Hoe weinig Elinor ook in het algemeen waagde te bouwen op Lucy's
waarheidlievende gezindheid, bij ernstig nadenken was het haar
onmogelijk, Lucy in dit geval van bedrog te verdenken, terwijl
geenerlei verleiding kon aansprakelijk gesteld worden voor de
dwaasheid, een dergelijke leugen te verzinnen. Wat Lucy voor waar had
verklaard, kon, neen durfde Elinor niet langer betwijfelen, gesteund
als die verklaring werd door zulk een menigte van waarschijnlijkheden
en bewijzen, en door niets weersproken dan door haar eigen wensch. De
gelegenheid tot kennismaking ten huize van den Heer Pratt vormde een
grondslag voor al het overige, zoowel onbetwistbaar als onrustbarend,
en Edward's bezoek in de buurt van Plymouth, zijn droefgeestige
stemming, zijn onvoldaanheid over zijne vooruitzichten, zijn onzekere
houding tegenover haarzelve, de nauwkeurige bekendheid van de dames
Steele met Norland en hun familie-relaties, die haar dikwijls had
bevreemd, het portret, de brief, de ring, dit alles tezamen genomen
vormde een aaneenschakeling van bezwarende getuigenissen, die ten
eenenmale de vrees te niet deed, hem ten onrechte te veroordeelen,
en die duidelijk in het licht stelde, als een feit, door geen
partijdigheid te verbloemen, dat hij haarzelve slecht behandeld
had. Haar afkeer van zulk een gedrag, haar verontwaardiging, dat zij
daarvan het slachtoffer was geworden, deden haar een tijdlang enkel
voor zichzelve gevoelen; doch spoedig kwamen andere gedachten, andere
beschouwingen bij haar op. Had Edward haar met opzet misleid? Had
hij voor haar een genegenheid geveinsd, die hij niet gevoelde? Was
zijne verloving met Lucy eene verbintenis van het hart? Neen, wat het
ook ooit mocht geweest zijn, dat het dit thans nog was, kon zij niet
gelooven. Zijn genegenheid gold haar, en haar alléén. Daarin kon zij
zich niet vergissen. Haar moeder, haar zusters, Fanny, allen hadden te
Norland begrepen hoe hij haar waardeerde; het was geen begoocheling
van haar eigen ijdelheid. Hij had haar lief; dat was zeker. Hoezeer
verzachtte die overtuiging haar gemoed! Hoeveel bewoog zij haar niet
te vergeven! Het was verkeerd, zeer verkeerd van hem geweest te Norland
te blijven, nadat zij voor het eerst gevoelde, hoe haar invloed op hem
grooter was dan die behoorde te zijn. In dàt opzicht was hij niet te
verdedigen; maar zoo hij haar al kwaad had gedaan, hoeveel meer kwaad
deed hij zichzelf! Mocht háár toestand dan al beklagenswaard genoemd
worden, de zijne was hopeloos. Zijn onbedachtzaamheid had háár een
tijdlang ongelukkig doen zijn; doch hemzelf scheen zij voor altoos
de kans op geluk te hebben benomen. _Zij_ zou na verloop van tijd
misschien haar rust herwinnen; doch _hij_, hoe zag hij de toekomst
in? Zou hij ooit ook maar dragelijk gelukkig kunnen zijn met Lucy
Steele? Zou hij, zijn genegenheid voor haarzelve nog daargelaten, met
zijn rechtschapen gemoed, zijn kiesch gevoel en ontwikkelden geest,
tevreden kunnen zijn met een vrouw als zij, onwetend, onbetrouwbaar
en zelfzuchtig?
De jeugdige verliefdheid van een jongen van negentien had hem
natuurlijk verblind voor alles, behalve haar schoonheid en haar
oppervlakkige goedhartigheid; maar de vier volgende jaren,--jaren die,
bij redelijk gebruik, zooveel bijdragen tot de vorming van het begrip,
moesten zijn oogen hebben geopend voor de leemten in hare opvoeding;
terwijl zij in dat zelfde tijdsverloop door het samenzijn met personen
van geringe ontwikkeling en het najagen van luchthartig vermaak,
misschien den eenvoud had verloren, die eertijds hare schoonheid
meerdere bekoring kon hebben verleend.
