HOOFDSTUK XXX

Mevrouw Jennings ging bij haar terugkomst dadelijk naar hun zitkamer,

en zonder te wachten tot haar kloppen was beantwoord, opende zij de

deur en stapte binnen met een blik vol oprechte meewarigheid.

"Hoe staat het ermee, mijn kind?" zeide zij, met innig medelijden in

haar stem tegen Marianne, die zonder een poging tot antwoorden haar

gezicht afwendde. "Hoe is 't met haar, Elinor? Arm kind! ze ziet er

erg slecht uit. Geen wonder. Ja, 't is maar al te waar. Hij gaat al

heel gauw trouwen--ellendige kerel! Bij mij heeft hij 't voor goed

verbruid. Mevrouw Taylor vertelde 't mij, een half uur geleden, en

zij had het van een intieme vriendin van Juffrouw Grey zelf, anders

had ik 't stellig niet geloofd, en ik had een gevoel of ik door den

grond ging. Nu, zei ik, ik kan alleen maar zeggen, als 't waar is,

dat hij een jonge dame die ik ken, allerschandelijkst heeft behandeld,

en ik hoop van harte, dat hij met die vrouw géén leven zal hebben. Dat

zal ik altijd zeggen, lieve kind, daar kun je op aan. Ik heb er geen

begrip van, dat mannen zóó kunnen te werk gaan, en als ik hem ooit

weer zie, dan krijgt hij van mij een schrobbeering die hem heugen

zal. Maar er blijft een troost, mijn lieve Marianne, hij is niet de

eenige jonge man in de wereld, die de moeite waard is, en met je

mooie gezichtje zal 't jou aan bewonderaars nooit ontbreken. Och,

dat arme kind, ik zal haar maar niet langer lastig vallen; beter

dat ze maar eens flink uitschreit, eens voor al. Van avond komen de

Parry's en de Sanderson's gelukkig, dat zal haar een beetje afleiden."

Daarop ging zij op de teenen de kamer uit, alsof zij bang was, dat

harde geluiden het verdriet van haar logéetje konden verergeren.

Marianne besloot, tot haar zuster's verwondering, wel mee aan tafel te

gaan. Elinor ried het haar eerder af. Maar neen, "ze zou naar beneden

gaan; ze kon het best verdragen, en dan werd er minder drukte om

haar gemaakt." Elinor, blijde dat zij zich een oogenblik door zulk

een beweegreden liet leiden, al geloofde zij niet dat zij tot het

einde toe aan tafel zou kunnen blijven, zei maar niets meer, hielp

haar kleeding zoo goed zij kon in orde brengen, terwijl Marianne te

bed lag, en stond gereed om haar naar de eetkamer te brengen, zoodra

zij aan tafel werden geroepen.

Toen zij eenmaal beneden was, zag zij er wel heel slecht uit; maar at

meer en was kalmer dan haar zuster verwacht had. Als zij een poging

had gedaan te spreken, of als zij al Mevrouw Jennings' goedbedoelde,

maar weinig tactvolle attenties had opgemerkt, dan zou die kalmte niet

hebben kunnen bewaard blijven; doch geen woord kwam over haar lippen,

en zij was zoo in gedachten verdiept, dat zij niets bespeurde van al

wat om haar heen voorviel.

Elinor, die Mevrouw Jennings' vriendelijkheid waardeerde, al waren

de uitingen er van dikwijls hinderlijk en soms haast belachelijk,

bewees haar den dank, en beantwoordde de beleefdheid, die haar zuster

zelve niet bewijzen of beantwoorden kon. Hun goede vriendin zag dat

Marianne ongelukkig was, en had een gevoel, dat al wat haar minder

ongelukkig kon maken, haar nu rechtens toekwam. Zij behandelde haar

dus met al de toegevende verteedering, die ouders jegens een geliefd

kind aan den dag leggen op een laatsten vacantiedag. Marianne moest op

het warmste plaatsje bij den haard zitten; haar eetlust moest worden

opgewekt door de fijnste lekkernijen die maar konden worden opgedischt,

en alle nieuwtjes van den dag moesten ter harer afleiding dienen. Als

Elinor in haar zuster's droevig gezicht niet een beletsel voor alle

vroolijkheid had gezien, zou zij zich een weinig hebben vermaakt

over Mevrouw Jennings' pogingen om teleurstelling in de liefde te

verzachten door een keur van zoetigheden en olijven, en een helder

brandend vuur. Zoodra echter door dat herhaalde aandringen het besef

van dit alles tot Marianne doordrong, kon zij niet langer blijven. Met

een heftigen uitroep van smart, en haar zuster een wenk gevend,

haar niet te volgen, stond zij haastig op, en snelde de kamer uit.

