HOOFDSTUK XXXIII

Na eenig tegenstribbelen gaf Marianne gehoor aan haar zuster's

dringend verzoek, en stemde op zekeren morgen erin toe, een half

uurtje met haar en Mevrouw Jennings uit te gaan. Zij stelde echter

de voorwaarde, dat zij geen bezoeken zou behoeven te maken, en wilde

alleen meegaan naar den winkel van Gray in Sackville Street, waar

Elinor het een en ander had te bespreken in verband met den ruil van

enkele ouderwetsche kostbaarheden van hare moeder. Toen zij voor de

deur van den juwelier stilhielden, herinnerde Mevrouw Jennings zich,

dat aan het andere einde van de straat eene dame woonde, die zij

volstrekt moest bezoeken, en daar zij bij Gray niets te doen had,

werd afgesproken dat zij haar visite zou maken, terwijl hare logées

hun zaken afdeden, om hen later weer af te halen.

Toen de dames Dashwood boven kwamen, bemerkten zij, dat reeds

verscheiden personen hen waren vóór geweest, en geen der bedienden

hun op het oogenblik kon te woord staan; zij waren dus wel genoodzaakt

te wachten. Al wat zij konden doen, was, aan den hoek te gaan zitten

van de toonbank, waar zij het eerst kans hadden, aan de beurt te

zullen komen; hier stond slechts één heer, en waarschijnlijk hoopte

Elinor, dat hij uit beleefdheid een weinig haast zou maken. Maar de

nauwlettendheid van zijn scherpen blik, en de keurigheid van zijn

smaak schenen het van zijn beleefdheid te winnen. Hij bestelde een

tandenstoker-étui, voor eigen gebruik, en eer hij tot een beslissing

was gekomen omtrent de grootte, het model en de versiering van het

voorwerp,--die tenslotte, nadat hij alle tandenstoker-étuis in den

winkel had bekeken en bepraat, bleven overgelaten aan zijn eigen

vindingrijke fantasie,--had hij geen gelegenheid, zich tegenover

de dames op andere wijze verdienstelijk te maken, dan door hen

drie of viermaal zéér onbescheiden op te nemen; eene attentie, die

Elinor voorgoed de herinnering deed behouden aan een persoon en een

gezicht, uitmuntend door de meest treffende, aangeboren en kernachtige

onbeduidendheid; hoewel het jongemensch naar de allerlaatste mode

was uitgedost.

Marianne bleven de onaangename gevoelens van minachting en ergernis

bespaard, gewekt door dat brutale opnemen van hun gezichten, en door

het ingebeelde air, waarmee hij de verschillende onvolmaaktheden

der verschillende tandenstoker-étuis critiseerde, die hem werden

voorgelegd; daar zij van dit alles niets bespeurde; zij kon evengoed

zich in haar gedachten verdiepen en onbewust blijven van 't geen

rondom haar voorviel, in den juwelierswinkel als in haar eigen

slaapkamer thuis. Eindelijk kwam de zaak in orde. Het ivoor, het

goud en de parelen kregen elk de hun aangewezen bestemming, en nadat

de jonge man den laatsten dag had genoemd, dien hij dacht te kunnen

doorleven zonder zijn étui, en op zijn gemak zijn handschoenen had

aangetrokken, wierp hij den dames Dashwood nogmaals een blik toe, die

eer bewondering scheen te eischen dan uit te drukken, en stapte heen,

in al de glorie van echte inbeelding en voorgewende onverschilligheid.

Elinor zorgde ervoor, thans onmiddellijk te worden geholpen, en zij

was bijna klaar, toen een andere heer naast haar kwam staan. Zij keek

hem even aan, en zag tot haar verwondering, dat het haar broeder was.

Hun hartelijkheid en de blijdschap over deze ontmoeting waren juist

voldoende om hier in den winkel een zeer goeden indruk teweeg te

brengen. John Dashwood vond het heel aardig, zijn zusters eens weer

te zien; hun beiden deed het werkelijk genoegen, en naar hun moeder

vroeg hij met eerbiedige belangstelling.

