HOOFDSTUK XXVIII

Gedurende de drie of vier volgende dagen viel niets voor, dat Elinor

spijt had kunnen doen gevoelen, omdat zij zich tot hare moeder

gewend had, want Willoughby kwam noch schreef. Aan het eind van dit

tijdsverloop hadden zij afgesproken Lady Middleton te vergezellen naar

eene partij, waarheen Mevrouw Jennings verhinderd was te gaan, door

ongesteldheid van hare jongste dochter; en voor deze partij maakte

Marianne, diep terneergeslagen, onverschillig voor haar uiterlijk

voorkomen, en in eene stemming waarin het haar volkomen hetzelfde was,

of zij ging of thuis bleef, zich gereed, zonder één hoopvollen blik,

ééne uiting van blijdschap. Na de thee zat zij bij het vuur in den

salon, tot het oogenblik van Lady Middleton's komst, zonder van

haar stoel op te staan of van houding te veranderen, verzonken in

haar eigen gedachten en onbewust van haar zusters tegenwoordigheid;

en toen hun tenslotte gezegd werd, dat Lady Middleton's rijtuig voor

de deur op hen wachtte, schrikte zij op, alsof zij had vergeten,

dat zij zouden worden afgehaald.

Zij kwamen op tijd ter bestemder plaatse, stapten uit, zoodra de lange

rij van rijtuigen vóór hen daartoe gelegenheid bood, gingen de trap

op, hoorden hunne namen, met luider stem aangekondigd, van het eene

portaal naar het andere galmen en traden een schitterend verlicht

vertrek binnen, vol gasten, en onverdragelijk warm. Toen zij aan den

eisch der beleefdheid hadden voldaan door hun buiging te maken voor

de dame des huizes, werd hun vergund zich onder het gezelschap te

mengen en hun aandeel te dragen van de hitte en de benauwdheid, die

noodzakelijk door hunne komst nog moesten worden vermeerderd. Nadat

er een tijdlang weinig gezegd en nog minder gedaan was, nam Lady

Middleton plaats aan de speeltafel, en daar Marianne geen lust had

om rond te loopen, gingen zij en Elinor, die gelukkig stoelen hadden

kunnen bemachtigen, niet ver van de tafel zitten.

Dit had nog niet lang geduurd, toen Elinor op eenigen afstand van

hen Willoughby zag staan, in ernstig gesprek met eene zeer modieus

uitziende jonge dame. Hun blikken ontmoetten elkaar, en hij boog,

doch zonder haar aan te spreken of een poging te doen, om Marianne te

naderen, ofschoon hij haar wel _moest_ zien; en daarop zette hij zijn

gesprek met dezelfde dame voort. Elinor wendde zich onwillekeurig

tot Marianne om te zien, of zij niets had opgemerkt. Juist op

dat oogenblik kreeg zij hem in het oog; haar gezicht straalde

van plotselinge verrukking, en zij zou naar hem toegesneld zijn,

als haar zuster haar niet had vastgegrepen. "O Elinor!" riep ze;

"daar is hij--daar is hij! O, waarom ziet hij niet naar mij? Waarom

kan ik niet met hem spreken?"

"Ik bid je, ik smeek je, wees bedaard," zeide Elinor, "en laat niet

iedereen merken, wat in je omgaat. Misschien heeft hij je nog niet

gezien."

Dit was meer, dan zij zelve kon gelooven; en bedaard blijven op zulk

een oogenblik ging niet alleen Marianne's krachten te boven; maar

zij wilde dat niet eens. Iedere trek van haar gelaat verried haar

martelend ongeduld. Eindelijk keerde hij zich nogmaals om, en zag

hen beiden aan; zij sprong op en stak hem de hand toe, terwijl zij

op hartelijken toon zijn naam noemde. Hij kwam nader, en terwijl hij

zich meer tot Elinor wendde dan tot Marianne, wier blik hij vermeed,

en wier houding hij niet scheen te willen opmerken, vroeg bij vluchtig

en gehaast naar Mevrouw Dashwood, en hoe lang zij reeds in de stad

waren. Zijn houding deed Elinor al haar tegenwoordigheid van geest

verliezen; zij kon geen woord uitbrengen. Doch haar zuster's gevoel

vond onmiddellijk uiting. Een donkere blos kleurde haar gelaat,

en zij riep uit op een toon, die de hevigste ontroering verried:

"Goede God, Willoughby, wat beteekent dit! Heb je mijn brieven niet

ontvangen? Wil je mij geen hand geven?"

Toen kon hij het niet meer vermijden; maar hare aanraking scheen

hem onaangenaam te zijn, en hij liet onmiddellijk hare hand los. Al

dien tijd deed hij zichtbaar moeite om bedaard te blijven. Elinor

lette op zijn gezicht, en zag dat zijn uitdrukking kalmer werd. Na

een oogenblik van stilte zei hij rustig: "Den vorigen Dinsdag heb

ik een bezoek gebracht in Berkeley Street; het speet mij zeer u en

Mevrouw Jennings niet thuis te treffen. Mijn kaartje is, hoop ik,

niet verloren geraakt?"

"Maar heb je mijn brieven dan niet ontvangen?" riep Marianne,

doodelijk beangst. "Het moet een vergissing zijn--een afschuwelijke

vergissing. Wat beteekent dit toch? Zeg het mij, Willoughby, zeg mij,

om 's hemelswil, wat is er toch gebeurd?"

