HOOFDSTUK XXIV

Op vasten, ofschoon voorzichtig ingehouden toon, begon Elinor:

"Ik zou het vertrouwen, dat u in mij hebt gesteld, niet verdienen,

als ik niet wenschte dat het blijvend mocht zijn, of verder geen

belangstelling toonde in de zaak, die het betrof. Daarom wil ik mij

niet verontschuldigen, wanneer ik deze opnieuw ter sprake breng."

"Ik dank u zeer," riep Lucy hartelijk, "dat u het ijs hebt gebroken;

dat verlicht mij bepaald; want ik was werkelijk bang, dat ik u op

de eene of andere manier had beleedigd door wat ik u dien Maandag

heb verteld."

"Beleedigd? Hoe kon u dat denken? geloof mij," en Elinor sprak deze

woorden in volkomen oprechtheid, "niets kon minder in mijn bedoeling

hebben gelegen, dan u aanleiding te geven tot dat vermoeden. Welke

beweegreden zou u tot dat vertrouwen hebben kunnen drijven, die niet

voor mij zoowel eervol als vleiend was?"

"En toch kan ik u naar waarheid zeggen," antwoordde Lucy, met een

veelbeteekenenden blik uit haar kleine scherpe oogen, "het kwam

mij voor, alsof er in uw houding iets zoo koels en afkeurends was,

dat ik mij volstrekt niet op mijn gemak gevoelde. Ik dacht stellig,

dat u boos op mij waart, en ik heb het mijzelf voortdurend verweten,

dat ik zoo vrijpostig geweest was, u met mijn aangelegenheden lastig

te vallen. Maar ik ben heel blij, te merken, dat ik het mij alleen

maar heb verbeeld, en dat u mijn gedrag niet afkeurt. Als u wist,

hoe het mij troost geeft, mijn hart uit te storten, door tegen u

te spreken over 't geen mij elk oogenblik van mijn leven vervult,

dan zou uw medelijden u al het andere doen over 't hoofd zien; daar

ben ik zeker van."

"Ik geloof gaarne, dat het een groote verlichting voor u was, mij

van uw omstandigheden op de hoogte te brengen, en u kunt er zeker van

zijn, dat u nooit reden zult hebben, dat te berouwen. Uw toestand is

zeer zeker beklagenswaardig; van alle zijden doen zich, naar het mij

voorkomt, moeilijkheden voor u op, en u zult al uw wederkeerige liefde

noodig hebben, om u daaronder staande te houden. De heer Ferrars is,

naar ik meen, geheel afhankelijk van zijne moeder."

"Hij bezit zelf maar tweeduizend pond; het zou dwaasheid zijn, dáárop

te trouwen, hoewel ik voor mij zonder eenige klacht elk vooruitzicht

op meer zou kunnen laten varen. Ik ben altijd gewoon geweest aan een

zeer klein inkomen, en zou voor hem mij dapper verzetten tegen de

ergste armoede, maar ik heb hem te lief, om hem door mijn zelfzucht

misschien te berooven van al wat zijn moeder hem zou kunnen schenken,

wanneer hij huwde naar haar wensch. Wij moeten wachten, misschien

wel jaren lang. Met bijna elken anderen man ter wereld zou dat een

beangstigend vooruitzicht zijn; maar Edward's genegenheid en trouw

kan niets mij ontnemen, dat weet ik."

"Die overtuiging moet voor u alles zijn, en zij vindt ongetwijfeld

steun in dat zelfde vertrouwen op de uwe. Wanneer de innigheid van

uw wederkeerige liefde was verminderd, zooals bij veel menschen en

onder vele omstandigheden natuurlijk zou zijn geweest tijdens een

verloving van vier jaren, dàn zoudt u waarlijk te beklagen zijn."

Hier zag Lucy op; doch Elinor droeg zorg, haar gelaat vrij te houden

van elke uitdrukking, die in haar woorden een zweem van achterdocht

kon doen vermoeden.

