Na een nacht, waarin zij meer had geslapen, dan zij verwachtte, werd
Marianne den volgenden morgen wakker met het zelfde bewustzijn van
bitter leed, waarmede zij de oogen had gesloten.
Elinor spoorde haar zooveel mogelijk aan tot uiting van 't geen zij
gevoelde; en vóór het ontbijt reeds hadden zij alles weer lang en
breed besproken; met dezelfde stellige overtuiging en welgemeende
raadgevingen van Elinor's kant, en dezelfde heftige gevoelens en
wisselende meeningen van Marianne's zijde als te voren. Nu eens
beschouwde zij Willoughby als even ongelukkig en even schuldeloos als
zichzelve, en dan weer ontviel haar elke troost door de onmogelijkheid
hem van schuld vrij te pleiten. Het eene oogenblik was het haar
totaal onverschillig of de geheele wereld wist van haar verdriet;
in het andere wilde zij zich voor goed uit die wereld terugtrekken;
en een minuut later meende zij haar krachtig weerstand te kunnen
bieden. In één opzicht bleef zij, als het erop aankwam, zichzelve
gelijk, in het vermijden namelijk, als het eenigszins mogelijk was,
van Mevrouw Jennings' gezelschap, en in een volhardend stilzwijgen,
zoolang zij verplicht was dat te verdragen. Haar hart weigerde
eenvoudig verstokt, te gelooven, dat Mevrouw Jennings zich met iets
als medelijden kon indenken in haar verdriet.
"Neen, neen, neen; dat kàn niet," riep zij uit; "zij kàn niet
voelen. Haar vriendelijkheid is niet sympathie; haar goedhartigheid
is niet teederheid. Al wat zij begeert is een onderwerp voor praatjes,
en ze houdt nu alleen maar van mij, omdat ik haar dat verschaf."
Ook zonder deze uitingen was Elinor reeds genoegzaam overtuigd van
de onbillijkheid in haar oordeel over anderen, waartoe haar zuster
dikwijls werd verleid door de prikkelbare verfijning van haar eigen
geest, en het overdreven gewicht dat zij hechtte aan de kiesche
vooroordeelen van een sterk ontwikkeld gevoelsleven en de bekoring van
uiterlijke wellevendheid. Zooals het meerendeel der menschen, indien
althans het meerendeel zoowel goed als begaafd is, was Marianne,
met uitmuntende vermogens en een uitmuntenden gemoedsaard, noch
redelijk, noch volkomen eerlijk te noemen. Zij verwachtte dat anderen
de zelfde meeningen en gevoelens als zij zelve zouden koesteren, en
zij beoordeelde hunne beweegredenen naar de onmiddellijke uitwerking
hunner handelingen op haarzelve. Zoo viel er thans, terwijl de zusters
na het ontbijt samen op hun kamer waren, weer iets voor, dat Marianne
een nog geringeren dunk deed opvatten van Mevrouw Jennings' goede hart,
omdat het, door haar eigen zwakheid, toevallig een bron van nieuw
leed voor haarzelve bleek, hoewel Mevrouw Jennings in dezen slechts
werd bewogen door een opwelling van de hartelijkste welgezindheid.
Met een brief in haar uitgestrekte hand, en vroolijk glimlachend,
in de overtuiging dat zij troost kwam brengen, trad zij hun kamer
binnen, met de woorden: "Nu, kindje, nu breng ik je toch iets, dat
je stellig goed zal doen."
Marianne had reeds genoeg gehoord. In een oogwenk schilderde haar
verbeelding haar een brief van Willoughby, vol teederheid en berouw,
al het gebeurde verklarend, bevredigend, overtuigend; onmiddellijk
gevolgd door Willoughby zelf, die de kamer haastig kwam binnensnellen,
om aan hare voeten door zijn welsprekende blikken te bevestigen wat
zijn brief haar verzekerde. Dat werk van één oogenblik werd door
het volgende vernietigd. Het handschrift van haar moeder, tot nog toe
nimmer onwelkom, lag vóór haar, en in de scherpte dezer teleurstelling,
volgend op eene verrukking, die méér was dan hoop, had zij een gevoel,
alsof zij tot op dit oogenblik nog niet geleden had.
