Elinor kon, toen zij eenmaal met Mevrouw Jennings in het rijtuig was
gezeten, aan 't begin van de reis naar Londen, onder hare bescherming,
en als haar gast, niet nalaten zich te verbazen over haar eigen
toestand; zoo kort hadden zij deze dame nog maar gekend; zoo weinig
pasten zij bij haar in leeftijd en geaardheid, en zoovele bezwaren
tegen dezen stap had zij nog slechts een paar dagen te voren gemeend
te moeten aanvoeren! Doch die bezwaren waren alle overwonnen of op
zij gezet door Marianne en hare moeder, met die gelukkige en jeugdige
geestdrift, die beiden in gelijke mate bezielde, en Elinor kon, ondanks
haar telkens terugkeerenden twijfel aan Willoughby's standvastigheid,
de verwachtingsvolle verrukking, die Marianne's ziel vervulde,
en straalde uit haar blik, niet aanschouwen, zonder te gevoelen,
hoe kleurloos daarbij vergeleken haar eigen vooruitzichten schenen,
hoe vreugdeloos haar eigen gemoedsstemming was, en hoe gaarne zij
zelfs in die zorgwekkende onzekerheid van Marianne's toestand zou
hebben willen deelen, om althans hetzelfde bezielende doel voor
oogen te hebben, de zelfde mogelijkheid tot verwezenlijking harer
hoop.--Binnen korten, zéér korten tijd echter zou thans blijken, wat
Willoughby's bedoelingen waren; naar alle waarschijnlijkheid was hij
reeds in de stad. Marianne's verlangen om te gaan bewees, hoe vast
zij erop rekende, hem daar te ontmoeten. En Elinor was vastbesloten,
niet alleen alles gewaar te worden, zoo door eigen waarneming als
door mededeelingen van anderen, wat een nieuw licht kon werpen op zijn
karakter, maar ook zijn houding tegenover haar zuster zoo nauwlettend
gade te slaan, dat zij, eer die beiden elkaar meermalen hadden ontmoet,
zich zekerheid zou hebben verschaft omtrent de vraag, wie hij was,
en wat hij wilde. Mocht de uitslag van hare waarnemingen ongunstig
zijn, dan was zij voornemens, in elk geval haar zuster de oogen te
openen; zoo niet, dan zou zij haar kracht op andere wijze moeten
inspannen,--zij zou dan moeten pogen, elke zelfzuchtige vergelijking
te vermijden, en alle droefheid te verbannen, die haar voldoening
over Marianne's geluk verminderen kon.
Drie dagen duurde de reis, en Marianne's gedrag gedurende dien tijd
was een merkwaardig staaltje van 't geen voor het vervolg, op het punt
van inschikkelijkheid en voorkomendheid jegens Mevrouw Jennings van
haar te wachten viel. Bijna voortdurend zat zij zwijgend in gedachten
verzonken, zonder ooit uit zichzelve een woord te spreken, tenzij
de schilderachtige schoonheid van de omgeving haar een uitroep van
verrukking ontlokte, die uitsluitend tot haar zuster gericht was. Om
haar gedrag goed te maken, aanvaardde Elinor dus onmiddellijk de taak
der beleefdheid, die zij zichzelve reeds had opgedragen; gedroeg zich
tegenover Mevrouw Jennings met de grootste voorkomendheid, praatte en
lachte met haar, en luisterde zoo goed zij kon naar haar verhalen;
terwijl Mevrouw Jennings van haar kant beiden allervriendelijkst
behandelde, zooveel in haar vermogen was zorgde voor hun gemak en
genoegen, en alleen maar betreurde, dat zij hen in de hotels hun
eigen maaltijden niet kon laten kiezen, en hun met geen mogelijkheid
de bekentenis kon afpersen, of zij de voorkeur gaven aan zalm boven
kabeljauw, of aan gekookte kip boven kalfscoteletten. Zij kwamen
den derden dag om drie uur in Londen aan, blijde niet langer in een
rijtuig te zijn opgesloten na zulk een lange reis, en zich bij voorbaat
verheugend op de behagelijkheid van een helder brandend haardvuur.
Het huis was mooi, en mooi ingericht, en de jonge dames werden
aanstonds naar een zeer gezellige eigen zitkamer gebracht. Het was
vroeger Charlotte's kamer geweest, en boven den schoorsteenmantel
hing nog een landschap in gekleurde zijde, door haar geborduurd, als
een bewijs dat zij niet zonder resultaat zeven jaren in een deftige
Londensche kostschool had doorgebracht. Daar zij eerst twee uren na
hun aankomst zouden dineeren, besloot Elinor in dien tusschentijd aan
haar moeder te schrijven, en ging zitten om haar brief te beginnen. Een
oogenblik later volgde Marianne haar voorbeeld.