"Edward's liefde," zei Lucy, "is tamelijk wel op de proef gesteld door

onze lange, zeer lange scheiding sedert het begin onzer verloving,

en zij heeft die proef zoo goed doorstaan, dat het onvergefelijk van

mij zou zijn, haar nu te wantrouwen. Ik durf gerust zeggen, dat hij

mij van den beginne niet één oogenblik reden tot bezorgdheid gaf in

dat opzicht."

Elinor wist niet recht of ze zou glimlachen of zuchten bij die

verzekering.

Lucy ging voort: "Ik ben van nature trouwens nogal jaloersch aangelegd,

en door ons verschil in stand, doordat hij zooveel meer in de wereld

verkeerde dan ik en door ons voortdurend gescheiden zijn, was ik

genoeg tot achterdocht geneigd, om dadelijk achter de waarheid te zijn

gekomen, als er ook maar de geringste verandering in zijn houding

jegens mij was te bespeuren geweest, wanneer we elkaar ontmoetten,

of wanneer hij een neerslachtigheid had getoond, die ik niet kon

verklaren, of als hij meer over ééne dame had gesproken dan over

anderen, of in eenig opzicht zich minder gelukkig scheen te gevoelen

te Longstaple dan hij vroeger placht. Ik wil niet zeggen, dat ik over

't algemeen zoo bijzonder nauwlettend of scherpziende ben, maar in

dit geval weet ik wel, dat ik mij niet zou laten misleiden."

"Dat is nu alles," dacht Elinor, "goed en wel; maar wij laten ons

geen van beiden door die praatjes foppen."

"Maar wat zijn nu," zei ze na een kort stilzwijgen, "uw plannen? Of

hebt u geen ander vooruitzicht dan te wachten tot Mevrouw Ferrars

komt te overlijden, 't geen een treurige en bezwaarlijk te wenschen

oplossing zou zijn? Heeft haar zoon besloten, zich liever hierin

te schikken, liever de langdurige kwelling te verdragen van de vele

jaren van onzekerheid, die u wellicht te wachten staan, dan de kans

te loopen, zich een tijdlang haar ongenoegen op den hals te halen

door de waarheid te bekennen?"

"Als we maar zeker wisten, dat het voor een tijdlang zou zijn! Maar

Mevrouw Ferrars is een zeer koppige en trotsche vrouw, en zou

waarschijnlijk in haar eerste vlaag van drift, wanneer zij het hoorde,

alles aan Robert nalaten. Dat denkbeeld doet mij, om Edward's wil,

huiverig worden voor alle overhaasting."

"Toch ook ter wille van uzelve, anders zou uwe belangeloosheid de

grenzen van het waarschijnlijke te buiten gaan."

Lucy keek Elinor aan, en zweeg.

"Kent u den heer Robert Ferrars?" vroeg Elinor.

"In 't geheel niet--ik heb hem nooit gezien; maar ik geloof, dat hij in

't minst niet op zijn broer gelijkt,--hij is dom en verbazend ijdel,

een echte fat."

"Een echte fat!" herhaalde haar zuster, die bij een plotselinge

pauze in Marianne's muziek, de laatste woorden had opgevangen. "O,

ze zijn natuurlijk aan 't praten over hun uitverkoren cavaliers."

"Neen, Anne," riep Lucy, "dat heb je mis; onze uitverkoren cavaliers

zijn _geen_ fatten."

"Ik weet ten minste wel, dat Elinor's vriend dat niet is," zei Mevrouw

Jennings, hartelijk lachend; "want dàt is een van de bescheidenste,

beminnelijkste jongelui die ik ooit heb ontmoet. Maar die Lucy is

zulk een loos klein ding, dat niemand er achter kan komen van wien

zij wel houdt."

"O," riep de oudste Juffrouw Steele, terwijl ze met een

veelbeteekenenden blik naar hen omzag, "ik wed dat Lucy's vriend

precies even bescheiden en beminnelijk is als die van Juffrouw

Dashwood."