De wreedheid van Mevrouw Jennings zou door geen woorden, waarover
zij beschikte in haar meest welsprekende oogenblikken, kunnen zijn
uitgedrukt, en thans kon zij haar enkel beschuldigen door de tranen,
die haar met hartstochtelijke heftigheid uit de oogen stroomden--een
beschuldiging, die echter het voorwerp ervan zóó volkomen ontging,
dat zij, na veel betuigingen van medelijden, heenging, nog steeds
verwijzend naar den brief, die ongetwijfeld troost zou schenken. Doch
de brief bracht weinig troost, toen zij voldoende bedaard was, om dien
te kunnen lezen. Iedere bladzijde was vol van Willoughby. Haar moeder,
nog steeds in de meening, dat zij verloofd was, en even vast als
altijd bouwend op zijn trouw, was door Elinor's vraag slechts bewogen,
Marianne te smeeken om grootere openhartigheid jegens hen beiden,
en zij deed dit met zooveel teederheid jegens haar, zoo oprechte
genegenheid voor Willoughby, en een zoo stellige verzekerdheid
van hun toekomstig geluk in en door elkander, dat Marianne onder
het lezen het uitsnikte van duldelooze pijn. Al haar ongeduldig
verlangen om weer thuis te zijn keerde thans terug; haar moeder was
haar dierbaarder dan ooit,--dierbaarder juist door dat overdreven,
schoon misplaatst vertrouwen in Willoughby, en zij drong onstuimig aan
op hun vertrek. Elinor, zelf niet in staat te beslissen, of het beter
voor Marianne zou zijn, te Londen te blijven of naar Barton te gaan,
kon geen anderen raad geven, dan geduld te oefenen tot zij wisten,
wat hun moeder wenschte, en ten slotte verkreeg zij haar zuster's
toestemming, te wachten, tot die wensch hun bekend zou zijn.
Mevrouw Jennings liet hen vroeger dan gewoonlijk alleen; want zij had
geen rust eer de Middletons en de Palmers in haar verdriet zouden
kunnen deelen; zij weigerde beslist, toen Elinor aanbood haar te
vergezellen, en ging dien morgen alleen uit. Elinor ging met een
bezwaard gemoed, wetend dat haar mededeeling verdriet zou veroorzaken,
en uit Marianne's brief wel bespeurend, hoe weinig zij erin geslaagd
was, op dit verdriet eenigermate voor te bereiden, aan haar moeder
zitten schrijven, wat er gebeurd was, en haar vragen, wat hun verder
te doen stond; terwijl Marianne, die na Mevrouw Jennings' vertrek
in den salon was gekomen, bij de tafel ging zitten, waaraan Elinor
schreef, ziende naar het voortbewegen van haar pen, haar beklagend
om de moeilijkheid van zulk een taak, en nog inniger bedroefd om den
indruk, dien het schrijven moest wekken bij hare moeder.
Zoo hadden zij ongeveer een kwartier samen gezeten, toen Marianne,
wier zenuwen geen onverwacht geluid konden verdragen, opschrikte door
een kloppen aan de voordeur.
"Wie kan daar zijn?" riep Elinor, "Zoo vroeg al! Ik dacht, dat we _nu_
toch veilig waren."
Marianne ging naar het venster.
"'t Is Kolonel Brandon!" zei ze geërgerd. "Voor hèm zijn we nooit
veilig."
"Hij zal niet boven komen, nu Mevrouw Jennings uit is."
"Dáár reken ik niet op," zei Marianne, naar haar eigen kamer
gaande. "Een man die met zijn eigen tijd geen raad weet, ziet er geen
bezwaar in, beslag te leggen op dien van een ander."
Het bleek dat haar gissing juist was geweest, hoewel gegrond op een
onbillijke en onware voorstelling; want Kolonel Brandon kwàm binnen;
en Elinor die overtuigd was, dat bezorgdheid over Marianne hem hierheen
voerde, en die bezorgdheid zag in zijn onrustigen en treurigen blik,
en hoorde in zijn angstige, doch korte vraag naar haar, kon het haar
zuster niet vergeven, dat zij hem zoo gering schatte.