"_Ik_ schrijf naar huis, Marianne," zei Elinor, "zou jij niet liever
nog een paar dagen wachten met een brief?"
"Ik schrijf niet aan moeder," antwoordde Marianne haastig, alsof zij
wenschte verder navragen te vermijden.
Elinor zei niets meer; zij begreep dadelijk, dat Marianne aan niemand
anders kon schrijven dan aan Willoughby, en even onmiddellijk leidde
zij hieruit af, dat die twee, al verkozen zij nu eenmaal geheimzinnig
te doen, in elk geval verloofd moesten zijn. Die overtuiging, ofschoon
niet volkomen bevredigend, schonk haar toch genoegen, en zij ging
iets opgewekter voort met haar brief. Die van Marianne was in een
paar minuten gereed; het kon niet meer dan een kort briefje zijn;
zij vouwde, verzegelde en adresseerde het in groote haast. Elinor
meende een groote W. te onderscheiden in het adres; maar zoodra het
geschreven was, vroeg Marianne reeds aan den bediende die op haar
bellen verscheen, den brief voor haar op de post te bezorgen, zoodat
alles in een oogwenk was beslist.
Marianne bleef nog steeds bijna overdreven vroolijk, maar er was iets
gejaagds in haar manier van zijn, dat haar zuster belette zich over
haar opgewektheid te verheugen; en die gejaagdheid nam toe, naarmate
de avond verstreek. Zij had in 't geheel geen eetlust, en toen zij
naar den salon waren teruggegaan, scheen zij angstig te luisteren
naar het geluid van ieder rijtuig.
Elinor was uiterst dankbaar, dat Mevrouw Jennings, die veel in haar
eigen kamer bezig was, weinig bespeurde van 't geen er voorviel. Het
theeservies werd binnengebracht, en reeds was Marianne meermalen
teleurgesteld geworden door een kloppen aan eene naburige deur, toen
plotseling een luide klop werd vernomen, die hun huis gold en geen
ander; daarin konden zij zich niet vergissen. Elinor dacht stellig,
dat Willoughby elk oogenblik kon binnenkomen; Marianne sprong op,
en deed een paar stappen naar de deur. Alles bleef stil; langer dan
een paar seconden kon zij dat niet verdragen; zij opende de deur,
liep een eind naar de trap, en keerde, na een oogenblik te hebben
geluisterd, in de kamer terug, zóó opgewonden, als zij slechts kon
zijn door de zekerheid, hem werkelijk te hebben gehoord. In haar
verrukking kon zij niet nalaten uit te roepen: "O Elinor, 't is waar;
het is Willoughby!" en zij scheen op het punt zich in zijn armen te
willen werpen, toen Kolonel Brandon binnentrad.
De schok was te hevig om met kalmte te worden verdragen, en zij ging
onmiddellijk de kamer uit. Elinor was ook teleurgesteld, maar haar
genegenheid voor Kolonel Brandon deed haar zijn bezoek toch welkom
zijn, en het speet haar bijzonder, dat deze man, die zooveel van hare
zuster hield, moest bemerken, dat zij bij zijn weêrzien niets dan
verdriet en teleurstelling gevoelde. Zij bespeurde aanstonds, dat
hij het wel had opgemerkt; dat hij Marianne zelfs oplettend aanzag,
toen zij de kamer verliet, met zóóveel verwondering en spijt, dat hij
bijna vergat, wat de beleefdheid jegens haarzelve van hem vorderde. "Is
uw zuster niet wel?" vroeg hij.
Elinor antwoordde half verlegen, half treurig, dat dit het geval
was, en sprak van hoofdpijn, gedruktheid, over-vermoeienis, en
allerlei meer, waaraan zij haar zuster's gedrag redelijkerwijze kon
toeschrijven.
Hij hoorde haar ernstig en aandachtig aan; maar scheen zichzelf thans
weer meester, en ging niet op het onderwerp door, doch begon dadelijk
over het genoegen, dat het hem deed, hen in Londen te ontmoeten,
en deed de gewone vragen naar hunne reis, en de vrienden, die zij
hadden achtergelaten.
Op dien kalmen en vriendelijken toon, doch zonder veel belangstelling
van weerskanten, zetten zij het gesprek voort, beiden ontstemd, en
beiden met hun gedachten elders. Elinor zou zeer gaarne hebben gevraagd
of Willoughby in de stad was; maar zij vreesde hem verdriet te doen,
door te vragen naar zijn medeminnaar, en eindelijk vroeg zij, om maar
iets te zeggen, of hij in Londen was gebleven, sedert zij elkaar het
laatst hadden gezien. "Ja," antwoordde hij, ietwat verlegen, "bijna
altijd; ik ben nog een paar malen te Delaford geweest een dag of wat,
maar ik kon onmogelijk te Barton terugkomen."
