Hoewel Mevrouw Jennings gewoon was, een groot deel van het jaar door
te brengen ten huize van hare kinderen en vrienden, was zij toch niet
zonder een eigen vaste woonplaats. Sedert den dood van haar echtgenoot,
die een voorspoedigen handel placht te drijven in een minder sierlijke
wijk, had zij des winters geregeld een huis bewoond in een der straten
in den omtrek van Portman Square. Aan dat tehuis begon zij, toen de
maand Januari naderde, weer eens te denken, en op zekeren dag vroeg
zij de beide oudste dames Dashwood zonder eenige voorbereiding en voor
hen geheel onverwacht, of zij haar daarheen wilden vergezellen. Elinor,
die niet aanstonds bespeurde, hoe Marianne door haar wisselende kleur
en gespannen blik verried, dat het plan haar niet onverschillig was,
sloeg dadelijk dankbaar, maar beslist de uitnoodiging voor hen beiden
af, in de meening, dat zij het op dit punt volkomen eens waren. De
reden, welke zij aanvoerde was hun stellig besluit, hun moeder niet
om dezen tijd van het jaar te willen alleen laten. Mevrouw Jennings
scheen min of meer verwonderd over die weigering, en herhaalde hare
vraag onmiddellijk.
"O lieve deugd; ik weet zeker, dat je mama je heel goed kan missen;
en ik _hoop_ toch, dat je mij 't pleizier zult doen; want ik ben
er nu eenmaal erg op gesteld. Denk maar niet, dat je 't mij lastig
zult maken, want ik maak volstrekt geen omslag voor jelui. Betty
zal alleen met de postkoets moeten reizen, en dàt is nu de heele
wereld niet. Wij gaan dan met ons drieën in mijn rijtuig; en wanneer
jelui in de stad niet overal met mij mee wilt gaan, dan is dat niets,
want dan kun je altijd gaan met eene van mijn dochters. Ik wed dat je
moeder er niets op tegen heeft; want ik heb het zoo gelukkig getroffen
met mijn beide kinderen, zoo goed bezorgd, nietwaar? dat ze mij de
aangewezen persoon zal vinden om jelui onder mijn hoede te nemen,
en als niet één van jelui beiden ten minste een goed huwelijk doet,
eer ik je weer aflever, dan zal het mijn schuld niet zijn. Ik zal
een goed woordje voor jelui doen bij de heeren, daar kan je op aan."
"'t Komt mij voor," zei Sir John, "dat Marianne niets op het plan
zou tegen hebben, als haar zuster ook van de partij wilde zijn. 't
Is ook wel wat erg, dat zij niet eens een pleiziertje mag hebben,
omdat Elinor het niet wenscht. Ik zou u raden om maar met u beitjes
naar de stad te trekken, als u genoeg krijgt van Barton, en er Elinor
niets van te vertellen."
"Ja, kijk eens," riep Mevrouw Jennings, "ik zou verbazend in mijn
schik zijn met Marianne's gezelschap, of Elinor meegaat of niet,
maar hoe meer zielen hoe meer vreugd, zeg ik altijd, en ik dacht,
dat het gezelliger voor hen was samen te zijn; want als ik hen dan
verveel, kunnen ze samen praten, en mij nog eens uitlachen achter
mijn rug. Maar een van beiden moet ik hebben, als ik ze allebei niet
krijgen kan. Wel lieve deugd, hoe zou ik het uithouden in mijn eentje,
terwijl ik tot aan dezen winter toe altijd Charlotte bij mij had. Kom
Marianne, laten wij nu maar zeggen dat de zaak beklonken is, en als
Elinor zich dan nog bedenkt over een tijdje, des te beter."
"Ik dank u, mevrouw, ik dank u hartelijk," zei Marianne met nadruk;
"ik kan u niet genoeg danken, voor uwe uitnoodiging, en ik zou innig
gelukkig zijn, ja, zoo gelukkig als ik met mogelijkheid zijn kàn,
wanneer ik die mocht aannemen. Maar moeder, onze lieve beste moeder,
ik weet, dat Elinor gelijk heeft in 't geen zij zeide, en als zij
door onze afwezigheid verdriet of zorg moest hebben... Neen, neen,
niets zou mij kunnen verleiden om haar alleen te laten. Het mag,
en het moet geen strijd kosten."
