nog dieper te grieven, door het zoo voor te stellen,

alsof hij zich gedrongen zag, weg te blijven met het oog op zijn

vurige genegenheid, die hij niet zou kunnen verbergen, wanneer zij

samen in gezelschap waren.

De gewichtige Dinsdag brak aan, waarop beide jonge dames zouden worden

voorgesteld aan de geduchte schoonmoeder _in spe_.

"Beklaag mij toch, mijn beste Juffrouw Dashwood!" zei Lucy, terwijl

ze samen de trap opgingen,--want de Middletons kwamen bijna tegelijk

met Mevrouw Jennings, en zij volgden met elkander den bediende naar

den salon.--"Niemand dan u kan hier met mij meegevoelen. Ik kan haast

niet op mijn beenen staan. Ontzettend!--Over een minuut zal ik háár

zien, van wie al mijn geluk afhankelijk is,--háár, die mijn moeder

zal worden!"...

Elinor had haar oogenblikkelijk verlichting kunnen verschaffen,

door de mogelijkheid op te werpen, dat het veeleer de moeder van

Juffrouw Morton, dan de hare zou zijn, die zij op het punt waren te

aanschouwen; maar inplaats van dat te doen, verzekerde zij haar,

volkomen oprecht, dat zij haar inderdaad beklaagde,--tot groote

verbazing van Lucy, die, hoewel zelve alles behalve op haar gemak,

toch hoopte, door Elinor te worden beschouwd met niet te onderdrukken

afgunst. Mevrouw Ferrars was een kleine magere vrouw; met een stijfheid

in haar houding, die aan strakheid, en een ernst in haar uitdrukking,

die aan bitsheid grensde. Haar tint was vaal, en hare trekken waren,

hoewel niet grof, zonder schoonheid, en van nature onbewogen, doch een

gelukkig toeval had gewild, dat de strenge frons van haar voorhoofd

haar gelaat vrijwaarde voor de blaam van volkomen onbeduidendheid,

door het krachtig te stempelen met het merk van boosaardigheid en

trots. Zij was niet zeer spraakzaam; daar zij, anders dan de meeste

menschen, haar woorden in verhouding placht te brengen tot het aantal

harer denkbeelden, en van de paar korte zinnetjes, die zij zich

liet ontvallen, was er geen enkele gericht tot Juffrouw Dashwood,

die zij opnam met het vastgewortelde voornemen, haar in elk geval

niet aantrekkelijk te vinden.

_Nu_ kon dit gedrag Elinor geen verdriet doen. Een paar maanden

geleden zou het haar diep hebben gegriefd; doch het stond thans

niet in Mevrouw Ferrars' macht, haar ermede te hinderen; en het

verschil met haar houding tegenover de dames Steele--een verschil,

dat blijkbaar moest dienen om háár te meer te vernederen,--vermaakte

haar zelfs een weinig. Zij kon niet nalaten te glimlachen bij het

zien van de beminnelijkheid, door moeder en dochter ten toon gespreid

tegenover iemand,--want Lucy werd met bijzondere onderscheiding

behandeld,--die zij, wanneer ze evengoed op de hoogte waren geweest

als zijzelve, liever zouden hebben willen vernielen; terwijl zij, die

betrekkelijk machteloos was tegenover hen, erbij zat, en opzettelijk

door beiden werd veronachtzaamd. Maar terwijl zij glimlachte over

die vriendelijkheid aan het verkeerde adres, kon zij niet nalaten,

denkend aan de dwaze kleingeestigheid, waaruit deze voortsproot,

en lettend op den pijnlijken ijver, waarmede de dames Steele zich

bevlijtigden om in de gunst te blijven, hen alle vier uit den grond

van haar hart te verachten.

