HOOFDSTUK XXIII

Hoe weinig Elinor ook in het algemeen waagde te bouwen op Lucy's

waarheidlievende gezindheid, bij ernstig nadenken was het haar

onmogelijk, Lucy in dit geval van bedrog te verdenken, terwijl

geenerlei verleiding kon aansprakelijk gesteld worden voor de

dwaasheid, een dergelijke leugen te verzinnen. Wat Lucy voor waar had

verklaard, kon, neen durfde Elinor niet langer betwijfelen, gesteund

als die verklaring werd door zulk een menigte van waarschijnlijkheden

en bewijzen, en door niets weersproken dan door haar eigen wensch. De

gelegenheid tot kennismaking ten huize van den Heer Pratt vormde een

grondslag voor al het overige, zoowel onbetwistbaar als onrustbarend,

en Edward's bezoek in de buurt van Plymouth, zijn droefgeestige

stemming, zijn onvoldaanheid over zijne vooruitzichten, zijn onzekere

houding tegenover haarzelve, de nauwkeurige bekendheid van de dames

Steele met Norland en hun familie-relaties, die haar dikwijls had

bevreemd, het portret, de brief, de ring, dit alles tezamen genomen

vormde een aaneenschakeling van bezwarende getuigenissen, die ten

eenenmale de vrees te niet deed, hem ten onrechte te veroordeelen,

en die duidelijk in het licht stelde, als een feit, door geen

partijdigheid te verbloemen, dat hij haarzelve slecht behandeld

had. Haar afkeer van zulk een gedrag, haar verontwaardiging, dat zij

daarvan het slachtoffer was geworden, deden haar een tijdlang enkel

voor zichzelve gevoelen; doch spoedig kwamen andere gedachten, andere

beschouwingen bij haar op. Had Edward haar met opzet misleid? Had

hij voor haar een genegenheid geveinsd, die hij niet gevoelde? Was

zijne verloving met Lucy eene verbintenis van het hart? Neen, wat het

ook ooit mocht geweest zijn, dat het dit thans nog was, kon zij niet

gelooven. Zijn genegenheid gold haar, en haar alléén. Daarin kon zij

zich niet vergissen. Haar moeder, haar zusters, Fanny, allen hadden te

Norland begrepen hoe hij haar waardeerde; het was geen begoocheling

van haar eigen ijdelheid. Hij had haar lief; dat was zeker. Hoezeer

verzachtte die overtuiging haar gemoed! Hoeveel bewoog zij haar niet

te vergeven! Het was verkeerd, zeer verkeerd van hem geweest te Norland

te blijven, nadat zij voor het eerst gevoelde, hoe haar invloed op hem

grooter was dan die behoorde te zijn. In dàt opzicht was hij niet te

verdedigen; maar zoo hij haar al kwaad had gedaan, hoeveel meer kwaad

deed hij zichzelf! Mocht háár toestand dan al beklagenswaard genoemd

worden, de zijne was hopeloos. Zijn onbedachtzaamheid had háár een

tijdlang ongelukkig doen zijn; doch hemzelf scheen zij voor altoos

de kans op geluk te hebben benomen. _Zij_ zou na verloop van tijd

misschien haar rust herwinnen; doch _hij_, hoe zag hij de toekomst

in? Zou hij ooit ook maar dragelijk gelukkig kunnen zijn met Lucy

Steele? Zou hij, zijn genegenheid voor haarzelve nog daargelaten, met

zijn rechtschapen gemoed, zijn kiesch gevoel en ontwikkelden geest,

tevreden kunnen zijn met een vrouw als zij, onwetend, onbetrouwbaar

en zelfzuchtig?

De jeugdige verliefdheid van een jongen van negentien had hem

natuurlijk verblind voor alles, behalve haar schoonheid en haar

oppervlakkige goedhartigheid; maar de vier volgende jaren,--jaren die,

bij redelijk gebruik, zooveel bijdragen tot de vorming van het begrip,

moesten zijn oogen hebben geopend voor de leemten in hare opvoeding;

terwijl zij in dat zelfde tijdsverloop door het samenzijn met personen

van geringe ontwikkeling en het najagen van luchthartig vermaak,

misschien den eenvoud had verloren, die eertijds hare schoonheid

meerdere bekoring kon hebben verleend.