Mevrouw Jennings herhaalde haar verzekering dat Mevrouw Dashwood hen
best kon missen; en Elinor, die thans haar zuster begreep, en zag hoe
haar verlangen om Willoughby weer te ontmoeten, haar voor al wat daar
buiten lag, bijna onverschillig deed worden, verzette zich niet langer
rechtstreeks tegen het plan, en wilde alleen de beslissing overlaten
aan hare moeder, van wie zij echter niet verwachtte veel steun te
zullen ontvangen bij haar poging tot verhindering van een bezoek,
dat zij voor Marianne verkeerd achtte, en dat zij voor zichzelf om
bijzondere redenen liever vermeed. Wat Marianne ook mocht verlangen,
haar moeder zou altijd bereid zijn, haar wenschen in te willigen;
zij mocht niet verwachten, Mevrouw Dashwood te kunnen bewegen tot
voorzichtigheid in eene zaak waaromtrent zij nooit bij machte was
geweest haar wantrouwen in te boezemen, en de reden voor haar eigen
ongeneigdheid naar Londen te gaan, kon zij niet openlijk zeggen. Dat
Marianne, veeleischend als zij was, en maar al te goed bekend met
Mevrouw Jennings' eigenaardigheden, die telkens opnieuw haar afkeer
wekten, elke onaangenaamheid van dien aard kon over het hoofd zien,
geheel uit het oog kon verliezen wat haar prikkelbare gevoeligheid
het meest moest kwetsen, door het najagen van dat ééne doel, was een
zóó sterksprekend, overtuigend bewijs, hoe uitsluitend dat doel haar
vervulde, als Elinor, zelfs na al wat er was voorgevallen, niet had
kunnen verwachten.
Toen Mevrouw Dashwood van de uitnoodiging hoorde, wilde zij,
stellig overtuigd als zij was dat zulk een uitstapje haar dochters
veel genoegen zou verschaffen, en ondanks Marianne's betuigingen van
aanhankelijkheid wel bespeurend, hoe haar hart eraan hing, volstrekt
niet, dat deze om _harentwil_ zou worden afgeslagen; zij rustte
niet eer beiden beloofd hadden te zullen gaan, en begon aanstonds
met haar gewone opgewektheid, een menigte voordeelen op te sommen,
die uit deze scheiding voor hen allen zouden voortvloeien.
"Ik vind het een uitmuntend plan," riep zij; "het is juist naar mijn
zin. 't Zal voor Margaret en mij even goed zijn als voor jelui. Als
de Middletons dan ook weg zijn, kunnen we ons zoo rustig en gezellig
bezighouden met onze boeken en muziek! Als je dan terugkomt,
zul je Margaret zoo vooruitgegaan vinden! En ik heb een plannetje
gemaakt om jelui slaapkamers te veranderen, dat nu ook kan worden
uitgevoerd zonder iemand last te veroorzaken. Het is bepaald héél
goed, dat je eens naar de stad gaat, ik vind dat iedere jonge dame
van jelui positie in de wereld, het Londensche leven en de Londensche
vermaken behoort te leeren kennen. Je zult onder de hoede zijn van
een moederlijke goedhartige vrouw, op wier vriendelijkheid voor jelui
ik kan rekenen. Waarschijnlijk zul je ook je broer ontmoeten, en wat
ook zijn gebreken mogen zijn, of die van zijn vrouw, als ik bedenk,
wiens zoon hij is, dan kan ik niet goed hebben, dat jelui zoo heel
en al van elkaar zoudt vervreemden."
"Hoewel u, als gewoonlijk alleen bedacht op ons genoegen," zei Elinor,
"alle bezwaren tegen het plan, die bij u opkwamen, hebt weggeredeneerd,
is er toch nog één beletsel, dat naar 't mij voorkomt, niet zoo
gemakkelijk kan worden terzij geschoven."
Marianne's gezicht betrok.
"Wat gaat mijn lieve voorzichtige Elinor ons nu onder het oog
brengen?" zei Mevrouw Dashwood. "Welk geducht bezwaar komt zij
opperen? Over de kosten wil ik geen enkel woord hooren."
"Mijn bezwaar is dit: al heb ik op Mevrouw Jennings' hart niets aan
te merken, zij is toch geen vrouw, in wier gezelschap wij genoegen
vinden, of wier bescherming voor ons eenige waarde heeft."
"Dat is wèl waar," antwoordde haar moeder; "maar op háár gezelschap,
zonder dat van anderen, zul je heel weinig zijn aangewezen, en in
't publiek vertoon je je toch bijna altijd met Lady Middleton."
"Al zou Elinor zich door haar afkeer van Mevrouw Jennings laten bewegen
om weg te blijven," zei Marianne, "dan behoeft dat nog geene reden
te zijn, waarom _ik_ zou bedanken voor hare uitnoodiging. Voor mij
bestaan die bezwaren niet, en ik weet weet zeker, dat het mij heel
weinig moeite zal kosten, dergelijke onaangenaamheden te verdragen."