En indien, gesteld al dat hij haarzelve had willen huwen, de
moeilijkheden, hem door zijn moeder in den weg gelegd, reeds groot
hadden geschenen, hoeveel grooter zouden zij thans niet zijn, nu
het voorwerp zijner keuze ongetwijfeld van minder goede familie en
waarschijnlijk minder gefortuneerd was dan zijzelve! Die moeilijkheden
zouden allicht, nu zijn hart reeds zoozeer van Lucy was vervreemd,
zijn geduld niet zeer zwaar op de proef stellen; doch hoe droevig
was niet de toestand van hem, in wien de verwachting van tegenstand
en onhartelijkheid van de zijde zijner naaste verwanten niet anders
dan een gevoel van verlichting wekken kon!
Naarmate deze overwegingen zich in pijnigende opeenvolging aan haar
opdrongen, golden hare tranen meer hèm, dan haar eigen smart. Gesteund
door de overtuiging, dat zij haar tegenwoordige droefenis niet aan
zich zelve had te wijten, en getroost in het geloof, dat Edward niets
had gedaan om hare achting te verbeuren, meende zij zelfs nu, onder
de eerste felle pijn na den zwaren slag, zichzelve genoeg te kunnen
beheerschen, om bij haar moeder en zusters ook niet het geringste
vermoeden van de waarheid te laten opkomen. En zóó wel bleek zij in
staat aan haar eigen verwachting te beantwoorden, dat niemand, toen zij
met de anderen aan tafel ging, twee uren slechts na de verijdeling van
al haar vurigste verlangens, uit het voorkomen der beide zusters zou
hebben afgeleid dat Elinor in stilte treurde over beletselen, die haar
voor altijd moesten gescheiden houden van het voorwerp harer liefde,
terwijl Marianne zich inwendig vermeide in de volmaaktheid van den
man, wiens geheele hart zij onverdeeld waande te bezitten, en dien
zij verwachtte te zien in ieder rijtuig dat hun huis voorbijreed.
De noodzakelijkheid, voor haar moeder en Marianne te verbergen, wat
haar in vertrouwen was medegedeeld, verzwaarde Elinor's lijden niet,
al werd zij erdoor gedwongen tot voortdurende inspanning. Integendeel,
het was haar een verlichting voor hen te kunnen verzwijgen wat hun
zooveel verdriet zou doen en tevens zich verschoond te zien van het
aanhooren hunner veroordeeling van Edward, die waarschijnlijk zou
voortspruiten uit overmaat van partijdige genegenheid voor haarzelve,
doch die thans méér zou zijn, dan zij verdragen kon.
Zij wist, aan hun raadgevingen of hun gesprekken kon zij geen steun
ontleenen; hun medegevoel en hun verdriet zouden haar smart nog
vermeerderen; terwijl haar zelfbedwang noch door hun voorbeeld,
noch door hun lof zou worden aangemoedigd. Zij was krachtiger
alleen, en haar eigen rustig inzicht hield haar zóó wel staande,
dat haar vastheid zoo ongeschokt, haar vertoon van opgewektheid zoo
onveranderlijk bleef, als mogelijk was na het bitter leed, dat haar
zoo grievend en nog maar zoo kort geleden had getroffen.
Hoeveel pijn haar ook dat eerste gesprek met Lucy over het onderwerp
had veroorzaakt, zij verlangde weldra ernstig, en om meer dan eene
reden, het te hervatten. Zij verlangde vele bijzonderheden omtrent hun
verloving nogmaals te hooren, zij wenschte duidelijker te begrijpen,
wat Lucy inderdaad voor Edward gevoelde, of er eenige oprechtheid
was in haar verklaring, dat zij hem innig liefhad, en vóór alles
wenschte zij Lucy te overtuigen, door haar bereidwilligheid om weer
over de zaak te beginnen, en haar kalmte bij het bespreken ervan,
dat hare belangstelling een louter vriendschappelijke was, 't geen
zij vreesde door haar onwillekeurige gemoedsbeweging dien morgen van
hun gesprek, althans twijfelachtig te hebben doen schijnen. Dat Lucy
geneigd was, jaloersch van haar te zijn, scheen zeer waarschijnlijk;
het bleek duidelijk dat Edward haar steeds ten zeerste had geprezen,
niet alleen uit Lucy's bewering, maar uit het feit, dat de laatste het
waagde, haar, na zoo korte kennismaking, een geheim toe te vertrouwen,
blijkbaar en volgens haar eigen getuigenis, van het grootste
gewicht. En zelfs de schertsende toespelingen van Sir John konden niet
zonder invloed zijn gebleven. Trouwens, terwijl Elinor inwendig zoo
stellig verzekerd bleef, dat Edward haar werkelijk liefhad, behoefde
zij zich niet in gissingen omtrent waarschijnlijkheden te verdiepen,
om het zeer natuurlijk te achten, dat Lucy jaloersch zou zijn, en dat
zij dit was, bewees haar vertrouwelijke mededeeling zelf. Welke andere
reden kon er bestaan voor de onthulling van het geheim, dan dat Elinor
erdoor zou worden verwittigd van Lucy's recht, de eerste aanspraak
op Edward te mogen doen gelden, en begrijpen zou, dat zij hem voor
het vervolg diende te vermijden? Het viel haar niet moeilijk, althans
zóóveel van de bedoelingen harer mededingster te vatten, en terwijl zij
vast besloten was, zich jegens haar te gedragen volgens elk beginsel,
dat eer en eerlijkheid haar voorschreef, haar eigen liefde voor Edward
te bestrijden en hem zoo weinig mogelijk te ontmoeten, zij kon zich
de voldoening niet ontzeggen, althans een poging te doen om Lucy te
overtuigen, dat haar hart niet gewond was. En daar zij thans niets
pijnlijkers meer omtrent dit onderwerp kon vernemen, dan wat haar
reeds was medegedeeld, wantrouwde zij ook haar eigen vermogen niet,
om een herhaling van alle bijzonderheden met kalmte aan te hooren.
