HOOFDSTUK XXIX

Eer het kamermeisje den volgenden morgen het vuur in hun haard had

aangelegd, of de zon eenige kracht had gewonnen aan het begin van den

kouden, somberen Januaridag, lag Marianne, slechts half gekleed, op de

knieën bij de vensterbank te schrijven, terwille van het weinigje licht

dat naar binnen viel, zoo snel als haar aanhoudend vloeiende tranen

het haar vergunden. Elinor, door haar zenuwachtig snikken uit den

slaap gewekt, zag haar in die houding, en zei, na het een korte poos

zwijgend en angstig te hebben aangezien, op een toon, waarin al haar

zachte meewarigheid zich uitsprak: "Marianne, mag ik een vraag doen?"

"Neen, Elinor," antwoordde zij; "vraag maar niets; je zult spoedig

alles weten."

De soort van wanhopige kalmte, waarmede die woorden werden geuit,

duurde niet langer dan het oogenblik waarin ze werden uitgesproken,

en werd onmiddellijk gevolgd door een nieuwe uitbarsting van heftige

droefheid. Het duurde eenigen tijd eer zij kon voortgaan met haar

brief, en de telkens herhaalde vlagen van smart die haar noodzaakten

bij tusschenpoozen de pen neer te leggen, bewezen duidelijk genoeg,

dat zij besefte, hoe meer dan waarschijnlijk het was, dat zij voor

de laatste maal schreef aan Willoughby.

Elinor bewees haar elke kalme en onopvallende vriendelijkheid, die in

haar vermogen was; en zij zou gaarne gepoogd hebben haar nog meer te

troosten en tot bedaren te brengen, als Marianne haar niet gesmeekt

had, met al den aandrang van iemand, wier zenuwen tot het uiterste

zijn geprikkeld, in geen geval een woord tegen haar te zeggen. Onder

die omstandigheden was het beter voor beiden, niet lang achtereen

samen te zijn; en Marianne's rusteloosheid belette haar niet alleen,

ook maar een oogenblik in de kamer te blijven, nadat zij zich gekleed

had; doch deed haar, die tegelijk behoefte had aan eenzaamheid en

voortdurende verandering van plaats, tot aan het ontbijt door het

huis zwerven, terwijl zij elke ontmoeting ontweek.

Aan het ontbijt at zij niets, en deed ook geen poging iets te eten;

zoodat Elinor's aandacht slechts gericht kon zijn op één doel: niet

bij haar aandringen, niet haar beklagen, niet op haar letten, doch

alleen maar trachten te zorgen, dat Mevrouw Jennings enkel notitie

nam van haarzelf.

Daar Mevrouw Jennings graag en goed ontbeet, duurde de maaltijd lang,

en zij gingen juist, na afloop ervan, aan de gemeenschappelijke

werktafel zitten, toen Marianne een brief werd overhandigd, dien

zij haastig aannam, en waarmede zij, plotseling doodsbleek wordend,

onmiddellijk de kamer uitliep. Elinor, die hieruit even stellig

opmaakte, alsof zij het adres had gezien, dat de brief van Willoughby

kwam, voelde zich op eens zóó zenuwachtig worden, dat zij haar hoofd

bijna niet kon ophouden, en beefde zoo erg, dat zij vreesde, Mevrouw

Jennings' aandacht ditmaal niet te kunnen ontgaan. Het goede mensch

zag echter niet anders, dan dat Marianne een brief van Willoughby

had gekregen, 't geen zij uitermate grappig vond, en als zoodanig

behandelde, door lachend haar hoop te uiten, dat er goed nieuws in

stond. Zij was veel te druk bezig met het meten der draden wol,

waarvan zij een haardkleedje knoopte, om iets te bespeuren van

Elinor's ontroering; en zoodra Marianne was heengegaan, praatte zij

kalmpjes door: "Ik kan je verzekeren, dat ik nog nooit in mijn leven

een meisje zoo tot over de ooren verliefd heb gezien. De mijnen waren

niet half zoo erg, en die stelden zich toch óók mal aan; maar die

Marianne is letterlijk op haar hoofd gezet. Ik hoop van harte, dat

hij haar niet lang meer laat wachten, want 't is treurig om te zien,

zoo ellendig ziet zij eruit. Wanneer gaan ze nu trouwen?"

Hoewel Elinor nooit zóó weinig lust tot spreken had gevoeld als op

dat oogenblik, dwong zij zichzelf tot een antwoord op dien uitval,

en zei met een poging om te glimlachen: "Hebt u zich dat werkelijk in

het hoofd gehaald, mevrouw, dat mijn zuster met den Heer Willoughby

verloofd is? Ik dacht dat het maar een grap was; maar zulk een ernstige

vraag schijnt méér te beteekenen, en dus moet ik u verzoeken, dat

denkbeeld eens voor al te laten varen. Ik verzeker u, dat niets mij

zoozeer zou verwonderen, als een kennisgeving van hun voorgenomen

huwelijk."

