HOOFDSTUK XXVI

Elinor kon, toen zij eenmaal met Mevrouw Jennings in het rijtuig was

gezeten, aan 't begin van de reis naar Londen, onder hare bescherming,

en als haar gast, niet nalaten zich te verbazen over haar eigen

toestand; zoo kort hadden zij deze dame nog maar gekend; zoo weinig

pasten zij bij haar in leeftijd en geaardheid, en zoovele bezwaren

tegen dezen stap had zij nog slechts een paar dagen te voren gemeend

te moeten aanvoeren! Doch die bezwaren waren alle overwonnen of op

zij gezet door Marianne en hare moeder, met die gelukkige en jeugdige

geestdrift, die beiden in gelijke mate bezielde, en Elinor kon, ondanks

haar telkens terugkeerenden twijfel aan Willoughby's standvastigheid,

de verwachtingsvolle verrukking, die Marianne's ziel vervulde,

en straalde uit haar blik, niet aanschouwen, zonder te gevoelen,

hoe kleurloos daarbij vergeleken haar eigen vooruitzichten schenen,

hoe vreugdeloos haar eigen gemoedsstemming was, en hoe gaarne zij

zelfs in die zorgwekkende onzekerheid van Marianne's toestand zou

hebben willen deelen, om althans hetzelfde bezielende doel voor

oogen te hebben, de zelfde mogelijkheid tot verwezenlijking harer

hoop.--Binnen korten, zéér korten tijd echter zou thans blijken, wat

Willoughby's bedoelingen waren; naar alle waarschijnlijkheid was hij

reeds in de stad. Marianne's verlangen om te gaan bewees, hoe vast

zij erop rekende, hem daar te ontmoeten. En Elinor was vastbesloten,

niet alleen alles gewaar te worden, zoo door eigen waarneming als

door mededeelingen van anderen, wat een nieuw licht kon werpen op zijn

karakter, maar ook zijn houding tegenover haar zuster zoo nauwlettend

gade te slaan, dat zij, eer die beiden elkaar meermalen hadden ontmoet,

zich zekerheid zou hebben verschaft omtrent de vraag, wie hij was,

en wat hij wilde. Mocht de uitslag van hare waarnemingen ongunstig

zijn, dan was zij voornemens, in elk geval haar zuster de oogen te

openen; zoo niet, dan zou zij haar kracht op andere wijze moeten

inspannen,--zij zou dan moeten pogen, elke zelfzuchtige vergelijking

te vermijden, en alle droefheid te verbannen, die haar voldoening

over Marianne's geluk verminderen kon.

Drie dagen duurde de reis, en Marianne's gedrag gedurende dien tijd

was een merkwaardig staaltje van 't geen voor het vervolg, op het punt

van inschikkelijkheid en voorkomendheid jegens Mevrouw Jennings van

haar te wachten viel. Bijna voortdurend zat zij zwijgend in gedachten

verzonken, zonder ooit uit zichzelve een woord te spreken, tenzij

de schilderachtige schoonheid van de omgeving haar een uitroep van

verrukking ontlokte, die uitsluitend tot haar zuster gericht was. Om

haar gedrag goed te maken, aanvaardde Elinor dus onmiddellijk de taak

der beleefdheid, die zij zichzelve reeds had opgedragen; gedroeg zich

tegenover Mevrouw Jennings met de grootste voorkomendheid, praatte en

lachte met haar, en luisterde zoo goed zij kon naar haar verhalen;

terwijl Mevrouw Jennings van haar kant beiden allervriendelijkst

behandelde, zooveel in haar vermogen was zorgde voor hun gemak en

genoegen, en alleen maar betreurde, dat zij hen in de hotels hun

eigen maaltijden niet kon laten kiezen, en hun met geen mogelijkheid

de bekentenis kon afpersen, of zij de voorkeur gaven aan zalm boven

kabeljauw, of aan gekookte kip boven kalfscoteletten. Zij kwamen

den derden dag om drie uur in Londen aan, blijde niet langer in een

rijtuig te zijn opgesloten na zulk een lange reis, en zich bij voorbaat

verheugend op de behagelijkheid van een helder brandend haardvuur.

Het huis was mooi, en mooi ingericht, en de jonge dames werden

aanstonds naar een zeer gezellige eigen zitkamer gebracht. Het was

vroeger Charlotte's kamer geweest, en boven den schoorsteenmantel

hing nog een landschap in gekleurde zijde, door haar geborduurd, als

een bewijs dat zij niet zonder resultaat zeven jaren in een deftige

Londensche kostschool had doorgebracht. Daar zij eerst twee uren na

hun aankomst zouden dineeren, besloot Elinor in dien tusschentijd aan

haar moeder te schrijven, en ging zitten om haar brief te beginnen. Een

oogenblik later volgde Marianne haar voorbeeld.