"Ik ontmoette Mevrouw Jennings in Bond Street," zeide hij na de eerste
begroeting, "en zij spoorde mij aan, hierheen te gaan. Ik liet mij
te eerder daartoe aansporen, omdat ik het waarschijnlijk achtte,
dat ik u hier alleen zou vinden, wat ik ten zeerste verlangde. Mijn
bedoeling,--mijn wensch--mijn eenige wensch, naar ik hoop en geloof,
is deze,--mede te werken om troost te schenken,--neen, ik moet niet
zeggen troost,--althans geen onmiddellijke troost,--maar overtuiging,
een vaste overtuiging, en zekerheid voor uw zuster's gemoed. Mijn
genegenheid voor haar, voor uzelve, voor uwe moeder,--wilt u mij
toestaan deze te bewijzen, door u het een en ander mede te deelen,
dat door niets dan een zéér oprechte genegenheid,--niets dan een
innigen wensch om mij nuttig te maken... ik geloof, dat ik in mijn
recht ben;--doch is er niet eenige reden, te vreezen dat ik ongelijk
heb; daar ik vele uren heb moeten doorbrengen met pogingen om mijzelf
te rechtvaardigen?..." Hij zweeg.
"Ik begrijp u wel," zeide Elinor, "U hebt mij iets te vertellen
omtrent den Heer Willoughby, dat een helderder licht zal werpen op
diens karakter. U zult daardoor Marianne den grootsten vriendendienst
bewijzen. _Mijne_ dankbaarheid wint u onmiddellijk door elke
mededeeling van dien aard; de hare zult u mettertijd daardoor
verwerven. Ik vraag u dringend, ik bid u, zeg mij wat het is."
"Dat zal ik, en om kort te zijn, toen ik Barton in October
verliet... maar zóó zult u het niet begrijpen. Ik moet verder
teruggaan. U zult mij een zeer onhandig spreker vinden, juffrouw
Dashwood; ik weet haast niet, waar te beginnen. Ik geloof, dat het
noodig zal zijn, in 't kort een en ander van mijzelf te vertellen,
en dàt verslag zàl kort zijn. Dàt onderwerp," voegde hij erbij met
een zwaren zucht "lokt niet uit tot bijzondere uitvoerigheid."
Hij wachtte een oogenblik, om zijn gedachten te verzamelen, en ging
toen, nogmaals zuchtend, voort: "Waarschijnlijk herinnert u zich in
het geheel niet meer een gesprek (het is moeilijk te veronderstellen,
dat het eenigen indruk op u zou maken)--een gesprek tusschen ons
op zekeren avond te Barton Park--het was bij gelegenheid van een
danspartij,--waarin ik zinspeelde op een dame, die ik vroeger had
gekend, en die in menig opzicht op uwe zuster Marianne geleek."
"Welzeker," antwoordde Elinor, "ik herinner het mij zéér goed." Het
scheen hem genoegen te doen, dit te hooren, en hij ging voort.
