De inhoud van haar laatste schrijven luidde:
"Wat moet ik uit je houding van gisteravond afleiden,
Willoughby? Nogmaals vraag ik je om eene verklaring
ervan. Ik was op het punt je te begroeten met een
blijdschap, die natuurlijk was, na onze lange scheiding,
met de vertrouwelijkheid, waartoe onze intieme omgang te
Barton mij het recht scheen te verleenen, en hoe werd ik
teruggestooten! Ik heb een ellendigen nacht doorgebracht,
steeds pogend een gedrag te verontschuldigen, dat bijna niet
anders dan beleedigend mag genoemd worden; maar al ben ik
er niet in geslaagd eenige redelijke verontschuldiging te
vinden voor je houding, ik blijf toch bereid, te vernemen,
welke verdediging je kunt aanvoeren voor je gedrag. Misschien
heb je, door misverstand of boos opzet, iets omtrent mij
gehoord, waardoor je een minder goede meening omtrent mij
hebt opgevat. Zeg mij dan wat dat is, verklaar de reden,
waarom je zóó handelde, en wanneer ik je dan voldoening
heb kunnen schenken, zal ik zelve zijn voldaan. Bitter
zou het mij grieven, kwaad van je te denken; maar wanneer
ik daartoe zal moeten worden genoodzaakt; wanneer ik moet
vernemen, dat je niet degene waart, voor wien wij je tot
nog toe hebben gehouden, dat je schijnbare genegenheid voor
ons allen onoprecht was, dat je gedrag jegens mij slechts
misleiding ten doel had;--laat dit dan zoo spoedig mogelijk
worden uitgesproken. Op het oogenblik verkeer ik in een
treurig geslingerden toestand; ik wensch je vrij te spreken;
maar zekerheid, hoe dan ook, zal rust zijn, vergeleken bij
wat ik thans lijd. Wanneer je gevoelens niet langer zijn
als voorheen, verwacht ik dat je mijn brieven terugzendt,
met de lok van mijn haar, die in je bezit is. M. D."
Dat brieven als deze, zoo vol van genegenheid en vertrouwen, zóó
hadden kunnen worden beantwoord, zou Elinor, om Willoughby te sparen,
ongaarne hebben geloofd. Maar haar afkeuring van zijn gedrag verblindde
haar niet voor het ongepaste in het feit van Marianne's schrijven zelf;
en in stilte betreurde zij de onvoorzichtigheid, die gewaagd had, zich
dergelijke ongevraagde uitingen van teederheid te laten ontvallen,
geenszins gewaarborgd door het vroeger voorgevallene, en door de
uitkomst op de meest verpletterende wijze gelogenstraft; toen Marianne,
ziende dat zij de brieven had gelezen, opmerkte, dat er niets in stond,
dan wat ieder ander in haar omstandigheden zou geschreven hebben.
"Ik voelde mijzelve," voegde zij erbij, "even plechtig aan hem
verbonden, alsof de wet onze verbintenis bezegeld had."
"Dat geloof ik graag," zei Elinor, "maar hij dacht er ongelukkig zoo
niet over."
"Dat deed hij wèl, Elinor--weken achtereen heeft hij dat gevoeld. Ik
weet het stellig. Wàt hem nu ook heeft doen veranderen (en dat
kan niet anders zijn dan de vuigste verdachtmaking, tegen mij
aangewend), eens was ik hem zoo dierbaar als mijn eigen hart slechts
kon verlangen. Hoe vurig heeft hij mij gesmeekt om die haarlok,
die hij thans zoo onverschillig kan teruggeven! Als je toen zijn
blik en houding hadt gezien, zijn stem hadt kunnen hooren! Heb je
dien laatsten avond van ons samenzijn vergeten, in Barton? En dien
morgen van het afscheid! Toen hij mij zeide, dat het weken zou kunnen
duren, eer we elkaar weerzagen--zijn verdriet--zal ik het ooit kunnen
vergeten?" Een oogenblik kon zij niet voortgaan met spreken; doch
toen hare ontroering was bedaard, voegde zij erbij, op vasteren toon:
"Elinor, ik ben wreed behandeld; maar niet door Willoughby."
"Maar lieve Marianne; door wien anders? Wie kan hem tegen je hebben
opgezet?"
"De geheele wereld, eerder dan zijn eigen hart. Ik zou eerder gelooven
dat al mijn bekenden hadden samengespannen, om mij in zijn oogen te
vernederen, dan zijn natuur in staat te achten tot een dusdanige
wreedheid. Die vrouw, waarover hij schrijft, wie ze dan ook moge
zijn,--of... ja, ieder, behalve jij, mijn beste zuster, mama en Edward,
kan zoo hardvochtig wreed zijn geweest, mij te belasteren. Is er,
behalve jelui drieën, een schepsel ter wereld, dat ik niet eerder
van kwaad zou verdenken dan Willoughby, wiens hart ik zóó wel ken?"
