Mevrouw Jennings ging bij haar terugkomst dadelijk naar hun zitkamer,
en zonder te wachten tot haar kloppen was beantwoord, opende zij de
deur en stapte binnen met een blik vol oprechte meewarigheid.
"Hoe staat het ermee, mijn kind?" zeide zij, met innig medelijden in
haar stem tegen Marianne, die zonder een poging tot antwoorden haar
gezicht afwendde. "Hoe is 't met haar, Elinor? Arm kind! ze ziet er
erg slecht uit. Geen wonder. Ja, 't is maar al te waar. Hij gaat al
heel gauw trouwen--ellendige kerel! Bij mij heeft hij 't voor goed
verbruid. Mevrouw Taylor vertelde 't mij, een half uur geleden, en
zij had het van een intieme vriendin van Juffrouw Grey zelf, anders
had ik 't stellig niet geloofd, en ik had een gevoel of ik door den
grond ging. Nu, zei ik, ik kan alleen maar zeggen, als 't waar is,
dat hij een jonge dame die ik ken, allerschandelijkst heeft behandeld,
en ik hoop van harte, dat hij met die vrouw géén leven zal hebben. Dat
zal ik altijd zeggen, lieve kind, daar kun je op aan. Ik heb er geen
begrip van, dat mannen zóó kunnen te werk gaan, en als ik hem ooit
weer zie, dan krijgt hij van mij een schrobbeering die hem heugen
zal. Maar er blijft een troost, mijn lieve Marianne, hij is niet de
eenige jonge man in de wereld, die de moeite waard is, en met je
mooie gezichtje zal 't jou aan bewonderaars nooit ontbreken. Och,
dat arme kind, ik zal haar maar niet langer lastig vallen; beter
dat ze maar eens flink uitschreit, eens voor al. Van avond komen de
Parry's en de Sanderson's gelukkig, dat zal haar een beetje afleiden."
Daarop ging zij op de teenen de kamer uit, alsof zij bang was, dat
harde geluiden het verdriet van haar logéetje konden verergeren.
Marianne besloot, tot haar zuster's verwondering, wel mee aan tafel te
gaan. Elinor ried het haar eerder af. Maar neen, "ze zou naar beneden
gaan; ze kon het best verdragen, en dan werd er minder drukte om
haar gemaakt." Elinor, blijde dat zij zich een oogenblik door zulk
een beweegreden liet leiden, al geloofde zij niet dat zij tot het
einde toe aan tafel zou kunnen blijven, zei maar niets meer, hielp
haar kleeding zoo goed zij kon in orde brengen, terwijl Marianne te
bed lag, en stond gereed om haar naar de eetkamer te brengen, zoodra
zij aan tafel werden geroepen.
Toen zij eenmaal beneden was, zag zij er wel heel slecht uit; maar at
meer en was kalmer dan haar zuster verwacht had. Als zij een poging
had gedaan te spreken, of als zij al Mevrouw Jennings' goedbedoelde,
maar weinig tactvolle attenties had opgemerkt, dan zou die kalmte niet
hebben kunnen bewaard blijven; doch geen woord kwam over haar lippen,
en zij was zoo in gedachten verdiept, dat zij niets bespeurde van al
wat om haar heen voorviel.
Elinor, die Mevrouw Jennings' vriendelijkheid waardeerde, al waren
de uitingen er van dikwijls hinderlijk en soms haast belachelijk,
bewees haar den dank, en beantwoordde de beleefdheid, die haar zuster
zelve niet bewijzen of beantwoorden kon. Hun goede vriendin zag dat
Marianne ongelukkig was, en had een gevoel, dat al wat haar minder
ongelukkig kon maken, haar nu rechtens toekwam. Zij behandelde haar
dus met al de toegevende verteedering, die ouders jegens een geliefd
kind aan den dag leggen op een laatsten vacantiedag. Marianne moest op
het warmste plaatsje bij den haard zitten; haar eetlust moest worden
opgewekt door de fijnste lekkernijen die maar konden worden opgedischt,
en alle nieuwtjes van den dag moesten ter harer afleiding dienen. Als
Elinor in haar zuster's droevig gezicht niet een beletsel voor alle
vroolijkheid had gezien, zou zij zich een weinig hebben vermaakt
over Mevrouw Jennings' pogingen om teleurstelling in de liefde te
verzachten door een keur van zoetigheden en olijven, en een helder
brandend vuur. Zoodra echter door dat herhaalde aandringen het besef
van dit alles tot Marianne doordrong, kon zij niet langer blijven. Met
een heftigen uitroep van smart, en haar zuster een wenk gevend,
haar niet te volgen, stond zij haastig op, en snelde de kamer uit.