Die woorden, en de wijze waarop hij ze zeide, brachten haar
onmiddellijk de omstandigheden voor den geest, waaronder hij hen had
verlaten; evenals de ongerustheid en de vermoedens, die zijn vertrek
bij Mevrouw Jennings had gewekt, en zij vreesde, dat zij door hare
vraag veel meer nieuwsgierigheid had laten blijken naar dit onderwerp,
dan zij ooit gevoeld had.
Spoedig kwam nu ook Mevrouw Jennings binnen. "Wel, Kolonel," zei ze,
met haar gewone luidruchtige vroolijkheid, "ik ben reusachtig blij,
dat ik u zie,--'t spijt me, dat ik niet eerder beneden kwam,--neem het
mij niet kwalijk; maar ik moest volstrekt alles een beetje nagaan, en
orde stellen op mijn zaakjes, want ik ben lang van huis geweest en u
weet hoe dat gaat, men heeft dan van alles en nog wat te beredderen,
als men terug komt; ik heb Cartwright ook nog bij me gehad, om over
zaken te spreken. Ik ben sedert na den eten onafgebroken in touw! Maar
vertel mij eens, Kolonel, hoe hebt u dat zoo precies kunnen raden,
dat ik vandaag weer in de stad kwam?"
"Ik hoorde het tot mijn groot genoegen van Mevrouw Palmer, bij wie
ik gedineerd heb."
"Zoo, zoo, en hoe maken de kinderen het wel? Hoe gaat het met
Charlotte? Die zal er wel niet magerder op zijn geworden, denk ik."
"Mevrouw Palmer maakte het, naar 't mij voorkwam, heel goed, en zij
droeg mij op, u te vertellen, dat ze u stellig morgen komt bezoeken."
"Natuurlijk; dat dacht ik al. Wel, Kolonel, u ziet, ik heb twee jonge
dames meegebracht; dat is te zeggen, u ziet er nu maar eene van,
maar er is ook nog een andere. Uw vriendin Juffrouw Marianne is hier
ook,--daar zult u wel niet op tegen hebben. Ik weet niet wat we nu wel
zullen te doen krijgen over haar tusschen u en Mijnheer Willoughby. Ja,
ja, 't is lang niet onaardig, om jong en mooi te zijn. Nu, ik ben
ook eenmaal jong geweest; maar mooi was ik nooit--jammer genoeg
voor mij. En toch heb ik een besten man gekregen; méér kan zelfs de
grootste schoonheid niet. Hij is nu al meer dan acht jaar dood, die
goeie man. Maar, Kolonel, waar hebt u nu wel gezeten sinds we afscheid
namen? En hoe staat het met uw zaken? Kom, kom, onder vrienden behoeven
we geen geheimen te hebben voor elkaar."
Hij beantwoordde al haar vragen met zijn gewone zachtaardigheid;
maar voldeed haar op geen enkel punt. Elinor ging nu thee zetten,
en Marianne moest wel weer binnenkomen. Kolonel Brandon was na haar
komst nadenkender en stiller dan te voren, en Mevrouw Jennings kon hem
niet bewegen, lang te blijven. Dien avond kwam er geen ander bezoek, en
de dames waren eensgezind in hun verlangen om vroeg naar bed te gaan.
Bij het opstaan was Marianne's stemming verbeterd, en zij keek weer
vroolijk. De teleurstelling van den vorigen avond scheen vergeten door
de verwachting van wat deze dag brengen zou. Kort na het ontbijt reeds
hield Mevrouw Palmer's rijtuig voor de deur stil, en een paar minuten
later kwam zij lachend de kamer binnen, zoo verrukt hen allen weer te
zien, dat men moeilijk kon nagaan, wat haar het meest plezier deed,
haar moeder of de dames Dashwood weer te ontmoeten. Zoo verbaasd
dat ze toch naar de stad gekomen waren, hoewel ze 't eigenlijk nooit
anders verwacht had; en zoo boos, dat ze haar moeder's uitnoodiging
hadden aangenomen, na de hare te hebben geweigerd, hoewel ze 't hun
tòch nooit zou hebben vergeven als ze _niet_ gekomen waren!
"'t Zal mijn man zooveel pleizier doen, u te zien," zei ze; "wat denkt
u wel, dat hij zei, toen hij hoorde, dat u met mama meekwam? Ik kan
't mij op 't oogenblik niet goed meer herinneren; maar 't was iets
héél grappigs!"