Elinor wilde niet met haar redetwisten, en antwoordde alleen: "Wie
je dan ook zoo verfoeilijk vijandig gezind mochten zijn, beroof hen
van hun kwaadaardige zegepraal, mijn lieve zuster, door te toonen,
hoe fier de bewustheid van eigen onschuld en goede bedoelingen je het
hoofd omhoog doet heffen. 't Is een gegronde en prijzenswaardige trots,
die dergelijke kwaadwilligheid weet te weerstaan."
"Neen, neen," riep Marianne, "verdriet als het kent geen trots. Ieder
mag weten, dat ik ongelukkig ben. Laat de geheele wereld den triomf
genieten, mij zoo te zien. Elinor, Elinor, zij die weinig lijden, mogen
zoo trotsch en onafhankelijk zijn als ze willen--mogen beleedigingen
weerstaan, vernederende kwelling vergelden,--ik kan het niet. Ik moet
voelen--ik moet lijden--laat dan genieten van eigen zelfbewustzijn,
wie het vermag."
"Maar om moeder's, om mijnentwil..."
"Zou ik meer doen, dan voor mijzelve. Toch, gelukkig te schijnen,
wanneer ik mij zoo wanhopig voel... O, wie kan dat verlangen?"
Weer zwegen beiden. Elinor bleef voortdurend, diep in gedachten,
heen en weer wandelen van den haard naar het venster, van het venster
naar den haard, zonder te bespeuren dat die haard warmte gaf, of dat
zij voorwerpen kon onderscheiden buiten dat venster; en Marianne,
op het voeteneind van het ledikant gezeten, met haar hoofd tegen
een der stijlen geleund, nam weer Willoughby's brief op, herlas
huiverend iederen zin, en riep uit: "Het is te veel! O Willoughby,
Willoughby, kon je _dit_ schrijven? Het is wreed--wreed; niets kan je
vrijspreken. Neen, Elinor, niets. Wat hij ook voor kwaad van mij mocht
hebben gehoord, had hij niet moeten aarzelen, eer hij daaraan geloof
sloeg? Had hij het mij niet moeten vertellen, mij in staat stellen
mij zelve vrij te pleiten? "De haarlok" (las zij uit den brief) "die
gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken"--dat
is onvergefelijk. Willoughby, waar was je hart, toen je die woorden
schreef? O, de hardvochtigheid van die beleediging!--Elinor, is er
eenige rechtvaardiging te vinden van zijn gedrag?"
"Neen, Marianne; geen enkele."
"En toch, deze vrouw,--wie weet hoe listig zij geweest is--hoe lang
van te voren zij haar plannen had beraamd, en hoe behendig zij ze
heeft weten uit te voeren! Wie is zij?--Wie kan ze zijn? Wie beschreef
hij ooit onder de dames van zijn kennis als jong en aantrekkelijk? O
niemand, niemand--tegen mij sprak hij over mijzelve alleen."
Weer volgde een poos van stilte; Marianne was heftig
bewogen;--eindelijk zei ze:
"Elinor, ik moet naar huis. Ik moet mama gaan troosten. Kunnen we
morgen niet gaan?"
"Morgen, Marianne?"
"Ja; waarom zou ik hier blijven? Ik kwam alleen om Willoughby;--en
wie geeft hier nu om mij? Wie draagt mij een goed hart toe?"
"Het zou onmogelijk zijn, morgen al te gaan. We zijn Mevrouw
Jennings meer dan beleefdheid verschuldigd, en de eenvoudigste
beleefdheidsregelen zouden zulk een overhaast vertrek verbieden."
"Nu, dan een paar dagen nog; maar ik kan hier niet lang meer
blijven; ik kan de vragen en opmerkingen van al die menschen niet
verdragen. De Middletons en de Palmer's--hoe zal ik hun medelijden
kunnen verduren? Medelijden van een vrouw als Lady Middleton!--O... wat
zou _hij_ daarvan zeggen!"
Elinor gaf haar den raad, weer te gaan liggen, en een oogenblik
deed zij dat ook; maar zij kon in geen enkele houding rust vinden
en in haar pijnigende gejaagdheid naar lichaam en geest bleef zij
voortdurend in beweging, tot zij zoo zenuwachtig werd, dat haar zuster
haar slechts met moeite in bed kon houden, en een oogenblik bang was,
dat zij vreemde hulp zou moeten inroepen. Een paar lavendeltabletten,
die Elinor haar eindelijk overreedde, in te nemen, kalmeerden haar
een weinig, en daarna bleef zij, tot Mevrouw Jennings terugkwam,
stil en zonder zich meer te bewegen, op het bed liggen.