En indien, gesteld al dat hij haarzelve had willen huwen, de

moeilijkheden, hem door zijn moeder in den weg gelegd, reeds groot

hadden geschenen, hoeveel grooter zouden zij thans niet zijn, nu

het voorwerp zijner keuze ongetwijfeld van minder goede familie en

waarschijnlijk minder gefortuneerd was dan zijzelve! Die moeilijkheden

zouden allicht, nu zijn hart reeds zoozeer van Lucy was vervreemd,

zijn geduld niet zeer zwaar op de proef stellen; doch hoe droevig

was niet de toestand van hem, in wien de verwachting van tegenstand

en onhartelijkheid van de zijde zijner naaste verwanten niet anders

dan een gevoel van verlichting wekken kon!

Naarmate deze overwegingen zich in pijnigende opeenvolging aan haar

opdrongen, golden hare tranen meer hèm, dan haar eigen smart. Gesteund

door de overtuiging, dat zij haar tegenwoordige droefenis niet aan

zich zelve had te wijten, en getroost in het geloof, dat Edward niets

had gedaan om hare achting te verbeuren, meende zij zelfs nu, onder

de eerste felle pijn na den zwaren slag, zichzelve genoeg te kunnen

beheerschen, om bij haar moeder en zusters ook niet het geringste

vermoeden van de waarheid te laten opkomen. En zóó wel bleek zij in

staat aan haar eigen verwachting te beantwoorden, dat niemand, toen zij

met de anderen aan tafel ging, twee uren slechts na de verijdeling van

al haar vurigste verlangens, uit het voorkomen der beide zusters zou

hebben afgeleid dat Elinor in stilte treurde over beletselen, die haar

voor altijd moesten gescheiden houden van het voorwerp harer liefde,

terwijl Marianne zich inwendig vermeide in de volmaaktheid van den

man, wiens geheele hart zij onverdeeld waande te bezitten, en dien

zij verwachtte te zien in ieder rijtuig dat hun huis voorbijreed.

De noodzakelijkheid, voor haar moeder en Marianne te verbergen, wat

haar in vertrouwen was medegedeeld, verzwaarde Elinor's lijden niet,

al werd zij erdoor gedwongen tot voortdurende inspanning. Integendeel,

het was haar een verlichting voor hen te kunnen verzwijgen wat hun

zooveel verdriet zou doen en tevens zich verschoond te zien van het

aanhooren hunner veroordeeling van Edward, die waarschijnlijk zou

voortspruiten uit overmaat van partijdige genegenheid voor haarzelve,

doch die thans méér zou zijn, dan zij verdragen kon.

Zij wist, aan hun raadgevingen of hun gesprekken kon zij geen steun

ontleenen; hun medegevoel en hun verdriet zouden haar smart nog

vermeerderen; terwijl haar zelfbedwang noch door hun voorbeeld,

noch door hun lof zou worden aangemoedigd. Zij was krachtiger

alleen, en haar eigen rustig inzicht hield haar zóó wel staande,

dat haar vastheid zoo ongeschokt, haar vertoon van opgewektheid zoo

onveranderlijk bleef, als mogelijk was na het bitter leed, dat haar

zoo grievend en nog maar zoo kort geleden had getroffen.

Hoeveel pijn haar ook dat eerste gesprek met Lucy over het onderwerp

had veroorzaakt, zij verlangde weldra ernstig, en om meer dan eene

reden, het te hervatten. Zij verlangde vele bijzonderheden omtrent hun

verloving nogmaals te hooren, zij wenschte duidelijker te begrijpen,

wat Lucy inderdaad voor Edward gevoelde, of er eenige oprechtheid

was in haar verklaring, dat zij hem innig liefhad, en vóór alles

wenschte zij Lucy te overtuigen, door haar bereidwilligheid om weer

over de zaak te beginnen, en haar kalmte bij het bespreken ervan,

dat hare belangstelling een louter vriendschappelijke was, 't geen

zij vreesde door haar onwillekeurige gemoedsbeweging dien morgen van

hun gesprek, althans twijfelachtig te hebben doen schijnen. Dat Lucy

geneigd was, jaloersch van haar te zijn, scheen zeer waarschijnlijk;