"Als ik mij niet laat misleiden door de onzekerheid, de partijdigheid
eener teedere herinnering, dan bestaat tusschen hen beiden een
sterke gelijkenis, zoowel innerlijk als uiterlijk,--dezelfde warmte
van hart, dezelfde vurigheid van verbeelding en geest. Deze dame
was eene mijner naaste bloedverwanten, reeds jong wees geworden,
en onder de voogdijschap van mijn vader geplaatst. Wij waren bijna
even oud, en van jongsaf speelgenooten en vrienden. Ik kan mij den
tijd niet herinneren, waarin ik Eliza niet liefhad; en toen wij
ouder werden, was mijn genegenheid voor haar zoo innig, dat u, die
mij beoordeelt naar mijn tegenwoordigen triesten en vreugdeloozen
ernst, mij wellicht niet tot zulk een sterk gevoel in staat zoudt
kunnen achten. Haar liefde voor mij was, geloof ik, vurig als die
van uwe zuster voor den Heer Willoughby, en niet minder ongelukkig,
al was het door eene andere oorzaak. Toen zij zeventien jaren was,
moest ik haar voor altijd verliezen. Zij trouwde--werd tegen haar zin
uitgehuwelijkt aan mijn broeder. Haar fortuin was aanzienlijk en ons
familiegoed stak diep in schulden. Dat is alles, vrees ik, wat gezegd
kan worden ter vergoelijking van het gedrag van hem, die haar oom
en voogd was. Mijn broeder verdiende haar niet; hij had haar zelfs
niet lief. Ik had gehoopt, dat haar genegenheid voor mij haar onder
alle moeilijkheden zou staande houden, en een tijdlang was dit ook
zoo;--doch op den duur kon haar standvastigheid geen weerstand bieden
aan de smart die zij moest verduren; want zij werd zeer hard behandeld,
en hoewel zij mij had beloofd, dat niets... maar hoe ongeregeld is
mijn verhaal! Ik heb u nog niet verteld, hoe het zoover kwam. Slechts
enkele uren voor wij te zamen wilden vluchten naar Schotland, werden
wij verraden door het bedrog of de domheid van de kamenier mijner
nicht. Ik werd verbannen naar het huis van een zeer veraf wonenden
bloedverwant en haar werd alle vrijheid, alle omgang, elk vermaak
ontzegd, tot mijn vader zijn zin had gekregen. Ik had te veel op haar
kracht vertrouwd, en de slag trof mij zwaar;--doch als haar huwelijk
gelukkig was geweest, dan had ik mij, zoo jong als ik toen was, er
na eenige maanden mede moeten verzoenen; of ik had het althans nu
niet behoeven te betreuren. Maar dat was niet het geval. Mijn broeder
had haar niet lief; hij jaagde ongeoorloofde genoegens na, en van den
beginne af heeft hij haar hard behandeld. Maar al te natuurlijk waren
de gevolgen van die behandeling, in hun uitwerking op een geest, zoo
jong, zoo levendig, zoo onervaren als die van Mevrouw Brandon. In het
begin droeg zij gelaten haar ellende, en het zou gelukkig zijn geweest,
zoo zij gestorven ware, eer zij de droefheid verwon, die de herinnering
aan mij in haar placht te wekken. Maar is het vreemd, dat zij ten val
werd gebracht, met een echtgenoot, die haar uitlokte tot ontrouw, en
zonder één vriend, die haar raden of weerhouden kon? (want mijn vader
stierf een paar maanden na hun huwelijk, en ik was met mijn regiment
in Indië). Was ik in Engeland gebleven, misschien... doch ik meende
beider geluk te bevorderen door haar voor lange jaren te verlaten,
en met dat doel had ik om overplaatsing verzocht. De schok, dien
ik ondervond bij het vernemen van haar huwelijk," ging hij voort,
met een stem, die zijn heftige ontroering verried, "was gering,
was niets,--vergeleken bij wat ik voelde, toen ik twee jaren later
hoorde, dat zij gescheiden was. Dàt was het, dat mij zoo somber deed
worden--zelfs nu is de herinnering aan wat ik geleden heb..." Hij kon
niet voortgaan, stond haastig op, diep aangedaan door zijn verhaal,
en nog meer door zijn smartelijke ontroering, kon niet spreken. Hij
zag, hoe bewogen zij was, vatte hare hand, drukte die en kuste ze
met dankbaren eerbied. Na nog een paar minuten, waarin hij zich in
stilte vermande, kon hij bedaarder voortgaan.