Elinor kreeg haars ondanks een kleur. Lucy beet zich op de lippen

en wierp haar zuster een boozen blik toe. Allen bleven een tijdlang

zwijgen. Lucy verbrak de stilte, door iets zachter te zeggen, hoewel

Marianne hun op dat oogenblik de prachtige bescherming verleende van

een schitterend pianoconcert:

"Ik zal u eerlijk vertellen van een plan, dat onlangs bij mij is

opgekomen, om de zaak voortgang te doen krijgen; ik ben trouwens wel

verplicht u in 't geheim in te wijden, omdat u zelf erbij betrokken

bent. Mij dunkt, u kent Edward genoeg om te weten, dat hij aan den

geestelijken stand de voorkeur geeft boven elk ander beroep. Nu is

mijn plan, dat hij zoo spoedig mogelijk moet zorgen, als geestelijke

te worden aangesteld, en dan zou, op uwe voorspraak, die u stellig

wel zoudt willen aanwenden uit vriendschap voor hem en, hoop ik,

ook een weinig voor mij, uw broeder allicht zijn te bewegen, hem de

predikantsplaats te Norland te verschaffen; ik hoor, dat deze goed

wordt bezoldigd, en dat de tegenwoordige predikant het wel niet lang

meer maken zal. Dan zouden we genoeg hebben om te trouwen, en het

overige konden we dan overlaten aan den tijd en het gunstig toeval."

"Het zou mij altijd aangenaam zijn," antwoordde Elinor, "een bewijs

te leveren van mijn achting en vriendschap voor den Heer Ferrars;

maar ziet u niet in, dat mijn voorspraak in dezen geheel overbodig

zou zijn? Hij is de broeder van Mevrouw John Dashwood,--_dat_ is voor

haar echtgenoot aanbeveling genoeg."

"Maar Mevrouw John Dashwood zou het in 't geheel niet goedkeuren dat

Edward predikant werd."

"Dàn vermoed ik, dat mijn voorspraak weinig zou baten." Hier zwegen

beiden geruimen tijd. Eindelijk zei Lucy met een diepen zucht:

"Ik geloof dat het 't verstandigst zou zijn, een einde te maken aan

de zaak, door de verloving te verbreken. We zijn zoo van alle zijden

omringd door moeilijkheden, dat we ten slotte misschien gelukkiger

erdoor zouden worden, al hadden we dan ook een tijdlang verdriet. Maar

u wilt mij geen raad geven, Juffrouw Dashwood?"

"Neen," antwoordde Elinor, met een glimlach, die zeer onrustige

gevoelens verborg, "in een dergelijke aangelegenheid wil ik dat zeer

zeker niet. U weet heel goed, dat mijne meening bij u geen gewicht in

de schaal zou leggen, tenzij ze overeenstemde met uw eigen wenschen."

"U doet mij werkelijk onrecht," zei Lucy met veel vertoon van

waardigheid, "ik ken niemand, wier oordeel ik zóó op prijs stel als

het uwe; en ik geloof waarlijk, dat ik, wanneer u tegen mij zei:

"Ik raad u ten sterkste aan, uw verloving met Edward Ferrars te

verbreken; het zal uw beider geluk bevorderen," ertoe zou kunnen

besluiten, dat onmiddellijk te doen."

Elinor bloosde voor de onoprechtheid van Edward's aanstaande vrouw,

en antwoordde: "Dit vleiend oordeel zou mij huiverig doen worden,

mijn meening omtrent de zaak te uiten, indien ik die al gevormd

had. Het kent veel te veel waarde toe aan mijn invloed; de macht,

twee menschen, die zoo teeder aan elkander gehecht zijn, te scheiden,

is te groot voor den onbevooroordeelden toeschouwer."

"'t Is juist _omdat_ u een onbevooroordeeld toeschouwster bent,"

zei Lucy, ietwat geërgerd, en met bijzonderen nadruk op de laatste

woorden, "dat uw oordeel mij met recht zooveel waard is. Als men kon

veronderstellen, dat u in eenig opzicht zoudt worden beïnvloed door

uw eigen gevoelens, dan zou uw meening al van zeer weinig beteekenis

zijn."