Lucy was in één verrukking over de onderscheiding, die haar te

beurt viel; en haar zuster was overal in de wolken, waar ze maar

met Dr. Davies werd geplaagd. Het diner was deftig, de bedienden

talrijk, en alles verried Mevrouw's neiging tot vertooning maken, en

Mijnheer's bereidwilligheid om aan die neiging te voldoen. Ondanks

de verbetering en vergrooting van Norland en ten spijt van het

dreigend gevaar, dat de eigenaar van het goed had geloopen, een

paar duizend pond kwijt te raken door te verkoopen met verlies,

vertoonde zich nergens een spoor van de behoeftigheid, die hij had

gepoogd, als het gevolg hiervan voor te stellen; armoede viel hier

geenszins te bespeuren, tenzij in het gehalte van het gesprek, dat

dan ook bedenkelijk te wenschen overliet. John Dashwood had nooit

veel te vertellen, dat de moeite van het aanhooren waard was, en

zijn vrouw nog minder. Hierdoor echter kon hen in 't bijzonder geen

blaam treffen, want in het zelfde geval verkeerden de meesten hunner

gasten, die bijna allen den druk ondervonden van de eene of andere der

voornaamste beletselen om zich aangenaam te maken,--gemis van verstand,

't zij natuurlijk of verhelderd door ontwikkeling, gemis van gratie,

gemis van vroolijkheid, en gemis van geest.

Toen de dames na het diner naar den salon terugkeerden, bleek die

armoede duidelijker dan te voren; want de heeren hàdden dan toch

eenige afwisseling gebracht in het gesprek,--in zooverre het liep over

politiek, land-ontginning en paardrijden,--maar daarmee was het nu

uit, en slechts één onderwerp hield de dames bezig, tot de koffie werd

gepresenteerd, nl. het verschil in lengte tusschen Harry Dashwood, en

Lady Middleton's tweede zoontje William, die ongeveer even oud waren.

Waren beide kinderen in de kamer geweest, dan zou de vraag tè

gemakkelijk zijn beslist, door ze eenvoudig te meten; doch daar Harry

alleen tegenwoordig was, bleef het van beide zijden bij gissingen,

terwijl ieder het recht had op zijn stuk te blijven staan, en zijne

meening tot in het oneindige te herhalen.

De partijen waren verdeeld in dezer voege:

De beide moeders, hoewel ieder voor zich overtuigd, dat haar eigen

jongen de grootste was, gaven uit beleefdheid de eer aan den ander.

De beide grootmoeders, niet minder partijdig, doch meer oprecht,

namen het even ernstig op voor hun eigen nakomelingen.

Lucy, die bijna niet wist, wie van de beide mama's het liefste te

behagen, vond beide jongens buitengewoon groot voor hun leeftijd,

en kon maar niet begrijpen dat er een zweem verschil tusschen hen

bestond, en Juffrouw Steele wist zich nog handiger te redden, door

in een adem den een, zoowel als den ander den grootste te noemen.

Elinor, die eenmaal de meening had uitgesproken, dat zij William voor

grooter hield, waardoor ze Mevrouw Ferrars beleedigde, en Fanny nog

erger, vond het niet noodig, verder vol te houden, en toen Marianne

naar de hare werd gevraagd, maakte zij hen allen met elkaar boos,

door te zeggen, dat zij er geene meening op nahield in dezen, omdat

zij nooit veel op de kinderen had gelet. Eer zij Norland verliet, had

Elinor voor haar schoonzuster een paar mooie schermpjes geschilderd,

die thans waren omlijst en als versiering dienden van den salon te

Londen; en toen John Dashwood ze in het oog kreeg, nadat hij met de

andere heeren weer binnen was gekomen, overhandigde hij ze beleefd

aan Kolonel Brandon, om ze door hem te laten bewonderen.

"Die heeft mijn oudste zuster geschilderd," zei hij, "ik denk dat u,

als man van smaak, ze wel mooi zult vinden. Ik weet niet, of u al meer

van haar tekeningen hebt gezien; maar over 't algemeen beschouwt men

haar als zeer talentvol."

De Kolonel zeide, dat men hem volstrekt niet als een kenner moest

beschouwen; doch bewonderde de schermpjes, zooals hij alles zou

bewonderd hebben, wat door Juffrouw Dashwood was geschilderd; en daar

de anderen nu natuurlijk nieuwsgierig werden, gingen zij van hand

tot hand. Mevrouw Ferrars, die niet wist dat ze Elinor's werk waren,

bood ze zelve ter beschouwing aan, en nadat ze het vleiend getuigenis

van Lady Middleton's goedkeuring hadden mogen verwerven, gaf Fanny ze

nogmaals aan haar moeder, met de mededeeling, dat Juffrouw Dashwood

ze geschilderd had.

"O zoo..." zei Mevrouw Ferrars,--"heel aardig," en gaf ze aan haar

dochter terug, zonder er zelfs naar te kijken.