"Drie jaren bijna waren verstreken na die droeve dagen, eer ik naar
Engeland terugkeerde. Mijn eerste gedachte, bij mijne aankomst,
was natuurlijk, haar te zoeken; maar de pogingen daartoe waren zoo
vruchteloos als diep bedroevend. Ik kon niet ontdekken, wat er van
haar was geworden, nadat zij door haar eersten verleider was verlaten,
en er bestond alle reden, te vreezen, dat zij steeds dieper gezonken en
tot een leven van zonde vervallen was. Het jaargeld, haar door de wet
toegezegd, was niet evenredig aan haar fortuin, noch voldoende voor
haar behoorlijk onderhoud, en ik vernam van mijn broeder, dat eenige
maanden geleden het recht om het in ontvangst te nemen aan een ander
was afgestaan. Hij vermoedde, en kon dat vermoeden kalm uitspreken,
dat haar verkwisting en hieruit voortvloeiende armoede haar hadden
genoodzaakt, het op te geven om voorloopig uit den dringendsten
nood te geraken. Eindelijk echter, toen ik reeds zes maanden in
Engeland was geweest, heb ik haar tòch gevonden. Uit gehechtheid
aan een vroegeren bediende, die in het ongeluk was geraakt, zocht
ik dezen man op in een schuldgevangenis, waar hij wegens schulden in
hechtenis werd gehouden, en hier in dat zelfde huis, en in dergelijke
omstandigheden, trof ik haar aan, mijn ongelukkige pleegzuster. Zoo
veranderd--zoo vervallen--zoo uitgeteerd door hevig lijden naar
lichaam en ziel! Ternauwernood kon ik gelooven, dat dit droeve,
door ziekte ondermijnde schepsel eens het beminnelijke, bloeiende,
gezonde meisje was geweest, waarmede ik gedweept had, Hoe ik leed,
toen ik haar zóó moest aanschouwen--maar ik heb het recht niet uw
gevoelens te kwetsen door te pogen dat te beschrijven--ik deed u
reeds te veel verdriet. Dat zij, het bleek maar al te duidelijk,
in het laatste stadium van de tering was, schonk mij,--ja in deze
omstandigheden moest het mij troost schenken. Haar bood het leven
niets meer, dan tijd zich beter voor te bereiden op den dood, en
deze werd haar geschonken. Ik zorgde dat zij goed werd gehuisvest, en
zorgvuldig verpleegd; ik bezocht haar iederen dag, zoolang haar korte
leven nog moest duren; ik was bij haar in haar laatste oogenblikken."
Weer zweeg hij, om zijn aandoening meester te worden, en Elinor uitte
haar gevoel in een uitroep vol van het teederste medelijden met het
lot zijner beklagenswaardige vriendin.
"Het zal uwe zuster, hoop ik, niet kunnen kwetsen," zeide hij, "dat
ik mij verbeeldde, een zekere gelijkenis te zien tusschen haar en
mijne arme, onteerde bloedverwante. Hun lot, hunne ervaringen kunnen
niet dezelfde zijn, en had de van nature beminnelijke geaardheid
der laatste steun ontvangen door een krachtiger wil of door een
gelukkiger huwelijk, dan zou zij alles hebben kunnen zijn, wat uwe
zuster in de toekomst belooft te worden.--Doch waartoe leidt dit
alles? Het schijnt alsof ik u voor niets heb bedroefd. Ach,--een
onderwerp als dit,--veertien jaren onaangeroerd gebleven--het is
gevaarlijk het zelfs maar ter sprake te brengen! Maar ik _wil_
geregelder verhalen--beknopter zijn. Zij vertrouwde aan mijne zorg
haar eenig kindje, een meisje, de vrucht van hare eerste schuldige
verbintenis, dat toen omstreeks drie jaren oud was. Zij had het kind
lief, en het was altijd bij haar gebleven. Voor mij was deze opdracht
waardevol en kostbaar, en gaarne zou ik mij ervan hebben gekweten in
