Eer het kamermeisje den volgenden morgen het vuur in hun haard had
aangelegd, of de zon eenige kracht had gewonnen aan het begin van den
kouden, somberen Januaridag, lag Marianne, slechts half gekleed, op de
knieën bij de vensterbank te schrijven, terwille van het weinigje licht
dat naar binnen viel, zoo snel als haar aanhoudend vloeiende tranen
het haar vergunden. Elinor, door haar zenuwachtig snikken uit den
slaap gewekt, zag haar in die houding, en zei, na het een korte poos
zwijgend en angstig te hebben aangezien, op een toon, waarin al haar
zachte meewarigheid zich uitsprak: "Marianne, mag ik een vraag doen?"
"Neen, Elinor," antwoordde zij; "vraag maar niets; je zult spoedig
alles weten."
De soort van wanhopige kalmte, waarmede die woorden werden geuit,
duurde niet langer dan het oogenblik waarin ze werden uitgesproken,
en werd onmiddellijk gevolgd door een nieuwe uitbarsting van heftige
droefheid. Het duurde eenigen tijd eer zij kon voortgaan met haar
brief, en de telkens herhaalde vlagen van smart die haar noodzaakten
bij tusschenpoozen de pen neer te leggen, bewezen duidelijk genoeg,
dat zij besefte, hoe meer dan waarschijnlijk het was, dat zij voor
de laatste maal schreef aan Willoughby.
Elinor bewees haar elke kalme en onopvallende vriendelijkheid, die in
haar vermogen was; en zij zou gaarne gepoogd hebben haar nog meer te
troosten en tot bedaren te brengen, als Marianne haar niet gesmeekt
had, met al den aandrang van iemand, wier zenuwen tot het uiterste
zijn geprikkeld, in geen geval een woord tegen haar te zeggen. Onder
die omstandigheden was het beter voor beiden, niet lang achtereen
samen te zijn; en Marianne's rusteloosheid belette haar niet alleen,
ook maar een oogenblik in de kamer te blijven, nadat zij zich gekleed
had; doch deed haar, die tegelijk behoefte had aan eenzaamheid en
voortdurende verandering van plaats, tot aan het ontbijt door het
huis zwerven, terwijl zij elke ontmoeting ontweek.
Aan het ontbijt at zij niets, en deed ook geen poging iets te eten;
zoodat Elinor's aandacht slechts gericht kon zijn op één doel: niet
bij haar aandringen, niet haar beklagen, niet op haar letten, doch
alleen maar trachten te zorgen, dat Mevrouw Jennings enkel notitie
nam van haarzelf.
Daar Mevrouw Jennings graag en goed ontbeet, duurde de maaltijd lang,
en zij gingen juist, na afloop ervan, aan de gemeenschappelijke
werktafel zitten, toen Marianne een brief werd overhandigd, dien
zij haastig aannam, en waarmede zij, plotseling doodsbleek wordend,
onmiddellijk de kamer uitliep. Elinor, die hieruit even stellig
opmaakte, alsof zij het adres had gezien, dat de brief van Willoughby
kwam, voelde zich op eens zóó zenuwachtig worden, dat zij haar hoofd
bijna niet kon ophouden, en beefde zoo erg, dat zij vreesde, Mevrouw
Jennings' aandacht ditmaal niet te kunnen ontgaan. Het goede mensch
zag echter niet anders, dan dat Marianne een brief van Willoughby
had gekregen, 't geen zij uitermate grappig vond, en als zoodanig
behandelde, door lachend haar hoop te uiten, dat er goed nieuws in
stond. Zij was veel te druk bezig met het meten der draden wol,
waarvan zij een haardkleedje knoopte, om iets te bespeuren van
Elinor's ontroering; en zoodra Marianne was heengegaan, praatte zij
kalmpjes door: "Ik kan je verzekeren, dat ik nog nooit in mijn leven
een meisje zoo tot over de ooren verliefd heb gezien. De mijnen waren
niet half zoo erg, en die stelden zich toch óók mal aan; maar die
Marianne is letterlijk op haar hoofd gezet. Ik hoop van harte, dat
hij haar niet lang meer laat wachten, want 't is treurig om te zien,
zoo ellendig ziet zij eruit. Wanneer gaan ze nu trouwen?"
Hoewel Elinor nooit zóó weinig lust tot spreken had gevoeld als op
dat oogenblik, dwong zij zichzelf tot een antwoord op dien uitval,
en zei met een poging om te glimlachen: "Hebt u zich dat werkelijk in
het hoofd gehaald, mevrouw, dat mijn zuster met den Heer Willoughby
verloofd is? Ik dacht dat het maar een grap was; maar zulk een ernstige
vraag schijnt méér te beteekenen, en dus moet ik u verzoeken, dat
denkbeeld eens voor al te laten varen. Ik verzeker u, dat niets mij
zoozeer zou verwonderen, als een kennisgeving van hun voorgenomen
huwelijk."