het bleek duidelijk dat Edward haar steeds ten zeerste had geprezen,

niet alleen uit Lucy's bewering, maar uit het feit, dat de laatste het

waagde, haar, na zoo korte kennismaking, een geheim toe te vertrouwen,

blijkbaar en volgens haar eigen getuigenis, van het grootste

gewicht. En zelfs de schertsende toespelingen van Sir John konden niet

zonder invloed zijn gebleven. Trouwens, terwijl Elinor inwendig zoo

stellig verzekerd bleef, dat Edward haar werkelijk liefhad, behoefde

zij zich niet in gissingen omtrent waarschijnlijkheden te verdiepen,

om het zeer natuurlijk te achten, dat Lucy jaloersch zou zijn, en dat

zij dit was, bewees haar vertrouwelijke mededeeling zelf. Welke andere

reden kon er bestaan voor de onthulling van het geheim, dan dat Elinor

erdoor zou worden verwittigd van Lucy's recht, de eerste aanspraak

op Edward te mogen doen gelden, en begrijpen zou, dat zij hem voor

het vervolg diende te vermijden? Het viel haar niet moeilijk, althans

zóóveel van de bedoelingen harer mededingster te vatten, en terwijl zij

vast besloten was, zich jegens haar te gedragen volgens elk beginsel,

dat eer en eerlijkheid haar voorschreef, haar eigen liefde voor Edward

te bestrijden en hem zoo weinig mogelijk te ontmoeten, zij kon zich

de voldoening niet ontzeggen, althans een poging te doen om Lucy te

overtuigen, dat haar hart niet gewond was. En daar zij thans niets

pijnlijkers meer omtrent dit onderwerp kon vernemen, dan wat haar

reeds was medegedeeld, wantrouwde zij ook haar eigen vermogen niet,

om een herhaling van alle bijzonderheden met kalmte aan te hooren.

Maar eene gelegenheid hiertoe kon niet onmiddellijk of naar believen

worden gevonden, hoewel Lucy even zeer als zijzelve geneigd was, van

de eerste de beste gebruik te maken; want het weer was niet dikwijls

mooi genoeg voor een gezamenlijke wandeling, waarbij zij zich het

gemakkelijkst van de anderen konden afzonderen, en hoewel zij elkander

bijna om den anderen avond, meestal op het Park, of anders in hun

huisje ontmoetten, was er geen sprake van dat die samenkomsten plaats

hadden met het doel eenig geregeld gesprek te voeren. Die gedachte

kwam bij Sir John of Lady Middleton zelfs niet op; en daardoor werd

den gasten zeer weinig tijd gelaten voor een algemeen gesprek, en

voor een tête à tête in het geheel niet. Zij kwamen bijeen om met

elkaar te eten, te drinken en luidruchtig vroolijk te zijn, bij kaart-

of pandspel, of eenig ander vermaak, dat genoeg leven maakte. Reeds

een paar malen hadden dergelijke gezellige bijeenkomsten plaats gehad,

zonder Elinor eenige gelegenheid te bieden tot een afzonderlijk gesprek

met Lucy, toen Sir John op een morgen naar Barton Cottage kwam, om hen

te verzoeken, of zij uit menschlievendheid met hen allen dien dag bij

Lady Middleton wilden komen eten, daar hij een vergadering van zijn

club te Exeter moest bijwonen, en zij dus anders geheel alleen zou

zijn met haar moeder en de beide dames Steele. Elinor, die begreep,

dat zij beter kans had, haar doel te bereiken in een gezelschap,

zooals dit waarschijnlijk zou zijn, vrijer in hun bewegingen onder

elkaar onder de rustige en beschaafde leiding van Lady Middleton,

dan wanneer haar echtgenoot hen allen vereenigde tot dat ééne doel,

veel leven maken, nam de uitnoodiging dadelijk aan; Margaret was,

met haar moeder's goedvinden, eveneens bereid te komen, en Marianne,

ofschoon steeds ongeneigd aan deze bijeenkomsten deel te nemen,

liet zich door haar moeder, die niet kon verdragen, dat zij zich

onttrok aan elke gelegenheid tot onschuldig vermaak, overhalen om

insgelijks te gaan. De jonge dames gingen dus alle drie, en Lady

Middleton werd gelukkig bewaard voor de ontzettende verlatenheid, die

haar bedreigd had. De vervelendheid van de visite was volkomen zooals

Elinor reeds had verwacht; zij leverde niet het minste onvoorziene,

in gedachte noch uitdrukking, en niets kon onbelangrijker zijn dan het

geheele gesprek dat gevoerd werd in eetkamer en salon; naar de laatste

gingen de kinderen mede; en zoolang zij daar bleven was zij te vast

overtuigd van de onmogelijkheid om Lucy's aandacht te vergen, dan dat

zij daartoe een poging zou hebben aangewend. De kleinen gingen heen

toen het theegoed werd weggebracht; daarop kwamen de speeltafeltjes

voor den dag, en Elinor begon zich reeds met verwondering af te vragen,

hoe zij ooit de hoop had kunnen koesteren, op het Park tijd te vinden

voor eenig gesprek. Allen stonden op, om straks een gemeenschappelijk

kaartspelletje te beginnen.