den meest volledigen zin, door zelf te waken over hare opvoeding,
indien de omstandigheden dit hadden veroorloofd; maar ik had geen
gezin, geen tehuis; en dus werd mijn kleine Eliza naar eene school
gebracht. Ik ging haar bezoeken, zoo dikwijls ik kon, en na den dood
van mijn broeder omstreeks vijf jaar geleden, waardoor ik eigenaar
werd van ons familiegoed, kwam zij dikwijls bij mij te Delaford. Het
heette, dat zij verre familie van mij was; maar ik weet zeer goed, dat
men in 't algemeen mij verdacht van een veel nadere verwantschap. Nu
drie jaar geleden (zij was toen veertien) nam ik haar van school, om
haar onder de hoede te plaatsen van eene zeer achtenswaardige dame
in Dorsetshire, die zich belast had met de opvoeding van nog vier
of vijf andere meisjes van denzelfden leeftijd, en gedurende twee
jaren had ik alle reden om tevreden te zijn met deze schikking. Doch
in Februari van het vorige jaar, nu bijna een jaar geleden, was zij
plotseling verdwenen. Ik had haar toegestaan (onvoorzichtig, zooals
later bleek) op haar dringend verlangen, naar Bath te gaan met eene
harer vriendinnen, die haar zieken vader daar moest verplegen. Ik
wist dat hij een goede man was, en had ook een gunstige meening
opgevat omtrent zijne dochter, beter dan zij verdiende; want in
haar koppige en onverstandige zucht tot geheimhouding, wilde zij
ons niets vertellen, en geen enkele inlichting verstrekken, ofschoon
zij stellig alles wist. Haar vader zelf, een goedhartige, maar ver
van scherpziende man, kon mij werkelijk niets mededeelen; want hij
was aan huis gebonden geweest, terwijl de meisjes alleen in de stad
zwierven, en kennis maakten met wie ze verkozen; en hij poogde mij te
overtuigen, even stellig als hij zelf daarvan doordrongen was, dat
zijne dochter niets van de zaak afwist. Om kort te gaan, ik vernam
niets dan dat zij weg was, al het overige bleef onzeker, acht volle
maanden lang. Wat ik dacht, wat ik vreesde, kunt u zich voorstellen,
en hoe ik leed, eveneens."
"O!" riep Elinor, "is het mogelijk! Kon Willoughby..."
"Het eerste bericht van haar, dat ik ontving," ging hij voort,
"bereikte mij in een brief van haarzelve in October l.l. Deze werd
mij uit Delaford opgezonden, en ik ontving dien juist op den morgen
van ons voorgenomen tochtje naar Whitwell. Dat was de reden van
mijn plotseling vertrek uit Barton, dat toen iedereen, zooals ik
wel begreep, zeer vreemd voorkwam, en dat sommigen mij, geloof ik,
kwalijk hebben genomen. Weinig vermoedde de Heer Willoughby, denk
ik, toen zijn blikken mij mijne onbeleefdheid verweten, omdat ik
het voorgenomen uitstapje bedierf, dat mijne hulp werd ingeroepen
door iemand, die hij tot armoede en ellende had doen vervallen;
maar wat zou het hebben gebaat, _indien_ hij het wist? Zou hij zich
minder vroolijk of gelukkig hebben gevoeld door den glimlach van uw
zuster? Neen; want hij had reeds gedaan, wat geen man zou _kunnen_
doen, die voor anderen kan gevoelen. Hij had het jonge, ónschuldige
meisje, dat hij had verleid, achtergelaten in een wanhopigen toestand,
zonder behoorlijk tehuis, zonder hulp, zonder vrienden, zonder haar
zijn adres op te geven! Hij verliet haar met de belofte te zullen
terugkeeren; hij kwam niet terug, schreef niet, verleende geen hulp."
"Dat is beneden alles!" riep Elinor uit.