"O foei, foei, Elinor! Hoe kun je nu toch zóó praten! Weten we dan
niet allemaal, dat ze 't al lang eens zijn,--dat ze tot over de ooren
verliefd op elkaar waren van 't oogenblik af dat ze elkaar voor 't
eerst hadden gezien? Heb ik ze dan niet samen onder mijn oogen gehad
in Devonshire, den lieven langen dag, en dagen achtereen? En wist
ik niet heel goed, dat je zuster met mij mee wilde naar de stad,
om haar uitzet al vast te kiezen? Neen, neen, gekheid; dat gaat
zoomaar niet. Je denkt zeker, omdat je zelf zoo weinig loslaat,
dat een ander zijn oogen in den zak heeft, maar ik verzeker je, dat
lijkt er niet naar; want 't is in de heele stad bekend, al ik weet
niet hoe lang. Ik vertel het aan iedereen, en Charlotte ook."
"Werkelijk, Mevrouw," zei Elinor zeer ernstig; "u vergist u. Het
zou waarlijk zeer onwelwillend van u zijn, als u dat gerucht hielp
verspreiden, en u zult dat nog eenmaal zelve inzien, al gelooft u
mij nu niet." Mevrouw Jennings lachte weer; doch Elinor had geen moed
om nog meer te zeggen; en verlangend om in elk geval nu te weten wat
Willoughby geschreven had, liep zij haastig naar hun kamer, waar zij,
toen ze de deur opende, Marianne op haar bed zag liggen, bijna tot
stikkens toe benauwd door hare smart, met een brief in haar hand,
terwijl twee of drie andere naast haar lagen. Elinor kwam nader,
doch zonder een woord te spreken; zij ging op het bed zitten, nam
Marianne's hand, kuste die een paar malen met de grootste innigheid,
en liet zich toen eindelijk gaan in een uitbarsting van tranen,
in den beginne bijna niet minder hevig dan Marianne's ontzettende
smart. Hoewel de laatste niet kon spreken, scheen zij de teederheid
van Elinor's medegevoel wel volkomen te beseffen, en nadat zij een
poos zoo samen hadden toegegeven aan hunne droefheid, gaf zij Elinor
al de brieven in handen, verborg daarop haar gezicht in haar zakdoek
en kermde luide als van ondragelijke pijn. Elinor, die wist dat zulk
verdriet, droevig als het was om te aanschouwen, zijn natuurlijke
uiting moest vinden, bleef bij haar zitten, tot die buitensporige
droefheidsvlaag eenigszins had uitgewoed, en nam daarna in spanning
Willoughby's brief op, waarin zij het volgende las:
"Bondstreet Januari.
Geachte Mejuffrouw,
Uw geëerd schrijven, waarvoor ik u mijn dank betuig, heb
ik zooeven in goede orde ontvangen. Het spijt mij zeer, zoo
er in mijn gedrag van gisterenavond iets viel op te merken,
dat uwe goedkeuring niet heeft mogen wegdragen, en ofschoon
ik volstrekt niet kan gissen, in welk opzicht ik de fout
begaan heb, u aanleiding te geven tot ongenoegen, vraag ik
u vergeving voor 't geen ik u verzeker, dat van mijne zijde
zonder eenig opzet is geschied. Aan mijne vroegere kennismaking
met uwe familie in Devonshire zal ik nooit anders dan met
dankbaarheid en genoegen terugdenken, en ik vlei mij, dat deze
gevoelens niet zullen worden verstoord door eenige vergissing,
of misverstaan van mijne handelwijze, uwerzijds. Ik koester
voor uwe geheele familie de meeste hoogachting, doch zoo ik,
tot mijn spijt, u aanleiding mocht hebben gegeven, te gelooven,
dat ik méér gevoelde, dan ik werkelijk deed, of bedoelde
aan den dag te leggen, dan zal ik mijzelf moeten verwijten,
in mijne uitingen van die hoogachting niet omzichtiger te
zijn geweest. Dat ik ooit méér zou hebben bedoeld, zult u
als iets onmogelijks verwerpen, wanneer u verneemt, dat ik
mijne genegenheid reeds lang elders had verpand, en slechts
weinige weken zullen verloopen, eer die trouwbelofte wordt
vervuld. Ongaarne voldoe ik aan uw bevel, de brieven terug te
zenden, die ik van u mocht ontvangen, benevens de haarlok, die
gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken.
Geloof mij intusschen, geachte Mejuffrouw,
Uw gehoorzamen dienaar
John Willoughby."