Elinor vond het 't verstandigst om hierop niet te antwoorden,

uit vrees dat zij elkander zouden uitlokken tot een weinig gepaste

vermeerdering van hun reeds vrij ver gaande openhartigheid, en zij

was reeds ten deele besloten het onderwerp nooit meer aan te roeren.

Dus volgde wederom na Lucy's woorden een minutenlange stilte, en weer

was Lucy de eerste die ze verbrak.

"Komt u dezen winter ook naar Londen, Juffrouw Dashwood?" vroeg zij,

met haar gewone kalme zelfverzekerdheid.

"Neen, in geen geval."

"Dat spijt mij," gaf Lucy ten antwoord, terwijl haar oogen schitterden

van blijdschap over die mededeeling, "'t zou zoo aardig geweest zijn,

u daar te ontmoeten! Maar ik denk, dat u toch wel zult gaan, per slot

van rekening. Uw broer en zuster zullen u wel te logeeren vragen."

"Toch zal ik hun uitnoodiging niet kunnen aannemen, wanneer ze

dat doen."

"Wat is dat nu jammer! Ik had er vast op gerekend, u daar weer

te zien. Anne en ik gaan in 't laatst van Januari logeeren bij

familie van ons, die al jaren er op aandringt dat we hen eens moeten

bezoeken. Maar ik ga alleen om Edward te ontmoeten. Hij komt er in

Februari; anders zou Londen niets aantrekkelijks voor mij hebben;

daar is mijn stemming niet naar."

Elinor werd spoedig aan de speeltafel geroepen, nu het eerste spelletje

geëindigd was, en het vertrouwelijk onderhoud der twee dames was dus

afgeloopen; iets, waarin beiden zonder aarzeling berustten; want van

weerskanten was er niets gezegd, dat hun wederzijdschen afkeer van

elkaar verminderen kon, en Elinor ging aan de speeltafel zitten met

de droevige overtuiging, dat Edward niet alleen geen liefde gevoelde

voor het wezen dat zijn vrouw zou worden, maar dat zelfs de kans op een

dragelijk gelukkig huwelijk, die een oprechte genegenheid van _hare_

zijde zou hebben gewaarborgd, hem was ontzegd; want alleen eigenbelang

kon een vrouw nopen, een man te houden aan een verbintenis, waarvan

zij zoo blijkbaar begreep, dat hij haar moede was.

Van nu af werd het onderwerp door Elinor nooit meer aangeroerd,

en wanneer Lucy erover begon, die zelden een gelegenheid liet

voorbijgaan, om het op het tapijt te brengen, en ijverig zorg droeg,

haar vertrouwelinge vol blijdschap de komst te berichten van elken

brief, dien zij van Edward ontving, behandelde Elinor het met kalmte

en voorzichtigheid, en stapte ervan af, zoodra de beleefdheid dit

toeliet, want zij vond zulke gesprekken voor Lucy een genoegen,

dat deze niet verdiende, en voor zichzelve achtte zij ze gevaarlijk.

Het bezoek van de dames Steele te Barton Park werd van veel langeren

duur dan oorspronkelijk bedoeld was bij de eerste uitnoodiging. Ze

wisten zich steeds meer bemind te maken; men kon hen niet meer missen;

Sir John wilde van heengaan niet hooren, en ondanks de vele en lang

van te voren gemaakte afspraken te Exeter, ondanks de volstrekte

noodzakelijkheid van hun terugkeer, om daaraan onverwijld te voldoen,

die aan het eind van iedere week tot een dringende verplichting

aangroeide, lieten zij zich overhalen om bijna twee maanden op het Park

te blijven en een ijverig aandeel te nemen in de gebruikelijke viering

van dat feest, waarvan de luister noodzakelijk schijnt te moeten worden

verhoogd door een ongewoon groot aantal danspartijen en gastmalen.

Gevoel en verstand · 第 33 / 61 题