"Thans kent u zijn waren aard;--verkwistend, losbandig, en erger
dan dat. Denk eens wat ik, dit alles wetend, zooals ik het reeds
wekenlang geweten heb, moest gevoelen, toen ik zag, dat uwe zuster hem
nog steeds liefhad, en toen ik hoorde, dat zij met hem ging trouwen;
wat ik gevoelde om u aller wil. Toen ik de vorige week kwam en u alleen
vond, was ik vastbesloten, de waarheid te vernemen, ofschoon nog niet
zeker, wàt te doen, wanneer ik die vernomen hàd. Mijn gedrag moet u
toen vreemd zijn voorgekomen; doch nu zult u het begrijpen. U allen
zoo misleid te weten; uw zuster te zien... maar wat kon ik doen? Ik
had geen hoop, dat mijn tusschenkomst iets zou baten, en soms dacht ik,
dat uw zuster's invloed hem nog ten goede zou kunnen bewegen. Doch wie
zal zeggen, na deze schandelijke behandeling, wat hij wellicht met haar
heeft voorgehad? Wat ook zijn bedoelingen mogen geweest zijn, zij kan
nu, en zàl ongetwijfeld later, haar eigen toestand met dankbaarheid
beschouwen, wanneer zij dien vergelijkt met het lijden mijner arme
Eliza; wanneer zij denkt aan de treurige, hopelooze omstandigheden,
waarin dit arme meisje verkeert, en zich haar voorstelt, hem even
innig, ook thans nog, liefhebbend als zij zelve en daarbij gekweld
door een zelfverwijt dat van levenslangen duur zal zijn. Stellig
zal die vergelijking haar ten goede komen. Zij zal gevoelen dat haar
eigen leed als niets is. Het vond zijn oorsprong in geen wangedrag,
en kan geen blaam op haar werpen. Integendeel, ieder die te voren
haar vriend was, wordt het thans des te meer. Medelijden met haar
verdriet, en eerbied voor de kracht, waarmede zij het draagt, moeten
elke genegenheid versterken. Ik laat echter aan uw eigen oordeel over,
wat u haar wilt mededeelen van 't geen ik u verteld heb. U weet het
best wat de uitwerking ervan zal zijn; doch als ik niet oprecht en
uit den grond van mijn hart had geloofd, dat het haar ten goede zou
kunnen komen, haar droefheid zou kunnen doen verminderen, dan zou ik
mijzelf niet hebben veroorloofd, u lastig te vallen met dit relaas
van mijn treurige familie-omstandigheden; met een verhaal, dat den
schijn zou kunnen wekken, alsof ik mijzelf ten koste van anderen had
willen verheffen."
Elinor betuigde hem met ernstigen nadruk dank voor deze woorden, en
verzekerde hem, dat zij voor Marianne van zijne mededeeling werkelijk
veel goeds verwachtte. "Haar pogingen om hem vrij te spreken," zeide
zij, "deden mij het allermeest verdriet; want zij doen haar meer kwaad
dan de stelligste overtuiging van zijn onwaardigheid. Nu geloof ik,
dat zij, hoewel ze in het begin erdoor zal lijden, spoedig veel meer
getroost zal zijn.--Hebt u", ging zij na een kort stilzwijgen voort,
"den Heer Willoughby nog weer ontmoet sedert uw vertrek uit Barton?"
"Ja," antwoordde hij ernstig, "eenmaal. Eene ontmoeting was
onvermijdelijk."
Elinor, verschrikt door zijn toon, zag hem angstig aan, en zeide:
"Wat? hebt u met hem..."
"Er was geen andere uitweg. Eliza had mij, hoewel zeer ongaarne, den
naam van haar minnaar bekend; en toen hij naar de stad terugkeerde,
veertien dagen later dan ik, hebben wij geduelleerd; hij om zich te
verdedigen, ik om zijn gedrag te straffen. Wij werden geen van beiden
gewond, en dus is de zaak niet ruchtbaar geworden."
Elinor zuchtte over de gewaande noodzakelijkheid van zulk een
handelwijze; doch zij waagde niet tegenover een man en een militair,
hare afkeuring ervan te uiten.
"Zoo droevig" zeide Kolonel Brandon, na een poos van zwijgen, "was
de gelijkenis tusschen het lot van moeder en dochter! en zóó ben ik
tekort geschoten in de mij toevertrouwde taak!"
"Is zij nog in de stad?"
"Neen, zoodra zij hersteld was na haar bevalling, die aanstaande was
toen ik haar vond, heb ik haar met het kind naar buiten gezonden,
en daar zal zij blijven." Toen hij zich spoedig daarna herinnerde,
dat hij Elinor misschien belette zich bij haar zuster te voegen,
nam hij afscheid, en na nogmaals haar erkentelijke dankbetuiging te
hebben ontvangen, verliet hij haar, vervuld van medelijden en achting
voor hem.