Elinor hoorde, dat hij en Fanny al twee dagen in de stad waren. "Ik

zou je graag gisteren zijn komen opzoeken," zei hij, "maar dat ging

nu eenmaal niet, omdat Harry volstrekt den dierentuin moest zien,

en verder brachten we den dag door bij Mevrouw Ferrars. Harry vond

het prachtig. Van morgen was ik wéér stellig van plan je een bezoek

te brengen, als ik een half uurtje vrij had, maar er is altijd zóóveel

te doen, als men pas in de stad komt! Ik moet hier een zegel bestellen

voor Fanny. Maar morgen denk ik bepaald naar Berkeley Street te gaan,

en meteen kennis te maken met je vriendin Mevrouw Jennings. Ik hoor

dat zij zeer vermogend is. En aan de Middletons moet je mij ook

voorstellen. Daar zij familie zijn van mijn stiefmoeder, zal 't mij

genoegen doen hen te leeren kennen. Ik hoor, dat ze daarbuiten goede

buren voor je zijn."

"O ja, uitmuntend. Hun welwillendheid in ieder opzicht, hun hartelijke

vriendschappelijkheid zijn met geen woorden uit te drukken."

"Het doet mij oprecht genoegen dat te hooren; daar ben ik bepaald

blij om. Maar zoo behoort het ook; het zijn menschen van fortuin;

ze zijn familie van je; en men kon met recht verwachten, dat

ze door beleefdheid en voorkomendheid je leven zouden pogen te

veraangenamen. En je hebt het dus zeer naar je zin in je huisje,

en verder niets te wenschen. Edward had er ons niets dan goeds van

te vertellen; hij zei, het was in zijn soort volmaakt en jelui hadt

er allen evenveel pleizier in. 't Was ons een groote voldoening,

dat te hooren, zooals je wel begrijpen zult."

Elinor schaamde zich een beetje over haar broeder, en het speet haar

niet, dat zij een antwoord kon achterwege laten; daar Mevrouw Jennings'

knecht kwam zeggen, dat het rijtuig wachtte.

De Heer Dashwood ging met hen mee naar beneden, werd bij het portier

van het rijtuig aan Mevrouw Jennings voorgesteld, en nam afscheid,

na nogmaals de hoop te hebben uitgedrukt, dat hij hen den volgenden

dag zou kunnen bezoeken.

Het bezoek had dan ook werkelijk plaats. Hij bracht een zoogenaamde

verontschuldiging over van hun schoonzuster, dat zij niet meekwam;

"maar zij werd zoo in beslag genomen door haar moeder, dat ze

werkelijk geen tijd had om ergens heen te gaan." Mevrouw Jennings

verzekerde hem echter dadelijk, dat zij het daarmee zoo nauw niet nam;

ze waren toch allen familie van elkaar in zekeren zin, en zij zou

in elk geval spoedig Mevrouw John Dashwood bezoeken en haar zusters

meebrengen. Tegen Elinor en Marianne was hij, ofschoon niet uitbundig,

toch zeer vriendelijk; Mevrouw Jennings behandelde hij uiterst beleefd,

en toen Kolonel Brandon kort na hem verscheen, keek hij hem aan

met een nieuwsgierige belangstelling, die zijn bereidwilligheid liet

doorschemeren, ook tegen hèm beleefd te zijn, als hij maar eerst wist,

dat hij rijk was. Toen hij er een half uurtje had gezeten, vroeg hij

of Elinor met hem naar Conduit Street wilde wandelen, om hem aan Sir

John en Lady Middleton voor te stellen. Het was bijzonder mooi weer,

en zij stemde hier gaarne in toe. Zoodra ze buitenshuis waren, begon

hij te vragen.

"Wie is Kolonel Brandon? Is hij rijk?"

"Ja; hij heeft een mooie bezitting in Dorsetshire."

"Daar ben ik blij om. Hij maakt een zeer gunstigen indruk en ik

geloof, Elinor, dat ik je mag gelukwenschen met het vooruitzicht op

een goede positie."

"Mij gelukwenschen?--wat bedoel je, John?"

"Hij houdt van je. Ik heb scherp opgelet, en ik ben er zeker

van. Hoeveel inkomen heeft hij?"

"Ik geloof omstreeks tweeduizend pond in het jaar."

"Tweeduizend pond in het jaar,"... en met een soort van stuipachtige

poging tot edelmoedige geestdrift voegde hij erbij: "Elinor, uit den

grond van mijn hart zou ik wenschen, voor jou, dat het _tweemaal_

zooveel was."