Nadat een paar uren waren gesleten met wat haar moeder "gezellig
babbelen" noemde, anders gezegd met een eindelooze reeks van vragen
naar alle mogelijke kennissen van den kant van Mevrouw Jennings,
en aanhoudend gelach zonder reden van dien van Mevrouw Palmer,
stelde de laatste voor, dat ze allen met haar zouden meegaan naar een
paar winkels, waar zij dien morgen boodschappen wilde doen; waartoe
Mevrouw Jennings en Elinor, die ook het een en ander wenschten te
koopen, gaarne bereid waren, terwijl Marianne, die eerst weigerde,
werd overgehaald om ook te gaan.
Waarheen ze zich ook begaven, zij bleef blijkbaar aanhoudend op den
uitkijk. In Bondstreet vooral, waar zij het meest te doen hadden,
dwaalden haar blikken voortdurend rond, en welken winkel het
gezelschap ook binnenging, haar geest was nergens bij hetgeen zij
feitelijk vóór zich zag, bij al wat de aandacht der anderen boeide en
bezighield. Overal rusteloos en onvoldaan als zij was, kon haar zuster
haar nooit een oordeel ontlokken over eenige koopwaar, ook al had zij
er zelve evenveel belang bij als Elinor. Zij had nergens pleizier in;
verlangde alleen maar, weer naar huis te gaan, en kon slechts met
moeite haar ergernis bedwingen over het getreuzel van Mevrouw Palmer,
die al wat mooi, duur en nieuw was, onmiddellijk in het oog kreeg,
in haar opgewondenheid alles wilde koopen, nooit een keus kon doen,
en in verrukte weifelmoedigheid haar tijd verbeuzelde.
De morgen was al bijna verstreken toen zij thuis kwamen; zoodra de
deur openging vloog Marianne haastig naar boven, en toen Elinor haar
gevolgd was, zag zij hoe haar zuster zich van de tafel afwendde, met
een droevig gezicht, waarop duidelijk stond te lezen, dat Willoughby
er niet geweest was.
"Is er geen brief voor mij gekomen, nadat wij uitgingen?" zei
ze tot den bediende, die de pakjes binnenbracht. Deze antwoordde
ontkennend. "Weet je het zeker!" vroeg zij. "Heeft geen knecht of
geen kruier een briefje gebracht?"
De knecht antwoordde dat dit niet het geval was.
"Hoe allervreemdst," zei ze zachtjes op teleurgestelden toon, terwijl
zij naar het venster ging.
"Ja waarlijk, wèl vreemd," herhaalde Elinor in stilte, terwijl ze haar
zuster met bezorgdheid aanzag. "Als zij niet had geweten, dat hij in
de stad was, dan zou ze niet aan hem hebben geschreven zooals ze deed;
dan had ze geschreven naar Combe Magna, en als hij in de stad _is_,
hoe zonderling dan, dat hij niet komt, en ook niet schrijft! O mijn
beste moeder, het kan niet anders dan verkeerd zijn, een dochter die
nog zoo jong is, toe te staan, zich te verloven met een man van wien
wij zoo weinig weten, en dat op zulk een twijfelachtige geheimzinnige
manier! _Ik_ verlang navraag te doen; maar hoe zal _mijn_ tusschenkomst
worden opgenomen?"
Na eenige overweging besloot zij, wanneer deze onaangename toestand
nog eenige dagen langer mocht voortduren, haar moeder met den meesten
nadruk onder het oog te brengen, hoe noodzakelijk het was ernstig
navraag te doen.
Mevrouw Palmer bleef bij hen eten, met twee oudere dames,
goede bekenden van Mevrouw Jennings, die zij dien morgen had
ontmoet. De eerste ging na de thee heen, om verder avondbezoeken
af te leggen, en Elinor moest haar plaats innemen met de anderen om
de whist-tafel. Marianne kon bij dergelijke gelegenheden nooit van
dienst zijn, daar zij het spel niet had willen leeren; maar al kon zij
haar tijd dus gebruiken zooals zij wilde, deze avond verschafte haar
even weinig genoegen als aan Elinor, want zij sleet dien in angstige
verwachting en grievende teleurstelling. Soms trachtte ze een paar
minuten te lezen; maar het boek werd spoedig terzijde geworpen,
en zij keerde terug tot de meer bevredigende bezigheid van de kamer
op en neer te loopen, waarbij ze telkens even bleef stilstaan, als
zij bij het venster gekomen was, in de hoop den langverwachten klop
te onderscheiden.--