"Arm schepsel!" riep Mevrouw Jennings, toen zij was heengegaan, "wat
doet het mij verdriet haar zoo te zien! Kijk toch eens, nu heeft ze
niet eens haar wijn opgedronken! En de geconfijte kersen ook laten
liggen! Och Heere, er is niets aan haar besteed. Als ik maar wist,
waar ze veel van hield, ik zou er de halve stad voor laten afloopen.
Daar kan ik nu met geen mogelijkheid inkomen, dat een man een aardig
meisje zóó behandelen kan! Maar als er aan den eenen kant een hoop
geld zit, en zoo goed als niets aan den anderen, och lieve deugd,
dan geven ze om die dingen niet meer..."
"Is die dame,--die Juffrouw--Grey noemde u haar, meen ik,--dan
zoo rijk?"
"Vijftig duizend pond, kind. Heb je haar wel eens gezien? Een knap
meisje, elegant, zeggen ze; maar niet mooi. Haar tante herinner ik mij
best, Biddy Henshawe; die is met een schatrijken man getrouwd. Maar
de heele familie zit er warmpjes in. Vijftig duizend pond, en naar
ik hoor komt het hem uitmuntend te pas; want ze zeggen, dat hij
er leelijk vóór staat. Geen wonder, met dat rennen en rossen en die
jachtpaarden! Och ja, praten helpt niet veel; maar als een jongmensch,
't doet er niet toe wie, een aardig meisje 't hof maakt, en belooft
haar te trouwen, dan gaat het niet aan, zijn woord te breken, omdat
hij arm wordt, en er een rijkere juffer een oogje op hem heeft. Waarom
verkoopt hij niet, als 't zoover komt, zijn paarden, verhuurt zijn
huis, schaft zijn bedienden af, en begint van meet af aan, op een
andere manier? Ik wed, dat Marianne graag had willen wachten, tot de
zaak er beter voor stond. Maar dat is tegenwoordig geen mode meer; de
jongelui van onze dagen geven nooit iets op, waarin ze plezier hebben.
"Weet u ook iets meer van die Juffrouw Grey? Moet zij een lief
meisje zijn?"
"Ik heb nooit kwaad van haar hooren zeggen; eigenlijk heb ik haast
nooit over haar hooren spreken, behalve dat Mevrouw Taylor van morgen
zei, dat Juffrouw Walker eens had laten doorschemeren, dat ze dacht,
dat Mijnheer en Mevrouw Ellison het niet kwaad zouden vinden, als
Juffrouw Grey maar trouwde; want zij en Mevrouw Ellison konden niet
met elkaar overweg."
"En wie zijn de Ellisons?"
"Hij is haar voogd, kindje. Maar ze is nu meerderjarig, en mag zelf
kiezen, en 't is een mooie keuze, die ze heeft gedaan!--Kijk nu eens
aan," (na een oogenblik zwijgens) "daar is nu je arme zuster naar
haar kamer gegaan, om in haar eentje te zitten jammeren. Zou er niets
te bedenken zijn, waarmee we haar pleizier kunnen doen? Arm kind, 't
lijkt zoo onhartelijk, haar alleen te laten. Nu, straks komen er een
paar kennissen; dat leidt toch een beetje af. Wat zullen we spelen? Ze
heeft een hekel aan whist; maar is er geen gezelschapsspelletje,
waar ze graag aan meedoet?"
"Lieve mevrouw, het is werkelijk niet noodig, dat u zich zooveel
moeite geeft. Ik denk niet, dat Marianne vanavond weer beneden zal
komen. Als ik kan, zal ik haar bepraten om vroeg naar bed te gaan;
want zij heeft stellig rust noodig."