"Arm schepsel!" riep Mevrouw Jennings, toen zij was heengegaan, "wat

doet het mij verdriet haar zoo te zien! Kijk toch eens, nu heeft ze

niet eens haar wijn opgedronken! En de geconfijte kersen ook laten

liggen! Och Heere, er is niets aan haar besteed. Als ik maar wist,

waar ze veel van hield, ik zou er de halve stad voor laten afloopen.

Daar kan ik nu met geen mogelijkheid inkomen, dat een man een aardig

meisje zóó behandelen kan! Maar als er aan den eenen kant een hoop

geld zit, en zoo goed als niets aan den anderen, och lieve deugd,

dan geven ze om die dingen niet meer..."

"Is die dame,--die Juffrouw--Grey noemde u haar, meen ik,--dan

zoo rijk?"

"Vijftig duizend pond, kind. Heb je haar wel eens gezien? Een knap

meisje, elegant, zeggen ze; maar niet mooi. Haar tante herinner ik mij

best, Biddy Henshawe; die is met een schatrijken man getrouwd. Maar

de heele familie zit er warmpjes in. Vijftig duizend pond, en naar

ik hoor komt het hem uitmuntend te pas; want ze zeggen, dat hij

er leelijk vóór staat. Geen wonder, met dat rennen en rossen en die

jachtpaarden! Och ja, praten helpt niet veel; maar als een jongmensch,

't doet er niet toe wie, een aardig meisje 't hof maakt, en belooft

haar te trouwen, dan gaat het niet aan, zijn woord te breken, omdat

hij arm wordt, en er een rijkere juffer een oogje op hem heeft. Waarom

verkoopt hij niet, als 't zoover komt, zijn paarden, verhuurt zijn

huis, schaft zijn bedienden af, en begint van meet af aan, op een

andere manier? Ik wed, dat Marianne graag had willen wachten, tot de

zaak er beter voor stond. Maar dat is tegenwoordig geen mode meer; de

jongelui van onze dagen geven nooit iets op, waarin ze plezier hebben.

"Weet u ook iets meer van die Juffrouw Grey? Moet zij een lief

meisje zijn?"

"Ik heb nooit kwaad van haar hooren zeggen; eigenlijk heb ik haast

nooit over haar hooren spreken, behalve dat Mevrouw Taylor van morgen

zei, dat Juffrouw Walker eens had laten doorschemeren, dat ze dacht,

dat Mijnheer en Mevrouw Ellison het niet kwaad zouden vinden, als

Juffrouw Grey maar trouwde; want zij en Mevrouw Ellison konden niet

met elkaar overweg."

"En wie zijn de Ellisons?"

"Hij is haar voogd, kindje. Maar ze is nu meerderjarig, en mag zelf

kiezen, en 't is een mooie keuze, die ze heeft gedaan!--Kijk nu eens

aan," (na een oogenblik zwijgens) "daar is nu je arme zuster naar

haar kamer gegaan, om in haar eentje te zitten jammeren. Zou er niets

te bedenken zijn, waarmee we haar pleizier kunnen doen? Arm kind, 't

lijkt zoo onhartelijk, haar alleen te laten. Nu, straks komen er een

paar kennissen; dat leidt toch een beetje af. Wat zullen we spelen? Ze

heeft een hekel aan whist; maar is er geen gezelschapsspelletje,

waar ze graag aan meedoet?"

"Lieve mevrouw, het is werkelijk niet noodig, dat u zich zooveel

moeite geeft. Ik denk niet, dat Marianne vanavond weer beneden zal

komen. Als ik kan, zal ik haar bepraten om vroeg naar bed te gaan;

want zij heeft stellig rust noodig."