"Ik ben blij," zei Lady Middleton tot Lucy, "dat je van avond niet dat

mandje voor ons lieve Annemarietje gaat afmaken; want ik geloof stellig

dat het verkeerd voor je oogen zou zijn met dat fijne zilverdraad te

werken bij kaarslicht. We zullen wel iets vinden om het lieve kind

te troosten morgen over haar teleurstelling; ik hoop dat ze 't zich

niet te erg zal aantrekken."

Die lichte aanwijzing was voldoende; Lucy was onmiddellijk op haar

hoede en antwoordde: "Neen, neen, u hebt het mis; ik wachtte alleen

maar om te weten, of u mij ook noodig hadt bij uw spelletje, anders

was ik al aan het werk geweest. Ik zou voor geen geld van de wereld

het lieve engeltje teleurstellen; en als u mij nu liever aan de

speeltafel zet, dan maak ik het mandje af na het souper."

"'t Is heel vriendelijk van je, ik hoop dat je niet je oogen ermee

zult bederven; wil je dan wel bellen om meer kaarsen? Mijn lieve

kleintje zou wèl bitter teleurgesteld zijn, als het mandje morgen

niet af was; want ik zei haar wel, dat het stellig niet klaar kwam,

maar zij rekent erop, dat dit wèl gebeurt."

Lucy zette dadelijk haar werktafeltje naast zich neer en ging weer

zitten, zoo vergenoegd en ijverig, alsof ze toonen wilde, dat ze geen

grooter genot kon smaken dan een mandje van zilverdraad te vlechten

voor een bedorven kind.

Lady Middleton stelde den anderen een spelletje casino voor. Niemand

maakte eenige tegenwerping behalve Marianne, die met haar gewone

veronachtzaming van beleefde omgangsvormen, uitriep: "U wilt wel

zoo goed zijn, _mij_ te verontschuldigen; ik heb een hekel aan

kaartspelen, zooals u weet. Ik ga maar eens aan de piano; ik heb

er nog niet op gespeeld sedert die 't laatst gestemd is." En zonder

verdere plichtplegingen keerde zij zich om en stapte op de piano af.

Lady Middleton keek, alsof zij den hemel dankte, dat _zij_ nooit iets

zóó onbeleefds had gezegd.

"U weet wel, mevrouw, Marianne kan nooit lang van haar dierbaar

instrument afblijven," zei Elinor, met een poging om Marianne's

vergrijp weer goed te maken, "en dat verwondert mij niet, want uw

piano is de mooiste van toon, die ik ooit heb gehoord."

De vijf andere dames zouden nu hun kaarten ter hand nemen.

"Misschien," ging Elinor voort, "zou ik, wanneer ik toevallig mocht

uitvallen, juffrouw Lucy wel kunnen helpen; want er is nog zooveel

aan het mandje te doen, dat zij, wanneer ze het alleen zou ondernemen,

't onmogelijk van avond zou kunnen afkrijgen. Ik vind het prettig werk;

als zij mij wil toestaan, eraan mee te doen?"

"O ja," riep Lucy; "daarmee zoudt u mij een grooten dienst bewijzen;

want ik zie wel, dat er nog méér aan te doen valt, dan ik had

gedacht, en 't zou toch te erg zijn, die lieve Annemarie te moeten

teleurstellen."

"Och, _dat_ zou verschrikkelijk zijn," zei de oudste Juffrouw

Steele. "Dat lieve schatje, ik ben zoo dol op haar!"

"'t Is heel vriendelijk van je," zei Lady Middleton tegen Elinor,

"en omdat je 't werk bepaald prettig vindt, kan 't je misschien

niet schelen om dit spelletje over te slaan, of wil je liever eerst

nog meedoen?"

Elinor maakte met genoegen gebruik van het eerste voorstel, en

zoodoende, met een weinigje van die handigheid, die Marianne steeds

versmaadde in praktijk te brengen, kreeg zij haar eigen zin, terwijl ze

meteen Lady Middleton pleizier deed. Lucy maakte bereidwillig plaats

voor haar, en de twee bevallige mededingsters zaten dus naast elkaar

aan de zelfde tafel, in de grootste eendracht bezig aan de voltooiing

van een gemeenschappelijk werk. De piano, waarbij Marianne, verdiept

in haar eigen muziek en haar eigen gedachten, reeds vergeten had,

dat er iemand in het vertrek was behalve zijzelve, stond gelukkig zoo

dicht bij hen, dat Elinor thans, onder de bescherming van haar luide

klanken, geloofde, dat zij veilig het belangwekkende onderwerp kon

aanroeren, zonder de kans te loopen, dat men hen aan de speeltafel

zou kunnen verstaan.

Gevoel en verstand · 第 32 / 61 题