Hij gaf geen antwoord; maar werd bleek en scheen opnieuw gedwongen;

doch alsof hij, aangespoord door een blik van de jonge dame met wie

hij te voren had gesproken, gevoelde dat onmiddellijk zelfbedwang werd

vereischt, vermande hij zich opnieuw, zei snel: "Ja, het bericht van

uw komst in de stad, dat u zoo vriendelijk waart, mij te zenden, heb ik

het genoegen gehad te ontvangen," keerde zich daarop met een vluchtige

buiging haastig om, en voegde zich weer bij zijne vriendin. Marianne,

doodsbleek en niet in staat zich staande te houden, liet zich in haar

stoel vallen, en Elinor, elk oogenblik vreezend dat zij een flauwte

zou krijgen, trachtte haar voor onbescheiden blikken te beschermen,

terwijl zij haar verfrischte met lavendelwater.

"Ga naar hem toe, Elinor," zei zij, zoodra ze spreken kon, "en

dwing hem, bij mij te komen. Zeg hem, dat ik hem moet zien,--dat ik

hem dadelijk moet spreken. Ik kan het niet uithouden--ik zal geen

oogenblik rust hebben, eer dit alles is verklaard,--het moet een of

ander afschuwelijk misverstand zijn. O, ga nu toch naar hem toe."

"Hoe is dat nu mogelijk? Neen, liefste Marianne, je moet wachten. Dit

is de plaats niet voor uitleggingen. Wacht nu alleen maar tot morgen."

Zij kon haar slechts met moeite weerhouden, hem zelf te gaan

opzoeken; en het bleek onmogelijk, haar te bewegen, haar ontroering te

bedwingen,--althans in schijn bedaard, te wachten, tot zij hem meer

ongehinderd kon spreken, en met meer kans te worden aangehoord; want

Marianne ging onophoudelijk voort, met zachte stem uiting te geven

aan haar gevoelens van wanhoop, door smartelijke uitroepen. Weldra

zag Elinor dat Willoughby de kamer verliet door de deur dichtbij de

trap, en terwijl zij Marianne vertelde dat hij weg was, bracht zij haar

onder het oog, dat de onmogelijkheid om hem dezen avond nog te spreken,

haar te meer reden gaf, thans kalm te zijn. Marianne vroeg dadelijk,

of haar zuster Lady Middleton wilde smeeken, hen naar huis te brengen;

zij voelde zich te ellendig om een minuut langer te blijven.

Toen Lady Middleton hoorde dat Marianne niet wel was, liet haar

beleefdheid, hoewel zij verdiept was in haar kaartspel, niet toe, dat

zij zich een oogenblik tegen Marianne's wensch tot heengaan verzette,

zij gaf dus haar kaarten aan een vriendin; en zij vertrokken zoodra

hun rijtuig voorkwam. Op den terugweg naar Berkeley Street werd bijna

geen woord gesproken. Marianne leed in stilte, te beklemd voor tranen

zelfs; doch daar Mevrouw Jennings gelukkig nog niet te huis was, konden

zij dadelijk naar hun eigen kamer gaan, waar zij door 't gebruik van

hertshoorn eenigszins bijkwam. Zij was spoedig ontkleed en in bed,

en daar zij liefst alleen scheen te zijn, ging haar zuster heen en

had al den tijd, terwijl zij wachtte op Mevrouw Jennings' terugkomst,

te denken over hetgeen achter hen lag.

Dat er een bepaalde verbintenis van een of anderen aard tusschen

Willoughby en Marianne had bestaan, kon zij niet betwijfelen; en dat

Willoughby deze moede was, scheen eveneens duidelijk; want hoe Marianne

ook nog bleef voortgaan voedsel te geven aan haar eigen wenschen,

_zij_ kon zulk een gedrag niet toeschrijven aan een vergissing, of

eenig misverstand. Niets dan een volkomen omkeer in zijn gevoelens

kon het verklaren. Haar verontwaardiging zou nog sterker geweest

zijn dan zij reeds was, wanneer zij niet getuige was geweest van

zijn verlegenheid, die scheen aan te duiden, dat hij zich bewust was

van zijn eigen wangedrag, en haar belette hem voor zoo gewetenloos

te houden, dat hij van den beginne met haar zuster's liefde een

roekeloos spel had gedreven, zonder eenig voornemen, dat navraag

velen kon. Afwezigheid kon zijn liefde hebben doen verflauwen, en

redenen van eigenbelang mochten hem hebben doen besluiten haar te

overwinnen; maar dat zulk een liefde eenmaal had bestaan, daaraan

twijfelde zij niet. Wat Marianne betrof, aan het verdriet dat deze

ongelukkige ontmoeting haar had veroorzaakt, en het nog erger leed,

dat haar, als het waarschijnlijk gevolg ervan, te wachten stond, kon

zij niet denken zonder de innigste bezorgdheid. Hierbij vergeleken

scheen haar eigen toestand haar minder treurig, want zoolang zij

Edward slechts evenzeer kon _achten_ als voorheen, zou zij zich in

den geest steeds getroost gevoelen, ook al bleven zij in de toekomst

gescheiden. Doch hier schenen alle omstandigheden, die een dergelijk

lijden konden verergeren, zich te vereenigen, om Marianne's smart te

vermeerderen over hare scheiding van Willoughby voor altoos,--over

het onmiddellijk en onherroepelijk afbreken van hun omgang.

Gevoel en verstand · 第 37 / 61 题