"Ja, dat geloof ik ook; dat zal 't beste voor haar zijn. Laat ze maar

zeggen wat ze nog wil gebruiken, en dan naar bed gaan. Och heere, geen

wonder, dat ze er de laatste weken zoo slecht en zoo treurig uitzag,

want al dien tijd zal haar dit wel boven 't hoofd hebben gehangen. En

nu heeft die brief vandaag er een eind aan gemaakt. Arm kind! Als ik

't maar geweten had; ik zou er haar voor geen geld van de wereld mee

geplaagd hebben. Maar hoe kon ik het raden, zeg nu eens zelf. Ik dacht

dat het maar een gewoon minnebriefje was, en jongemeisjes laten zich

daar graag een beetje mee plagen. Och, och, wat zal 't Sir John en

mijn dochters spijten, als ze 't hooren! Als ik niet zoo in de war

geweest was, had ik best even op weg naar huis in Conduit Street

kunnen aangaan en 't hun vertellen. Maar ik spreek hen morgen wel."

"Het zal wel niet noodig zijn, denk ik, dat u Mevrouw Palmer en Sir

John waarschuwt, nooit den naam van den Heer Willoughby te noemen, of

te zinspelen op het gebeurde, in tegenwoordigheid van mijn zuster. Hun

eigen goed hart zal hen wel doen inzien, hoe waarlijk wreed het zou

zijn, ten aanhoore van Marianne te laten blijken, dat zij er iets van

weten, en hoe minder er ooit over wordt gesproken tegen mijzelve,

des te liever zal het ook mij zijn, zooals u, lieve mevrouw, licht

zult begrijpen."

"O lieve deugd, ja, dat begrijp ik best. Het moet verschrikkelijk voor

je zijn het gepraat erover aan te hooren, en wat je zuster betreft,

ik zou voor geen geld van de wereld tegen haar een woord erover

zeggen. Je hebt het wel gemerkt; van middag aan tafel deed ik het

ook niet. En dat zouden Sir John en mijn dochters evenmin; want ze

zijn allen heel oplettend en kiesch,--vooral wanneer ik hen nog eens

waarschuw, zooals ik stellig zal doen. Ik vind altijd, hoe minder er

over zulke dingen wordt gepraat, hoe beter, en des te gauwer is 't

weer voorbij en vergeten. En heb je ooit gezien, dat praten ook maar

't geringste goed deed?"

"In dit geval kan het alleen maar kwaad doen;--meer nog misschien

dan in vele dergelijke; want hiermede gingen omstandigheden gepaard,

die het voor alle betrokken partijen hoogst ongewenscht doen zijn,

dat de zaak zoo in 't publiek zou worden besproken. In zóóver moet ik

den Heer Willoughby recht laten weervaren;--hij heeft geen bepaalde

verloving verbroken met mijn zuster."

"Máár, lieve kind! Probeer maar niet, hem te verdedigen. Geen bepaalde

verloving! nu vraag ik je, nadat hij haar Allenham House van binnen

en van buiten heeft laten zien, en de kamers al had uitgekozen,

waarin ze later zouden wonen!"

Elinor kon, ter wille van haar zuster, niet verder op het onderwerp

doorgaan, en zij hoopte, dat dit niet van haar mocht geëischt

worden, om Willoughby te sparen; want door een openbaring van de

volle waarheid had Marianne veel te verliezen, terwijl hij er slechts

weinig bij winnen kon. Nadat beiden een poosje hadden gezwegen, begon

Mevrouw Jennings opnieuw, met al de opgewektheid, die haar van nature

eigen was:

"Nu, lieve kind, 't is een waar woord, van die slechte wind, want

voor Kolonel Brandon is het zooveel te beter. Hij krijgt haar per

slot toch nog; ja ja, dat zul je zien. Let maar eens op, of ze niet

getrouwd zijn eer 't weer zomer is. Och och, wat zal hij blij zijn met

dit nieuwtje. Ik hoop, dat hij komt van avond. 't Zal voor je zuster

in elk opzicht een betere partij zijn. Tweeduizend pond in 't jaar,

zonder schulden of eenig bezwaar;--behalve dan dat dochtertje,--ja,

dat vergat ik; maar dat kan ergens in de leer worden gedaan tegen een

geringe vergoeding,--en wat doet dàt er nu toe? Delaford is een mooi

landgoed, dat kan ik je verzekeren; zoo'n ouderwetsche genoegelijke

buitenplaats, met allerlei gerief en gezelligheden; heel en al

afgesloten door hooge tuinmuren, die begroeid zijn met allerheerlijkste

vruchten, en in een hoek een pracht van een moerbeienboom! Och, och,

wat hebben Charlotte en ik ons genoegen gegeten, dien eenen keer, dat

we er waren! Dan is er een duiventil, een paar aardige vischvijvers,

een mooie waterpartij, alles wat men maar kan wenschen; en daarbij

ligt het heel dicht bij de kerk, en maar een minuut of vijf van den

grooten weg; dus je behoeft je nooit te vervelen, want als je gaat

zitten in een hoog-gelegen taxis-prieel achter 't huis, dan kun je al

de rijtuigen zien, die voorbijkomen. O, 't is een heerlijk huis! De

slager vlak bij, in het dorp, en de pastorie om zoo te zeggen, naast

de deur. Naar _mijn_ zin, duizend maal mooier dan Barton Park, waar

ze hun vleesch drie mijlen ver uit de buurt moeten laten halen, en

geen buren hebben, dichterbij dan je moeder. Nu, ik zal den Kolonel

eens opvroolijken, zoo gauw als ik kan. De een zijn dood is den

ander zijn brood; dat is nu niet anders. Als 't ons nu maar lukt,

om haar Willoughby uit het hoofd te zetten!"

"Ja, als ons _dat_ gelukt, mevrouw," zei Elinor, "dan zullen we er

wel komen, mèt of zonder Kolonel Brandon." Meteen stond zij op en ging

heen, om Marianne op te zoeken, die zij, zooals ze verwachtte, in hun

eigen kamer, zwijgend en bedroefd, bij de smeulende overblijfselen

vond zitten van een klein vuurtje, het eenige dat licht gaf in de

kamer, tot Elinor binnenkwam.

"Laat mij liever alleen," was al wat deze van Marianne kreeg te hooren.

"Ik zal je alleen laten," zei Elinor, "als je naar bed wilt gaan."

Eerst weigerde zij; door haar ongedurige smart tot onredelijk verzet

gedreven. Doch haar zuster's ernstige, hoewel zachte overreding deed

haar weldra gewillig toegeven; Elinor zag haar het pijnlijke hoofd

op het kussen leggen, en bleef wachten tot Marianne, naar zij hoopte,

op den goeden weg was om een weinig rust te genieten.

In den salon, waarheen zij zich daarna had begeven, kwam Mevrouw

Jennings weldra bij haar, met een vol wijnglas in de hand.

"Lieve kind," zei ze, "ik bedacht daar juist, dat ik een paar

flesschen van den besten ouden Malaga-wijn in huis heb, dien je ooit

hebt geproefd,--en nu breng ik je een glas voor je zuster. Zooveel

als mijn arme man daarvan hield. Als hij weer eens geplaagd werd door

een van zijn aanvallen van jicht-koliek, dan zei hij, dat niets ter

wereld hem zoo kon opknappen. Toe, breng dat nu eens aan Marianne."

"Lieve mevrouw," zei Elinor, glimlachend over het verschil van

de kwalen, waarvoor de medicijn werd aanbevolen: "Wat is u toch

vriendelijk! Maar Marianne is juist naar bed gegaan, en nu, hoop ik,

bijna in slaap; en daar ik geloof, dat niets haar zooveel goed kan doen

als rust, wil ik, als u 't goedvindt, den wijn zelf wel opdrinken."

Hoewel het Mevrouw Jennings speet, dat zij er niet vijf minuten eerder

mee was gekomen, had zij vrede met deze schikking, en terwijl Elinor

haar glas uitdronk, dacht zij, ofschoon de goede uitwerking van het

vocht in een geval van jichtkoliek voor haar op het oogenblik van

minder belang was, dat zijn genezend vermogen bij teleurgestelde

liefde met evenveel recht mocht beproefd worden door haar als door

hare zuster.

Kolonel Brandon kwam binnen terwijl zij aan de thee zaten, en uit

de wijze waarop hij in de kamer rondzag naar Marianne, leidde Elinor

aanstonds af, dat hij haar noch verwachtte, noch wenschte daar te zien,

en dat hij reeds op de hoogte was van de oorzaak harer afwezigheid.

Dezelfde gedachte scheen Mevrouw Jennings niet te zijn ingevallen;

want kort na zijn komst liep zij naar de theetafel, waarbij Elinor

gezeten was, en fluisterde: "De Kolonel kijkt even ernstig als altoos;

zie je wel? Hij weet nog niets; vertel jij het hem maar, lieve."

Een poosje later nam hij een stoel vlak bij haar, en vroeg, met een

uitdrukking, die haar de stellige zekerheid schonk, dat hij alles wist,

naar hare zuster.

"Marianne is niet wel," zeide zij. "Zij was den geheelen dag reeds

ongesteld, en we hebben haar overgehaald, naar bed te gaan."