"Ja, dat geloof ik ook; dat zal 't beste voor haar zijn. Laat ze maar
zeggen wat ze nog wil gebruiken, en dan naar bed gaan. Och heere, geen
wonder, dat ze er de laatste weken zoo slecht en zoo treurig uitzag,
want al dien tijd zal haar dit wel boven 't hoofd hebben gehangen. En
nu heeft die brief vandaag er een eind aan gemaakt. Arm kind! Als ik
't maar geweten had; ik zou er haar voor geen geld van de wereld mee
geplaagd hebben. Maar hoe kon ik het raden, zeg nu eens zelf. Ik dacht
dat het maar een gewoon minnebriefje was, en jongemeisjes laten zich
daar graag een beetje mee plagen. Och, och, wat zal 't Sir John en
mijn dochters spijten, als ze 't hooren! Als ik niet zoo in de war
geweest was, had ik best even op weg naar huis in Conduit Street
kunnen aangaan en 't hun vertellen. Maar ik spreek hen morgen wel."
"Het zal wel niet noodig zijn, denk ik, dat u Mevrouw Palmer en Sir
John waarschuwt, nooit den naam van den Heer Willoughby te noemen, of
te zinspelen op het gebeurde, in tegenwoordigheid van mijn zuster. Hun
eigen goed hart zal hen wel doen inzien, hoe waarlijk wreed het zou
zijn, ten aanhoore van Marianne te laten blijken, dat zij er iets van
weten, en hoe minder er ooit over wordt gesproken tegen mijzelve,
des te liever zal het ook mij zijn, zooals u, lieve mevrouw, licht
zult begrijpen."
"O lieve deugd, ja, dat begrijp ik best. Het moet verschrikkelijk voor
je zijn het gepraat erover aan te hooren, en wat je zuster betreft,
ik zou voor geen geld van de wereld tegen haar een woord erover
zeggen. Je hebt het wel gemerkt; van middag aan tafel deed ik het
ook niet. En dat zouden Sir John en mijn dochters evenmin; want ze
zijn allen heel oplettend en kiesch,--vooral wanneer ik hen nog eens
waarschuw, zooals ik stellig zal doen. Ik vind altijd, hoe minder er
over zulke dingen wordt gepraat, hoe beter, en des te gauwer is 't
weer voorbij en vergeten. En heb je ooit gezien, dat praten ook maar
't geringste goed deed?"
"In dit geval kan het alleen maar kwaad doen;--meer nog misschien
dan in vele dergelijke; want hiermede gingen omstandigheden gepaard,
die het voor alle betrokken partijen hoogst ongewenscht doen zijn,
dat de zaak zoo in 't publiek zou worden besproken. In zóóver moet ik
den Heer Willoughby recht laten weervaren;--hij heeft geen bepaalde
verloving verbroken met mijn zuster."
"Máár, lieve kind! Probeer maar niet, hem te verdedigen. Geen bepaalde
verloving! nu vraag ik je, nadat hij haar Allenham House van binnen
en van buiten heeft laten zien, en de kamers al had uitgekozen,
waarin ze later zouden wonen!"
Elinor kon, ter wille van haar zuster, niet verder op het onderwerp
doorgaan, en zij hoopte, dat dit niet van haar mocht geëischt
worden, om Willoughby te sparen; want door een openbaring van de
volle waarheid had Marianne veel te verliezen, terwijl hij er slechts
weinig bij winnen kon. Nadat beiden een poosje hadden gezwegen, begon
Mevrouw Jennings opnieuw, met al de opgewektheid, die haar van nature
eigen was:
"Nu, lieve kind, 't is een waar woord, van die slechte wind, want
voor Kolonel Brandon is het zooveel te beter. Hij krijgt haar per
slot toch nog; ja ja, dat zul je zien. Let maar eens op, of ze niet
getrouwd zijn eer 't weer zomer is. Och och, wat zal hij blij zijn met
dit nieuwtje. Ik hoop, dat hij komt van avond. 't Zal voor je zuster
in elk opzicht een betere partij zijn. Tweeduizend pond in 't jaar,
zonder schulden of eenig bezwaar;--behalve dan dat dochtertje,--ja,
dat vergat ik; maar dat kan ergens in de leer worden gedaan tegen een
geringe vergoeding,--en wat doet dàt er nu toe? Delaford is een mooi
landgoed, dat kan ik je verzekeren; zoo'n ouderwetsche genoegelijke
buitenplaats, met allerlei gerief en gezelligheden; heel en al
afgesloten door hooge tuinmuren, die begroeid zijn met allerheerlijkste
vruchten, en in een hoek een pracht van een moerbeienboom! Och, och,
wat hebben Charlotte en ik ons genoegen gegeten, dien eenen keer, dat
we er waren! Dan is er een duiventil, een paar aardige vischvijvers,
een mooie waterpartij, alles wat men maar kan wenschen; en daarbij
ligt het heel dicht bij de kerk, en maar een minuut of vijf van den
grooten weg; dus je behoeft je nooit te vervelen, want als je gaat
zitten in een hoog-gelegen taxis-prieel achter 't huis, dan kun je al
de rijtuigen zien, die voorbijkomen. O, 't is een heerlijk huis! De
slager vlak bij, in het dorp, en de pastorie om zoo te zeggen, naast
de deur. Naar _mijn_ zin, duizend maal mooier dan Barton Park, waar
ze hun vleesch drie mijlen ver uit de buurt moeten laten halen, en
geen buren hebben, dichterbij dan je moeder. Nu, ik zal den Kolonel
eens opvroolijken, zoo gauw als ik kan. De een zijn dood is den
ander zijn brood; dat is nu niet anders. Als 't ons nu maar lukt,
om haar Willoughby uit het hoofd te zetten!"