Maar eene gelegenheid hiertoe kon niet onmiddellijk of naar believen
worden gevonden, hoewel Lucy even zeer als zijzelve geneigd was, van
de eerste de beste gebruik te maken; want het weer was niet dikwijls
mooi genoeg voor een gezamenlijke wandeling, waarbij zij zich het
gemakkelijkst van de anderen konden afzonderen, en hoewel zij elkander
bijna om den anderen avond, meestal op het Park, of anders in hun
huisje ontmoetten, was er geen sprake van dat die samenkomsten plaats
hadden met het doel eenig geregeld gesprek te voeren. Die gedachte
kwam bij Sir John of Lady Middleton zelfs niet op; en daardoor werd
den gasten zeer weinig tijd gelaten voor een algemeen gesprek, en
voor een tête à tête in het geheel niet. Zij kwamen bijeen om met
elkaar te eten, te drinken en luidruchtig vroolijk te zijn, bij kaart-
of pandspel, of eenig ander vermaak, dat genoeg leven maakte. Reeds
een paar malen hadden dergelijke gezellige bijeenkomsten plaats gehad,
zonder Elinor eenige gelegenheid te bieden tot een afzonderlijk gesprek
met Lucy, toen Sir John op een morgen naar Barton Cottage kwam, om hen
te verzoeken, of zij uit menschlievendheid met hen allen dien dag bij
Lady Middleton wilden komen eten, daar hij een vergadering van zijn
club te Exeter moest bijwonen, en zij dus anders geheel alleen zou
zijn met haar moeder en de beide dames Steele. Elinor, die begreep,
dat zij beter kans had, haar doel te bereiken in een gezelschap,
zooals dit waarschijnlijk zou zijn, vrijer in hun bewegingen onder
elkaar onder de rustige en beschaafde leiding van Lady Middleton,
dan wanneer haar echtgenoot hen allen vereenigde tot dat ééne doel,
veel leven maken, nam de uitnoodiging dadelijk aan; Margaret was,
met haar moeder's goedvinden, eveneens bereid te komen, en Marianne,
ofschoon steeds ongeneigd aan deze bijeenkomsten deel te nemen,
liet zich door haar moeder, die niet kon verdragen, dat zij zich
onttrok aan elke gelegenheid tot onschuldig vermaak, overhalen om
insgelijks te gaan. De jonge dames gingen dus alle drie, en Lady
Middleton werd gelukkig bewaard voor de ontzettende verlatenheid, die
haar bedreigd had. De vervelendheid van de visite was volkomen zooals
Elinor reeds had verwacht; zij leverde niet het minste onvoorziene,
in gedachte noch uitdrukking, en niets kon onbelangrijker zijn dan het
geheele gesprek dat gevoerd werd in eetkamer en salon; naar de laatste
gingen de kinderen mede; en zoolang zij daar bleven was zij te vast
overtuigd van de onmogelijkheid om Lucy's aandacht te vergen, dan dat
zij daartoe een poging zou hebben aangewend. De kleinen gingen heen
toen het theegoed werd weggebracht; daarop kwamen de speeltafeltjes
voor den dag, en Elinor begon zich reeds met verwondering af te vragen,
hoe zij ooit de hoop had kunnen koesteren, op het Park tijd te vinden
voor eenig gesprek. Allen stonden op, om straks een gemeenschappelijk
kaartspelletje te beginnen.