Elinor's verontwaardiging bij het lezen van dezen brief laat zich
gemakkelijk voorstellen. Hoezeer ook overtuigd, eer zij begon te
lezen, dat de brief de bekentenis zou behelzen van zijn ontrouw,
en hunne scheiding voor altoos zou bevestigen, zij had zich niet
kunnen voorstellen, dat die bekentenis in zulke bewoordingen zou
zijn vervat! En evenmin kon zij Willoughby in staat hebben geacht
zoo totaal af te wijken van elk betoon van kieschheid of eergevoel,
van alle betamelijkheid als man van de wereld zelfs, om een brief
te kunnen schrijven, zoo onbeschaamd wreedaardig; een brief, die,
inplaats van zijn wensch om te worden vrijgelaten te doen vergezeld
gaan van eenige betuiging van leedwezen, zelfs geen trouwbreuk erkende,
geen meer dan gewone genegenheid toegaf,--een brief, waarin iedere
regel een beleediging bevatte, en die den schrijver deed kennen als
een toonbeeld van verharde gewetenloosheid. Zij zat er een poos over
te denken met verontwaardigde verbazing, en las den brief nogmaals en
nogmaals over; doch bij elke nieuwe lezing nam haar afschuw van den
man toe; en zoo verbitterd waren haar gevoelens jegens hem, dat zij
niet wilde wagen ze uit te spreken, om Marianne niet nog dieper te
kwetsen, door de verbreking van dezen band te beschouwen, niet als
een verlies van eenig mogelijk heil; doch als een ontsnapping aan
die vreeselijkste en onherstelbaarste aller rampen, eene verbintenis
voor het leven met een gewetenloozen man,--als de gelukkigste aller
bevrijdingen, de grootste zegening, die haar ooit ten deel viel.
Terwijl zij zoo ernstig zat na te denken over den inhoud van den brief,
over de verdorvenheid van den geest, die deze woorden had kunnen
ingeven, en waarschijnlijk over den zoo oneindig verschillenden geest
van een geheel anderen persoon, die met deze zaak in geen ander verband
stond, dan dat, hetwelk haar hart hem toekende met alles wat in en om
haar voorviel, vergat Elinor het tegenwoordig lijden harer zuster,
vergat, dat er nog drie ongelezen brieven op haar schoot lagen, en
vergat zoo volkomen, hoe lang zij reeds in de kamer was geweest, dat
zij, bij het hooren naderen van een rijtuig naar het venster gaande,
om te zien wie hen op dat ongewoon vroege uur kwam bezoeken, zeer
verbaasd was, Mevrouw Jenning's eigen rijtuig te zien, waarvan zij
wist, dat het niet voor één uur was besteld. Vastbesloten, Marianne
niet alleen te laten, hoewel wanhopend aan de mogelijkheid, thans
iets te kunnen bijdragen tot hare verlichting, ging zij haastig naar
beneden, om zich bij Mevrouw Jennings te verontschuldigen, dat zij niet
kon medegaan, omdat haar zuster ongesteld was. Mevrouw Jennings nam
het excuus, terwijl zij over de reden ervoor haar goedhartige spijt
betuigde, gereedelijk aan, en Elinor keerde, na haar veilig te hebben
zien wegrijden, terug naar Marianne, die juist van het bed trachtte
op te staan, en die zij gelukkig nog bijtijds kon beletten neer te
vallen, zwak en duizelig als zij was, door langdurig gemis van rust en
behoorlijke voeding; want zij had dagen achtereen bijna niet gegeten,
en in geen nachten een rustigen slaap gekend; en thans, nu zij niet
langer werd opgehouden door de koorstachtige spanning der onzekerheid,
deden de gevolgen zich gevoelen door hoofdpijn, een verzwakte maag,
en algemeene zenuwslapte. Een glas wijn, dat Elinor dadelijk voor haar
ging halen, deed haar goed, en eindelijk was zij in staat, eenigermate
haar waardeering van Elinor's goedheid te uiten, door te zeggen:
"Arme Elinor! Wat doe ik je een verdriet!"
"Ik wilde alleen maar," antwoordde haar zuster, "dat ik iets kòn
uitrichten, om je te troosten en goed te doen."
Dit was, zooals trouwens àlles zou zijn geweest, te veel voor Marianne,
die nog slechts uit het diepst van haar gefolterd hart kon uitroepen:
"O Elinor, ik ben wèl ongelukkig!" eer haar stem geheel door tranen
werd verstikt.
Elinor kon het niet langer zwijgend aanzien, dit weerloos zich laten
medesleepen door onstuimige smart.
"Mijn lieve Marianne, doe toch je best," riep zij, "wanneer je
niet jezelve wilt martelen, èn allen, die je liefhebben. Denk aan
moeder; denk aan háár verdriet over je lijden, je moet je inspannen,
om harentwil."