"O foei, foei, Elinor! Hoe kun je nu toch zóó praten! Weten we dan

niet allemaal, dat ze 't al lang eens zijn,--dat ze tot over de ooren

verliefd op elkaar waren van 't oogenblik af dat ze elkaar voor 't

eerst hadden gezien? Heb ik ze dan niet samen onder mijn oogen gehad

in Devonshire, den lieven langen dag, en dagen achtereen? En wist

ik niet heel goed, dat je zuster met mij mee wilde naar de stad,

om haar uitzet al vast te kiezen? Neen, neen, gekheid; dat gaat

zoomaar niet. Je denkt zeker, omdat je zelf zoo weinig loslaat,

dat een ander zijn oogen in den zak heeft, maar ik verzeker je, dat

lijkt er niet naar; want 't is in de heele stad bekend, al ik weet

niet hoe lang. Ik vertel het aan iedereen, en Charlotte ook."

"Werkelijk, Mevrouw," zei Elinor zeer ernstig; "u vergist u. Het

zou waarlijk zeer onwelwillend van u zijn, als u dat gerucht hielp

verspreiden, en u zult dat nog eenmaal zelve inzien, al gelooft u

mij nu niet." Mevrouw Jennings lachte weer; doch Elinor had geen moed

om nog meer te zeggen; en verlangend om in elk geval nu te weten wat

Willoughby geschreven had, liep zij haastig naar hun kamer, waar zij,

toen ze de deur opende, Marianne op haar bed zag liggen, bijna tot

stikkens toe benauwd door hare smart, met een brief in haar hand,

terwijl twee of drie andere naast haar lagen. Elinor kwam nader,

doch zonder een woord te spreken; zij ging op het bed zitten, nam

Marianne's hand, kuste die een paar malen met de grootste innigheid,

en liet zich toen eindelijk gaan in een uitbarsting van tranen,

in den beginne bijna niet minder hevig dan Marianne's ontzettende

smart. Hoewel de laatste niet kon spreken, scheen zij de teederheid

van Elinor's medegevoel wel volkomen te beseffen, en nadat zij een

poos zoo samen hadden toegegeven aan hunne droefheid, gaf zij Elinor

al de brieven in handen, verborg daarop haar gezicht in haar zakdoek

en kermde luide als van ondragelijke pijn. Elinor, die wist dat zulk

verdriet, droevig als het was om te aanschouwen, zijn natuurlijke

uiting moest vinden, bleef bij haar zitten, tot die buitensporige

droefheidsvlaag eenigszins had uitgewoed, en nam daarna in spanning

Willoughby's brief op, waarin zij het volgende las:

"Bondstreet Januari.

Geachte Mejuffrouw,

Uw geëerd schrijven, waarvoor ik u mijn dank betuig, heb

ik zooeven in goede orde ontvangen. Het spijt mij zeer, zoo

er in mijn gedrag van gisterenavond iets viel op te merken,

dat uwe goedkeuring niet heeft mogen wegdragen, en ofschoon

ik volstrekt niet kan gissen, in welk opzicht ik de fout

begaan heb, u aanleiding te geven tot ongenoegen, vraag ik

u vergeving voor 't geen ik u verzeker, dat van mijne zijde

zonder eenig opzet is geschied. Aan mijne vroegere kennismaking

met uwe familie in Devonshire zal ik nooit anders dan met

dankbaarheid en genoegen terugdenken, en ik vlei mij, dat deze

gevoelens niet zullen worden verstoord door eenige vergissing,

of misverstaan van mijne handelwijze, uwerzijds. Ik koester

voor uwe geheele familie de meeste hoogachting, doch zoo ik,

tot mijn spijt, u aanleiding mocht hebben gegeven, te gelooven,

dat ik méér gevoelde, dan ik werkelijk deed, of bedoelde

aan den dag te leggen, dan zal ik mijzelf moeten verwijten,

in mijne uitingen van die hoogachting niet omzichtiger te

zijn geweest. Dat ik ooit méér zou hebben bedoeld, zult u

als iets onmogelijks verwerpen, wanneer u verneemt, dat ik

mijne genegenheid reeds lang elders had verpand, en slechts

weinige weken zullen verloopen, eer die trouwbelofte wordt

vervuld. Ongaarne voldoe ik aan uw bevel, de brieven terug te

zenden, die ik van u mocht ontvangen, benevens de haarlok, die

gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken.

Geloof mij intusschen, geachte Mejuffrouw,

Uw gehoorzamen dienaar

John Willoughby."