Misschien dacht Fanny even, dat haar moeder nu toch wat àl te onbeleefd

werd,--want zij kreeg een kleur en zei: "Allerliefst, vindt u niet,

mama?" Doch waarschijnlijk overviel haar nu weer de angst, dat zij

zelve al te beleefd en voorkomend was geweest, want zij voegde erbij:

"Vindt u niet, dat er iets in is van Juffrouw Morton's manier van

schilderen? _Zij_ schildert prachtig. Wat is dat laatste landschap

van haar mooi!"

"Ja, bijzonder. Maar _zij_ doet àlles goed."

Dit kon Marianne niet verdragen. Zij had al een geduchten hekel aan

Mevrouw Ferrars, en die onnoodige lof, een ander toegezwaaid, ten koste

van Elinor, lokte haar uit, hoewel zij volstrekt niet kon gissen, wat

er eigenlijk hoofdzakelijk mee bedoeld werd, om haastig en geërgerd

te zeggen: "Een eigenaardige manier om de dingen te bewonderen! Wat

kan ons die Juffrouw Morton nu schelen? Háár kennen we niet, _wij_

hebben het nu over Elinor!"

Met die woorden nam ze haar schoonzuster de schermpjes af, om ze

zelve te bewonderen, zooals ze verdienden bewonderd te worden.

Mevrouw Ferrars keek geducht boos, richtte zich nog stijver op, en zei

met vernietigende bitsheid: "Juffrouw Morton is Lord Morton's dochter."

Fanny keek ook verontwaardigd, en haar man was doodelijk verschrikt

door zijn zuster's vrijmoedigheid. Elinor trok zich Marianne's

heftigen uitval veel meer aan, dan 't geen er aanleiding toe had

gegeven; doch Kolonel Brandon's blik die op Marianne bleef rusten,

verried, hoe hij er alleen in had gezien, wat er beminnelijks in was,

de warme genegenheid, die niet kon verdragen, een zuster ook maar in

het minst verongelijkt te zien.

Marianne's gevoel sleepte haar nog verder mede. De beleedigende

koelheid van Mevrouw Ferrars' houding tegenover haar zuster deed haar

voor Elinor moeilijkheden en verdrietelijkheden voorzien, waarvoor

haar eigen diepgewond gemoed wel angstig moest terugdeinzen, en in

een opwelling van innig meegevoel, ging zij een oogenblik later naar

haar zuster en zei zacht en snel, terwijl zij haar arm om Elinor's

hals sloeg, met de wang tegen de hare: "Lieve beste Elinor, trek het

je maar niet aan. Laten ze _jou_ niet ongelukkig maken."

Meer kon zij niet zeggen; zij was te zeer aangedaan; en haar gelaat

tegen Elinor's schouder verbergend, barstte zij in tranen uit. Aller

aandacht was op haar gevestigd, en bijna allen hadden medelijden met

haar. Kolonel Brandon stond op en ging naar hen toe, zonder te weten

wat hij deed. Mevrouw Jennings reikte dadelijk met een hartelijk

begrijpend "Och, dat arme kind!" haar reukfleschje, en Sir John

was zoo woedend op de persoon die aanleiding had gegeven tot deze

zenuwaandoening dat hij dadelijk naast Lucy Steele kwam zitten en

haar fluisterend van de geheele treurige toedracht der zaak op de

hoogte bracht.

Na een paar minuten had Marianne zich echter voldoende hersteld,

om een einde te maken aan de drukte en weer te gaan zitten, hoewel

zij den geheelen verderen avond onder den indruk bleef van hetgeen

was voorgevallen.

"Die arme Marianne!" zei haar broer zachtjes tegen Kolonel Brandon,

zoodra het hem gelukte, diens aandacht te trekken, "ze is lang niet

zoo gezond als haar zuster,--erg zenuwachtig,--ze is veel zwakker van

gestel dan Elinor; en men moet toegeven, dat het ook wel hard is voor

een jong meisje, dat vroeger héél mooi is geweest, haar schoonheid

te verliezen. U zoudt het misschien niet gelooven; maar een paar

maanden geleden nog wàs Marianne bijzonder mooi--bepaald even knap

als Elinor. En nu, zooals u ziet, is daar niets meer van over."

Gevoel en verstand · 第 44 / 61 题