"Ja, als ons _dat_ gelukt, mevrouw," zei Elinor, "dan zullen we er
wel komen, mèt of zonder Kolonel Brandon." Meteen stond zij op en ging
heen, om Marianne op te zoeken, die zij, zooals ze verwachtte, in hun
eigen kamer, zwijgend en bedroefd, bij de smeulende overblijfselen
vond zitten van een klein vuurtje, het eenige dat licht gaf in de
kamer, tot Elinor binnenkwam.
"Laat mij liever alleen," was al wat deze van Marianne kreeg te hooren.
"Ik zal je alleen laten," zei Elinor, "als je naar bed wilt gaan."
Eerst weigerde zij; door haar ongedurige smart tot onredelijk verzet
gedreven. Doch haar zuster's ernstige, hoewel zachte overreding deed
haar weldra gewillig toegeven; Elinor zag haar het pijnlijke hoofd
op het kussen leggen, en bleef wachten tot Marianne, naar zij hoopte,
op den goeden weg was om een weinig rust te genieten.
In den salon, waarheen zij zich daarna had begeven, kwam Mevrouw
Jennings weldra bij haar, met een vol wijnglas in de hand.
"Lieve kind," zei ze, "ik bedacht daar juist, dat ik een paar
flesschen van den besten ouden Malaga-wijn in huis heb, dien je ooit
hebt geproefd,--en nu breng ik je een glas voor je zuster. Zooveel
als mijn arme man daarvan hield. Als hij weer eens geplaagd werd door
een van zijn aanvallen van jicht-koliek, dan zei hij, dat niets ter
wereld hem zoo kon opknappen. Toe, breng dat nu eens aan Marianne."
"Lieve mevrouw," zei Elinor, glimlachend over het verschil van
de kwalen, waarvoor de medicijn werd aanbevolen: "Wat is u toch
vriendelijk! Maar Marianne is juist naar bed gegaan, en nu, hoop ik,
bijna in slaap; en daar ik geloof, dat niets haar zooveel goed kan doen
als rust, wil ik, als u 't goedvindt, den wijn zelf wel opdrinken."
Hoewel het Mevrouw Jennings speet, dat zij er niet vijf minuten eerder
mee was gekomen, had zij vrede met deze schikking, en terwijl Elinor
haar glas uitdronk, dacht zij, ofschoon de goede uitwerking van het
vocht in een geval van jichtkoliek voor haar op het oogenblik van
minder belang was, dat zijn genezend vermogen bij teleurgestelde
liefde met evenveel recht mocht beproefd worden door haar als door
hare zuster.
Kolonel Brandon kwam binnen terwijl zij aan de thee zaten, en uit
de wijze waarop hij in de kamer rondzag naar Marianne, leidde Elinor
aanstonds af, dat hij haar noch verwachtte, noch wenschte daar te zien,
en dat hij reeds op de hoogte was van de oorzaak harer afwezigheid.
Dezelfde gedachte scheen Mevrouw Jennings niet te zijn ingevallen;
want kort na zijn komst liep zij naar de theetafel, waarbij Elinor
gezeten was, en fluisterde: "De Kolonel kijkt even ernstig als altoos;
zie je wel? Hij weet nog niets; vertel jij het hem maar, lieve."
Een poosje later nam hij een stoel vlak bij haar, en vroeg, met een
uitdrukking, die haar de stellige zekerheid schonk, dat hij alles wist,
naar hare zuster.
"Marianne is niet wel," zeide zij. "Zij was den geheelen dag reeds
ongesteld, en we hebben haar overgehaald, naar bed te gaan."