"Misschien," antwoordde hij aarzelend, "is het dus waar, wat ik

van morgen hoorde,--misschien is er meer waarheid in, dan ik eerst

mogelijk had geacht."

"Wat hebt u gehoord?"

"Dat iemand, van wien ik reden had, te denken,--of liever, dat een man,

die ik _wist_ dat verloofd was,--maar hoe moet ik het u vertellen? Als

u het reeds weet, zooals u natuurlijk doet, dan wilt u mij dat wel

besparen."

"U bedoelt," antwoordde Elinor met gedwongen kalmte, "het huwelijk van

den Heer Willoughby met Mejuffrouw Grey. Ja, wij weten nu alles. Dit

schijnt een dag te zijn geweest van algemeene opheldering; want van

morgen pas hebben wij er voor het eerst van gehoord. De Heer Willoughby

is moeilijk te doorzien! Waar hebt u het vernomen?"

"In een boekwinkel in Pall Mall, waar ik iets had te doen. Twee dames

wachtten er op hun rijtuig, en de eene deed aan de andere een verslag

van het voorgenomen huwelijk, waarbij zij zich zoo weinig moeite

gaf, haar stem te dempen, dat ik alles wel moest verstaan. De naam

Willoughby, John Willoughby, herhaaldelijk genoemd, trok het eerst

mijn aandacht, en daarop volgde de stellige verzekering, dat zijn

huwelijk met Mejuffrouw Grey dan nu eindelijk vaststond,--het behoefde

niet langer te worden geheimgehouden--het zou zelfs binnen een paar

weken worden voltrokken, en er werden nog vele bijzonderheden aan

toegevoegd omtrent de voorbereiding en zoo meer. Een ding herinner

ik mij in 't bijzonder, omdat het mij nog duidelijker deed blijken,

wie de bedoelde persoon was;--na de huwelijksvoltrekking zouden zij

naar Combe Magna gaan, zijn landgoed in Somersetshire. U kunt u mijn

verbazing voorstellen! Maar 't zou onmogelijk zijn, te beschrijven

wat ik gevoelde. De spraakzame dame, hoorde ik bij navraag, want ik

bleef in den winkel, tot zij waren vertrokken, was een zekere Mevrouw

Ellison, en dat is de naam, zooals ik later vernam, van Juffrouw

Grey's voogd."

"Dat is waar. Maar hebt u ook gehoord, dat Juffrouw Grey vijftigduizend

pond bezit? Zoo ergens, dan kunnen we dáárin de verklaring vinden."

"Dat kan wel zijn; maar Willoughby is in staat... ten minste ik

denk..." hij zweeg een oogenblik, en voegde er toen bij met een

stem, die van zich zelve niet zeker scheen: "En uw zuster... hoe

vatte zij..."

"Zij heeft het zich ontzaglijk aangetrokken. Ik kan alleen maar hopen,

dat haar hevige smart naar verhouding kort zal duren. Het wàs, en

het _is_ een zware beproeving. Tot gisteren nog, geloof ik, heeft zij

nooit aan zijn genegenheid getwijfeld, en zelfs nù, misschien... maar

ik voor mij ben bijna overtuigd, dat hij haar nooit werkelijk heeft

liefgehad. Hij is zeer onoprecht geweest! en in sommige opzichten

schijnt het, dat hij van nature hardvochtig is."

"Ja waarlijk," zeide Kolonel Brandon; "dat is hij! Maar uw zuster

denkt--ik meen dat u zeide--zij ziet de zaak anders in dan u?"

"U kent haar geaardheid, en u kunt wel begrijpen, hoe bereid zij is,

hem nog in 't gelijk te stellen, als zij dat kon."

Hij gaf geen antwoord, en toen kort daarop het theeservies werd

weggenomen en de speeltafeltjes werden klaargezet, moesten zij het

onderwerp natuurlijk laten varen. Mevrouw Jennings, die met genoegen

naar hen had zitten kijken, terwijl zij aan het praten waren, en die

verwacht had, de uitwerking van Elinor's mededeeling, onmiddellijk

bij Kolonel Brandon te zullen waarnemen in een onstuimige blijdschap,

zooals die gepast zou hebben bij een man in den bloei der jeugd vol

hoop, en vol geluk, zag hem tot haar verbazing den geheelen avond

diep ernstig blijven, en nog meer nadenkend dan gewoonlijk.

Gevoel en verstand · 第 40 / 61 题