Elinor's verontwaardiging bij het lezen van dezen brief laat zich

gemakkelijk voorstellen. Hoezeer ook overtuigd, eer zij begon te

lezen, dat de brief de bekentenis zou behelzen van zijn ontrouw,

en hunne scheiding voor altoos zou bevestigen, zij had zich niet

kunnen voorstellen, dat die bekentenis in zulke bewoordingen zou

zijn vervat! En evenmin kon zij Willoughby in staat hebben geacht

zoo totaal af te wijken van elk betoon van kieschheid of eergevoel,

van alle betamelijkheid als man van de wereld zelfs, om een brief

te kunnen schrijven, zoo onbeschaamd wreedaardig; een brief, die,

inplaats van zijn wensch om te worden vrijgelaten te doen vergezeld

gaan van eenige betuiging van leedwezen, zelfs geen trouwbreuk erkende,

geen meer dan gewone genegenheid toegaf,--een brief, waarin iedere

regel een beleediging bevatte, en die den schrijver deed kennen als

een toonbeeld van verharde gewetenloosheid. Zij zat er een poos over

te denken met verontwaardigde verbazing, en las den brief nogmaals en

nogmaals over; doch bij elke nieuwe lezing nam haar afschuw van den

man toe; en zoo verbitterd waren haar gevoelens jegens hem, dat zij

niet wilde wagen ze uit te spreken, om Marianne niet nog dieper te

kwetsen, door de verbreking van dezen band te beschouwen, niet als

een verlies van eenig mogelijk heil; doch als een ontsnapping aan

die vreeselijkste en onherstelbaarste aller rampen, eene verbintenis

voor het leven met een gewetenloozen man,--als de gelukkigste aller

bevrijdingen, de grootste zegening, die haar ooit ten deel viel.

Terwijl zij zoo ernstig zat na te denken over den inhoud van den brief,

over de verdorvenheid van den geest, die deze woorden had kunnen

ingeven, en waarschijnlijk over den zoo oneindig verschillenden geest

van een geheel anderen persoon, die met deze zaak in geen ander verband

stond, dan dat, hetwelk haar hart hem toekende met alles wat in en om

haar voorviel, vergat Elinor het tegenwoordig lijden harer zuster,

vergat, dat er nog drie ongelezen brieven op haar schoot lagen, en

vergat zoo volkomen, hoe lang zij reeds in de kamer was geweest, dat

zij, bij het hooren naderen van een rijtuig naar het venster gaande,

om te zien wie hen op dat ongewoon vroege uur kwam bezoeken, zeer

verbaasd was, Mevrouw Jenning's eigen rijtuig te zien, waarvan zij

wist, dat het niet voor één uur was besteld. Vastbesloten, Marianne

niet alleen te laten, hoewel wanhopend aan de mogelijkheid, thans

iets te kunnen bijdragen tot hare verlichting, ging zij haastig naar

beneden, om zich bij Mevrouw Jennings te verontschuldigen, dat zij niet

kon medegaan, omdat haar zuster ongesteld was. Mevrouw Jennings nam

het excuus, terwijl zij over de reden ervoor haar goedhartige spijt

betuigde, gereedelijk aan, en Elinor keerde, na haar veilig te hebben

zien wegrijden, terug naar Marianne, die juist van het bed trachtte

op te staan, en die zij gelukkig nog bijtijds kon beletten neer te

vallen, zwak en duizelig als zij was, door langdurig gemis van rust en

behoorlijke voeding; want zij had dagen achtereen bijna niet gegeten,

en in geen nachten een rustigen slaap gekend; en thans, nu zij niet

langer werd opgehouden door de koorstachtige spanning der onzekerheid,

deden de gevolgen zich gevoelen door hoofdpijn, een verzwakte maag,

en algemeene zenuwslapte. Een glas wijn, dat Elinor dadelijk voor haar

ging halen, deed haar goed, en eindelijk was zij in staat, eenigermate

haar waardeering van Elinor's goedheid te uiten, door te zeggen:

"Arme Elinor! Wat doe ik je een verdriet!"

"Ik wilde alleen maar," antwoordde haar zuster, "dat ik iets kòn

uitrichten, om je te troosten en goed te doen."

Dit was, zooals trouwens àlles zou zijn geweest, te veel voor Marianne,

die nog slechts uit het diepst van haar gefolterd hart kon uitroepen:

"O Elinor, ik ben wèl ongelukkig!" eer haar stem geheel door tranen

werd verstikt.

Elinor kon het niet langer zwijgend aanzien, dit weerloos zich laten

medesleepen door onstuimige smart.

"Mijn lieve Marianne, doe toch je best," riep zij, "wanneer je

niet jezelve wilt martelen, èn allen, die je liefhebben. Denk aan

moeder; denk aan háár verdriet over je lijden, je moet je inspannen,

om harentwil."