"Dat geloof ik graag," antwoordde Elinor; "maar ik weet wel zeker, dat

Kolonel Brandon in de verste verte niet wenscht, met _mij_ te trouwen."

"Je vergist je, Elinor; je vergist je bepaald. Met een klein beetje

moeite van jouw kant zou 't gelukken. Misschien staat zijn besluit

nog niet vast; dat je weinig bezit kan een beletsel voor hem zijn;

mogelijk raden zijn vrienden het hem allen af. Maar zoo enkele kleine

attenties en aanmoedigingen, die het dames zoo gemakkelijk valt te

bewijzen, brengen de zaak in orde, eer hij het weet. En er kan geen

reden bestaan, waarom je 't niet zou beproeven, hem te winnen. 't

Is niet te denken, dat een vroegere genegenheid van jouw kant... je

weet nu eenmaal, wat dàt betreft, daarvan kan geen sprake zijn;

de bezwaren zijn onoverkomelijk--en je bent te verstandig om dat

niet in te zien. Kolonel Brandon wordt de man, en 't zal aan mij

niet liggen, als hij niet ingenomen is met jou en je familie. Dàt

is nu een huwelijk, dat iedereen zal aanstaan.--Ik zal 't je maar

zeggen,"--hier begon hij gewichtig te fluisteren,--"het zal voor

_alle partijen_ bepaald een uitkomst zijn." Zich bedenkend, voegde

hij erbij: "Dat wil zeggen... ik bedoel... al je vrienden verlangen

natuurlijk oprecht om je gelukkig getrouwd te zien; Fanny vooral,

want zij meent het goed met je, werkelijk. En haar moeder ook;

Mevrouw Ferrars is een heel goedhartige vrouw; ik geloof stellig,

dat het haar veel pleizier zou doen, ze heeft nog pas zoo iets gezegd."

Elinor verwaardigde zich niet, hierop te antwoorden.

"Het zou wèl toevallig zijn," ging hij voort, "bepaald grappig, als

Fanny's broer en _mijn_ zuster op den zelfden tijd in 't huwelijk

traden. En 't kan toch licht gebeuren."

"Gaat Edward Ferrars dan trouwen?" zei Elinor bedaard.

"Het staat nog niet vast; maar er is wel sprake van. Hij heeft een

moeder zooals er geen tweede bestaat. Mevrouw Ferrars zal hem met de

grootste vrijgevigheid behandelen en hem een vast inkomen verzekeren

van duizend pond jaarlijks, als dit huwelijk doorgaat. _Zij_ is een

Morton, de eenige dochter van den overleden Lord Morton, en zij bezit

dertigduizend pond,--van beide zijden is de verbintenis zeer gewenscht,

en ik twijfel geen oogenblik of die zaak komt wel in orde. Duizend

pond in 't jaar is geen kleinigheid voor een moeder, om voor goed af

te staan; maar Mevrouw Ferrars heeft een nobele natuur. Om je nog een

voorbeeld te noemen van haar royaliteit; toen we nu onlangs in de stad

kwamen, heeft ze, omdat ze wel wist dat we niet ruim bij kas waren,

Fanny een presentje toegestopt van tweehonderd pond. En dat kwam ons

uitnemend te pas; want het is duur leven hier in de stad." Hij wachtte

op een betuiging van instemming en medelijden, en zij dwong zichzelf,

te zeggen:

"Je zult zoowel in de stad als buiten veel uitgaven hebben; maar je

inkomen is ook groot."

"Niet zoo groot, durf ik wel zeggen als veel menschen meenen. Ik

wil overigens niet klagen, natuurlijk; het is in elk geval zéér

voldoende, en zal, hoop ik, mettertijd grooter worden. Het omheinen

van Norland Common, waarmee we nu bezig zijn, verslindt ontzaglijk

veel geld. En ik heb in dit laatste halfjaar ook nog een aankoop

gedaan--East Kingham Farm, je herinnert je die boerderij wel, waar

de oude Gibson woonde. Die landerijen kwamen mij in elk opzicht zoo

uitmuntend van pas, ze sloten zoo onmiddellijk aan bij mijn eigendom,

dat ik het als mijn plicht beschouwde, ze te koopen. Ik had het niet

met mijn geweten kunnen overeenbrengen, ze in andere handen te laten

vallen. Voor iets goeds moet men ook wat overhebben; en het _heeft_

mij geld gekost, dat is zeker."