"_Ik_ schrijf naar huis, Marianne," zei Elinor, "zou jij niet liever

nog een paar dagen wachten met een brief?"

"Ik schrijf niet aan moeder," antwoordde Marianne haastig, alsof zij

wenschte verder navragen te vermijden.

Elinor zei niets meer; zij begreep dadelijk, dat Marianne aan niemand

anders kon schrijven dan aan Willoughby, en even onmiddellijk leidde

zij hieruit af, dat die twee, al verkozen zij nu eenmaal geheimzinnig

te doen, in elk geval verloofd moesten zijn. Die overtuiging, ofschoon

niet volkomen bevredigend, schonk haar toch genoegen, en zij ging

iets opgewekter voort met haar brief. Die van Marianne was in een

paar minuten gereed; het kon niet meer dan een kort briefje zijn;

zij vouwde, verzegelde en adresseerde het in groote haast. Elinor

meende een groote W. te onderscheiden in het adres; maar zoodra het

geschreven was, vroeg Marianne reeds aan den bediende die op haar

bellen verscheen, den brief voor haar op de post te bezorgen, zoodat

alles in een oogwenk was beslist.

Marianne bleef nog steeds bijna overdreven vroolijk, maar er was iets

gejaagds in haar manier van zijn, dat haar zuster belette zich over

haar opgewektheid te verheugen; en die gejaagdheid nam toe, naarmate

de avond verstreek. Zij had in 't geheel geen eetlust, en toen zij

naar den salon waren teruggegaan, scheen zij angstig te luisteren

naar het geluid van ieder rijtuig.

Elinor was uiterst dankbaar, dat Mevrouw Jennings, die veel in haar

eigen kamer bezig was, weinig bespeurde van 't geen er voorviel. Het

theeservies werd binnengebracht, en reeds was Marianne meermalen

teleurgesteld geworden door een kloppen aan eene naburige deur, toen

plotseling een luide klop werd vernomen, die hun huis gold en geen

ander; daarin konden zij zich niet vergissen. Elinor dacht stellig,

dat Willoughby elk oogenblik kon binnenkomen; Marianne sprong op,

en deed een paar stappen naar de deur. Alles bleef stil; langer dan

een paar seconden kon zij dat niet verdragen; zij opende de deur,

liep een eind naar de trap, en keerde, na een oogenblik te hebben

geluisterd, in de kamer terug, zóó opgewonden, als zij slechts kon

zijn door de zekerheid, hem werkelijk te hebben gehoord. In haar

verrukking kon zij niet nalaten uit te roepen: "O Elinor, 't is waar;

het is Willoughby!" en zij scheen op het punt zich in zijn armen te

willen werpen, toen Kolonel Brandon binnentrad.

De schok was te hevig om met kalmte te worden verdragen, en zij ging

onmiddellijk de kamer uit. Elinor was ook teleurgesteld, maar haar

genegenheid voor Kolonel Brandon deed haar zijn bezoek toch welkom

zijn, en het speet haar bijzonder, dat deze man, die zooveel van hare

zuster hield, moest bemerken, dat zij bij zijn weêrzien niets dan

verdriet en teleurstelling gevoelde. Zij bespeurde aanstonds, dat

hij het wel had opgemerkt; dat hij Marianne zelfs oplettend aanzag,

toen zij de kamer verliet, met zóóveel verwondering en spijt, dat hij

bijna vergat, wat de beleefdheid jegens haarzelve van hem vorderde. "Is

uw zuster niet wel?" vroeg hij.

Elinor antwoordde half verlegen, half treurig, dat dit het geval

was, en sprak van hoofdpijn, gedruktheid, over-vermoeienis, en

allerlei meer, waaraan zij haar zuster's gedrag redelijkerwijze kon

toeschrijven.

Hij hoorde haar ernstig en aandachtig aan; maar scheen zichzelf thans

weer meester, en ging niet op het onderwerp door, doch begon dadelijk

over het genoegen, dat het hem deed, hen in Londen te ontmoeten,

en deed de gewone vragen naar hunne reis, en de vrienden, die zij

hadden achtergelaten.

Op dien kalmen en vriendelijken toon, doch zonder veel belangstelling

van weerskanten, zetten zij het gesprek voort, beiden ontstemd, en

beiden met hun gedachten elders. Elinor zou zeer gaarne hebben gevraagd

of Willoughby in de stad was; maar zij vreesde hem verdriet te doen,

door te vragen naar zijn medeminnaar, en eindelijk vroeg zij, om maar

iets te zeggen, of hij in Londen was gebleven, sedert zij elkaar het

laatst hadden gezien. "Ja," antwoordde hij, ietwat verlegen, "bijna

altijd; ik ben nog een paar malen te Delaford geweest een dag of wat,

maar ik kon onmogelijk te Barton terugkomen."