Elinor kon niet nalaten te glimlachen over dit vertoon van
onverschilligheid voor de eigenaardigheden van iemand, jegens wie
zij Marianne dikwijls slechts met moeite had kunnen overhalen, een
dragelijk beleefde houding aan te nemen, en nam zich in stilte voor,
zoo haar zuster erbij bleef, te willen gaan, haar in elk geval te
vergezellen; daar zij het niet goedkeurde, dat het Marianne zou
vrijstaan, geheel naar eigen inzicht te handelen, noch ook, dat
Mevrouw Jennings, op het punt van huiselijke gezelligheid, volkomen
aan Marianne's genade zou zijn overgeleverd. Zij verzoende zich
te gemakkelijker met deze beslissing, toen zij bedacht, dat Edward
Ferrars, volgens Lucy's mededeeling, niet vóór Februari in de stad zou
komen, en dat hun bezoek vóór dien tijd wel zou kunnen zijn afgeloopen,
ook zonder dat het opvallend werd bekort.
"Jelui moet _allebei_ gaan," zei Mevrouw Dashwood; "die bezwaren
zijn pure onzin. Je zult het alleraardigst vinden, in Londen te zijn;
vooral met je beiden; en als Elinor zich ooit wilde verwaardigen, zich
genoegen van iets voor te stellen, dan zou ze het nu om verschillende
redenen wel mogen verwachten; misschien zou ze zich dan wel verheugen
op een nadere kennismaking met de familie van haar schoonzuster."
Elinor had dikwijls verlangd naar eene gelegenheid, waarbij zij zou
kunnen trachten, haar moeder's stellig vertrouwen in de genegenheid
tusschen Edward en haarzelve aan het wankelen te brengen, opdat de
schok haar minder hevig zou treffen, wanneer de geheele waarheid
werd geopenbaard. en bij deze woorden dwong zij zichzelve, hoewel met
weinig hoop op eenig gunstig gevolg, tot een begin van uitvoering van
dit plan, door zoo kalm mogelijk te zeggen: "Ik houd veel van Edward
Ferrars, en 't zal mij altijd genoegen doen, hem te ontmoeten; maar
wat de overige familieleden betreft, 't is mij volkomen onverschillig,
of ik ze ooit zal leeren kennen."
Mevrouw Dashwood glimlachte en gaf geen antwoord. Marianne keek
verwonderd op, en Elinor begreep, dat zij even goed had kunnen zwijgen.
Er waren thans niet veel besprekingen meer noodig, eer het vaststond,
dat de uitnoodiging met genoegen zou worden aangenomen. Mevrouw
Jennings ontving dat bericht met uitbundige vreugde, en veel
betuigingen van vriendelijkheid en goede zorg; zij was trouwens niet
de eenige, die zich erover verblijdde. Sir John was verrukt; want voor
een man, die niets zoozeer vreesde als de eenzaamheid, beteekende
de vermeerdering van Londen's aantal inwoners met twee toch altijd
iets. Zelfs Lady Middleton gaf zich de moeite, haar ingenomenheid met
het plan te betuigen, 't geen voor haar een heel ding was; en wat de
dames Steele betrof, vooral Lucy, zij waren nog nooit in haar leven
zoo blij geweest, als bij het hooren van dit bericht.
Elinor voegde zich in de schikking, die in strijd was met haar eigen
wenschen, met minder tegenzin dan zij verwacht had. Wat haarzelve
betrof, het was haar thans onverschillig of zij naar de stad ging of
niet; en toen zij zag, hoe hartelijk haar moeder zich verheugde over
het plan, hoe haar zuster in blik, stem en houding haar blijdschap
verried, hoe zij al haar oude levendigheid en meer dan haar vroegere
vroolijkheid erdoor had herwonnen, kon zij over de oorzaak dier
verandering niet onvoldaan zijn, en bestreed haar neiging tot
bezorgdheid over de gevolgen ervan.--
Marianne's blijdschap was bijna te groot om te kunnen doorgaan voor
geluk; zoo gejaagd en onrustig was zij, en zoo verlangend om te
vertrekken. Slechts haar ongeneigdheid om haar moeder te verlaten,
kon haar eenigszins tot kalmte stemmen, en bij het afscheid ging haar
verdriet alle perken te buiten. Haar moeder toonde zich weinig minder
bedroefd, en Elinor was de eenige van de drie, die in deze scheiding
nog niet juist een vaarwel voor eeuwig scheen te zien.
Zij vertrokken in de eerste week van Januari. De Middletons wilden
ongeveer een week later gaan. De dames Steele bleven vooreerst nog
op het Park, en zouden eerst met de overige familie vertrekken.