"Meer dan je denkt, dat het bezit werkelijk en op zich zelf waard was?"

"Och, dat wil ik niet zeggen. Ik had het den volgenden dag kunnen

verkoopen voor méér dan ik had betaald; maar wat de koopsom betrof,

daarmee had ik wel heel ongelukkig kunnen treffen; de koersen stonden

toen juist zoo laag, dat ik bepaald met groot verlies effecten zou

hebben moeten verkoopen, als ik niet toevallig bij mijn bankier over

de benoodigde som had kunnen beschikken."

Elinor glimlachte even.

"Nog meer groote en onvermijdelijke uitgaven hebben we gehad toen

we pas te Norland waren gekomen. Zooals je weet, had vader al het

goed van Stanhill, dat meegenomen was naar Norland, aan je moeder

nagelaten. Daarover wil ik mij niet beklagen; verre van daar; hij

had het volste recht over zijn eigendom te beschikken zooals hij

verkoos. Maar wij hebben dientengevolge veel linnengoed, porselein,

enz. moeten aanschaffen, ter vervanging van 't geen werd weggenomen. Je

kunt wel begrijpen, dat we, na al die onkosten, nu volstrekt niet

rijk kunnen genoemd worden, en dat Mevrouw Ferrars' vriendelijkheid

ons bijzonder welkom is."

"Zeker," zei Elinor; "en ik hoop dat je met haar bijstand nog eenmaal

zoover zult komen, dat je ruim en royaal leven kunt."

"Met een paar jaar zal het er méér naar gaan lijken," antwoordde

hij met onverstoorbaren ernst; "maar er blijft vooreerst nog veel te

doen. Er is nog niet eens begonnen met den bouw van Fanny's oranjerie,

en van den bloemtuin is enkel het plan ontworpen."

"Waar komt die oranjerie?"

"Op het heuveltje achter het huis. De oude noteboomen zijn alle

omgehakt, om ruimte te maken. Van uit het park gezien zal dat mooie

gebouw een goed figuur maken, en de bloemtuin komt er vlak vóór,

tegen de helling. We hebben al de oude meidoorns opgeruimd, die daar

verspreid op den heuvel groeiden."

Elinor hield haar spijt en haar afkeuring voor zich, en was maar

blijde, dat Marianne er niet bij was, om zich mèt haar te ergeren.

Nu hij genoeg had gezegd, om zijn armoede in een helder licht te

stellen, en de verplichting te ontgaan, bij zijn volgend bezoek aan den

juwelier voor ieder van zijn zusters een paar oorbelletjes te koopen,

begon hij aan vroolijker dingen te denken, en Elinor geluk te wenschen,

dat ze een vriendin had als Mevrouw Jennings. "Dat is bepaald iemand,

die men op prijs moet stellen. Haar huis, haar manier van leven,

alles wijst op een uiterst ruim inkomen, en de kennismaking met haar

is niet alleen tot nu toe je van zeer groot nut geweest; maar kan

later werkelijk voordeel voor je afwerpen. Dat ze jelui hier heeft te

logeeren gevraagd, bewijst wel, hoe goed ze je gezind is; werkelijk,

ik zie daarin een zoo sprekend bewijs van haar genegenheid, dat jelui

naar alle waarschijnlijkheid bij haar overlijden wel niet zult worden

vergeten. Zij zal heel wat nalaten, denk ik..."

"Ik zou eerder denken, in 't geheel niets; zij heeft enkel het

vruchtgebruik van het kapitaal, dat haar kinderen zullen erven."

"Maar het spreekt toch van zelf, dat zij niet haar geheele inkomen

verteert. Dàt doet toch haast niemand, die zijn verstand gebruikt;

en met hetgeen ze spaart, kan zij doen wat ze wil."

"En lijkt het je niet meer dan waarschijnlijk, dat ze dat aan haar

dochters zal nalaten dan aan ons?"

"Haar dochters zijn beiden rijk getrouwd; ik zie dus niet in,

waarom zij juist het eerst aan hèn zou denken. _Mij_ dunkt juist,

dat zij, door zooveel notitie van jelui te nemen, en je op deze wijze

te behandelen, jelui een soort van recht heeft gegeven om voor de

toekomst iets van haar te verwachten, dat een vrouw, die nauwgezet van

geweten is, stellig zal moeten erkennen. Haar houding tegenover jelui

is wel zoo vriendelijk mogelijk, en zij kan moeilijk zóó ver gaan in

dit opzicht, zonder te begrijpen, welke verwachtingen zij wekt."