"Ik kàn niet, ik kàn niet, riep Marianne; "ga dan, laat mij maar
alleen, als ik je verdriet doe; laat mij aan mijn lot over, haat mij,
vergeet mij; maar pijnig mij zoo niet! O, 't is wel gemakkelijk als
men zelf geen verdriet heeft, te praten van inspannen! _Jij_ bent
gelukkig, Elinor, _jij_ kunt je niet voorstellen, hoe ik lijd!"
"Noem je _mij_ gelukkig, Marianne? O, als je eens _wist_! En denk je,
dat ik gelukkig kan zijn, terwijl ik je zóó bedroefd moet zien?"
"Vergeef mij, vergeet mij," riep Marianne, haar armen om haar zuster's
hals slaande; "ik weet _hoe_ je met mij medegevoelt, ik weet welk een
liefderijk hart je bezit, maar toch ben je--ja, je mòet gelukkig zijn;
Edward heeft je lief;--en wàt, o wàt kan zulk een geheel vernietigen?"
"Vele, zéér vele omstandigheden," zeide Elinor met diepen ernst.
"Neen, neen, neen," riep Marianne heftig; "hij heeft jou lief, en
niemand anders. Je _kunt_ geen verdriet hebben."
"Ik kan geen blijdschap gevoelen, zoolang ik je zóó zie."
"Je zult mij nooit meer anders zien. _Mijne_ smart kan door niets
verzacht worden."
"Dat mag je niet zeggen, Marianne. Heb je dan geen afleiding, geen
vrienden? Is er geen vertroosting denkbaar voor je verlies? Hoe
zwaar je lijden thans ook is, bedenk, wat je zoudt geleden hebben,
als het nog langer had geduurd, eer je zijn waren aard ontdekte,--als
je verloving maandenlang slepende was gebleven, zooals licht had
kunnen gebeuren, eer hij er een eind aan maakte. Elke nieuwe dag van
noodlottig vertrouwen van jouw kant zou den slag te zwaarder hebben
doen treffen."
"Verloving?" riep Marianne; "maar wij waren niet verloofd."
"Niet verloofd?"
"Neen, hij is niet zóó slecht als je denkt. Hij heeft zijn woord
tegenover mij niet gebroken."
"Maar hij heeft je toch gezegd, dat hij je liefhad?'
"Ja... neen... nooit met ronde woorden. Iederen dag liet hij
het duidelijk blijken; maar tot een bepaalde verklaring kwam het
nooit! Soms dàcht ik, dat het daartoe was gekomen,--maar het wàs
zoo niet."
"En toch schreef je aan hem!"
"Ja--kon dat verkeerd zijn, na al wat er gebeurd was? Maar ik kan er
niet over spreken."
Elinor zeide niets meer; maar nam de drie brieven op, waarnaar zij nu
veel meer benieuwd was dan te voren, en las ze een voor een dóór. Het
eerste briefje, dat haar zuster had verzonden bij hun aankomst in de
stad, luidde als volgt:
"Berkeley Street, Januari.
Hoe zal het je verrassen, Willoughby, dit briefje te
ontvangen! En ik denk dat je nog iets meer dan verrassing
zult gevoelen, wanneer je weet, dat ik in de stad ben. De
gelegenheid om hierheen te reizen, al was het met Mevrouw
Jennings, was een verleiding, die we niet konden weerstaan. Ik
hoop dat mijn schrijven je vroeg genoeg bereikt, om je
van avond hier te kunnen zien, maar ik zal er niet op
rekenen. Morgen verwacht ik je in elk geval. Dus tot ziens.
M.D."
In haar tweeden brief, den morgen na de danspartij bij de Middletons,
schreef zij:
"Ik kan je niet zeggen, hoe het mij spijt, dat je ons
eergisteren niet hebt thuisgetroffen, en hoe het mij verwonderd
heeft, geen antwoord te ontvangen op een briefje, dat ik je
meer dan een week geleden geschreven heb. Elken dag, van uur
tot uur, verwachtte ik iets van je te hooren, en nog eerder
je te zien. Kom ons nu toch vooral zoo spoedig mogelijk
opzoeken en verklaar mij dan de reden van dat vergeefsche
wachten. 't Zal misschien beter zijn, iets vroeger te komen;
want om één uur zijn we meestal uit. Gisteravond waren we op
een danspartijtje bij Lady Middleton. Ik hoorde dat jij ook
gevraagd waart. Maar kan dat wel waar zijn? Je moet wel zeer
zijn veranderd sedert ons afscheid, als dat het geval was,
en je toch niet bent gekomen. Maar ik wil die mogelijkheid
niet eens veronderstellen, en ik hoop dat je mij spoedig in
eigen persoon het tegendeel zult komen verzekeren."