Die woorden, en de wijze waarop hij ze zeide, brachten haar

onmiddellijk de omstandigheden voor den geest, waaronder hij hen had

verlaten; evenals de ongerustheid en de vermoedens, die zijn vertrek

bij Mevrouw Jennings had gewekt, en zij vreesde, dat zij door hare

vraag veel meer nieuwsgierigheid had laten blijken naar dit onderwerp,

dan zij ooit gevoeld had.

Spoedig kwam nu ook Mevrouw Jennings binnen. "Wel, Kolonel," zei ze,

met haar gewone luidruchtige vroolijkheid, "ik ben reusachtig blij,

dat ik u zie,--'t spijt me, dat ik niet eerder beneden kwam,--neem het

mij niet kwalijk; maar ik moest volstrekt alles een beetje nagaan, en

orde stellen op mijn zaakjes, want ik ben lang van huis geweest en u

weet hoe dat gaat, men heeft dan van alles en nog wat te beredderen,

als men terug komt; ik heb Cartwright ook nog bij me gehad, om over

zaken te spreken. Ik ben sedert na den eten onafgebroken in touw! Maar

vertel mij eens, Kolonel, hoe hebt u dat zoo precies kunnen raden,

dat ik vandaag weer in de stad kwam?"

"Ik hoorde het tot mijn groot genoegen van Mevrouw Palmer, bij wie

ik gedineerd heb."

"Zoo, zoo, en hoe maken de kinderen het wel? Hoe gaat het met

Charlotte? Die zal er wel niet magerder op zijn geworden, denk ik."

"Mevrouw Palmer maakte het, naar 't mij voorkwam, heel goed, en zij

droeg mij op, u te vertellen, dat ze u stellig morgen komt bezoeken."

"Natuurlijk; dat dacht ik al. Wel, Kolonel, u ziet, ik heb twee jonge

dames meegebracht; dat is te zeggen, u ziet er nu maar eene van,

maar er is ook nog een andere. Uw vriendin Juffrouw Marianne is hier

ook,--daar zult u wel niet op tegen hebben. Ik weet niet wat we nu wel

zullen te doen krijgen over haar tusschen u en Mijnheer Willoughby. Ja,

ja, 't is lang niet onaardig, om jong en mooi te zijn. Nu, ik ben

ook eenmaal jong geweest; maar mooi was ik nooit--jammer genoeg

voor mij. En toch heb ik een besten man gekregen; méér kan zelfs de

grootste schoonheid niet. Hij is nu al meer dan acht jaar dood, die

goeie man. Maar, Kolonel, waar hebt u nu wel gezeten sinds we afscheid

namen? En hoe staat het met uw zaken? Kom, kom, onder vrienden behoeven

we geen geheimen te hebben voor elkaar."

Hij beantwoordde al haar vragen met zijn gewone zachtaardigheid;

maar voldeed haar op geen enkel punt. Elinor ging nu thee zetten,

en Marianne moest wel weer binnenkomen. Kolonel Brandon was na haar

komst nadenkender en stiller dan te voren, en Mevrouw Jennings kon hem

niet bewegen, lang te blijven. Dien avond kwam er geen ander bezoek, en

de dames waren eensgezind in hun verlangen om vroeg naar bed te gaan.

Bij het opstaan was Marianne's stemming verbeterd, en zij keek weer

vroolijk. De teleurstelling van den vorigen avond scheen vergeten door

de verwachting van wat deze dag brengen zou. Kort na het ontbijt reeds

hield Mevrouw Palmer's rijtuig voor de deur stil, en een paar minuten

later kwam zij lachend de kamer binnen, zoo verrukt hen allen weer te

zien, dat men moeilijk kon nagaan, wat haar het meest plezier deed,

haar moeder of de dames Dashwood weer te ontmoeten. Zoo verbaasd

dat ze toch naar de stad gekomen waren, hoewel ze 't eigenlijk nooit

anders verwacht had; en zoo boos, dat ze haar moeder's uitnoodiging

hadden aangenomen, na de hare te hebben geweigerd, hoewel ze 't hun

tòch nooit zou hebben vergeven als ze _niet_ gekomen waren!

"'t Zal mijn man zooveel pleizier doen, u te zien," zei ze; "wat denkt

u wel, dat hij zei, toen hij hoorde, dat u met mama meekwam? Ik kan

't mij op 't oogenblik niet goed meer herinneren; maar 't was iets

héél grappigs!"