"Misschien," antwoordde hij aarzelend, "is het dus waar, wat ik
van morgen hoorde,--misschien is er meer waarheid in, dan ik eerst
mogelijk had geacht."
"Wat hebt u gehoord?"
"Dat iemand, van wien ik reden had, te denken,--of liever, dat een man,
die ik _wist_ dat verloofd was,--maar hoe moet ik het u vertellen? Als
u het reeds weet, zooals u natuurlijk doet, dan wilt u mij dat wel
besparen."
"U bedoelt," antwoordde Elinor met gedwongen kalmte, "het huwelijk van
den Heer Willoughby met Mejuffrouw Grey. Ja, wij weten nu alles. Dit
schijnt een dag te zijn geweest van algemeene opheldering; want van
morgen pas hebben wij er voor het eerst van gehoord. De Heer Willoughby
is moeilijk te doorzien! Waar hebt u het vernomen?"
"In een boekwinkel in Pall Mall, waar ik iets had te doen. Twee dames
wachtten er op hun rijtuig, en de eene deed aan de andere een verslag
van het voorgenomen huwelijk, waarbij zij zich zoo weinig moeite
gaf, haar stem te dempen, dat ik alles wel moest verstaan. De naam
Willoughby, John Willoughby, herhaaldelijk genoemd, trok het eerst
mijn aandacht, en daarop volgde de stellige verzekering, dat zijn
huwelijk met Mejuffrouw Grey dan nu eindelijk vaststond,--het behoefde
niet langer te worden geheimgehouden--het zou zelfs binnen een paar
weken worden voltrokken, en er werden nog vele bijzonderheden aan
toegevoegd omtrent de voorbereiding en zoo meer. Een ding herinner
ik mij in 't bijzonder, omdat het mij nog duidelijker deed blijken,
wie de bedoelde persoon was;--na de huwelijksvoltrekking zouden zij
naar Combe Magna gaan, zijn landgoed in Somersetshire. U kunt u mijn
verbazing voorstellen! Maar 't zou onmogelijk zijn, te beschrijven
wat ik gevoelde. De spraakzame dame, hoorde ik bij navraag, want ik
bleef in den winkel, tot zij waren vertrokken, was een zekere Mevrouw
Ellison, en dat is de naam, zooals ik later vernam, van Juffrouw
Grey's voogd."
"Dat is waar. Maar hebt u ook gehoord, dat Juffrouw Grey vijftigduizend
pond bezit? Zoo ergens, dan kunnen we dáárin de verklaring vinden."
"Dat kan wel zijn; maar Willoughby is in staat... ten minste ik
denk..." hij zweeg een oogenblik, en voegde er toen bij met een
stem, die van zich zelve niet zeker scheen: "En uw zuster... hoe
vatte zij..."
"Zij heeft het zich ontzaglijk aangetrokken. Ik kan alleen maar hopen,
dat haar hevige smart naar verhouding kort zal duren. Het wàs, en
het _is_ een zware beproeving. Tot gisteren nog, geloof ik, heeft zij
nooit aan zijn genegenheid getwijfeld, en zelfs nù, misschien... maar
ik voor mij ben bijna overtuigd, dat hij haar nooit werkelijk heeft
liefgehad. Hij is zeer onoprecht geweest! en in sommige opzichten
schijnt het, dat hij van nature hardvochtig is."
"Ja waarlijk," zeide Kolonel Brandon; "dat is hij! Maar uw zuster
denkt--ik meen dat u zeide--zij ziet de zaak anders in dan u?"
"U kent haar geaardheid, en u kunt wel begrijpen, hoe bereid zij is,
hem nog in 't gelijk te stellen, als zij dat kon."
Hij gaf geen antwoord, en toen kort daarop het theeservies werd
weggenomen en de speeltafeltjes werden klaargezet, moesten zij het
onderwerp natuurlijk laten varen. Mevrouw Jennings, die met genoegen
naar hen had zitten kijken, terwijl zij aan het praten waren, en die
verwacht had, de uitwerking van Elinor's mededeeling, onmiddellijk
bij Kolonel Brandon te zullen waarnemen in een onstuimige blijdschap,
zooals die gepast zou hebben bij een man in den bloei der jeugd vol
hoop, en vol geluk, zag hem tot haar verbazing den geheelen avond
diep ernstig blijven, en nog meer nadenkend dan gewoonlijk.