"Gééne, bij hen, die de zaak het allereerst aangaat. Werkelijk, John,

je bezorgdheid voor ons welzijn en onzen voorspoed gaat verder dan

noodig is."

"'t Is waar," zei hij, blijkbaar tot nadenken gebracht, "de mensch

heeft weinig, zéér weinig in zijn macht. Maar lieve Elinor, wat scheelt

Marianne toch?--Ze ziet er bijzonder slecht uit, heeft haar frissche

kleur verloren, en is bepaald mager geworden. Is zij ziek?"

"Ze is niet heel wel; ze heeft al een paar weken last van haar

zenuwen."

"Dat is jammer. Op haar leeftijd doet ziekte alle frischheid verloren

gaan. Háár bloei heeft maar kort geduurd. In September nog was ze

een van de mooiste meisjes, die ik kende, met veel aantrekkelijks

voor mannen. Juist de soort van schoonheid die hun bevalt. Ik weet

nog, hoe Fanny altijd zei, dat _zij_ eerder en beter zou trouwen dan

jij,--niet dat ze van jou niet véél zou houden,--maar ze dacht dat nu

zoo. En toch zal ze zien, dat ze zich vergist heeft. 't Is de vraag of

Marianne _nu_ een man kan krijgen met meer dan vijf- of zeshonderd in

't jaar op zijn meest, en 't zou mij niets verwonderen, als jij het

niet beter treft. Dorsetshire! Ik ken Dorsetshire zoo goed als niet;

maar ik zou het bijzonder gaarne nader leeren kennen, Elinor; en ik

durf wel zeggen, dat Fanny en ik daar je eerste en recht verheugde

logeergasten zullen zijn."

Elinor trachtte hem met den meesten nadruk te overtuigen, dat er

van een huwelijk tusschen haar en Kolonel Brandon niets zou komen;

maar hij had te veel pleizier in die verwachting om haar te kunnen

opgeven; en hij was vastbesloten, den Kolonel nader te leeren kennen,

en zijn uiterste best te doen, dat huwelijk tot stand te brengen. Hij

had juist genoeg berouw over het feit, dat hijzelf niets voor zijn

zusters had gedaan, om uit alle macht te verlangen, dat anderen des

te meer voor hen zouden doen, en een huwelijksaanzoek van Kolonel

Brandon, of een legaat van Mevrouw Jennings, waren de eenvoudigste

middelen om zijn eigen nalatigheid te vergoeden....

Zij troffen Lady Middleton gelukkig thuis, en Sir John kwam binnen,

eer hun bezoek was afgeloopen. Er werden van weerskanten veel minzame

beleefdheidsbetuigingen gewisseld. Sir John was altoos bereid met

iedereen veel op te hebben; en hoewel de Heer Dashwood van paarden

niet veel scheen te weten, vond hij hem al spoedig een besten kerel;

terwijl Lady Middleton oordeelde, dat hij er gedistingeerd genoeg

uitzag, om de kennismaking de moeite waard te achten; en de Heer

Dashwood zelf vertrok verrukt van allebei.

"Ik zal er Fanny niets dan goeds van kunnen vertellen," zei hij tegen

zijn zuster, onder het terugwandelen, "Lady Middleton is werkelijk

een charmante vrouw; iemand, met wie Fanny blij zal zijn, kennis te

maken. En Mevrouw Jennings weet zich ook bijzonder goed voor te doen,

al is ze niet zoo elegant als haar dochter. Je schoonzuster behoeft

er geen bezwaar in te zien, háár ook te bezoeken; wat tot nu toe,

om de waarheid te zeggen, wel een beetje 't geval was, en niet zonder

reden; want we wisten alleen, dat Mevrouw Jennings de weduwe was van

een man, die zijn geld had verdiend op een nog al obscure manier; en

Fanny en Mevrouw Ferrars hielden stijf en strak vol, dat noch zij,

noch haar dochters in de termen vielen om met iemand als Fanny te

kunnen omgaan. Maar nu kan ik haar omtrent beiden op de meest afdoende

wijze geruststellen."

Gevoel en verstand · 第 43 / 61 题