Nadat een paar uren waren gesleten met wat haar moeder "gezellig

babbelen" noemde, anders gezegd met een eindelooze reeks van vragen

naar alle mogelijke kennissen van den kant van Mevrouw Jennings,

en aanhoudend gelach zonder reden van dien van Mevrouw Palmer,

stelde de laatste voor, dat ze allen met haar zouden meegaan naar een

paar winkels, waar zij dien morgen boodschappen wilde doen; waartoe

Mevrouw Jennings en Elinor, die ook het een en ander wenschten te

koopen, gaarne bereid waren, terwijl Marianne, die eerst weigerde,

werd overgehaald om ook te gaan.

Waarheen ze zich ook begaven, zij bleef blijkbaar aanhoudend op den

uitkijk. In Bondstreet vooral, waar zij het meest te doen hadden,

dwaalden haar blikken voortdurend rond, en welken winkel het

gezelschap ook binnenging, haar geest was nergens bij hetgeen zij

feitelijk vóór zich zag, bij al wat de aandacht der anderen boeide en

bezighield. Overal rusteloos en onvoldaan als zij was, kon haar zuster

haar nooit een oordeel ontlokken over eenige koopwaar, ook al had zij

er zelve evenveel belang bij als Elinor. Zij had nergens pleizier in;

verlangde alleen maar, weer naar huis te gaan, en kon slechts met

moeite haar ergernis bedwingen over het getreuzel van Mevrouw Palmer,

die al wat mooi, duur en nieuw was, onmiddellijk in het oog kreeg,

in haar opgewondenheid alles wilde koopen, nooit een keus kon doen,

en in verrukte weifelmoedigheid haar tijd verbeuzelde.

De morgen was al bijna verstreken toen zij thuis kwamen; zoodra de

deur openging vloog Marianne haastig naar boven, en toen Elinor haar

gevolgd was, zag zij hoe haar zuster zich van de tafel afwendde, met

een droevig gezicht, waarop duidelijk stond te lezen, dat Willoughby

er niet geweest was.

"Is er geen brief voor mij gekomen, nadat wij uitgingen?" zei

ze tot den bediende, die de pakjes binnenbracht. Deze antwoordde

ontkennend. "Weet je het zeker!" vroeg zij. "Heeft geen knecht of

geen kruier een briefje gebracht?"

De knecht antwoordde dat dit niet het geval was.

"Hoe allervreemdst," zei ze zachtjes op teleurgestelden toon, terwijl

zij naar het venster ging.

"Ja waarlijk, wèl vreemd," herhaalde Elinor in stilte, terwijl ze haar

zuster met bezorgdheid aanzag. "Als zij niet had geweten, dat hij in

de stad was, dan zou ze niet aan hem hebben geschreven zooals ze deed;

dan had ze geschreven naar Combe Magna, en als hij in de stad _is_,

hoe zonderling dan, dat hij niet komt, en ook niet schrijft! O mijn

beste moeder, het kan niet anders dan verkeerd zijn, een dochter die

nog zoo jong is, toe te staan, zich te verloven met een man van wien

wij zoo weinig weten, en dat op zulk een twijfelachtige geheimzinnige

manier! _Ik_ verlang navraag te doen; maar hoe zal _mijn_ tusschenkomst

worden opgenomen?"

Na eenige overweging besloot zij, wanneer deze onaangename toestand

nog eenige dagen langer mocht voortduren, haar moeder met den meesten

nadruk onder het oog te brengen, hoe noodzakelijk het was ernstig

navraag te doen.

Mevrouw Palmer bleef bij hen eten, met twee oudere dames,

goede bekenden van Mevrouw Jennings, die zij dien morgen had

ontmoet. De eerste ging na de thee heen, om verder avondbezoeken

af te leggen, en Elinor moest haar plaats innemen met de anderen om

de whist-tafel. Marianne kon bij dergelijke gelegenheden nooit van

dienst zijn, daar zij het spel niet had willen leeren; maar al kon zij

haar tijd dus gebruiken zooals zij wilde, deze avond verschafte haar

even weinig genoegen als aan Elinor, want zij sleet dien in angstige

verwachting en grievende teleurstelling. Soms trachtte ze een paar

minuten te lezen; maar het boek werd spoedig terzijde geworpen,

en zij keerde terug tot de meer bevredigende bezigheid van de kamer

op en neer te loopen, waarbij ze telkens even bleef stilstaan, als

zij bij het venster gekomen was, in de hoop den langverwachten klop

te onderscheiden.--

Gevoel en verstand · 第 35 / 61 题