"Ik ben blij," zei Lady Middleton tot Lucy, "dat je van avond niet dat
mandje voor ons lieve Annemarietje gaat afmaken; want ik geloof stellig
dat het verkeerd voor je oogen zou zijn met dat fijne zilverdraad te
werken bij kaarslicht. We zullen wel iets vinden om het lieve kind
te troosten morgen over haar teleurstelling; ik hoop dat ze 't zich
niet te erg zal aantrekken."
Die lichte aanwijzing was voldoende; Lucy was onmiddellijk op haar
hoede en antwoordde: "Neen, neen, u hebt het mis; ik wachtte alleen
maar om te weten, of u mij ook noodig hadt bij uw spelletje, anders
was ik al aan het werk geweest. Ik zou voor geen geld van de wereld
het lieve engeltje teleurstellen; en als u mij nu liever aan de
speeltafel zet, dan maak ik het mandje af na het souper."
"'t Is heel vriendelijk van je, ik hoop dat je niet je oogen ermee
zult bederven; wil je dan wel bellen om meer kaarsen? Mijn lieve
kleintje zou wèl bitter teleurgesteld zijn, als het mandje morgen
niet af was; want ik zei haar wel, dat het stellig niet klaar kwam,
maar zij rekent erop, dat dit wèl gebeurt."
Lucy zette dadelijk haar werktafeltje naast zich neer en ging weer
zitten, zoo vergenoegd en ijverig, alsof ze toonen wilde, dat ze geen
grooter genot kon smaken dan een mandje van zilverdraad te vlechten
voor een bedorven kind.
Lady Middleton stelde den anderen een spelletje casino voor. Niemand
maakte eenige tegenwerping behalve Marianne, die met haar gewone
veronachtzaming van beleefde omgangsvormen, uitriep: "U wilt wel
zoo goed zijn, _mij_ te verontschuldigen; ik heb een hekel aan
kaartspelen, zooals u weet. Ik ga maar eens aan de piano; ik heb
er nog niet op gespeeld sedert die 't laatst gestemd is." En zonder
verdere plichtplegingen keerde zij zich om en stapte op de piano af.
Lady Middleton keek, alsof zij den hemel dankte, dat _zij_ nooit iets
zóó onbeleefds had gezegd.
"U weet wel, mevrouw, Marianne kan nooit lang van haar dierbaar
instrument afblijven," zei Elinor, met een poging om Marianne's
vergrijp weer goed te maken, "en dat verwondert mij niet, want uw
piano is de mooiste van toon, die ik ooit heb gehoord."
De vijf andere dames zouden nu hun kaarten ter hand nemen.
"Misschien," ging Elinor voort, "zou ik, wanneer ik toevallig mocht
uitvallen, juffrouw Lucy wel kunnen helpen; want er is nog zooveel
aan het mandje te doen, dat zij, wanneer ze het alleen zou ondernemen,
't onmogelijk van avond zou kunnen afkrijgen. Ik vind het prettig werk;
als zij mij wil toestaan, eraan mee te doen?"
"O ja," riep Lucy; "daarmee zoudt u mij een grooten dienst bewijzen;
want ik zie wel, dat er nog méér aan te doen valt, dan ik had
gedacht, en 't zou toch te erg zijn, die lieve Annemarie te moeten
teleurstellen."
"Och, _dat_ zou verschrikkelijk zijn," zei de oudste Juffrouw
Steele. "Dat lieve schatje, ik ben zoo dol op haar!"
"'t Is heel vriendelijk van je," zei Lady Middleton tegen Elinor,
"en omdat je 't werk bepaald prettig vindt, kan 't je misschien
niet schelen om dit spelletje over te slaan, of wil je liever eerst
nog meedoen?"
Elinor maakte met genoegen gebruik van het eerste voorstel, en
zoodoende, met een weinigje van die handigheid, die Marianne steeds
versmaadde in praktijk te brengen, kreeg zij haar eigen zin, terwijl ze
meteen Lady Middleton pleizier deed. Lucy maakte bereidwillig plaats
voor haar, en de twee bevallige mededingsters zaten dus naast elkaar
aan de zelfde tafel, in de grootste eendracht bezig aan de voltooiing
van een gemeenschappelijk werk. De piano, waarbij Marianne, verdiept
in haar eigen muziek en haar eigen gedachten, reeds vergeten had,
dat er iemand in het vertrek was behalve zijzelve, stond gelukkig zoo
dicht bij hen, dat Elinor thans, onder de bescherming van haar luide
klanken, geloofde, dat zij veilig het belangwekkende onderwerp kon
aanroeren, zonder de kans te loopen, dat men hen aan de speeltafel
zou kunnen verstaan.