"Ik kàn niet, ik kàn niet, riep Marianne; "ga dan, laat mij maar

alleen, als ik je verdriet doe; laat mij aan mijn lot over, haat mij,

vergeet mij; maar pijnig mij zoo niet! O, 't is wel gemakkelijk als

men zelf geen verdriet heeft, te praten van inspannen! _Jij_ bent

gelukkig, Elinor, _jij_ kunt je niet voorstellen, hoe ik lijd!"

"Noem je _mij_ gelukkig, Marianne? O, als je eens _wist_! En denk je,

dat ik gelukkig kan zijn, terwijl ik je zóó bedroefd moet zien?"

"Vergeef mij, vergeet mij," riep Marianne, haar armen om haar zuster's

hals slaande; "ik weet _hoe_ je met mij medegevoelt, ik weet welk een

liefderijk hart je bezit, maar toch ben je--ja, je mòet gelukkig zijn;

Edward heeft je lief;--en wàt, o wàt kan zulk een geheel vernietigen?"

"Vele, zéér vele omstandigheden," zeide Elinor met diepen ernst.

"Neen, neen, neen," riep Marianne heftig; "hij heeft jou lief, en

niemand anders. Je _kunt_ geen verdriet hebben."

"Ik kan geen blijdschap gevoelen, zoolang ik je zóó zie."

"Je zult mij nooit meer anders zien. _Mijne_ smart kan door niets

verzacht worden."

"Dat mag je niet zeggen, Marianne. Heb je dan geen afleiding, geen

vrienden? Is er geen vertroosting denkbaar voor je verlies? Hoe

zwaar je lijden thans ook is, bedenk, wat je zoudt geleden hebben,

als het nog langer had geduurd, eer je zijn waren aard ontdekte,--als

je verloving maandenlang slepende was gebleven, zooals licht had

kunnen gebeuren, eer hij er een eind aan maakte. Elke nieuwe dag van

noodlottig vertrouwen van jouw kant zou den slag te zwaarder hebben

doen treffen."

"Verloving?" riep Marianne; "maar wij waren niet verloofd."

"Niet verloofd?"

"Neen, hij is niet zóó slecht als je denkt. Hij heeft zijn woord

tegenover mij niet gebroken."

"Maar hij heeft je toch gezegd, dat hij je liefhad?'

"Ja... neen... nooit met ronde woorden. Iederen dag liet hij

het duidelijk blijken; maar tot een bepaalde verklaring kwam het

nooit! Soms dàcht ik, dat het daartoe was gekomen,--maar het wàs

zoo niet."

"En toch schreef je aan hem!"

"Ja--kon dat verkeerd zijn, na al wat er gebeurd was? Maar ik kan er

niet over spreken."

Elinor zeide niets meer; maar nam de drie brieven op, waarnaar zij nu

veel meer benieuwd was dan te voren, en las ze een voor een dóór. Het

eerste briefje, dat haar zuster had verzonden bij hun aankomst in de

stad, luidde als volgt:

"Berkeley Street, Januari.

Hoe zal het je verrassen, Willoughby, dit briefje te

ontvangen! En ik denk dat je nog iets meer dan verrassing

zult gevoelen, wanneer je weet, dat ik in de stad ben. De

gelegenheid om hierheen te reizen, al was het met Mevrouw

Jennings, was een verleiding, die we niet konden weerstaan. Ik

hoop dat mijn schrijven je vroeg genoeg bereikt, om je

van avond hier te kunnen zien, maar ik zal er niet op

rekenen. Morgen verwacht ik je in elk geval. Dus tot ziens.

M.D."

In haar tweeden brief, den morgen na de danspartij bij de Middletons,

schreef zij:

"Ik kan je niet zeggen, hoe het mij spijt, dat je ons

eergisteren niet hebt thuisgetroffen, en hoe het mij verwonderd

heeft, geen antwoord te ontvangen op een briefje, dat ik je

meer dan een week geleden geschreven heb. Elken dag, van uur

tot uur, verwachtte ik iets van je te hooren, en nog eerder

je te zien. Kom ons nu toch vooral zoo spoedig mogelijk

opzoeken en verklaar mij dan de reden van dat vergeefsche

wachten. 't Zal misschien beter zijn, iets vroeger te komen;

want om één uur zijn we meestal uit. Gisteravond waren we op

een danspartijtje bij Lady Middleton. Ik hoorde dat jij ook

gevraagd waart. Maar kan dat wel waar zijn? Je moet wel zeer

zijn veranderd sedert ons afscheid, als dat het geval was,

en je toch niet bent gekomen. Maar ik wil die mogelijkheid

niet eens veronderstellen, en ik hoop dat je mij spoedig in

eigen persoon het tegendeel zult komen verzekeren."

Gevoel en verstand · 第 38 / 61 题